Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de Kabinetsreactie op de Periodieke rapportage ‘Beschikbaarheid in Perspectief, Beschikbaarheid medische producten, 2017 t/m 2023’ (Kamerstuk 29477-970)
29 477 Geneesmiddelenbeleid
32 772
Beleidsdoorlichting Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Nr. 988
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 1 september 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over
de brief van 10 april 2026 inzake de kabinetsreactie op de Periodieke rapportage «Beschikbaarheid
in Perspectief, Beschikbaarheid medische producten, 2017 t/m 2023» (Kamerstuk 29 477, nr. 970).
De vragen en opmerkingen zijn op 27 mei 2026 aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 1 september 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
11
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
11
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
13
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Marcuszower
17
II.
Reactie van de Minister
19
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie
op de periodieke rapportage «Beschikbaarheid in Perspectief» over de beschikbaarheid
van medische producten. Deze leden danken de onderzoekers voor het uitgebreide onderzoek
en de Minister voor de begeleidende brief. Zij hebben aan de Minister hierover nog
enkele vragen.
De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van duidelijke publieke regie
op de beschikbaarheid van kritieke medische producten. Zij vragen de Minister daarom
nader toe te lichten hoe zij deze regierol de komende jaren concreet verder gaat verbreden
aangezien in het advies is opgenomen om meer regie te nemen. Welke aanvullende mogelijkheden
ziet de Minister daartoe?
Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat het kabinet werkt aan verdere differentiatie
van de voorraadverplichting voor kritieke geneesmiddelen en hiervoor aansluit bij
lopende onderzoeken naar kwetsbaarheden in leveringsketens. Deze leden vragen wanneer
de Minister de resultaten van deze onderzoeken verwacht. In hoeverre wordt differentiatie
in deze onderzoeken al meegenomen? Welke mogelijkheden ziet de Minister om deze differentiatie
na afronding van de onderzoeken concreet toe te passen binnen de voorraadverplichting?
Vervolgens lezen de leden van de D66-fractie dat de aanspraak op geneesmiddelen momenteel
gebaseerd is op de plaats van toepassing, waardoor vergelijkbare geneesmiddelen soms
vanuit verschillende kaders worden bekostigd. Deze leden delen de analyse dat dit
kan leiden tot verkeerde prikkels en een ondoelmatige inzet van geneesmiddelen. Zij
onderschrijven daarnaast het belang van het zoveel mogelijk loslaten van de plaats
van toepassing als bepalend criterium, omdat dit meer ruimte geeft om zorg daar te
leveren waar dat voor de patiënt het meest passend is. Deze leden lezen dat het kabinet
het onderzoek naar deze afbakeningsproblematiek betrekt bij de invulling van de taakstelling
uit het coalitieakkoord op het geneesmiddelenbudget. Deze leden vragen op welke manier
de Minister gaat onderzoeken hoe de door haar benoemde knelpunten kunnen worden opgelost.
Welke partijen en veldorganisaties worden hierbij betrokken? Op welke manier wordt
gekeken naar de gevolgen voor passende zorg en de mogelijkheid om zorg dichter bij
de patiënt te organiseren? Tevens vragen deze leden hoe de Kamer over de uitkomsten
van dit onderzoek en eventuele vervolgstappen zal worden geïnformeerd.
Verder lezen de leden van de D66-fractie dat binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord
(AZWA) afspraken zijn gemaakt over het verbeteren van data-uitwisseling tijdens geneesmiddelentekorten
en dat een eerste verkenning is uitgevoerd naar de haalbaarheid van een centraal informatiepunt.
Deze leden onderschrijven het belang van tijdige en bruikbare informatievoorziening
om sneller te kunnen anticiperen op tekorten. Zij vragen de Minister daarom hoe zij
het beoogde centrale informatiepunt voor zich ziet. Welke partijen zullen toegang
krijgen tot welke gegevens? Hoe wordt voorkomen dat versnipperde databronnen en commerciële
belangen effectieve gegevensdeling beperken? Wordt daarbij ook gekeken naar mogelijkheden
om zorgverleners en patiënten sneller en beter inzicht te geven in actuele leveringsproblemen?
De leden van de D66-fractie lezen daarnaast dat in de Taakgroep Geneesmiddeleninkoop
en Beschikbaarheid wordt gesproken over verbetering van de inkoop ten behoeve van
beschikbaarheid. Deze leden vragen hoe de Minister voorkomt dat preferentiebeleid
leidt tot extra afhankelijkheid van een beperkt aantal leveranciers. Wordt binnen
het ministerie in dat kader ook gereflecteerd op de mogelijke gevolgen van een Most
Favored Nations-beleid door de Verenigde Staten voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen
in Europa en Nederland? Hoe wordt op deze ontwikkeling ingespeeld?
De leden van de D66-fractie lezen ook dat het kabinet inzet op versterking van Europese
productiecapaciteit van kritieke geneesmiddelen in het kader van de Critical Medicines
Act. Deze leden vragen welke geneesmiddelen de Minister daarbij als prioriteit ziet
voor Europese productiecapaciteit. Hoe wil de Minister hier nationaal en in Europees
verband concreet vervolg aan geven?
De leden van de D66-fractie lezen dat de rapportage wijst op de kwetsbaarheid van
de internationale plasmaketen en de afhankelijkheid van import uit derde landen. Deze
leden onderschrijven het belang van een toekomstbestendige en weerbare beschikbaarheid
van plasmageneesmiddelen. Zij vragen de Minister hoe zij de huidige kwetsbaarheid
van de Nederlandse en Europese plasmaketen beoordeelt. Welke concrete mogelijkheden
ziet de Minister om de inzameling en verwerking van plasma in Nederland en Europa
verder te versterken? En hoe wordt dit betrokken bij de bredere Europese inzet op
strategische autonomie en leveringszekerheid?
De leden van de D66-fractie lezen daarnaast dat het vergroten van diversiteit in donorbestanden
van groot belang is voor de beschikbaarheid van lichaamsmaterialen en daarmee voor
de kans op een passende match voor patiënten. Deze leden constateren tegelijkertijd
dat de huidige campagne «Donor van Ons» volgens de Minister primair gericht is op
bewustwording en niet op actieve donorwerving of registratie. Kan de Minister nader
toelichten waarom ervoor is gekozen om de effectiviteit met name te meten aan de hand
van bereik, interactie en bewustwording, en niet ook aan de hand van daadwerkelijke
donorregistraties of donorwerving?
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast of de Minister het wenselijk acht om
pas na afronding van de activiteiten in de periode 2023 tot en met 2027 te bezien
of aanvullende maatregelen nodig zijn, terwijl nu al sprake is van ongelijke kansen
op een passende match en daarmee op succesvolle behandeling en overleving. Is de Minister
bereid om nu al aanvullende maatregelen te verkennen mede op basis van de voorliggende
rapportage en de Kamer hierover te informeren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de periodieke
rapportage «Beschikbaarheid in Perspectief, Beschikbaarheid medische producten, 2017
t/m 2023». Zij stellen nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat er wordt geadviseerd om gebruik te maken van
SMART geformuleerde doelstellingen. Kunnen deze leden daaruit concluderen dat er op
dit moment op het ministerie geen gebruik wordt gemaakt van dergelijke methoden die
de effectiviteit en efficiëntie van het maken en uitrollen van beleid bevorderen?
Denkt de Minister dat (meer) gebruik van SMART of andere methoden de kwaliteit van
beleid kan verbeteren? Zo ja, op welke manier wil zij dit realiseren?
De leden van de VVD-fractie lezen dat strategische autonomie en verbetering van de
beschikbaarheid van geneesmiddelen vaak hand in hand gaan. Dit willen zij graag onderstrepen.
Welke acties ziet de Minister om voor opschaalbare genees- en hulpmiddelenproductie
te zorgen? Graag specifiek een reflectie in het kader van strategische autonomie.
De leden van de VVD-fractie lezen dat in het rapport wordt aangegeven dat het Operationeel
Team Geneesmiddelen moet worden uitgebreid. Deze hebben een vergelijkbare taak als
het Zorginkoop Netwerk Nederland. Genoemde leden vragen waarom er nog meer organisaties
worden opgetuigd die grofweg dezelfde doelstellingen hebben. Betrokkenheid van te
veel partijen kan zorgen voor inefficiëntie, kan de Minister aangeven hoeveel partijen
betrokken zijn bij het beschikbaar houden van medische producten? En hoeveel van deze
partijen overheids- of semioverheidsinstanties zijn, dan wel subsidie ontvangen van
VWS?
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat veel medicijnen verspild worden in de zorg
doordat heruitgifte niet mogelijk is. Deze leden zijn blij dat heruitgifte van medicijnen
mogelijk wordt gemaakt, voor beperkte aantallen medicijnen. Kan de Minister aangeven
hoeveel medicijnen jaarlijks worden vernietigd waarvan ook tekorten dreigen, waarbij
niet geldt dat voor deze medicijnen onder de herziene EU-geneesmiddelenwetgeving heruitgifte
mogelijk wordt gemaakt?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
reactie op de brief over de periodieke rapportage «Beschikbaarheid in Perspectief,
Beschikbaarheid medische producten, 2017 t/m 2023». Genoemde leden hebben nog enkele
vragen en opmerkingen.
Kan de Minister nader toelichten hoe het Ministerie van VWS meer regie gaat nemen,
als stelselverantwoordelijke, om de beschikbaarheid van medicijnen te verbeteren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de brief dat Gupta mogelijkheden
ziet om de beschikbaarheid van medische producten te verbeteren door «daartoe mogelijkheden
door met opschaalbare productiecapaciteit de toeleveringsketen te versterken door
afhankelijkheid te verminderen; door het verkennen van het opschalen van de inzameling
en verwerking van plasma in Nederland en het diversifiëren van de internationale toeleveringsketen
daarvan; door het verhogen en differentiëren van de geneesmiddelenvoorraden; door
het aanpassen van (samenhangende) instrumenten die dienen tot beheersing van de zorguitgaven
zoals de Wet geneesmiddelenprijzen (Wgp), het Geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS)
en het preferentiebeleid; en het nemen van de regie op het toepassen van bredere inkoopcriteria.»
Kan per punt worden toegelicht in hoeverre dit wordt opgevolgd?
Verder lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat Gupta het Ministerie van
VWS adviseert om het oplossen van de afbakeningsproblematiek verder te onderzoeken.
Wanneer kan de Kamer dit onderzoek verwachten? Hoe is het kabinet op de taakstelling
van € 150 miljoen structureel op het budget voor geneesmiddelen gekomen? Is dit realistisch
zonder dat de toegankelijkheid van medicijnen achteruitloopt?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de periodieke
rapportage «Beschikbaarheid in Perspectief, Beschikbaarheid medische producten, 2017
t/m 2023». Zij hebben hierover de volgende vragen.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister om in de beantwoording ook de recente
actualiteit te betrekken, waaronder de oplopende tekorten aan medische hulpmiddelen
in ziekenhuizen, de langere wachttijd voor nieuwe kankermedicijnen en de stand van
zaken rond Voxzogo.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de rapportage bewust breder is opgezet dan alleen
de specifieke begrotingsartikelen, maar dat tegelijkertijd een aantal belangrijke
onderwerpen buiten de scope valt, waaronder dure geneesmiddelen, medische isotopen,
vaccins en de maatregelen tijdens de coronacrisis. Deze leden vragen waarom juist
deze onderwerpen buiten beeld zijn gelaten. Kan de Minister aangeven welk deel van
het beschikbaarheidsvraagstuk hierdoor niet is meegenomen? Is de Minister bereid om
de Kamer alsnog aanvullend te informeren over de beschikbaarheid van dure geneesmiddelen,
medische isotopen en vaccins?
De leden van de PVV-fractie lezen dat het kabinet stelt dat de huidige aanpak in grote
lijnen werkt, terwijl het beschikbaarheidsvraagstuk nog niet is opgelost. Deze leden
vragen hoe de Minister dat met elkaar rijmt. Wanneer vindt de Minister een aanpak
nog «in grote lijnen werkend» als patiënten, apothekers, artsen, zorginstellingen
en andere zorgverleners nog steeds worden geconfronteerd met tekorten of dreigende
tekorten?
De leden van de PVV-fractie vinden de kabinetsreactie op onderdelen te vrijblijvend.
Veel aanbevelingen worden «ter harte genomen», «betrokken bij verdere beleidsontwikkeling»
of «nader verkend». Deze leden vragen de Minister om per aanbeveling uit de rapportage
aan te geven of deze volledig wordt overgenomen, gedeeltelijk wordt overgenomen of
niet wordt overgenomen. Kan de Minister daar per aanbeveling een planning, verantwoordelijke
partij, budgettaire gevolgen en beoogd effect aan koppelen?
De leden van de PVV-fractie vragen welke concrete verbeteringen patiënten, apothekers,
artsen en zorgverleners in 2026 mogen verwachten. Welke maatregelen zijn voor hen
dit jaar merkbaar? Welke maatregelen blijven voorlopig beperkt tot overleg, onderzoek
of verkenning?
Naar aanleiding van het thema Geneesmiddelen. De leden van de PVV-fractie vragen daarbij
ook naar de recente berichtgeving dat Nederlanders steeds langer moeten wachten op
nieuwe kankermedicijnen en dat Nederland achterblijft bij de beschikbaarheid daarvan.
Hoe verhoudt dit zich tot de kabinetsreactie en welke concrete maatregelen neemt de
Minister om te voorkomen dat Nederlandse patiënten later toegang krijgen tot nieuwe
oncologische geneesmiddelen dan patiënten in andere Europese landen?
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast naar de stand van zaken rond Voxzogo.
Klopt het dat de reguliere route via een extramurale vergoedingsaanvraag loopt en
dat de fabrikant inmiddels heeft aangegeven geen vergoeding in Nederland aan te vragen?
Welke mogelijkheden ziet de Minister nog om te voorkomen dat kinderen met achondroplasie
in Nederland met lege handen blijven staan?
De leden van de PVV-fractie lezen dat geneesmiddelentekorten al jaren een structureel
probleem vormen en dat de gehele keten van fabrikanten, groothandels, voorschrijvers,
apotheken en patiënten hiermee wordt geconfronteerd. Deze leden vragen of de Minister
erkent dat het huidige beleid onvoldoende heeft voorkomen dat geneesmiddelentekorten
blijven voortduren. Zo ja, welke verantwoordelijkheid neemt de Minister daarvoor?
Zo nee, hoe verklaart de Minister dan dat het probleem al jaren bestaat?
De leden van de PVV-fractie lezen dat de onderzoekers constateren dat de beschikbaarheid
van geneesmiddelen een complex vraagstuk is in een krachtenveld van individuele belangen
en dat dit vraagt om meer regie van VWS. Deze leden vragen wat de Minister concreet
verstaat onder «meer regie». Betekent dit dat de Minister zelf sterker gaat sturen
op voorraden, leveringszekerheid, inkoopvoorwaarden, meldingen, kritieke geneesmiddelen
en de opvolging van tekorten? Of blijft de aanpak vooral afhankelijk van veldpartijen,
overlegstructuren en Europese trajecten?
De leden van de PVV-fractie vragen welke bevoegdheden de Minister nu heeft om in te
grijpen bij dreigende of bestaande geneesmiddelentekorten. Welke bevoegdheden ontbreken
volgens de Minister? Is zij bereid aanvullende bevoegdheden te verkennen als blijkt
dat partijen in de keten onvoldoende verantwoordelijkheid nemen?
De leden van de PVV-fractie lezen dat er geen enkel «gouden beleidsinstrument» bestaat
om geneesmiddelentekorten op te lossen. Deze leden begrijpen dat het probleem complex
is, maar vinden dat complexiteit geen excuus mag zijn voor vrijblijvendheid. Kan de
Minister aangeven welke combinatie van maatregelen volgens haar nodig is om geneesmiddelentekorten
daadwerkelijk terug te dringen?
De leden van de PVV-fractie vragen welke geneesmiddelen op dit moment als kritiek
of kwetsbaar worden aangemerkt. Kan de Minister de Kamer een actueel overzicht sturen
van kritieke geneesmiddelen, geneesmiddelen met kwetsbare leveringsketens en geneesmiddelen
waarbij sprake is van terugkerende tekorten? Wordt daarbij ook gekeken naar geneesmiddelen
waarvoor weinig of geen alternatieven beschikbaar zijn?
De leden van de PVV-fractie lezen dat een hogere voorraadverplichting een groot deel
van tijdelijke tekorten kan overbruggen, maar dat de hoogte van de voorraad, monitoring
en handhaving beter kunnen. Deze leden vragen of de huidige voorraadverplichting volgens
de Minister voldoende is om patiënten te beschermen tegen tijdelijke tekorten. Zo
ja, waarop baseert zij dat? Zo nee, wanneer wordt de voorraadverplichting aangescherpt?
De leden van de PVV-fractie vragen hoe vaak de naleving van de voorraadverplichting
wordt gecontroleerd. Hoe vaak is niet-naleving vastgesteld? Welke maatregelen zijn
genomen? Zijn er sancties opgelegd?
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is de voorraadverplichting
sterker te differentiëren naar medische urgentie, leveringsrisico, kwetsbaarheid van
de keten, beschikbaarheid van alternatieven en gevolgen voor patiënten.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister voorkomt dat hogere voorraadkosten
uiteindelijk worden doorberekend aan patiënten via premies, eigen risico of hogere
prijzen. Kan de Minister inzichtelijk maken wat de kosten zijn van hogere voorraden,
maar ook wat de maatschappelijke kosten zijn van tekorten, zoals extra werkdruk bij
apotheken, omzettingen van medicatie, onzekerheid bij patiënten, uitstel van behandeling
en extra belasting van zorgverleners?
De leden van de PVV-fractie lezen dat het sneller delen van meldingen met alle partijen
in de keten noodzakelijk is, zodat partijen vroegtijdig kunnen handelen. Deze leden
vragen waarom dit nog steeds niet optimaal is geregeld. Welke belemmeringen spelen
hierbij een rol? Gaat het om commerciële belangen, privacy, juridische belemmeringen,
ICT-systemen, gebrek aan standaardisatie of onvoldoende regie vanuit VWS?
De leden van de PVV-fractie lezen dat wordt gedacht aan verbetering van de informatievoorziening
over geneesmiddelen en tekorten, eventueel via een trusted third party. Deze leden
vragen wanneer er één betrouwbaar, actueel en bruikbaar overzicht komt van geneesmiddelentekorten,
dreigende tekorten, beschikbare alternatieven, verwachte hersteldatum en handelingsperspectief
voor apothekers en voorschrijvers. Wordt dit overzicht ook begrijpelijk toegankelijk
voor patiënten wanneer dit relevant is?
De leden van de PVV-fractie lezen dat het Operationeel Team Geneesmiddelentekorten
verder geprofessionaliseerd zou moeten worden, met een heldere taakomschrijving en
gestandaardiseerde werkwijzen. Deze leden vragen hoe dit team op dit moment is ingericht.
Welke partijen nemen deel? Welk mandaat heeft dit team? Welke besluiten kan het team
nemen? Welke resultaten zijn de afgelopen twee jaar concreet geboekt? Wanneer is de
professionalisering afgerond?
De leden van de PVV-fractie lezen dat de Wet geneesmiddelenprijzen, het Geneesmiddelenvergoedingssysteem
en het preferentiebeleid sterk met elkaar samenhangen en gezamenlijk een groot deel
van de balans bepalen tussen betaalbaarheid en beschikbaarheid. Deze leden vragen
of de Minister kan garanderen dat wijzigingen in deze instrumenten niet leiden tot
nieuwe of grotere tekorten. Ontvangt de Kamer vooraf kwantitatieve scenario’s waarin
de effecten op betaalbaarheid, beschikbaarheid, marktverlating, leveringszekerheid
en patiënttoegang zijn doorgerekend?
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister erkent dat het preferentiebeleid
van zorgverzekeraars risico’s kan opleveren indien te veel wordt gestuurd op de laagste
prijs en te weinig op leveringszekerheid. Zo ja, welke aanpassingen worden overwogen?
Zo nee, hoe verklaart de Minister dan dat de rapportage nadrukkelijk wijst op de noodzaak
om beschikbaarheidscriteria en bredere inkoopcriteria mee te wegen?
De leden van de PVV-fractie lezen dat de onderzoekers adviseren beschikbaarheidscriteria
mee te nemen bij de inkoop van kritieke en kwetsbare geneesmiddelen, naast prijs.
Deze leden vragen wanneer de Minister komt met concrete leveringszekerheidscriteria.
Worden deze criteria verplicht, of blijven zij vrijblijvend? Hoe wordt voorkomen dat
inkopende partijen toch vooral blijven sturen op de laagste prijs?
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is om bij kritieke geneesmiddelen
het uitgangspunt te hanteren dat leveringszekerheid zwaarder moet wegen dan de allerlaagste
prijs. Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wordt dit vastgelegd?
De leden van de PVV-fractie lezen dat wordt gewerkt aan een inkoopleidraad. Deze leden
vragen wat de juridische status van deze leidraad wordt. Wordt de naleving gecontroleerd?
Worden partijen aangesproken als zij leveringszekerheid onvoldoende laten meewegen?
Wanneer ontvangt de Kamer deze inkoopleidraad?
De leden van de PVV-fractie lezen dat het vergroten van Europese productiecapaciteit
voor kritieke geneesmiddelen kan bijdragen aan het verkleinen van mondiale afhankelijkheden.
Deze leden vragen welke kritieke geneesmiddelen volgens de Minister in aanmerking
komen voor productie in Nederland of Europa. Wordt daarbij ook gekeken naar productiecapaciteit
op Nederlands grondgebied?
De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat Nederland in tijden van
crisis achteraan komt te staan bij de verdeling van kritieke geneesmiddelen. Wordt
bij de aanpak ook gekeken naar nationale weerbaarheid, noodscenario’s en afspraken
met producenten over leveringen aan Nederland?
Naar aanleiding van het thema Medische hulpmiddelen en medische technologie. De leden
van de PVV-fractie vragen de Minister om de recente berichtgeving van NOS/Nieuwsuur
over stijgende tekorten aan medische hulpmiddelen in ziekenhuizen te betrekken bij
de beantwoording. Welke acute maatregelen neemt de Minister aangezien ziekenhuizen
volgens deze berichtgeving bijna wekelijks met tekorten worden geconfronteerd, van
eenvoudige hulpmiddelen tot specialistische onderdelen voor operaties en MRI-scanners?
De leden van de PVV-fractie lezen dat bij medische hulpmiddelen vooral de balans tussen
veiligheid, kwaliteit en beschikbaarheid onder druk staat. Deze leden vinden veiligheid
en kwaliteit vanzelfsprekend van groot belang, maar waarschuwen dat regelgeving niet
mag leiden tot tekorten of het verdwijnen van hulpmiddelen van de Nederlandse markt.
Kan de Minister aangeven voor welke medische hulpmiddelen de beschikbaarheid het meest
onder druk staat door strengere Europese regelgeving, hogere kosten, langere toelatingsprocedures
of marktverlating?
De leden van de PVV-fractie lezen dat de Medical Device Regulation (MDR) en In-Vitro
Diagnostics Regulation (IVDR) bijdragen aan productveiligheid, maar ook druk kunnen
zetten op beschikbaarheid. Deze leden vragen of de Minister zicht heeft op hulpmiddelen
of diagnostica die door deze regelgeving niet meer of later beschikbaar zijn voor
Nederlandse patiënten. Zo ja, kan de Minister dit overzicht met de Kamer delen? Zo
nee, waarom is dit inzicht er niet?
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is in Europees verband stevig
te pleiten voor regelgeving die veiligheid borgt, maar onnodige regeldruk, onnodige
kosten en onnodige marktverlating voorkomt. Welke concrete vereenvoudigingen bepleit
Nederland?
De leden van de PVV-fractie lezen dat er niet één centrale database bestaat voor hulpmiddelen
en dat verschillende signalen en databronnen moeten worden gecombineerd. Deze leden
vragen wanneer de Minister wel beschikt over een centraal, bruikbaar en actueel overzicht
van kritieke en kwetsbare hulpmiddelen. Wanneer ontvangt de Kamer dit overzicht?
De leden van de PVV-fractie vragen welke medische hulpmiddelen op dit moment als kritiek
worden gezien op basis van medische noodzaak. Welke hulpmiddelen zijn kwetsbaar op
basis van historische tekorten, afhankelijkheid van één of enkele leveranciers, monopolies
of internationale toeleveringsrisico’s?
De leden van de PVV-fractie lezen dat wordt verkend hoe meldingen en signalen uit
het veld gecombineerd kunnen worden om te prioriteren welke hulpmiddelen de meeste
aandacht verdienen. Deze leden vragen waarom dit nog niet operationeel is. Wanneer
is dit systeem gereed? Welke partijen leveren gegevens aan? Hoe wordt geborgd dat
zorgverleners en patiëntenorganisaties hierbij worden betrokken?
De leden van de PVV-fractie lezen dat de onderzoekers adviseren de werking van het
meldpunt voor hulpmiddelen te verbeteren en één punt met een totaaloverzicht van meldingen
te realiseren. Deze leden vragen wanneer dit centrale overzicht operationeel is. Wordt
het overzicht openbaar of in ieder geval beschikbaar voor zorgpartijen en zorgprofessionals?
Welke informatie wordt precies gedeeld?
De leden van de PVV-fractie lezen dat het kabinet de mogelijkheden verkent voor het
aanleggen van een eventuele voorraad medische hulpmiddelen. Deze leden vragen waarom
dit nog steeds een verkenning is. Wanneer wordt besloten of er een voorraad komt,
voor welke hulpmiddelen die voorraad geldt en wie verantwoordelijk wordt voor beheer,
financiering, vervanging en kwaliteitsbewaking?
De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat een voorraad medische hulpmiddelen
leidt tot verspilling, veroudering of onduidelijke verantwoordelijkheden. Welke lessen
worden getrokken uit eerdere ervaringen met opschaalbare productiecapaciteit en voorraadvorming?
De leden van de PVV-fractie lezen dat Gupta adviseert om naast de bestaande taakgroep
een gremium op te zetten dat gericht in actie komt bij dreigende tekorten, met passend
mandaat. Deze leden vragen of het kabinet dit advies overneemt. Zo ja, wanneer wordt
dit gremium ingericht, welk mandaat krijgt het en welke bevoegdheden heeft het bij
acute tekorten? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PVV-fractie vragen wie uiteindelijk de regie voert bij een dreigend
tekort aan medische hulpmiddelen. Is dat het Ministerie van VWS, Zorginkoop Netwerk
Nederland, de Kwaliteitsraad, de leveranciers, de zorgverzekeraars of een andere partij?
De leden van de PVV-fractie lezen dat Gupta adviseert om gericht handelsmissies in
te zetten voor hulpmiddelen die de meeste aandacht verdienen. Deze leden vragen hoe
wordt bepaald welke hulpmiddelen daarvoor in aanmerking komen. Wordt hierbij vooral
gekeken naar economische kansen en innovatie, of naar medische noodzaak en leveringszekerheid
voor Nederlandse patiënten?
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is om bij medische hulpmiddelen
ook te kijken naar nationale en Europese productiecapaciteit, zeker voor hulpmiddelen
die essentieel zijn voor de continuïteit van zorg. Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer
hierover een uitwerking? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van het thema Lichaamsmaterialen. De leden van de PVV-fractie lezen
dat lichaamsmaterialen een andere dynamiek kennen dan geneesmiddelen en hulpmiddelen,
maar dat er specifieke kwetsbaarheden bestaan rond plasma en donorbestanden. Deze
leden vragen hoe de Minister de huidige leveringszekerheid van plasma en plasmageneesmiddelen
beoordeelt. Is Nederland voldoende voorbereid op verstoringen in internationale plasmaketens?
De leden van de PVV-fractie lezen dat Nederland ongeveer de helft van de behoefte
aan immunoglobulinen dekt met in Nederland ingezameld plasma. Deze leden vragen of
de Minister dit voldoende vindt. Welke doelstelling hanteert de Minister voor meer
zelfvoorziening? Welke stappen worden gezet om de afhankelijkheid van plasma uit derde
landen verder te verminderen?
De leden van de PVV-fractie vragen welk deel van de Nederlandse behoefte aan plasma,
immunoglobulinen en andere plasmagerelateerde producten nu uit Nederland komt, welk
deel uit andere Europese landen en welk deel uit derde landen. Kan de Minister dit
voortaan jaarlijks inzichtelijk maken?
De leden van de PVV-fractie lezen dat de kosten van plasma-inzameling nog niet volledig
worden gedekt door de verkoop van plasma en dat Sanquin tot en met 2027 niet volledig
gedekte kosten mag financieren met de verkoop van bloedtransfusieproducten. Deze leden
vragen wat er na 2027 gebeurt. Wat gebeurt er als de kosten vanaf 2028 nog steeds
niet volledig worden gedekt? Kan dit gevolgen hebben voor de beschikbaarheid van plasma
of plasmageneesmiddelen?
De leden van de PVV-fractie lezen dat het kabinet in gesprek wil met het veld over
gepast gebruik van immunoglobulinen. Deze leden vragen wat dit concreet betekent.
Wordt hierbij gestuurd op minder gebruik, doelmatiger gebruik of betere prioritering?
Hoe wordt voorkomen dat patiënten die immunoglobulinen nodig hebben worden geconfronteerd
met beperkingen, vertraging of extra onzekerheid?
Naar aanleiding van het thema Monitoring, evaluatie en regie. De leden van de PVV-fractie
vragen waarom SMART-doelstellingen, meetbare indicatoren en evaluatiemomenten niet
allang standaard zijn bij beleid rondom de beschikbaarheid van medische producten.
Kan de Minister toezeggen dat nieuwe maatregelen voortaan altijd worden voorzien van
concrete doelen, indicatoren, termijnen, verantwoordelijke partijen en evaluatiemomenten?
De leden van de PVV-fractie lezen dat het kabinet stelt dat beleid niet altijd planbaar
is en dat bij tekorten snel en daadkrachtig ingrijpen nodig kan zijn. Deze leden onderschrijven
dat, maar vragen waarom snelle actie en meetbare doelen niet samen zouden kunnen gaan.
Is de Minister het met deze leden eens dat juist bij acute tekorten duidelijk moet
zijn wie verantwoordelijk is, welk effect wordt beoogd en wanneer wordt bijgestuurd?
Naar aanleiding van het thema Besparingsopties en betaalbaarheid. De leden van de
PVV-fractie lezen dat er niet één besparingsoptie is waarmee 20 procent kan worden
bespaard zonder direct in te grijpen op de toegankelijkheid van zorg. Deze leden vinden
het belangrijk dat dit helder wordt uitgesproken. Deelt de Minister de mening dat
schrappen in het basispakket en het invoeren van eigen bijdragen de beschikbaarheid
en toegankelijkheid van zorg voor patiënten onder druk zetten?
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister kan garanderen dat de aanbevelingen
uit deze rapportage niet worden gebruikt als opstap naar pakketverschraling, hogere
eigen betalingen of slechtere toegang tot geneesmiddelen en hulpmiddelen. Zo nee,
waarom kan zij die garantie niet geven?
De leden van de PVV-fractie lezen dat hulpmiddelen uit het basispakket halen als besparingsoptie
wordt genoemd, maar dat dit direct een negatief effect heeft op toegankelijkheid.
Deze leden vragen of de Minister uitsluit dat hulpmiddelen uit het basispakket worden
gehaald als besparingsmaatregel. Zo nee, welke hulpmiddelen zouden dan in beeld zijn?
De leden van de PVV-fractie lezen dat ook eigen bijdragen en eigen risico voor geneesmiddelen
of hulpmiddelen als besparingsopties in beeld kunnen komen. Deze leden vragen of de
Minister uitsluit dat patiënten die afhankelijk zijn van geneesmiddelen of hulpmiddelen
extra worden belast. Is de Minister het met deze leden eens dat dit juist chronisch
zieken, ouderen en mensen met een kleine beurs hard kan raken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de kabinetsreactie
op de periodieke rapportage «Beschikbaarheid in Perspectief, Beschikbaarheid medische
producten, 2017 t/m 2023». Naar aanleiding daarvan hebben deze leden nog een aantal
vragen.
De leden van de CDA-fractie lezen in de rapportage dat het verhogen en differentiëren
van de geneesmiddelenvoorraden volgens het onderzoeksbureau de hoogste prioriteit
heeft. Deze leden vragen de Minister om op deze aanbeveling te reflecteren en in het
bijzonder of en hoe zij hier opvolging aan gaat geven.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie
op de periodieke rapportage Beschikbaarheid in Perspectief, Beschikbaarheid medische
producten, 2017 t/m 2023.
Deze leden constateren dat de beschikbaarheid van geneesmiddelen, medische hulpmiddelen
en lichaamsmaterialen al langere tijd onder druk staat. Zij achten het van groot belang
dat patiënten kunnen rekenen op tijdige toegang tot noodzakelijke medische producten
en dat Nederland minder kwetsbaar wordt voor internationale verstoringen, geopolitieke
afhankelijkheden en eenzijdige prijsprikkels.
De leden van de JA21-fractie lezen dat Gupta Strategists concludeert dat het verbeteren
van de beschikbaarheid van geneesmiddelen geen kwestie is van één enkel beleidsinstrument,
maar vraagt om meer regie door VWS. De Minister geeft aan deze regierol te herkennen.
Kan de Minister concreet maken wat deze regierol in de praktijk betekent? Welke bevoegdheden,
instrumenten en afspraken heeft de Minister nodig om in te grijpen wanneer leveringszekerheid
in gevaar komt? Kan de Minister daarbij aangeven welke aanbevelingen uit de rapportage
worden omgezet in beleid?
De leden van de JA21-fractie constateren dat Gupta aangeeft dat bij nieuw beleid regelmatig
een concrete beschrijving van de beoogde impact ontbreekt. Daardoor is achteraf moeilijk
vast te stellen of beleid doeltreffend en doelmatig is geweest. Kan de Minister toezeggen
dat nieuw beschikbaarheidsbeleid voortaan wordt voorzien van SMART-doelstellingen,
een duidelijke meetmethodiek en periodieke rapportage aan de Kamer? Kan de Minister
daarbij aangeven aan welke indicatoren wordt gedacht, bijvoorbeeld het aantal tekorten,
de duur van tekorten, patiëntimpact, afhankelijkheid van derde landen en de mate waarin
alternatieven beschikbaar zijn?
De leden van de JA21-fractie lezen dat betere informatievoorziening in de keten noodzakelijk
is om tekorten eerder te signaleren en sneller te handelen. Deze leden vragen de Minister
daarom om een concreet tijdpad voor verbetering van de informatievoorziening rond
dreigende tekorten. Wanneer verwacht de Minister dat meldingen over dreigende tekorten
sneller en breder kunnen worden gedeeld met handelsvergunninghouders, groothandels,
apotheken, zorgverzekeraars en voorschrijvers? Welke stappen zal de Minister gaan
zetten in 2026 en 2027? Kan de Minister daarbij aangeven welke juridische, praktische
of organisatorische belemmeringen op dit moment nog bestaan, wanneer deze in kaart
zullen zijn gebracht en op welke termijn deze worden weggenomen?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de Minister aankijkt tegen het voorstel om
data uit verschillende schakels van de geneesmiddelenketen samen te brengen, bijvoorbeeld
via een trusted third party, zodat een objectiever beeld ontstaat van kwetsbaarheden,
voorraden en dreigende tekorten. Is de Minister bereid hiertoe een verkenning te starten
en de Kamer hierover te informeren?
De leden van de JA21-fractie vragen daarbij specifiek aandacht voor de transparantie
over voorraden bij groothandels, distributeurs en distributiecentra. Kopt het dat
exacte voorraadposities en feitelijke beschikbaarheid in de keten niet altijd goed
controleerbaar zijn, waardoor dreigende tekorten mogelijk te laat zichtbaar worden?
Kan de Minister aangeven in hoeverre groothandels, distributeurs en andere partijen
die geneesmiddelenvoorraden aanhouden op dit moment verplicht zijn om actuele en betrouwbare
informatie over hun voorraden te delen? Acht de Minister de huidige transparantie
over voorraadposities voldoende om tekorten tijdig te signaleren en daarop te sturen?
Zo nee, is de Minister bereid te onderzoeken of deze partijen verplicht kunnen worden
om structureel, gestandaardiseerd en controleerbaar te rapporteren over voorraden
van kritieke en kwetsbare geneesmiddelen, bijvoorbeeld via een trusted third party,
zodat bedrijfsgevoelige informatie wordt beschermd maar de overheid wel zicht krijgt
op feitelijke beschikbaarheid? Kan de Minister daarbij een concreet tijdpad geven
voor de juridische en praktische uitwerking hiervan?
De leden van de JA21-fractie constateren dat Gupta adviseert de voorraadverplichting
verder te verbeteren en te differentiëren naar medische urgentie, leveringsrisico’s,
kwetsbaarheid van de keten en kosten van voorraad. Kan de Minister aangeven of de
huidige voorraadverplichting voldoende is om tijdelijke tekorten daadwerkelijk op
te vangen? Hoe wordt gecontroleerd of partijen zich aan de voorraadverplichting houden?
Kan de Minister toezeggen dat ook duurdere, moeilijk vervangbare of medisch kritieke
middelen met kwetsbare ketens nadrukkelijk worden meegenomen bij de verdere uitwerking?
De leden van de JA21-fractie constateren dat beschikbaarheid niet alleen gaat over
productie, inkoop en voorraad, maar ook over het beter benutten van middelen die al
beschikbaar zijn. In dat licht vragen deze leden aandacht voor medicijnverspilling.
Kan de Minister aangeven welk inzicht het Ministerie van VWS op dit moment heeft in
de hoeveelheid ongebruikte geneesmiddelen die jaarlijks wordt vernietigd, uitgesplitst
naar zaken als ziekenhuiszorg, openbare apotheken, Wlz-instellingen en de thuissituatie?
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister inzichtelijk kan maken of zich
onder de vernietigde geneesmiddelen ook middelen bevinden waarvoor tekorten bestaan
of dreigen. Zo ja, welke lessen trekt de Minister daaruit voor het beschikbaarheidsbeleid?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de Minister de mogelijke bijdrage van veilige
heruitgifte van ongebruikte geneesmiddelen beoordeelt voor beschikbaarheid, leveringszekerheid
en weerbaarheid van de geneesmiddelenketen. Welke juridische, praktische en veiligheidsvoorwaarden
staan heruitgifte op dit moment nog in de weg? Is de Minister bereid bestaande heruitgiftepilots
in ziekenhuizen te verbreden naar alle ziekenhuizen die onder strikte voorwaarden
verantwoord willen deelnemen?
De leden van de JA21-fractie vragen tevens of de Minister bereid is pilots te starten
in Wlz-instellingen, waar medicatiebeheer professioneel is georganiseerd en medicatie
regelmatig overblijft door wijziging van behandeling, opname, ontslag of overlijden.
Kan de Minister de Kamer hierover voor het commissiedebat Langdurige Zorg van 2 december
2026 informeren?
De leden van de JA21-fractie vragen tot slot hoe de Kamer wordt geïnformeerd over
de opvolging van de aanbevelingen uit de periodieke rapportage. Kan de Minister toezeggen
dat de jaarlijkse rapportage concreet inzicht geeft in zaken als: bereikte resultaten,
resterende knelpunten, patiëntimpact en de mate waarin Nederland minder afhankelijk
is geworden van kwetsbare internationale ketens?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de periodieke
rapportage «Beschikbaarheid in perspectief, Beschikbaarheid medische producten, 2017
t/m 2023» en de begeleidende brief van de Minister.
Deze leden lezen in het rapport dat de beschikbaarheid van medische producten steeds
meer onder druk staat, terwijl patiënten juist afhankelijk zijn van tijdige toegang
tot de juiste zorg en medicatie. Zij constateren dat Gupta Strategists concludeert
dat veel beleidsinstrumenten weliswaar bijdragen aan beschikbaarheid, maar dat tegelijkertijd
verbeteringen nodig zijn op het gebied van regie, informatievoorziening, monitoring
en samenhang tussen beleidsinstrumenten.
De leden van de BBB-fractie vinden het van groot belang dat bij alle beleidskeuzes
de patiënt centraal blijft staan. Doelmatige zorg mag nooit betekenen dat patiënten
steeds hogere financiële lasten krijgen of dat de toegang tot noodzakelijke geneesmiddelen
nog verder onder druk komt te staan. Deze leden vinden dat verspilling, inefficiëntie
en ondoelmatige inrichting van het systeem eerst aangepakt moeten worden voordat opnieuw
naar hogere bijdragen of beperkingen voor patiënten wordt gekeken.
De leden van de BBB-fractie lezen dat Gupta constateert dat geneesmiddelentekorten
al jarenlang een structureel probleem vormen in een complex krachtenveld van uiteenlopende
belangen, en dat daarom meer regie vanuit het Ministerie van VWS noodzakelijk is.
Ook lezen deze leden dat de onderzoekers aanbevelen om te werken met een duidelijke
«whole system in the room»-aanpak, inclusief heldere verantwoordelijkheden, mandaten
en samenwerking tussen bestuurlijk, strategisch, tactisch en operationeel niveau.
De leden van de BBB-fractie vragen nu hoe deze regierol van het ministerie concreet
wordt ingevuld. Hoe worden verantwoordelijkheden, mandaten en escalatiemogelijkheden
belegd? Hoe wordt voorkomen dat verantwoordelijkheden tussen partijen diffuus blijven?
Op welke wijze worden fabrikanten, groothandels, apothekers, ziekenhuizen, zorgverzekeraars,
voorschrijvers en patiëntenorganisaties structureel betrokken bij deze regie?
Deze leden lezen daarnaast dat Gupta verbeterpunten ziet bij meldpunten en informatievoorziening,
waaronder de behoefte aan één centraal meldpunt, transparante meldingen en betere
databeschikbaarheid in de gehele keten. De leden van de BBB-fractie vragen welke stappen
de Minister zet om te komen tot eenduidige definities van geneesmiddelentekorten,
zodat betere sturing, monitoring en verantwoording mogelijk wordt. Kan de Minister
daarnaast toelichten hoe zij gaat borgen dat niet uitsluitend wordt gestuurd op logistieke
beschikbaarheid, maar ook op patiëntimpact en doelmatigheid? Wordt bijvoorbeeld ook
gekeken naar de gevolgen van substitutie, uitstel van behandeling of minder passende
alternatieven voor patiënten?
De leden van de BBB-fractie vragen voorts hoe de Minister de data-uitwisseling rond
geneesmiddelentekorten gaat verbinden met de bredere inzet op databeschikbaarheid
in de zorg en de implementatie van de European Health Data Space (EHDS). Hoe wordt
voorkomen dat opnieuw losse datasystemen ontstaan zonder goede interoperabiliteit?
De leden van de BBB-fractie lezen dat Gupta expliciet aanbeveelt om goed onderbouwde
aanpassingen in samenhangende prijsstellende instrumenten zoals de Wet geneesmiddelenprijzen
(Wgp), het Geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS) en het preferentiebeleid vorm te
geven. Daarbij benadrukken de onderzoekers dat de «driehoek» van Wgp, GVS en het inkoopbeleid
van zorgverzekeraars moet zorgen voor een goede balans tussen betaalbaarheid en beschikbaarheid.
Deze leden vragen in dit kader hoe de Minister gaat waarborgen dat aanpassingen in
Wgp, GVS en preferentiebeleid daadwerkelijk in onderlinge samenhang worden vormgegeven.
Op welke wijze wordt het veld structureel betrokken bij de uitwerking van deze beleidsaanpassingen?
Is de Minister bereid hierover concrete afspraken met betrokken partijen te maken?
Deze leden lezen tevens dat GVS-limieten vooral problematisch kunnen zijn voor geneesmiddelen
met een kleine afzetmarkt en voor geneesmiddelen voor kinderen, juist omdat daar vaak
geen generieke alternatieven beschikbaar zijn. Kan de Minister toelichten welke concrete
stappen worden gezet om te voorkomen dat prijsdruk via het GVS leidt tot marktuittreding
of het uitblijven van introducties van innovatieve geneesmiddelen in Nederland, in
het bijzonder voor kleine patiëntgroepen?
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of de Minister bereid is fabrikanten
en andere marktpartijen een formele rol te geven bij de ontwikkeling en validatie
van kwantitatieve simulatiemodellen die ten grondslag liggen aan wijzigingen in Wgp,
GVS en preferentiebeleid. Deze partijen beschikken immers over marktinformatie, prijsstructuren
en contractinzichten die niet altijd bij de overheid beschikbaar zijn. Indien de Minister
dit niet wenselijk acht, hoe wil zij deze kennis dan alsnog zorgvuldig betrekken?
De leden van de BBB-fractie lezen dat Gupta constateert dat bij nieuw beleid regelmatig
een concretisering van de beoogde impact ontbreekt en dat evaluaties daardoor vaak
vooral kwalitatief van aard zijn. De onderzoekers adviseren daarom nadrukkelijk om
SMART-doelstellingen te formuleren, vooraf meetmethoden vast te leggen en structureel
te monitoren. Deze leden onderschrijven het belang van dit advies. Kan de Minister
aangeven hoe zij concreet gaat borgen dat toekomstige maatregelen rondom beschikbaarheid
van geneesmiddelen vooraf voorzien worden van heldere, toetsbare doelstellingen en
meetbare indicatoren? Hoe wordt de Kamer tussentijds geïnformeerd over de effectiviteit
en eventuele neveneffecten van maatregelen?
De leden van de BBB-fractie lezen tevens dat Gupta concludeert dat voldoende voorraad
bijdraagt aan beschikbaarheid, maar dat daarbij duidelijke keuzes nodig zijn over
de gewenste voorraadhoogte en de handhaving daarop. Deze leden vragen hoe de Minister
bepaalt welke geneesmiddelen als kritisch worden beschouwd en welke minimale voorraden
daarvoor noodzakelijk zijn. Kan de Minister bij de beantwoording ook aangeven of bij
besluitvorming ook de huidige instabiele geopolitieke situatie voldoende wordt meegewogen?
In hoeverre wijken de uiteindelijke beslissing om die specifieke reden op dit moment
dan af van de beslissingen die de afgelopen jaren, in geopolitiek rustiger vaarwater,
genomen werden?
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat Nederland de afgelopen jaren een belangrijk
deel van zijn eigen productiecapaciteit voor generieke geneesmiddelen is kwijtgeraakt,
waaronder de sluiting van de Leidse geneesmiddelenfabriek InnoGenerics. Deze leden
vragen hoe de Minister voorkomt dat Nederland steeds afhankelijker wordt van productie
in Azië voor essentiële geneesmiddelen en werkzame stoffen. Acht de Minister deze
afhankelijkheid, mede gelet op geopolitieke spanningen en kwetsbare handelsketens,
nog verantwoord?
De leden van de BBB-fractie lezen dat Gupta geen mogelijkheid ziet om fors te besparen
zonder gevolgen voor de toegankelijkheid van zorg, behalve mogelijk via het aanpakken
van de afbakeningsproblematiek tussen intramurale en extramurale geneesmiddelenzorg.
Deze leden vinden dat nog nadrukkelijker gekeken moet worden naar het verminderen
van ondoelmatigheid in plaats van direct naar hogere lasten voor patiënten. Deze leden
vragen de Minister hoe zij voorkomt dat eventuele aanpassingen in de afbakening leiden
tot extra administratieve lasten, onduidelijkheid voor patiënten of verschuivingen
van zorg zonder aantoonbare verbetering van doelmatigheid.
De leden van de BBB-fractie lezen in de kabinetsreactie dat de taakstellende bezuiniging
van € 150 miljoen uit het coalitieakkoord mede wordt gekoppeld aan het oplossen van
deze afbakeningsproblematiek, waarbij Gupta een potentiële besparing van € 50 tot
€ 170 miljoen noemt. Deze leden vragen hoe de Minister het resterende deel van de
deze taakstelling wil invullen en welke beleidsinstrumenten daarbij worden overwogen.
Is de Minister bereid de Kamer en het veld tijdig te informeren over de concrete invulling
van deze taakstelling voordat beleidsmaatregelen worden genomen, zodat effecten op
beschikbaarheid, toegankelijkheid en patiëntenzorg vooraf zorgvuldig kunnen worden
beoordeeld?
De leden van de BBB-fractie vinden het zorgelijk dat in discussies over besparingen
opnieuw opties terugkomen waarbij patiënten meer zelf moeten betalen voor noodzakelijke
zorg of geneesmiddelen. Deze leden vinden dat toegankelijkheid van zorg niet afhankelijk
mag worden van de dikte van iemands portemonnee. Genoemde leden wijzen erop dat patiënten
soms geconfronteerd worden met hoge eigen bijdragen voor geneesmiddelen binnen het
GVS. De tijdelijke maximering van de eigen bijdrage op € 250 per jaar loopt af. Kunnen
patiënten erop rekenen dat deze maximering ook na 2026 behouden blijft? Wanneer verwacht
de Minister hierover duidelijkheid te geven?
De leden van de BBB-fractie vinden dat het verminderen van medicijnverspilling nadrukkelijk
onderdeel zou moeten zijn van het beleid rondom geneesmiddelenbeschikbaarheid. Deze
leden vinden het moeilijk uitlegbaar dat goede geneesmiddelen worden vernietigd terwijl
tegelijkertijd patiënten geconfronteerd worden met tekorten. Zij vragen of de Minister
deelt dat het voorkomen van medicijnverspilling onderdeel zou moeten zijn van het
beleid om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren. Zo nee, waarom niet?
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat de recente Europese ontwikkelingen rondom
de Falsified Medicines Directive mogelijk meer ruimte bieden voor veilige heruitgifte
van geneesmiddelen onder strikte voorwaarden. Hoe beoordeelt de Minister de mogelijke
bijdrage van veilige heruitgifte aan het verbeteren van beschikbaarheid, leveringszekerheid
en weerbaarheid van de geneesmiddelenketen? Kan de Minister aangeven welk inzicht
het Ministerie van VWS momenteel heeft in de hoeveelheid ongebruikte geneesmiddelen
die jaarlijks wordt vernietigd, uitgesplitst naar ziekenhuiszorg, openbare apotheken,
Wlz-instellingen en thuissituaties? Is bekend of zich onder deze vernietigde geneesmiddelen
ook middelen bevinden waarvoor tekorten bestaan of dreigen?
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Minister de recente Europese ontwikkelingen
rondom de Falsified Medicines Directive betrekt bij de Nederlandse aanpak van geneesmiddelenbeschikbaarheid
en heruitgifte. Deze leden wijzen erop dat de Kamer in 2023 de motie-Van Esch/Ellemeet
over uitbreiding van pilots met heruitgifte van medicijnen (Kamerstuk 36 200-XVI, nr. 206) heeft aangenomen. Destijds werd uitvoering volgens de Minister beperkt door Europese
regelgeving. Nu die regelgeving mogelijk verandert, ziet de Minister ruimte om deze
motie alsnog met prioriteit uit te voeren? Welke lessen trekt de Minister uit bestaande
heruitgiftepilots in ziekenhuizen? Is zij bereid deelname mogelijk te maken voor alle
ziekenhuizen die onder strikte voorwaarden verantwoord willen deelnemen? De leden
van de BBB-fractie vragen daarnaast of de Minister bereid is pilots met heruitgifte
te starten binnen Wlz-instellingen, waar medicatiebeheer professioneel georganiseerd
is en waar regelmatig geneesmiddelen overblijven door wijziging van behandeling, opname,
ontslag of overlijden. Is de Minister bereid de Kamer hierover voor het commissiedebat
Langdurige Zorg van 2 december 2026 te informeren?
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie of de Minister bereid is medicijnverspilling
structureel landelijk in kaart te brengen, zodat inzicht ontstaat in de omvang van
verspilling, om welke middelen het gaat en waar in de keten deze verspilling plaatsvindt.
Zonder goede data blijft beleid volgens deze leden immers te veel gebaseerd op aannames.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de rapportage «Beschikbaarheid
in Perspectief, Beschikbaarheid medische producten, 2017 t/m 2023» alsmede van de
kabinetsreactie hierop en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
Zoals het kabinet beschrijft in haar reactie heeft de Rijksoverheid de verantwoordelijkheid
om inzicht te bieden in de doeltreffendheid en doelmatigheid van overheidsuitgaven.
Genoemde leden zijn het met het kabinet eens dat het verkrijgen van meer inzicht in
de doeltreffendheid en doelmatigheid van overheidsuitgaven begint met het beter in
kaart brengen welke inzichten er al zijn en welke nog ontbreken. Op welke manier is
hierbij onderzocht in hoeverre het beleid rondom het voorkeursassortiment bij medische
hulpmiddelen nog voldoende doeltreffend en doelmatig is?
Genoemde leden zijn benieuwd wie bepaalt welke medische hulpmiddelen, zoals bijvoorbeeld
rolstoelen in het voorkeurspakket van het zorgkantoor komen? Is de Minister tevreden
over het betreffende voorkeursbeleid? En hoe wordt bepaald welke hulpmiddelen de voorkeur
hebben? Genoemde leden zijn benieuwd of er de laatste 8 jaar nog aanpassingen aan
dit beleid en het voorkeurspakket zijn geweest? Zo ja, welke? Genoemde leden zijn
tevens benieuwd of er de komende jaren nog aanpassingen in het voorkeursbeleid (pakket)
gepland zijn? Indien ja, welke? Indien nee, waarom niet?
De onderzoekers van Gupta Strategists hebben als hoofdvraag meegekregen in welke mate
de beleidsinstrumenten ten behoeve van, of met een effect op, de beschikbaarheid van
geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en lichaamsmaterialen doeltreffend en doelmatig
zijn. Hen is gevraagd dit te beschouwen in relatie tot de bijdrage die deze beleidsinstrumenten
leveren aan de toegankelijkheid, veiligheid, kwaliteit en betaalbaarheid. Kijkend
naar de betaalbaarheid, vragen genoemde leden de Minister welke invloed het verstrekken
van bijvoorbeeld rolstoelen heeft vanuit de verschillende zorgwetten (respectievelijk
de Wlz en de Wmo), graag een uiteenzetting van de verschillende kosten bij gebruik
van dezelfde rolstoel in beide wetten. Genoemde leden willen hiernaast graag weten
hoe het voorkeursassortiment in beide wetten wordt toegepast. Indien er een kostenverschil
zit in het gebruik van dezelfde rolstoel in de beide zorgwetten dan graag nadere uitleg
waarom dit zo is.
Genoemde leden vragen waarom de evaluatie alleen heeft plaatsgevonden binnen de aanwezigheid
(fysiek) van het medisch product in Nederland en alleen bij producten die toegelaten
zijn tot de markt? Waarom is hiervoor gekozen? Deelt de Minister de mening, dat ook
door te kijken naar nieuwe producten de betaalbaarheid en/of beschikbaarheid van medische
hulpmiddelen juist vergroot wordt? Zo nee, waarom niet? Is de Minister alsnog bereid
de scope te vergroten en juist ook hulpmiddelen die nu buiten het voorkeurspakket
vallen te betrekken in vervolgonderzoeken? Zo nee, waarom niet? Deelt de Minister
de mening dat er anders mogelijk sprake kan zijn van oneerlijke concurrentie op de
markt van medische hulpmiddelen? En deelt de Minister de mening dat oneerlijke concurrentie
ervoor kan zorgen dat de eindgebruiker, de patiënt, hierdoor mogelijk veel te veel
betaalt voor het gebruik van een medisch product en dit een negatief effect heeft
op de zorgpremies? Indien nee, waarom niet? Kan de Minister toelichten wat de exacte
rol van bijvoorbeeld Zorgplan is bij het verstrekken van hulpmiddelen en hoe hierbij
wordt gewaarborgd dat er geen sprake kan zijn van oneerlijke concurrentie? Genoemde
leden vragen of er meerdere bedrijven zijn zoals Zorgplan? Zo ja, hoeveel?
Een van de aanbevelingen die worden gedaan is het creëren van de juiste prikkels in
de keten. Daarbij worden mogelijkheden gezien, door met opschaalbare productiecapaciteit
de toeleveringsketen te versterken door afhankelijkheid te verminderen. Wordt hiermee
gedoeld op de productiecapaciteit van de huidige leveranciers? Op welke manier komen
(nieuwe) leveranciers van hulpmiddelen, die nu niet preferent zijn, of niet in het
voorkeursassortiment zitten in aanmerking om wel toegelaten te worden tot dit pakket?
Genoemde leden willen weten wanneer er bij nieuwe producten gebruikt wordt gemaakt
van pilots en/of onderzoeksrapporten? Wie beoordeelt deze pilots en onderzoeksrapporten?
Waar kunnen genoemde leden deze terugvinden? Wordt daarbij ook aangegeven wat de reden
van afwijzing, danwel het niet toelaten tot het voorkeurspakket is? Zo nee, waarom
niet? Wie heeft het uiteindelijke eindoordeel over toelating tot het voorkeurspakket?
Zoals beschreven in de reactie van het kabinet is op het terrein van medische producten
sprake van marktwerking en is de overheid (veelal) zelf geen directe actor in de zin
dat de overheid niet zelf inkoopt, produceert, of voorraden aanlegt. Genoemde leden
vragen op welke manier het kabinet hierbij alsnog zicht heeft op bijvoorbeeld belangenverstrengeling.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat marktwerking daadwerkelijk zijn werk kan doen? Wie borgt
dit? En op welke manier? Waar is dit voor de Kamer terug te vinden?
Genoemde leden zijn blij dat het kabinet de aanbeveling van Gupta Strategists steunt,
om verder onderzoek te doen, aangezien het inderdaad aan de overheid is om te zorgen
dat partijen hun rol in het stelsel goed kunnen uitvoeren, en te zorgen voor zo doelmatig
mogelijke besteding van premiegeld.
Genoemde leden willen ten slotte van het kabinet weten wie er toezicht houdt op de
rechtmatigheid van declaraties aangaande (kantel) rolstoelen in verpleeghuizen? Waar
worden aanpassingen aan hierbij verstrekte rolstoelen in rekening gebracht? Bij de
zorgverzekeraar of bij de eindgebruiker?
De leden van Groep Markuszower lezen dat het kabinet inzet op het versterken van de
weerbaarheid van ketens maar missen in de evaluatie elke kwantitatieve onderbouwing
van het geopolitieke risico. Is in de evaluatieperiode 2017–2023 een formele geopolitieke
stresstest uitgevoerd op concrete scenario's, zoals een militair conflict rond Taiwan,
een handelsblokkade met China of India, of een langdurige verstoring van het Suezkanaal?
Zo nee, waarom niet? Is de Minister bereid alsnog een dergelijke stresstest uit te
voeren, en daarbij specifiek in kaart te brengen voor hoeveel kritieke werkzame stoffen
(API's) Nederland voor 100% afhankelijk is van één land of zelfs één fabrikant?
Genoemde leden vragen voorts of de Minister bereid is, naar analogie van de strategische
olievoorraad onder verantwoordelijkheid van COVA, een nationale strategische voorraad
aan te leggen van een nader te bepalen lijst kritieke geneesmiddelen voor een periode
van ten minste zes tot twaalf maanden, in plaats van uitsluitend te leunen op de ijzeren
voorraad bij groothandels en fabrikanten. Indien nee, waarom niet?
Tevens wordt opgemerkt dat de magistrale (apotheekbereide) bereiding traditioneel
een vangnet vormde bij geneesmiddelentekorten, maar dat in de evaluatieperiode regelgeving
op nationaal en Europees niveau is aangescherpt. Hoeveel apotheekbereidingen zijn
er in de periode 2017–2023 ingezet als alternatief voor een niet-leverbaar industrieel
product? Is de Minister bereid de regelgeving rond doorleveringsbereidingen en grootschalige
apotheekbereiding te versoepelen, zodat tekorten sneller en goedkoper kunnen worden
opgevangen zonder steeds opnieuw afhankelijk te zijn van buitenlandse aanbieders?
II. Reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie
op de periodieke rapportage «Beschikbaarheid in Perspectief» over de beschikbaarheid
van medische producten. Deze leden danken de onderzoekers voor het uitgebreide onderzoek
en de Minister voor de begeleidende brief. Zij hebben aan de Minister hierover nog
enkele vragen.
De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van duidelijke publieke regie
op de beschikbaarheid van kritieke medische producten. Zij vragen de Minister daarom
nader toe te lichten hoe zij deze regierol de komende jaren concreet verder gaat verbreden
aangezien in het advies is opgenomen om meer regie te nemen. Welke aanvullende mogelijkheden
ziet de Minister daartoe?
De wijze waarop het kabinet invulling geeft aan zijn regierol verschilt per onderdeel
van het geneesmiddelenbeleid. Op onderdelen waar het Ministerie van VWS beschikt over
eigen wettelijke en beleidsmatige instrumenten kan het kabinet direct sturend optreden.
Op andere terreinen, zoals het inkoop- en preferentiebeleid, liggen verantwoordelijkheden
primair bij zorgverzekeraars, apothekers, groothandels en leveranciers. Daar richt
de regierol van het kabinet zich op het bijeenbrengen van partijen, het stimuleren
van gezamenlijke oplossingen en het wegnemen van knelpunten. Het kabinet is voortdurend
met betrokken partijen in gesprek. Het kabinet faciliteert gesprekken tussen partijen
onderling, maar treedt ook als voorzitter op in overleggremia, zoals bij het Bestuurlijk
Overleg Farmacie en de Werkgroep Verbeteren Beschikbaarheid Geneesmiddelen.
Een regierol is noodzakelijk om de beschikbaarheid van geneesmiddelen structureel
te verbeteren. Het kabinet neemt de regie over dit dossier, zowel omwille van de maatschappelijke
urgentie als vanuit haar rol als stelselverantwoordelijke. Het kabinet heeft in de
voortgangsbrief over de beschikbaarheid van geneesmiddelen van 1 april 2026 al uiteengezet
hoe deze regierol wordt vervuld1.
Een mooi recent resultaat is de oplevering van de Werkagenda Betere Beschikbaarheid
Geneesmiddelen, die onderdeel vormt van de uitwerking van het Aanvullend Zorg- en
Welzijnsakkoord (AZWA). Recent is de Kamer hierover geïnformeerd2. Alle partijen uit de geneesmiddelenketen, van apotheker tot aan leverancier, hebben
11 afspraken gemaakt op de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren. Aankomende
tijd worden deze afspraken geïmplementeerd. Ook bij de uitvoering van de afspraken
neemt het kabinet een regierol, denk aan het opstellen van een inkoopleidraad of bij
het komen tot uniforme definities.
Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat het kabinet werkt aan verdere differentiatie
van de voorraadverplichting voor kritieke geneesmiddelen en hiervoor aansluit bij
lopende onderzoeken naar kwetsbaarheden in leveringsketens. Deze leden vragen wanneer
de Minister de resultaten van deze onderzoeken verwacht. In hoeverre wordt differentiatie
in deze onderzoeken al meegenomen? Welke mogelijkheden ziet de Minister om deze differentiatie
na afronding van de onderzoeken concreet toe te passen binnen de voorraadverplichting?
De resultaten van het MOSUPPAN-onderzoek, waar in de vraag naar verwezen wordt, worden
in het najaar van 2026 verwacht3. In dit onderzoek wordt gekeken naar de kwetsbaarheden in de toeleveringsketen. Waar
van toepassing worden resultaten van dit onderzoek, en andere relevante onderzoeken,
natuurlijk meegenomen in beleidsvorming, ook waar dat gaat om differentiatie van de
voorraadverplichting voor kritieke geneesmiddelen.
Daarnaast is de Kamer in de meest recente voortgangsbrief over de beschikbaarheid
van geneesmiddelen van 1 april 2026 geïnformeerd over de differentiatie in de voorraden
van (kritieke) geneesmiddelen gebaseerd op de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen4. Hiervoor heeft het kabinet eind 2025 een subsidie verstrekt aan de branchevereniging
van volgesorteerde groothandels (BG Pharma) waarmee groothandels een extra voorraad
aanleggen en aanhouden van de meest kritieke geneesmiddelen, bovenop de wettelijke
voorraadverplichting.
Vervolgens lezen de leden van de D66-fractie dat de aanspraak op geneesmiddelen momenteel
gebaseerd is op de plaats van toepassing, waardoor vergelijkbare geneesmiddelen soms
vanuit verschillende kaders worden bekostigd. Deze leden delen de analyse dat dit
kan leiden tot verkeerde prikkels en een ondoelmatige inzet van geneesmiddelen. Zij
onderschrijven daarnaast het belang van het zoveel mogelijk loslaten van de plaats
van toepassing als bepalend criterium, omdat dit meer ruimte geeft om zorg daar te
leveren waar dat voor de patiënt het meest passend is. Deze leden lezen dat het kabinet
het onderzoek naar deze afbakeningsproblematiek betrekt bij de invulling van de taakstelling
uit het coalitieakkoord op het geneesmiddelenbudget. Deze leden vragen op welke manier
de Minister gaat onderzoeken hoe de door haar benoemde knelpunten kunnen worden opgelost.
Welke partijen en veldorganisaties worden hierbij betrokken? Op welke manier wordt
gekeken naar de gevolgen voor passende zorg en de mogelijkheid om zorg dichter bij
de patiënt te organiseren? Tevens vragen deze leden hoe de Kamer over de uitkomsten
van dit onderzoek en eventuele vervolgstappen zal worden geïnformeerd.
Het kabinet onderzoekt oplossingsrichtingen voor de afbakeningsproblematiek tussen
intramurale en extramurale geneesmiddelen als onderdeel van het traject Toekomstbestendig
Stelsel Geneesmiddelen (TSG). Het Ministerie van VWS heeft eerder een analyse van
de knelpunten en onderzochte oplossingsrichtingen gedeeld met de veldpartijen die
verenigd zijn in de werkgroep dure geneesmiddelen en de Kamer daarover geïnformeerd5. Over het verdere verloop zal het kabinet de Kamer informeren in de Kamerbrief over
TSG, die gepland staat voor het eerste kwartaal van 2027.
Verder lezen de leden van de D66-fractie dat binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord
(AZWA) afspraken zijn gemaakt over het verbeteren van data-uitwisseling tijdens geneesmiddelentekorten
en dat een eerste verkenning is uitgevoerd naar de haalbaarheid van een centraal informatiepunt.
Deze leden onderschrijven het belang van tijdige en bruikbare informatievoorziening
om sneller te kunnen anticiperen op tekorten. Zij vragen de Minister daarom hoe zij
het beoogde centrale informatiepunt voor zich ziet. Welke partijen zullen toegang
krijgen tot welke gegevens? Hoe wordt voorkomen dat versnipperde databronnen en commerciële
belangen effectieve gegevensdeling beperken? Wordt daarbij ook gekeken naar mogelijkheden
om zorgverleners en patiënten sneller en beter inzicht te geven in actuele leveringsproblemen?
Het klopt dat binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) wordt gewerkt
aan het versnellen en verbeteren van data-uitwisseling. Een onderdeel van deze afspraak
is dat partijen6 kijken naar de haalbaarheid van een informatiepunt waarin duidelijke, uniforme en
actuele informatie raadpleegbaar is. Het doel is dat deze informatie-uitwisseling
tussen partijen in de keten plaatsvindt in die situaties waar dit bijdraagt aan het
adequaat handelen om geneesmiddelentekorten op te lossen of – waar mogelijk – te voorkomen.
De partijen hebben een eerste analyse uitgevoerd waarin is nagegaan in welke situaties
zij bepaalde informatie wel of niet kunnen delen, mede vanwege bepaalde commerciële
belangen. Bij de verdere uitwerking van deze afspraak wordt gezamenlijk nagedacht
over hoe dit informatiepunt het beste kan worden vormgegeven. Zo zijn er verschillende
vormen denkbaar, zoals bilaterale afspraken tussen partijen om de data-uitwisseling
te verbeteren of een onafhankelijk punt waar bepaalde informatie samen komt.
Daarnaast verplicht de herziene Europese geneesmiddelenwetgeving dat het College ter
Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), als beoogd national competent authority, door het CBG beoordeelde informatie over feitelijke geneesmiddelentekorten publiceert
op een openbare website. Deze informatie moet actueel gehouden worden en actief worden
meegedeeld aan vertegenwoordigers van zorgprofessionals en patiënten. Bij de uitwerking
hiervan houdt het CBG rekening met hoe zorgverleners en patiënten het beste inzicht
kunnen hebben in informatie over geneesmiddeltekorten.
De leden van de D66-fractie lezen daarnaast dat in de Taakgroep Geneesmiddeleninkoop
en Beschikbaarheid wordt gesproken over verbetering van de inkoop ten behoeve van
beschikbaarheid. Deze leden vragen hoe de Minister voorkomt dat preferentiebeleid
leidt tot extra afhankelijkheid van een beperkt aantal leveranciers.
Over preferentiebeleid is de Kamer op 26 juni 2025 uitgebreid geïnformeerd in de bijlage
«Werken aan het Preferentiebeleid» bij de «Voortgangsbrief beschikbaarheid en leveringszekerheid»7. Op pagina 4 van deze bijlage is toegelicht hoe de Taakgroep Preferentiebeleid onder
regie van VWS concrete acties heeft afgesproken om mogelijke nadelige effecten van
het inkoopbeleid van zorgverzekeraars op de beschikbaarheid van geneesmiddelen te
mitigeren. Enkele van deze afspraken zien op het tegengaan van monopolisering, oftewel
het voorkomen van afhankelijkheid van een beperkt aantal leveranciers. Zo zijn de
volgende afspraken gemaakt: zorgverzekeraars hanteren een aanwijsperiode van twee
jaar; zorgverzekeraars voeren dakpansgewijs contracteren in; de zorgverzekeraar voert
geen tenderbeleid onder een door zorgverzekeraar zelf bepaalde omzet. Op pagina 5
van de bijlage wordt «dakpansgewijs tenderen» nader toegelicht en komen nog enkele
andere acties die zorgverzekeraars nemen aan de orde. Kortheidshalve wordt u daarvoor
naar de betreffende pagina verwezen.
Daarnaast loopt de onafhankelijke evaluatie van de kosten en baten van het preferentiebeleid,
waarvan de resultaten eind 2026 met de Kamer gedeeld worden. De uitkomsten hiervan
zullen medebepalend zijn voor eventuele aanpassingen van dit beleidsinstrument.
Wordt binnen het ministerie in dat kader ook gereflecteerd op de mogelijke gevolgen
van een Most Favored Nations-beleid door de Verenigde Staten voor de beschikbaarheid
van geneesmiddelen in Europa en Nederland? Hoe wordt op deze ontwikkeling ingespeeld?
Over dit onderwerp is de Kamer recentelijk op 9 juni 2026 geïnformeerd in de brief
«Schriftelijk Overleg (SO) inzake SO – EU Gezondheidsraad van 16 juni 2026», op pagina
7.
Doel van de Nederlandse inzet is om een goede analyse te kunnen doen naar mogelijke
gevolgen van geopolitieke ontwikkelingen en de mogelijke maatregelen indien het gedrag
van fabrikanten leidt tot onaanvaardbare negatieve gevolgen voor patiënten. Daarom
volgt Nederland de internationale ontwikkelingen rond geneesmiddelenprijzen, waaronder
het Amerikaanse Most Favoured Nations (MFN)-beleid, op de voet.
In deze benadering vindt ook in Nederland overleg plaats met diverse stakeholders,
waaronder bedrijven. Het is belangrijk om een zorgvuldige benadering te kiezen waarbij
Europese samenwerking essentieel is. De Europese markt is een aanzienlijk deel van
de wereldmarkt. Er vindt daarom geregeld overleg plaats tussen lidstaten over de ontwikkelingen
en mogelijke effecten voor Europese landen om daar indien nodig (gezamenlijk) op in
te kunnen spelen. Nederland speelt daarin een actieve rol. Tot slot worden de ontwikkelingen
ook in Beneluxa-verband samen met België, Luxemburg, Oostenrijk en Ierland besproken.
Doel is om tot een meer gezamenlijke aanpak te komen. In dit kader is door het Beneluxa
Initiatief recentelijk een gezamenlijke verklaring uitgebracht, die oproept tot nauwe
Europese samenwerking bij het anticiperen op geopolitieke ontwikkelingen8.
De leden van de D66-fractie lezen ook dat het kabinet inzet op versterking van Europese
productiecapaciteit van kritieke geneesmiddelen in het kader van de Critical Medicines
Act. Deze leden vragen welke geneesmiddelen de Minister daarbij als prioriteit ziet
voor Europese productiecapaciteit. Hoe wil de Minister hier nationaal en in Europees
verband concreet vervolg aan geven?
Met de inwerkingtreding van Verordening Kritieke Geneesmiddelen (In het Engels: Critical Medicines Act, CMA) wordt het mogelijk strategische projecten op te zetten in de lidstaten, waaronder
Nederland, waarmee de productie van kritieke geneesmiddelen wordt gestimuleerd. Dit
zijn geneesmiddelen die op de Europese lijst kritieke geneesmiddelen (Union List of Critical Medicines) staan9. Strategische projecten zijn industriële projecten die de productiecapaciteit van
deze kritieke geneesmiddelen vergroten, en in ruil daarvoor toegang tot financiële,
administratieve en regulatoire ondersteuning krijgen, binnen de bestaande kaders,
vanuit de lidstaten en de EU. De Verordening moet nu eerst door de verschillende lidstaten
geïmplementeerd worden. Daarna kunnen dergelijke strategische projecten voor de kritieke
geneesmiddelen worden opgezet om de productiecapaciteit te vergroten. Daarmee wordt
concreet vervolg gegeven op de CMA.
De leden van de D66-fractie lezen dat de rapportage wijst op de kwetsbaarheid van
de internationale plasmaketen en de afhankelijkheid van import uit derde landen. Deze
leden onderschrijven het belang van een toekomstbestendige en weerbare beschikbaarheid
van plasmageneesmiddelen. Zij vragen de Minister hoe zij de huidige kwetsbaarheid
van de Nederlandse en Europese plasmaketen beoordeelt. Welke concrete mogelijkheden
ziet de Minister om de inzameling en verwerking van plasma in Nederland en Europa
verder te versterken? En hoe wordt dit betrokken bij de bredere Europese inzet op
strategische autonomie en leveringszekerheid?
Een ideale situatie zou zijn als Europa geheel zelfvoorzienend is in de behoefte aan
plasma dat als grondstof dient voor geneesmiddelen. Net als vele andere geneesmiddelen
worden ook geneesmiddelen uit plasma wereldwijd geproduceerd en op de wereldmarkt
verhandeld. Door de geopolitieke ontwikkelingen van de afgelopen jaren is een Europese
zelfvoorziening en daarmee geen of minder afhankelijkheid van derde landen gewenst.
Het belangrijkste geneesmiddel uit plasma is op dit moment immunoglobuline. Immunoglobulinen
zijn afweerstoffen die bijvoorbeeld gebruikt worden bij patiënten met afweerstoornissen
of als ondersteuning bij een kankerbehandeling. Voor immunoglobulinen voorziet Nederland
in 50% van de behoefte met plasma dat in Nederland ingezameld wordt. Het kabinet beoordeelt
daarmee dat de keten in Nederland redelijk weerbaar is. Bovendien zijn er nog andere
buitenlandse aanbieders van immunoglobulinen op de Nederlandse markt die in de overige
50% van de behoefte voorzien. Het kabinet acht de kans niet groot dat alle aanbieders
tegelijkertijd wegvallen.
Zoals aangegeven zou in het ideale geval Europa zelfvoorzienend zijn in de plasmavoorziening.
Het kabinet vindt het daarom een goede ontwikkeling dat op EU-niveau initiatieven
zijn om lidstaten te stimuleren hun afhankelijkheid van plasma uit derde landen te
verkleinen. Zo heeft een EU-joint action plaatsgevonden waar ook de bloedvoorzieningsorganisatie Sanquin een belangrijke rol
heeft gespeeld. Het kabinet heeft de Kamer over deze uitkomsten geïnformeerd op 20 juni
202410. Ook zijn er waarborgen opgenomen in de nieuwe verordening lichaamsmateriaal (Verordening
(EU) 1938/2024) die bijdragen aan strategische autonomie en leveringszekerheid. Lidstaten
moeten kritieke lichaamsmaterialen identificeren en hiervoor noodplannen en meldsystemen
opbouwen om de voorziening te borgen. Ook worden lidstaten opgeroepen de inzameling
van kritieke lichaamsmaterialen te faciliteren. Dit is met name relevant voor lidstaten
waar momenteel nog geen plasma via aferese wordt ingezameld of geen productie van
plasmageneesmiddelen plaatsvindt.
De leden van de D66-fractie lezen daarnaast dat het vergroten van diversiteit in donorbestanden
van groot belang is voor de beschikbaarheid van lichaamsmaterialen en daarmee voor
de kans op een passende match voor patiënten. Deze leden constateren tegelijkertijd
dat de huidige campagne «Donor van Ons» volgens de Minister primair gericht is op
bewustwording en niet op actieve donorwerving of registratie. Kan de Minister nader
toelichten waarom ervoor is gekozen om de effectiviteit met name te meten aan de hand
van bereik, interactie en bewustwording, en niet ook aan de hand van daadwerkelijke
donorregistraties of donorwerving?
Uit recente wetenschappelijke onderzoeken11 naar bereidheid tot donatie bij leven onder Nederlanders van Surinaamse en Marokkaanse
afkomst, twee van de grootste groepen Nederlanders van niet-westerse afkomst, blijkt
dat bereidheid tot doneren onder deze groepen toeneemt als hun kennis en bewustwording
hierover wordt verhoogd. Deze groepen vragen onder andere om duidelijke, herkenbare
en betrouwbare informatie, religieuze legitimiteit en voorlichting via professionals
en vanuit de gemeenschap. Hierbij is de eerste stap om in te zetten op bewustwording
en kennis. Dit gaat vooraf aan werving. Op basis hiervan is ervoor gekozen in eerste
instantie in te zetten bewustwording. Dat maakt mogelijke wervingscampagnes die volgen
op de campagne Donor van Ons een stuk effectiever.
Omdat de campagne Donor van Ons gericht is op bewustwording, waarbij geen oproep is
gedaan tot (aanpassen van) de registratie in het donorregister, geeft het aantal (gewijzigde)
donorregistraties geen goed beeld van de effectiviteit van deze campagne. Het meten
van de effectiviteit met name aan de hand van bereik, interactie en bewustwording
doet dat wel.
Voor bloed- en stamceldonatie kan samen met Sanquin en Matchis in de komende periode
in worden gezet op donorwerving. Omdat etniciteit van geregistreerden niet vastgelegd
mag worden in de donorregisters zullen overigens ook dan wijzigingen in donorregistraties
een beperkt beeld van de effectiviteit van campagnes geven. Voor orgaandonatie wordt
alleen ingezet op voorlichting en bewustwording en niet op werving.
Bij donatie na overlijden geldt eenzelfde ondervertegenwoordiging bij donoren met
een niet-westerse achtergrond. Onderzoek naar het vergroten van de diversiteit ten
aanzien van deze groepen is dan ook zinvol. Hierover gaan we in gesprek met NTS.
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast of de Minister het wenselijk acht om
pas na afronding van de activiteiten in de periode 2023 tot en met 2027 te bezien
of aanvullende maatregelen nodig zijn, terwijl nu al sprake is van ongelijke kansen
op een passende match en daarmee op succesvolle behandeling en overleving. Is de Minister
bereid om nu al aanvullende maatregelen te verkennen mede op basis van de voorliggende
rapportage en de Kamer hierover te informeren.
Het kabinet zal, samen met de betrokken partijen, in de tweede helft van 2026 verkennen
wat eventuele volgende stappen kunnen zijn en daarover de Kamer informeren. Keuzes
hierin hangen samen met het signaal dat Matchis heeft afgegeven m.b.t. de (verwachte)
terugloop van aanwas van jongeren in het stamceldonorbestand, zoals ook toegelicht
in een reactie12 op de oproep van Matchis met betrekking tot een brief naar jongeren over stamceldonatie»
d.d. 29 januari.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de periodieke
rapportage «Beschikbaarheid in Perspectief, Beschikbaarheid medische producten, 2017
t/m 2023». Zij stellen nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat er wordt geadviseerd om gebruik te maken van
SMART geformuleerde doelstellingen. Kunnen deze leden daaruit concluderen dat er op
dit moment op het ministerie geen gebruik wordt gemaakt van dergelijke methoden die
de effectiviteit en efficiëntie van het maken en uitrollen van beleid bevorderen?
Denkt de Minister dat (meer) gebruik van SMART of andere methoden de kwaliteit van
beleid kan verbeteren? Zo ja, op welke manier wil zij dit realiseren?
Het Beleidskompas is sinds 2023 de centrale werkwijze en het vaste kader van de Rijksoverheid
voor het ontwikkelen van nieuw beleid en regelgeving. Het formuleren van concrete
SMART-doelstellingen en de voorgenomen monitoring en evaluatie zijn onderdeel van
het Beleidskompas. Het uitgangspunt bij het Ministerie van VWS is dat het Beleidskompas
wordt gebruikt. Bij de beleidsvorming kan daarbij gebruik gemaakt worden van verschillende
multidisciplinaire expertisecentra binnen het Ministerie van VWS op het gebied van
onderzoek, beleidsvorming, monitoring en evaluatie welke advies geven over de door
de Kamer genoemde aspecten13.
De leden van de VVD-fractie lezen dat strategische autonomie en verbetering van de
beschikbaarheid van geneesmiddelen vaak hand in hand gaan. Dit willen zij graag onderstrepen.
Welke acties ziet de Minister om voor opschaalbare genees- en hulpmiddelenproductie
te zorgen? Graag specifiek een reflectie in het kader van strategische autonomie.
Over dit onderwerp is de Kamer op 1 april 2026 geïnformeerd in de voortgangsbrief
beschikbaarheid van geneesmiddelen, op pagina 1814. Het kabinet verkent de inzet van opschaalbare productiecapaciteit in crisissituaties.
In samenwerking met het Ministerie van Defensie wordt onderzocht voor welke medische
producten grondstofvoorraden moeten worden aangelegd en waar productiecapaciteit moet
worden vrijgehouden of ingekocht. In het kader van strategische autonomie is het immers
belangrijk dat de meest belangrijke geneesmiddelen en hulpmiddelen tijdens een crisis
dicht bij huis geproduceerd kunnen worden, in Nederland of elders in Europa.
In dezelfde Kamerbrief beschrijft het kabinet haar inzet voor meer productie van kritieke
geneesmiddelen in Nederland. Samen met de Minister van Economische Zaken en Klimaat
wordt via het nieuwe industriebeleid ingezet op versterking van de markten biotechnologie
en innovatieve chemie, en worden knelpunten voor Nederlandse producenten onder de
aandacht gebracht15. Daarnaast onderzoekt het kabinet hoe milieueisen binnen en buiten Europa de concurrentiepositie
van geneesmiddelenproducenten beïnvloeden. Dit in reactie op een vraag van de vaste
Kamercommissie VWS over de geneesmiddelenvoorziening in de Europese Unie16. Ook ontvangen drie (deels) Nederlandse projecten binnen het Europese subsidieprogramma
Important Project of Common European Interest Med4Cure financiële steun voor de ontwikkeling
van innovatieve productieprocessen, en is de Kennis- en Innovatieagenda Gezondheid
& Zorg uitgebreid met het thema leveringszekerheid van medische producten. Daarnaast
wordt nu de laatste hand gelegd aan de Verordening Kritieke Geneesmiddelen (in het
Engels: Critical Medicines Act, afgekort: CMA), waarmee de productie en leveringszekerheid van kritieke geneesmiddelen
in Europa gestimuleerd wordt. Tot slot werkt het kabinet samen met zorgpartijen binnen
het AZWA aan het voorkomen van doorhaling van geneesmiddelenregistraties en onderzoekt
het mogelijkheden om in urgente gevallen zelf registraties van kritieke geneesmiddelen
te behouden. De bovengenoemde acties moeten ervoor zorgen dat Nederland minder afhankelijk
wordt van derde landen voor de toelevering van kritieke geneesmiddelen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat in het rapport wordt aangegeven dat het Operationeel
Team Geneesmiddelen moet worden uitgebreid. Deze hebben een vergelijkbare taak als
het Zorginkoop Netwerk Nederland. Genoemde leden vragen waarom er nog meer organisaties
worden opgetuigd die grofweg dezelfde doelstellingen hebben. Betrokkenheid van te
veel partijen kan zorgen voor inefficiëntie, kan de Minister aangeven hoeveel partijen
betrokken zijn bij het beschikbaar houden van medische producten? En hoeveel van deze
partijen overheids- of semioverheidsinstanties zijn, dan wel subsidie ontvangen van
VWS?
De toeleveringsketen van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen zijn niet hetzelfde.
Zo is er bijvoorbeeld andere wet- en regelgeving om deze medische producten in de
zorg in te mogen zetten of om ze uit het buitenland te importeren. Ook de leveranciers,
groothandels en inkopers voor geneesmiddelen en medische hulpmiddelen verschillen.
Daarom werken verschillende organisaties afzonderlijk van elkaar aan het beschikbaar
houden van deze medische producten.
Het Operationeel Team Geneesmiddelentekorten (OTG) is een gremium waar verschillende
partijen op operationeel niveau samenwerken om geneesmiddelentekorten vroegtijdig
te signaleren en waar mogelijk op te lossen. Het OTG bestaat uit een kernteam (CBG,
IGJ, LCG, KNMP en BG Pharma), en een tweede schil (de overige leden van de Werkgroep
Verbeteren Beschikbaarheid Geneesmiddelen)17 en wordt voorgezeten door een onafhankelijk voorzitter in opdracht van het Ministerie
van VWS. Het kabinet ziet op dit moment geen noodzaak tot verandering of uitbreiding
van deze samenstelling. Daarnaast ontvangt het Landelijk Coördinatiecentrum Geneesmiddelen
(LCG) van het Ministerie van VWS een subsidie om te coördineren bij geneesmiddelentekorten.
Voor de coördinatie van tekorten van medische hulpmiddelen, ontvangt het Zorginkoop
Netwerk Nederland subsidie van het Ministerie van VWS. Bij de coördinatie schakelen
beide instanties met stakeholders uit het veld, waaronder het College ter Beoordeling
van Geneesmiddelen (CBG), BG Pharma (de koepel van de voorgesorteerde groothandels),
zorgprofessionals, inkopers en de Inspectie Gezondheid & Jeugd (IGJ). Deze partijen
ontvangen hiervoor geen (aanvullende) subsidie
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat veel medicijnen verspild worden in de zorg
doordat heruitgifte niet mogelijk is. Deze leden zijn blij dat heruitgifte van medicijnen
mogelijk wordt gemaakt, voor beperkte aantallen medicijnen. Kan de Minister aangeven
hoeveel medicijnen jaarlijks worden vernietigd waarvan ook tekorten dreigen, waarbij
niet geldt dat voor deze medicijnen onder de herziene EU-geneesmiddelenwetgeving heruitgifte
mogelijk wordt gemaakt?
Het is niet inzichtelijk van hoeveel medicijnen die jaarlijks worden vernietigd ook
een tekort dreigt. In het najaar zal het kabinet in de toegezegde Kamerbrief naast
de financiële impactanalyse van de wijzigingen verder ingaan op het implementatietraject
van de Europese regelgeving in nationale wetgeving, waaronder heruitgifte18. Hierin zal worden geschetst hoe het vervolgproces eruit zal zien en hoe bepaald
wordt voor welke geneesmiddelen heruitgifte geschikt blijkt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
reactie op de brief over de periodieke rapportage «Beschikbaarheid in Perspectief,
Beschikbaarheid medische producten, 2017 t/m 2023». Genoemde leden hebben nog enkele
vragen en opmerkingen.
Kan de Minister nader toelichten hoe het Ministerie van VWS meer regie gaat nemen,
als stelselverantwoordelijke, om de beschikbaarheid van medicijnen te verbeteren?
De wijze waarop het kabinet invulling geeft aan zijn regierol verschilt per onderdeel
van het geneesmiddelenbeleid. Op onderdelen waar het Ministerie van VWS beschikt over
eigen wettelijke en beleidsmatige instrumenten kan het kabinet direct sturend optreden.
Op andere terreinen, zoals het inkoop- en preferentiebeleid, liggen verantwoordelijkheden
primair bij zorgverzekeraars, apothekers, groothandels en leveranciers. Daar richt
de regierol van het kabinet zich op het bijeenbrengen van partijen, het stimuleren
van gezamenlijke oplossingen en het wegnemen van knelpunten. Het kabinet is voortdurend
met betrokken partijen in gesprek.
Het kabinet faciliteert gesprekken tussen partijen onderling, maar treedt ook als
voorzitter op in overleggremia, zoals bij het Bestuurlijk Overleg Farmacie en de Werkgroep
Verbeteren Beschikbaarheid Geneesmiddelen.
Een regierol is noodzakelijk om de beschikbaarheid van geneesmiddelen structureel
te verbeteren. Het kabinet neemt de regie over dit dossier, zowel omwille van de maatschappelijke
urgentie als vanuit haar rol als stelselverantwoordelijke. Het kabinet heeft in de
voortgangsbrief over de beschikbaarheid van geneesmiddelen van 1 april 2026 al uiteengezet
hoe deze regierol wordt vervuld19.
Een mooi recent resultaat is de oplevering van de Werkagenda Betere Beschikbaarheid
Geneesmiddelen, die onderdeel vormt van de uitwerking van het Aanvullend Zorg- en
AZWA. Recent is uw Kamer hierover geïnformeerd20. Alle partijen uit de geneesmiddelenketen, van apotheker tot aan leverancier, hebben
11 afspraken gemaakt op de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren. Aankomende
tijd worden deze afspraken geïmplementeerd. Ook bij de uitvoering van de afspraken
neemt het kabinet een regierol, denk aan het opstellen van een inkoopleidraad of bij
het komen tot uniforme definities.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de brief dat Gupta mogelijkheden
ziet om de beschikbaarheid van medische producten te verbeteren door «daartoe mogelijkheden
door met opschaalbare productiecapaciteit de toeleveringsketen te versterken door
afhankelijkheid te verminderen; door het verkennen van het opschalen van de inzameling
en verwerking van plasma in Nederland en het diversifiëren van de internationale toeleveringsketen
daarvan; door het verhogen en differentiëren van de geneesmiddelenvoorraden; door
het aanpassen van (samenhangende) instrumenten die dienen tot beheersing van de zorguitgaven
zoals de Wet geneesmiddelenprijzen (Wgp), het Geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS)
en het preferentiebeleid; en het nemen van de regie op het toepassen van bredere inkoopcriteria.»
Kan per punt worden toegelicht in hoeverre dit wordt opgevolgd?
Kan worden toegelicht in hoeverre opvolging wordt gegeven aan het versterken van de
toeleveringsketen door middel van opschaalbare productiecapaciteit en het verminderen
van afhankelijkheden?
Over dit onderwerp is de Kamer recentelijk op 1 april 2026 geïnformeerd in de brief
«Voortgang beschikbaarheid geneesmiddelen», op pagina 1821. Het kabinet verkent de inzet van opschaalbare productiecapaciteit in crisissituaties.
In samenwerking met het Ministerie van Defensie wordt onderzocht voor welke medische
producten grondstofvoorraden moeten worden aangelegd en waar productiecapaciteit moet
worden vrijgehouden. In het kader van strategische autonomie is het belangrijk dat
de meest belangrijke medische producten tijdens een crisis geproduceerd kunnen worden
in Nederland.
In dezelfde Kamerbrief beschrijft het kabinet haar inzet voor meer productie van kritieke
geneesmiddelen in Nederland. Samen met de Minister van Economische Zaken en Klimaat
wordt via het nieuwe industriebeleid ingezet op versterking van de markten biotechnologie
en innovatieve chemie, en worden knelpunten voor Nederlandse producenten onder de
aandacht gebracht22. Daarnaast onderzoekt het kabinet hoe milieueisen binnen en buiten Europa de concurrentiepositie
van geneesmiddelenproducenten beïnvloeden. Dit in reactie op een vraag van de vaste
Kamercommissie VWS over de geneesmiddelenvoorziening in de Europese Unie23. Ook ontvangen drie (deels) Nederlandse projecten binnen het Europese subsidieprogramma
Important Project of Common European Interest Med4Cure financiële steun voor de ontwikkeling
van innovatieve productieprocessen, en is de Kennis- en Innovatieagenda Gezondheid
& Zorg uitgebreid met het thema leveringszekerheid van medische producten. Daarnaast
wordt nu de laatste hand gelegd aan de Verordening Kritieke Geneesmiddelen (in het
Engels: Critical Medicines Act, afgekort: CMA), waarmee de productie en leveringszekerheid van kritieke geneesmiddelen
in Europa gestimuleerd wordt. Tot slot werkt het kabinet samen met zorgpartijen binnen
het AZWA aan het voorkomen van doorhaling van geneesmiddelenregistraties en onderzoekt
het mogelijkheden om in urgente gevallen zelf registraties van kritieke geneesmiddelen
te behouden. De bovengenoemde acties moeten ervoor zorgen dat Nederland minder afhankelijk
wordt van derde landen voor de toelevering van kritieke geneesmiddelen.
Kan worden toegelicht in hoeverre opvolging wordt gegeven aan het opschalen van de
inzameling en verwerking van plasma in Nederland en het diversifiëren van de internationale
toeleveringsketen daarvan?
Het kwetsbare punt in de plasmaketen ligt in de beschikbaarheid van plasma, oftewel
het voldoende inzamelen van plasma. In Europa is voldoende productiecapaciteit om
het plasma te verwerken tot geneesmiddelen. Om te komen tot een plasmavoorziening
dat minder afhankelijk is van de invoer van plasma uit derde landen is met name het
opschalen van de inzameling binnen de EU nodig. Het gaat hierbij vooral om extra plasma
dat via een duurdere techniek wordt ingezameld. Deze techniek, aferese, wordt nog
niet overal in de EU toegepast, waarschijnlijk vanwege de hoge kosten die daarmee
gemoeid zijn. In Nederland daarentegen wordt wel afereseplasma ingezameld. Deze inzameling
neemt ook jaarlijks toe gezien de toenemende behoefte aan immunoglobulinen (jaarlijks
3%) en om het weggevallen volbloedplasma te compenseren. Uit volbloed kan namelijk
behalve de rode bloedcellen en bloedplaatjes ook plasma gehaald worden. De behoefte
aan rode bloedcellen daalt al jaren waardoor minder volbloed wordt ingezameld. Dit
betekent dat ook minder plasma uit volbloeddonaties ter beschikking komt voor de productie
van geneesmiddelen. Dit verlies compenseert de bloedvoorzieningsorganisatie Sanquin
door meer afereseplasma in te zamelen. Het kabinet ziet het «diversifiëren van de
toeleveringsketen» in het kader van plasma dan ook niet anders dan dat Nederland met
zijn inzameling van afereseplasma een actieve bijdrage levert aan het streven van
de EU om minder afhankelijk te worden van plasma uit derde landen. Gezien de hoge
inzamelingskosten die hiermee gepaard gaan, kiest het kabinet ervoor dat het met het
Nederlandse plasma ongeveer 50% van de behoefte aan immunoglobulinen dekt. Omdat de
inzamelingskosten nog niet geheel gedekt worden met de verkoopprijs van plasma, wordt
dit deel van de kosten bekostigd via de prijzen van de kort houdbare bloedproducten.
Het gaat om ongeveer € 40 miljoen per jaar. Het kabinet vindt het niet wenselijk dat
deze toeslag veel meer stijgt dan de stijging voor de jaarlijks toenemende behoefte
en het compenseren van het weggevallen volbloedplasma.
Kan worden toegelicht in hoeverre opvolging wordt gegeven aan het verhogen en differentiëren
van geneesmiddelenvoorraden?
In de recente voortgangsbrief over de beschikbaarheid van geneesmiddelen24 heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat het kabinet eind 2025 een subsidie heeft
verstrekt voor het aanleggen en aanhouden van een extra voorraad bovenop de wettelijke
voorraadverplichting van geneesmiddelen op de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen25. Hiermee zijn geneesmiddelenvoorraden dus al verhoogd en gedifferentieerd. Dit betreft
een extra voorraad van vier weken voor geneesmiddelen in de rode categorie en drie
weken van geneesmiddelen in de oranje categorie van deze lijst. Voor beide categorieën
zijn dit alleen geneesmiddelen met een apotheekinkoopprijs onder € 15. Mochten de
resultaten van lopende onderzoeken, bijvoorbeeld over kwetsbaarheden, aanleiding geven
tot verdere differentiatie van de geneesmiddelenvoorraden, zal dit worden meegenomen
in verdere beleidsvorming.
Kan worden toegelicht in hoeverre opvolging wordt gegeven aan het aanpassen van samenhangende
instrumenten die dienen tot beheersing van de zorguitgaven, waaronder de Wet geneesmiddelenprijzen
(Wgp), het Geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS) en het preferentiebeleid?
Zoals mijn voorganger aan de Kamer heeft gecommuniceerd in de Kamerbrief «ontwikkelingen
in het GVS en de Wgp» van 26 juni 2025 wordt momenteel gewerkt aan een brede herziening
van de Wgp26. Een belangrijk doel van deze herziening is het verbeteren van de balans tussen betaalbaarheid
en beschikbaarheid. Binnen dit traject wordt, in lijn met de aanbeveling van Gupta,
zo goed als mogelijk doorgerekend wat de effecten van mogelijke maatregelen zijn op
de uitgaven en op het prijsniveau van verschillende segmenten geneesmiddelen, zoals
geneesmiddelen met of juist zonder concurrentie. Bij het inschatten van de effecten
wordt ook rekening gehouden met inkoopbeleid van onder andere zorgverzekeraars.
Ook in de GVS-herziening worden bestaande problemen van het GVS aangepakt en is er
aandacht voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen. In de hierboven genoemde Kamerbrief
is een probleemanalyse gedeeld van het huidige GVS. Daarbij zijn ook mogelijke oplossingsrichtingen
genoemd.
Kan worden toegelicht in hoeverre opvolging wordt gegeven aan het nemen van regie
op het toepassen van bredere inkoopcriteria?
Het kabinet heeft regie genomen op het toepassen van bredere inkoopcriteria door het
instellen van de Taakgroep Geneesmiddeleninkoop en Beschikbaarheid. Deze Taakgroep
werkt, met mandaat vanuit het AZWA en het BO Farmacie, aan een Inkoopleidraad met
gemeenschappelijke uitgangspunten voor de inrichting van het inkoopproces. Een van
de thema’s waarover in de leidraad in principe afspraken worden gemaakt is het opnemen
van aanvullende inkoopcriteria naast prijs, zoals duurzaamheid of leveringszekerheid.
De Kamer ontvangt de Inkoopleidraad na vaststelling, naar verwachting voor het einde
van dit jaar.
Daarnaast zijn in de Verordening Kritieke Geneesmiddelen leveringszekerheidscriteria
en een Europees voorkeursprincipe bij de publieke aanbesteding van kritieke geneesmiddelen
opgenomen. Daarmee kunnen aanbestedende diensten leveranciers belonen die extra investeren
in de weerbaarheid van hun productieketens, door bijvoorbeeld meerdere leveranciers
te hanteren, of de productie in Europa laten plaatsvinden27. De kanttekening die hierbij wordt geplaatst is dat het grootste deel van de kritieke
geneesmiddelen in Nederland ingekocht wordt door private partijen zoals zorgverzekeraars,
en buiten de reikwijdte van de verordening liggen. Daarom gaat het kabinet, zoals
toegezegd aan de Kamer, in gesprek met deze inkopers over de mogelijkheden om bij
de inkoop van geneesmiddelen sterker in te zetten op criteria die leveringszekerheid
bevorderen28.
Verder lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat Gupta het Ministerie van
VWS adviseert om het oplossen van de afbakeningsproblematiek verder te onderzoeken.
Wanneer kan de Kamer dit onderzoek verwachten? Hoe is het kabinet op de taakstelling
van € 150 miljoen structureel op het budget voor geneesmiddelen gekomen? Is dit realistisch
zonder dat de toegankelijkheid van medicijnen achteruitloopt?
Het kabinet volgt in de basis de redenering van Gupta29, en is zich bewust dat de huidige afbakening kan zorgen voor ongewenste effecten
in de praktijk. Zo is er een financiële prikkel voor een arts in het ziekenhuis om
te kiezen voor een extramuraal geneesmiddel in plaats van een intramuraal geneesmiddel
omdat een extramuraal geneesmiddel niet uit het ziekenhuisbudget wordt betaald. De
problematiek en oplossing is volgens het kabinet complexer dan de aanbeveling van
Gupta doet voorkomen.
De hypothese van Gupta is onder andere dat ziekenhuizen een besparing kunnen behalen
omdat zij grotere volumes inkopen dan een openbaar apotheker. Een eventuele verandering
van de afbakening heeft gevolgen voor de toegankelijkheid van geneesmiddelen voor
patiënten. Zo zouden patiënten hun geneesmiddel dan via een ziekenhuis verstrekt krijgen
en niet via de plaatselijke apotheek. En dat heeft ook weer gevolgen voor de inkomsten
en het verdienmodel van de openbaar apotheker. Dergelijke aanpassingen in het verleden
bleken complex, zowel in het proces van zorg als in de bekostiging. En uit evaluaties
van deze aanpassingen bleek dat het onduidelijk is of de voorspelde doelmatigheidswinst
is behaald.
De totale taakstelling van 150 miljoen euro is een brede taakstelling op intramurale
en extramurale geneesmiddelen, die nader ingevuld gaat worden. Het staat nog open
welk deel ten laste valt aan de verbetering van de afbakening.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op de periodieke
rapportage «Beschikbaarheid in Perspectief, Beschikbaarheid medische producten, 2017
t/m 2023». Zij hebben hierover de volgende vragen.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister om in de beantwoording ook de recente
actualiteit te betrekken, waaronder de oplopende tekorten aan medische hulpmiddelen
in ziekenhuizen, de langere wachttijd voor nieuwe kankermedicijnen en de stand van
zaken rond Voxzogo.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de rapportage bewust breder is opgezet dan alleen
de specifieke begrotingsartikelen, maar dat tegelijkertijd een aantal belangrijke
onderwerpen buiten de scope valt, waaronder dure geneesmiddelen, medische isotopen,
vaccins en de maatregelen tijdens de coronacrisis. Deze leden vragen waarom juist
deze onderwerpen buiten beeld zijn gelaten. Kan de Minister aangeven welk deel van
het beschikbaarheidsvraagstuk hierdoor niet is meegenomen? Is de Minister bereid om
de Kamer alsnog aanvullend te informeren over de beschikbaarheid van dure geneesmiddelen,
medische isotopen en vaccins?
De periodieke rapportage richt zich op de beschikbaarheid van medische producten.
Dure geneesmiddelen vallen buiten deze afbakening, omdat de belangrijkste beleidsvraagstukken
voor deze productgroep betrekking hebben op toegankelijkheid en betaalbaarheid, en
niet op beschikbaarheid.
Ook medische isotopen en vaccins zijn buiten beschouwing gelaten. Deze productgroepen
kennen een afwijkende marktstructuur, specifieke productie- en distributieprocessen
en een andere leveringsketen dan reguliere medische producten. Daardoor vragen zij
om een afzonderlijke beleidsmatige benadering.
De Kamer wordt al geïnformeerd over de ontwikkelingen en het beleid ten aanzien van
dure geneesmiddelen, medische isotopen en vaccins, en ontvangt waar nodig aanvullende
informatie. Het kabinet ziet daarom geen meerwaarde in aanvullende rapportage over
deze productgroepen binnen het kader van deze periodieke rapportage.
De leden van de PVV-fractie lezen dat het kabinet stelt dat de huidige aanpak in grote
lijnen werkt, terwijl het beschikbaarheidsvraagstuk nog niet is opgelost. Deze leden
vragen hoe de Minister dat met elkaar rijmt. Wanneer vindt de Minister een aanpak
nog «in grote lijnen werkend» als patiënten, apothekers, artsen, zorginstellingen
en andere zorgverleners nog steeds worden geconfronteerd met tekorten of dreigende
tekorten?
Met de kwalificatie dat de huidige aanpak «in grote lijnen werkt», stelt het kabinet
niet dat het beschikbaarheidsvraagstuk volledig is opgelost of dat tekorten niet meer
zullen voorkomen. Het kabinet erkent dat geneesmiddelentekorten nog steeds een groot
probleem vormen voor patiënten, apothekers en zorgverleners. Inzet blijft noodzakelijk,
omdat de beschikbaarheid van geneesmiddelen nog niet op het gewenste niveau is en
patiënten nog te vaak met tekorten worden geconfronteerd. Het kabinet pakt daar, zoals
aangegeven, regie.
De afgelopen jaren is al ingezet om tekorten te voorkomen, beter voorbereid te zijn
op leveringsonderbrekingen en de gevolgen van tekorten te beperken wanneer zij zich
voordoen. Over deze maatregelen is de Kamer eerder geïnformeerd in de voortgangsbrief
beschikbaarheid van geneesmiddelen30.
Het aantal gemelde tekorten is voor het tweede jaar op rij afgenomen. Het kabinet
beschouwt de aanpak als in grote lijnen werkend, maar blijft de beschikbaarheid van
geneesmiddelen nauwgezet volgen. De beschikbare instrumenten en de samenwerking in
de keten dragen steeds beter bij aan het voorkomen en opvangen van tekorten. Dit blijkt
onder andere uit de rapportage van Strategies in Regulated Markets (SiRM) over de subsidie van de voorraad lijst kritieke geneesmiddelen31. Deze rapportage laat een verbetering zien in de beschikbaarheid van geneesmiddelen
waarvoor een extra voorraad is aangelegd. Aanvullend blijkt uit de jaarrapportage
van het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten 2025 dat intensieve samenwerking
tussen overheid en veldpartijen heeft bijgedragen aan het beperken van de gevolgen
van tekorten32.
Het kabinet benadrukt dat geneesmiddelentekorten het gevolg zijn van een complex en
internationaal verweven productie- en distributiesysteem. Daardoor zijn oorzaken vaak
niet tot één schakel of één land te herleiden en zijn de effecten van nationale en
Europese maatregelen voor individuele patiënten niet altijd direct zichtbaar of afzonderlijk
meetbaar.
De leden van de PVV-fractie vinden de kabinetsreactie op onderdelen te vrijblijvend.
Veel aanbevelingen worden «ter harte genomen», «betrokken bij verdere beleidsontwikkeling»
of «nader verkend». Deze leden vragen de Minister om per aanbeveling uit de rapportage
aan te geven of deze volledig wordt overgenomen, gedeeltelijk wordt overgenomen of
niet wordt overgenomen. Kan de Minister daar per aanbeveling een planning, verantwoordelijke
partij, budgettaire gevolgen en beoogd effect aan koppelen?
Het kabinet heeft aangegeven de productgroepsgewijze en overkoepelende aanbevelingen
uit de rapportage te betrekken bij de verder invulling en uitwerking van het beleid
op de beschikbaarheid van medische producten.
Het kabinet heeft in de kabinetsreactie tevens aangegeven de Kamer via de reguliere
cyclus van (voortgangs-)brieven voor de betreffende dossiers of productgroepen te
informeren over ontwikkelingen in de opvolging van de productgroepsgewijze aanbevelingen.
Ook voor de planning, verantwoordelijke partijen en (budgettaire) effecten verwijst
het kabinet de Kamer naar de komende (voortgangs)brieven voor geneesmiddelen, medische
technologie en lichaamsmaterialen. Het kabinet is voornemens de Kamer voor het einde
van 2026 te informeren over de voortgang van het beleid voor medische hulpmiddelen
en het beleid voor lichaamsmaterialen. Voor het beleid gericht op de beschikbaarheid
van geneesmiddelen streeft het kabinet ernaar de Kamer in het eerste kwartaal van
2027 over de voortgang te informeren.
Daarnaast wordt de Kamer, zoals in de kabinetsreactie vermeld, voortaan onder de titel
«Opvolging in beeld» jaarlijks geïnformeerd over de opvolging van bevindingen en aanbevelingen
van alle periodieke rapportages die binnen het Ministerie van VWS zijn en worden uitgevoerd.
Door middel van de reguliere (voortgangs-)brieven én de jaarlijkse brief «Opvolging
in beeld» wordt de Kamer afdoende in staat gesteld de opvolging van de aanbevelingen
te monitoren.
De leden van de PVV-fractie vragen welke concrete verbeteringen patiënten, apothekers,
artsen en zorgverleners in 2026 mogen verwachten. Welke maatregelen zijn voor hen
dit jaar merkbaar? Welke maatregelen blijven voorlopig beperkt tot overleg, onderzoek
of verkenning?
Er worden al extra voorraden aangelegd van geneesmiddelen uit de rode en oranje categorie
van de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen. Verwacht wordt dat in de loop van
2026 het gewenste voorraadpeil voor deze extra voorraad kritieke geneesmiddelen bereikt
zal worden. Voor patiënten betekent dit dat bij een dreigende leveringsonderbreking
van deze specifieke, kritieke middelen een buffer beschikbaar is, waardoor zij minder
snel geconfronteerd kunnen worden met een abrupte wisseling van medicatie aan de balie.
Hierdoor neemt met deze maatregel de regeldruk voor apothekers en artsen naar verwachting
af. Daarnaast hebben beide Kamers het voorstel aangenomen om de Geneesmiddelenwet
te repareren. Daarmee is de grondslag hersteld om bij acute tekorten vergelijkbare
geneesmiddelen uit het buitenland te importeren33.
Een aantal maatregelen bevindt zich in 2026 nog in de fase van verkenning, onderzoek
of nadere uitwerking. Zo wordt de mogelijkheid van een informatiepunt voor geneesmiddelentekorten
nog verkend. Een besluit over daadwerkelijke ontwikkeling en implementatie is in 2026
nog niet voorzien, zoals gemeld in de Voortgangsbrief Beschikbaarheid Geneesmiddelen34. Dat komt mede doordat hier het hier ook om bedrijfsgevoelige informatie kan gaan.
Het verkennen van een informatiepunt is onderdeel van het AZWA35. Ook voor andere afspraken uit het AZWA ter verbeteren van de beschikbaarheid geldt
dat de resultaten daarvan nog niet dit jaar merkbaar zijn. De afspraken onder deze
Werkagenda36 kennen uiteenlopende doorlooptijden en meerdere partijen zijn verantwoordelijk voor
de uitvoering. Daarom kan op dit moment geen eenduidig antwoord worden gegeven over
de mate waarin dit voor patiënten al in 2026 voelbaar zal zijn. In de Werkagenda zijn
doelstellingen en mijlpalen per afspraak opgenomen. Zo is al voortvarend gestart met
het opstellen van uniforme definities.
Het kabinet benadrukt hierbij dat geneesmiddelentekorten doorgaans niet aan één nationale
of internationale oorzaak zijn toe te schrijven, maar voortkomen uit een complexe,
sterk internationaal verweven productie- en toeleveringsketen. Hierdoor is het vaak
lastig om nationale en internationale oorzaken scherp van elkaar te onderscheiden,
en is het evenmin eenvoudig om zeer gericht op één specifieke schakel in de keten
in te grijpen. Mede om die reden zijn concrete, meetbare resultaten voor de individuele
patiënt niet altijd op korte termijn zichtbaar of goed te isoleren van bredere internationale
ontwikkelingen, ook wanneer de nationale en Europese inzet daar wel aan bijdraagt.
Naar aanleiding van het thema Geneesmiddelen. De leden van de PVV-fractie vragen daarbij
ook naar de recente berichtgeving dat Nederlanders steeds langer moeten wachten op
nieuwe kankermedicijnen en dat Nederland achterblijft bij de beschikbaarheid daarvan.
Hoe verhoudt dit zich tot de kabinetsreactie en welke concrete maatregelen neemt de
Minister om te voorkomen dat Nederlandse patiënten later toegang krijgen tot nieuwe
oncologische geneesmiddelen dan patiënten in andere Europese landen?
De context van de beschikbaarheid van en toegang tot dure nieuwe geneesmiddelen is
anders dan die bij goedkope(re) oudere geneesmiddelen met stofnaamconcurrentie. Bij
de eerste zijn te hoge prijzen het probleem, bij de laatste (soms) te lage prijzen.
De kabinetsreactie staat dus los van het beleid ten aanzien van dure geneesmiddelen,
zoals de geneesmiddelensluis. Overigens wijst het kabinet er graag op dat lang niet
alle nieuwe oncologische geneesmiddelen van meerwaarde zijn en absolute toegang (het
aantal middelen waartoe Nederlandse patiënten toegang hebben) dus niet zo veel zegt.
Dat wordt overigens ook benadrukt door de beroepsgroep (NVMO). Tegelijk erkent het
kabinet dat het vergoedingenstelsel toe is aan een herziening en werkt het aan een
toekomstbestendig stelsel geneesmiddelen (TSG), waarover de Kamer regelmatig wordt
geïnformeerd.37
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast naar de stand van zaken rond Voxzogo.
Klopt het dat de reguliere route via een extramurale vergoedingsaanvraag loopt en
dat de fabrikant inmiddels heeft aangegeven geen vergoeding in Nederland aan te vragen?
Welke mogelijkheden ziet de Minister nog om te voorkomen dat kinderen met achondroplasie
in Nederland met lege handen blijven staan?
Zoals aan de Kamer eerder bericht, valt het geneesmiddel Voxzogo binnen de extramurale
aanspraak en heeft de leverancier bekend gemaakt definitief besloten te hebben geen
vergoedingsdossier in te dienen in Nederland38. Zoals gezegd vindt het kabinet dat zeer teleurstellend en daarom heeft de Minister
van VWS de leverancier opgeroepen zijn besluit te heroverwegen39. Ook is al meerdere keren contact gezocht met de leverancier om uitleg te krijgen
over de beweegredenen van de leverancier.40 De Kamer heeft op 30 juni jl. desondanks een motie aangenomen waarmee de Minister
wordt opgeroepen met de leverancier om tafel te gaan om te komen tot indiening van
een vergoedingsdossier. De Minister heeft u hierop separaat een reactie gestuurd.
Verder is de Kamer bericht dat er twee andere leveranciers werken aan een middel voor
de behandeling van achondroplasie, voor de eerste wordt marktautorisatie eind dit
jaar verwacht41. Het kabinet heeft goede hoop dat deze leverancier wel spoedig een dossier indient
bij het Zorginstituut.
De leden van de PVV-fractie lezen dat geneesmiddelentekorten al jaren een structureel
probleem vormen en dat de gehele keten van fabrikanten, groothandels, voorschrijvers,
apotheken en patiënten hiermee wordt geconfronteerd. Deze leden vragen of de Minister
erkent dat het huidige beleid onvoldoende heeft voorkomen dat geneesmiddelentekorten
blijven voortduren. Zo ja, welke verantwoordelijkheid neemt de Minister daarvoor?
Zo nee, hoe verklaart de Minister dan dat het probleem al jaren bestaat?
Het kabinet erkent dat geneesmiddelentekorten al meerdere jaren een structureel probleem
vormen. Tegelijkertijd kan niet worden geconcludeerd dat het gevoerde beleid onvoldoende
is geweest. Geneesmiddelentekorten worden veroorzaakt door een complex samenspel van
factoren, waaronder productieproblemen, schaarste aan grondstoffen, geopolitieke ontwikkelingen
en de sterke internationalisering van productie- en leveringsketens. Een aantal van
de factoren liggen buiten de directe invloedssfeer van het kabinet.
Dat neemt niet weg dat het kabinet een verantwoordelijkheid neemt om tekorten zoveel
als mogelijk te voorkomen en de gevolgen te beperken, ook als de onderliggende oorzaken
internationaal van aard zijn. Het kabinet kijkt daarbij ook kritisch naar het eigen
beleid. Zo wordt, om beter inzicht te krijgen in waar kwetsbaarheden in de leveringsketen
van geneesmiddelen precies zitten, een kwetsbaarhedenanalyse uitgevoerd. Daarnaast
loopt de onafhankelijke evaluatie van de kosten en baten van het preferentiebeleid,
waarvan de resultaten eind 2026 met de Kamer gedeeld worden. De uitkomsten hiervan
zullen medebepalend zijn voor eventuele aanpassingen van dit beleidsinstrument.
Daarnaast neemt het kabinet vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid een actieve regierol.
Het Ministerie van VWS is voortdurend met betrokken partijen in gesprek om knelpunten
te signaleren, gezamenlijke oplossingen te ontwikkelen en de beschikbaarheid van geneesmiddelen
te verbeteren. Daarbij worden afspraken gemaakt, de voortgang gemonitord en waar nodig
aanvullende maatregelen verkend.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de onderzoekers constateren dat de beschikbaarheid
van geneesmiddelen een complex vraagstuk is in een krachtenveld van individuele belangen
en dat dit vraagt om meer regie van VWS. Deze leden vragen wat de Minister concreet
verstaat onder «meer regie». Betekent dit dat de Minister zelf sterker gaat sturen
op voorraden, leveringszekerheid, inkoopvoorwaarden, meldingen, kritieke geneesmiddelen
en de opvolging van tekorten? Of blijft de aanpak vooral afhankelijk van veldpartijen,
overlegstructuren en Europese trajecten?
De wijze waarop het kabinet invulling geeft aan zijn regierol verschilt per onderdeel
van het geneesmiddelenbeleid. Op onderdelen waar het Ministerie van VWS beschikt over
eigen wettelijke en beleidsmatige instrumenten kan het kabinet direct sturend optreden.
Op andere terreinen, zoals het inkoop- en preferentiebeleid, liggen verantwoordelijkheden
primair bij zorgverzekeraars, apothekers, groothandels en leveranciers. Daar richt
de regierol van het kabinet zich op het bijeenbrengen van partijen, het stimuleren
van gezamenlijke oplossingen en het wegnemen van knelpunten. Het kabinet is voortdurend
met betrokken partijen in gesprek. Het kabinet faciliteert gesprekken tussen partijen
onderling, maar treedt ook als voorzitter op in overleggremia, zoals bij het Bestuurlijk
Overleg Farmacie en de Werkgroep Verbeteren Beschikbaarheid Geneesmiddelen.
Een regierol is noodzakelijk om de beschikbaarheid van geneesmiddelen structureel
te verbeteren. Het kabinet neemt de regie over dit dossier, zowel omwille van de maatschappelijke
urgentie als vanuit haar rol als stelselverantwoordelijke. Het kabinet heeft in de
voortgangsbrief over de beschikbaarheid van geneesmiddelen van 1 april 2026 al uiteengezet
hoe deze regierol wordt vervuld42.
Een mooi recent resultaat is de oplevering van de Werkagenda Betere Beschikbaarheid
Geneesmiddelen, die onderdeel vormt van de uitwerking van het AZWA. Recent is uw Kamer
hierover geïnformeerd43. Alle partijen uit de geneesmiddelenketen, van apotheker tot aan leverancier, hebben
11 afspraken gemaakt op de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren. Aankomende
tijd worden deze afspraken geïmplementeerd. Ook bij de uitvoering van de afspraken
neemt het kabinet een regierol, denk aan het opstellen van een inkoopleidraad of bij
het komen tot uniforme definities.
De leden van de PVV-fractie vragen welke bevoegdheden de Minister nu heeft om in te
grijpen bij dreigende of bestaande geneesmiddelentekorten. Welke bevoegdheden ontbreken
volgens de Minister? Is zij bereid aanvullende bevoegdheden te verkennen als blijkt
dat partijen in de keten onvoldoende verantwoordelijkheid nemen?
Samen met betrokken partijen zorgt het kabinet dat geneesmiddelentekorten zoveel mogelijk
worden afgewend, verzacht of opgelost. Het kabinet is hier stelselverantwoordelijk,
en zorgt dat betrokken partijen in staat zijn om hun rol zo goed mogelijk uit te voeren
ten behoeve van de beschikbaarheid van geneesmiddelen. Hiertoe heeft het kabinet in
2017 het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten (hierna: het Meldpunt) opgericht,
waar handelsvergunninghouders wettelijk verplicht zijn verwachte leveringsonderbrekingen
te melden. Om het Meldpunt te ondersteunen in hun werkzaamheden is vervolgens het
OTG opgericht, waar vroegsignalering plaatsvindt en dat bijdraagt aan tijdige informatie-uitwisseling
tussen partijen. Betrokken partijen zijn goed in staat om zo adequaat mogelijk te
handelen tijdens een tekort en pakken hier ook hun verantwoordelijk. Daarnaast ontvangt
het LCG van het Ministerie van VWS subsidie om te coördineren bij geneesmiddelentekorten.
Hierom ziet het kabinet geen aanleiding om aanvullende bevoegdheden te verkennen.
De leden van de PVV-fractie lezen dat er geen enkel «gouden beleidsinstrument» bestaat
om geneesmiddelentekorten op te lossen. Deze leden begrijpen dat het probleem complex
is, maar vinden dat complexiteit geen excuus mag zijn voor vrijblijvendheid. Kan de
Minister aangeven welke combinatie van maatregelen volgens haar nodig is om geneesmiddelentekorten
daadwerkelijk terug te dringen?
Er bestaat geen enkel instrument dat op zichzelf geneesmiddelentekorten kan voorkomen
of oplossen. De oorzaken van tekorten zijn divers en liggen vaak verspreid over internationale
productie-, distributie- en leveringsketens. Daarom is een samenhangende inzet van
maatregelen nodig zoals uitgebreid beschreven in de Kamerbrief van 1 april 202644. Van vrijblijvendheid is geen sprake.
De leden van de PVV-fractie vragen welke geneesmiddelen op dit moment als kritiek
of kwetsbaar worden aangemerkt. Kan de Minister de Kamer een actueel overzicht sturen
van kritieke geneesmiddelen, geneesmiddelen met kwetsbare leveringsketens en geneesmiddelen
waarbij sprake is van terugkerende tekorten? Wordt daarbij ook gekeken naar geneesmiddelen
waarvoor weinig of geen alternatieven beschikbaar zijn?
Geneesmiddelentekorten kennen geen voorspellende waarde, maar worden vaak veroorzaakt
door onvoorziene omstandigheden. De website Farmanco van de KNMP houdt tekorten bij
die door apothekers worden gemeld45. Dit zijn geneesmiddelen die in meerdere apotheken niet beschikbaar zijn en waarvan
het tekort waarschijnlijk langer dan 14 dagen gaat duren. Bij het oplossen of mitigeren
van geneesmiddelentekorten kijkt het CBG of er in Nederland een geschikt alternatief
beschikbaar is. Als er in Nederland geen geschikt alternatief beschikbaar is, kan
de IGJ een vrijstelling afgeven om het geneesmiddel uit het buitenland te halen voor
de Nederlandse patiënt. Van deze vrijstellingen is ook een overzicht beschikbaar op
de website van de IGJ46.
Verder heeft het LCG op verzoek van het kabinet de Nederlandse lijst van kritieke
geneesmiddelen opgeleverd. Deze lijst geeft een overzicht van geneesmiddelen die voor
de Nederlandse gezondheidszorg van groot belang zijn. Hierbij wordt een geneesmiddel
als kritiek beschouwd als een tekort van het geneesmiddel direct of op korte termijn
leidt tot onomkeerbare schade voor de patiënt en/of de algehele bevolking of middelen
noodzakelijk zijn voor normaal maatschappelijk verkeer. De lijst is op de website
van het LCG beschikbaar47. Er is geen overzicht beschikbaar van geneesmiddelen met kwetsbare leveringsketens.
De leden van de PVV-fractie lezen dat een hogere voorraadverplichting een groot deel
van tijdelijke tekorten kan overbruggen, maar dat de hoogte van de voorraad, monitoring
en handhaving beter kunnen. Deze leden vragen of de huidige voorraadverplichting volgens
de Minister voldoende is om patiënten te beschermen tegen tijdelijke tekorten. Zo
ja, waarop baseert zij dat? Zo nee, wanneer wordt de voorraadverplichting aangescherpt?
De wettelijke voorraadverplichting (ook wel «de veiligheidsvoorraad» genoemd) dient
als buffer om tijdelijke leveringsonderbrekingen te voorkomen. Zowel van de leverancier
als van de groothandel. Hiermee wordt voorkomen dat iedere leveringsonderbreking ook
daadwerkelijk leidt tot een tekort voor de patiënt. Op dit moment is de wettelijke
voorraadverplichting in totaal 8 weken: 6 weken bij de handelsvergunninghouder voor
vrijwel alle geneesmiddelen, en 2 weken bij groothandel voor vrijwel alle geneesmiddelen
met een AIP onder € 1548. Het is echter bekend dat sommige leveringsonderbrekingen langer duren dan deze 8
weken. In deze gevallen biedt de veiligheidsvoorraad partijen in de keten enige tijd
om te zoeken naar alternatieve oplossingen, zoals het aanbieden van een alternatieve
toedieningsvorm of het importeren van een vergelijkbaar medicijn uit het buitenland.
Het is begrijpelijk dat hierbij de vraag opkomt of de wettelijke voorraadverplichting
niet hoger moet zijn, om zo meer en langere leveringsonderbrekingen te overbruggen.
Het is helaas niet vooraf te voorspellen welke geneesmiddelen in tekort zullen raken.
Dit zou betekenen dat de voorraad voor alle geneesmiddelen verhoogd moet worden. Zoals
al eerder aan de Kamer is gecommuniceerd49 laat een grove schatting zien dat het aanleggen van twee maanden extra voorraad voor
alle geneesmiddelen enkele honderden miljoenen euro’s zou kosten. Ook verhoogt dit
het risico op verspilling van deze producten. Dat vindt het kabinet niet kosteneffectief.
Dat is de reden dat ambtsvoorgangers en dit kabinet niet voor alle geneesmiddelen
maar juist specifiek voor de meest kritieke geneesmiddelen extra voorraden laten aanleggen
bovenop de al bestaande veiligheidsvoorraad. Hierover is de Kamer recent opnieuw geïnformeerd50.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe vaak de naleving van de voorraadverplichting
wordt gecontroleerd. Hoe vaak is niet-naleving vastgesteld? Welke maatregelen zijn
genomen? Zijn er sancties opgelegd?
Het toezicht op de naleving van de voorraadverplichting is belegd bij de IGJ. Dit
doet zij risicogestuurd. In 2024 en 2025 zijn door de IGJ circa 10 inspecties uitgevoerd
in het kader van de voorraadverplichting bij groothandels en handelsvergunninghouders.
In totaal is twee keer een wettelijke tekortkoming geconstateerd en één keer een overige
tekortkoming. In één geval is een schriftelijke waarschuwing gegeven, die werd opgevolgd
door een herinspectie. Een andere keer is door de IGJ om een plan van aanpak met concrete
verbeterpunten gevraagd.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is de voorraadverplichting
sterker te differentiëren naar medische urgentie, leveringsrisico, kwetsbaarheid van
de keten, beschikbaarheid van alternatieven en gevolgen voor patiënten.
In verschillende voorgaande Kamerbrieven51 is de Kamer geïnformeerd over de extra voorraad van kritieke geneesmiddelen die wordt
aangelegd. Dit is een extra voorraad van kritieke geneesmiddelen van de Nederlandse
lijst kritieke geneesmiddelen52. Dit betreft een medisch inhoudelijke lijst die een categorisering aanbrengt voor
welke geneesmiddelen het niet beschikbaar zijn de grootste negatieve gevolgen heeft
voor patiënten. Hiermee zijn geneesmiddelenvoorraden dus al verhoogd en gedifferentieerd.
Mochten de resultaten van lopende onderzoeken, bijvoorbeeld over kwetsbaarheden, aanleiding
geven tot verdere differentiatie van de geneesmiddelenvoorraden, zal dit worden meegenomen
in verdere beleidsvorming.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister voorkomt dat hogere voorraadkosten
uiteindelijk worden doorberekend aan patiënten via premies, eigen risico of hogere
prijzen. Kan de Minister inzichtelijk maken wat de kosten zijn van hogere voorraden,
maar ook wat de maatschappelijke kosten zijn van tekorten, zoals extra werkdruk bij
apotheken, omzettingen van medicatie, onzekerheid bij patiënten, uitstel van behandeling
en extra belasting van zorgverleners?
Voor de financiering van de wettelijke voorraadverplichting (de veiligheidsvoorraad)
is vanaf 2020 het Uitgavenplafond Zorg (UPZ) structureel met € 25 miljoen per jaar
verhoogd53. Het UPZ is de som van de geraamde uitgaven aan premiegefinancierde gezondheidszorg.
Dit wordt onder andere gefinancierd uit de zorgpremies en het eigen risico. De bekostiging
van deze voorraadverplichting is dus verdeeld over alle premiebetalers. Voor financiering
van het aanleggen en aanhouden van de extra voorraad van kritieke geneesmiddelen bovenop
de wettelijke voorraadverplichting, heeft het kabinet een subsidie verstrekt aan de
branchevereniging van volgesorteerde groothandels (BG Pharma). Hiervoor worden dus
géén extra kosten doorberekend aan patiënten of premiebetalers, omdat subsidies via
de begroting (en daarmee met belastinginkomsten) worden gefinancierd.
In algemeenheid merkt het kabinet wel op dat het voorkomen van onnodig hoge kosten
precies de reden is dat zij niet zonder meer de wettelijke voorraadverplichting voor
alle geneesmiddelen wil verhogen. Zoals eerder genoemd laat een grove schatting zien
dat het aanleggen van twee maanden aan extra voorraad voor alle geneesmiddelen enkele
honderden miljoenen euro’s zou kosten.
Ten slotte vragen de leden van de PVV naar het inzichtelijk maken van de kosten van
tekorten, zoals extra werkdruk bij apothekers. Ook het kabinet hecht eraan dat alle
impact van tekorten inzichtelijk worden gemaakt en worden verminderd. Daarom is hierover
een afspraak gemaakt binnen het AZWA, samen met alle veldpartijen54.
De leden van de PVV-fractie lezen dat het sneller delen van meldingen met alle partijen
in de keten noodzakelijk is, zodat partijen vroegtijdig kunnen handelen. Deze leden
vragen waarom dit nog steeds niet optimaal is geregeld. Welke belemmeringen spelen
hierbij een rol? Gaat het om commerciële belangen, privacy, juridische belemmeringen,
ICT-systemen, gebrek aan standaardisatie of onvoldoende regie vanuit VWS?
Binnen het AZWA gewerkt aan het versnellen en verbeteren van data-uitwisseling55. Een onderdeel van deze afspraak is dat partijen kijken naar de haalbaarheid van
een centraal informatiepunt waarin duidelijke, uniforme en actuele informatie raadpleegbaar
is56. Hierbij is het van belang dat partijen in kaart brengen welke informatie in bepaalde
situaties wel of niet gedeeld kan worden. Belangrijke randvoorwaarden waar rekening
mee gehouden moet worden is de omgang met bedrijfsvertrouwelijke informatie, welke
informatie met welke partij gedeeld kan worden op welk moment, en waar de meerwaarde
zit van de informatie-uitwisseling. Het kabinet wil benadrukken dat dit een complex
traject is, waar veel verschillende belangen spelen en zorgvuldigheid vereist is.
De leden van de PVV-fractie lezen dat wordt gedacht aan verbetering van de informatievoorziening
over geneesmiddelen en tekorten, eventueel via een trusted third party. Deze leden
vragen wanneer er één betrouwbaar, actueel en bruikbaar overzicht komt van geneesmiddelentekorten,
dreigende tekorten, beschikbare alternatieven, verwachte hersteldatum en handelingsperspectief
voor apothekers en voorschrijvers. Wordt dit overzicht ook begrijpelijk toegankelijk
voor patiënten wanneer dit relevant is?
De herziene Europese geneesmiddelenwetgeving verplicht dat het CBG, als beoogd national competent authority, door het CBG beoordeelde informatie over feitelijke geneesmiddelentekorten publiceert
op een openbare website. Deze informatie moet actueel gehouden worden en actief worden
meegedeeld aan vertegenwoordigers van zorgprofessionals en patiënten. Het CBG werkt
momenteel aan het vormgeven van deze publicatie. De verwachting is dat een website
van het CBG met informatie over tekorten in 2027 te raadplegen zal zijn. Bij de uitwerking
hiervan houdt het CBG rekening met hoe zorgverleners en patiënten het beste inzicht
kunnen hebben in informatie over geneesmiddeltekorten.
Ook wordt binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) gewerkt aan het versnellen
en verbeteren van data-uitwisseling. Een onderdeel van deze afspraak is dat partijen57 kijken naar de haalbaarheid van een informatiepunt waarin duidelijke, uniforme en
actuele informatie raadpleegbaar is. De betrokken partijen zijn recent gestart met
een eerste analyse over de haalbaarheid en zullen deze in 2026 verder brengen. In
deze analyse wordt onderzocht welke belemmeringen er bestaan voor het versnellen en
verbeteren van data-uitwisseling.
De leden van de PVV-fractie lezen dat het Operationeel Team Geneesmiddelentekorten
verder geprofessionaliseerd zou moeten worden, met een heldere taakomschrijving en
gestandaardiseerde werkwijzen. Deze leden vragen hoe dit team op dit moment is ingericht.
Welke partijen nemen deel? Welk mandaat heeft dit team? Welke besluiten kan het team
nemen? Welke resultaten zijn de afgelopen twee jaar concreet geboekt? Wanneer is de
professionalisering afgerond?
Het OTG is in 2023 opgericht ter ondersteuning van het Meldpunt Geneesmiddelentekorten
en -defecten. Het OTG bestaat uit een kernteam (CBG, IGJ, LCG, KNMP en BG Pharma),
en een tweede schil (de overige leden van de Werkgroep Verbeteren Beschikbaarheid
Geneesmiddelen)58. In het tweewekelijks overleg van het kernteam OTG werken de partijen op operationeel
niveau samen om geneesmiddelentekorten vroegtijdig te signaleren en waar mogelijk
op te lossen. Het OTG is dus een gremium waarin bestaande partijen – met ieder hun
eigen rol, taak en verantwoordelijkheid – samenkomen om signalen uit te wisselen en
gezamenlijk te zoeken naar oplossingen. Het OTG zelf heeft dus geen apart mandaat
en neemt geen eigen besluiten. Deelnemers van het OTG ervaren deze werkwijze als positief.
Het OTG heeft daarmee de afgelopen twee jaar bijgedragen aan het sneller signaleren
en/of mitigeren van (dreigende) geneesmiddelentekorten en vergemakkelijkt de afstemming
tussen verschillende partijen in de keten. Over deze opzet, rolverdeling en mandaat
is recent nog opnieuw gecommuniceerd met de Werkgroep Verbeteren Beschikbaarheid Geneesmiddelen.
Ook andere verbeterpunten in de werkwijze van het OTG zijn waar nodig opgepakt en
doorgevoerd. De professionalisering zoals hierboven bedoeld ziet het kabinet daarmee
als afgerond.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de Wet geneesmiddelenprijzen, het Geneesmiddelenvergoedingssysteem
en het preferentiebeleid sterk met elkaar samenhangen en gezamenlijk een groot deel
van de balans bepalen tussen betaalbaarheid en beschikbaarheid. Deze leden vragen
of de Minister kan garanderen dat wijzigingen in deze instrumenten niet leiden tot
nieuwe of grotere tekorten. Ontvangt de Kamer vooraf kwantitatieve scenario’s waarin
de effecten op betaalbaarheid, beschikbaarheid, marktverlating, leveringszekerheid
en patiënttoegang zijn doorgerekend?
Zoals adviesbureau Gupta zelf ook benadrukt59 is de geneesmiddelenmarkt complex en is er geen zicht op de daadwerkelijk betaalde
prijzen. Dit maakt dat met aannames gewerkt moet worden en dat de effecten van wijzigingen
lastig te voorspellen zijn. Ook marktpartijen leveren geen of onvoldoende informatie
aan waarmee effecten op bijvoorbeeld beschikbaarheid goed kunnen worden doorgerekend.
Aanpassingen binnen de Wgp en het GVS zullen met name gericht zijn op het bieden van
ruimte voor prijsstijgingen. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat dit een negatief
effect zou hebben op beschikbaarheid. Uiteraard zal het kabinet de Kamer zo goed als
mogelijk informeren over de effecten van mogelijke aanpassingen binnen deze drie instrumenten
op betaalbaarheid en beschikbaarheid. Maar ook als effecten vooraf nog onzeker zijn
of niet goed zijn in te schatten kan er toch (bijvoorbeeld uit voorzorg) voor gekozen
worden om wijzigingen – al dan niet eerst in een pilot – door te voeren.
Om beter zicht te krijgen op de daadwerkelijke effecten heeft mijn voorganger een
proef gestart waarbij de GVS-limieten van antimicrobiële middelen tijdelijk zijn afgeschaft.
Deze pilot maakt het mogelijk om de effecten op betaalbaarheid en beschikbaarheid
te evalueren voordat eventuele wijzigingen structureel worden doorgevoerd. Deze pilot
loopt nog tot 1 augustus 2027 en wordt tussentijds geëvalueerd. Het kabinet zal de
Kamer informeren over de uitkomsten van de evaluatie wanneer de resultaten beschikbaar
zijn.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister erkent dat het preferentiebeleid
van zorgverzekeraars risico’s kan opleveren indien te veel wordt gestuurd op de laagste
prijs en te weinig op leveringszekerheid. Zo ja, welke aanpassingen worden overwogen?
Zo nee, hoe verklaart de Minister dan dat de rapportage nadrukkelijk wijst op de noodzaak
om beschikbaarheidscriteria en bredere inkoopcriteria mee te wegen?
Het kabinet heeft er oog voor dat het preferentiebeleid impact kan hebben op de beschikbaarheid
van geneesmiddelen en op hoe deze markt functioneert. Hierover, en over aanpassingen
die in het preferentiebeleid zijn gedaan, is de Kamer op 26 juni 2025 uitgebreid geïnformeerd
in de bijlage «Werken aan het Preferentiebeleid» bij de «Voortgangsbrief beschikbaarheid
en leveringszekerheid»60.Op pagina 4 van deze bijlage is bijvoorbeeld toegelicht hoe de Taakgroep Preferentiebeleid
onder regie van het Ministerie van VWS concrete acties heeft afgesproken om mogelijke
nadelige effecten van het preferentiebeleid te mitigeren. Er is afgesproken dat prijzen
in overmachtssituaties kunnen worden aangepast, er is actie ondernomen om monopolisering
tegen te gaan en er zijn afspraken gemaakt over hoe en wanneer zorgverzekeraars boetes
hanteren. Zorgverzekeraars en leveranciers geven aan dat deze acties de leveringszekerheid
ten goede komen. Daarnaast wijst het kabinet graag nog op de taakgroep «Geneesmiddeleninkoop
en Beschikbaarheid.» In deze taakgroep werken alle betrokken partijen in de keten
(leveranciers, groothandels, ziekenhuizen, zorgverzekeraars en apotheken) samen aan
gezamenlijke inkoopkaders die in een inkoopleidraad bij elkaar worden gebracht. Het
doel van de leidraad is om ongewenste effecten in de keten op de beschikbaarheid van
geneesmiddelen te voorkomen.
Daarnaast laat het Kabinet op verzoek van de Kamer een onafhankelijke evaluatie van
het preferentiebeleid uitvoeren. De uitkomsten van de evaluatie kunnen richting geven
aan beleidskeuzes en aan het handelen van betrokken partijen in de geneesmiddelenketen.
Het kabinet verwacht de Kamer eind 2026 te informeren over de uitkomsten van de evaluatie.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de onderzoekers adviseren beschikbaarheidscriteria
mee te nemen bij de inkoop van kritieke en kwetsbare geneesmiddelen, naast prijs.
Deze leden vragen wanneer de Minister komt met concrete leveringszekerheidscriteria.
Worden deze criteria verplicht, of blijven zij vrijblijvend? Hoe wordt voorkomen dat
inkopende partijen toch vooral blijven sturen op de laagste prijs?
Een van de thema’s waarover ten behoeve van de Inkoopleidraad beschikbaarheid geneesmiddelen
afspraken worden gemaakt is het hanteren van aanvullende criteria naast prijs, zoals
leveringszekerheid. De inkoopleidraad zal geen juridisch bindende status hebben. De
leidraad bevat gemeenschappelijke uitgangspunten voor de inrichting van het inkoopproces.
Partijen verbinden zich via ondertekening wel tot een aantoonbare inspanningsverplichting
om de afspraken in beleid en praktijk te verankeren. De Kamer ontvangt de inkoopleidraad
na vaststelling, naar verwachting voor het einde van dit jaar.
Daarnaast zijn in de Verordening Kritieke Geneesmiddelen leveringszekerheidscriteria
en een Europees voorkeursprincipe bij de publieke aanbesteding van kritieke geneesmiddelen
opgenomen. Daarmee kunnen aanbestedende diensten leveranciers belonen die extra investeren
in de weerbaarheid van hun productieketens, door bijvoorbeeld meerdere leveranciers
te hanteren, of de productie in Europa laten plaatsvinden61. De kanttekening die hierbij wordt geplaatst is dat het grootste deel van de kritieke
geneesmiddelen in Nederland ingekocht wordt door private partijen zoals zorgverzekeraars,
en buiten de reikwijdte van de verordening liggen. Daarom gaat het kabinet, zoals
toegezegd aan de Kamer, in gesprek met deze inkopers over de mogelijkheden om bij
de inkoop van geneesmiddelen sterker in te zetten op criteria die leveringszekerheid
bevorderen62.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is om bij kritieke geneesmiddelen
het uitgangspunt te hanteren dat leveringszekerheid zwaarder moet wegen dan de allerlaagste
prijs. Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wordt dit vastgelegd?
Leveringszekerheid is naast onder meer betaalbaarheid voor het Kabinet een zeer belangrijk
criterium, zeker bij kritieke geneesmiddelen. De overheid kan echter geen inkoopcriteria
vastleggen voor de private partijen die geneesmiddelen inkopen of tenderen, zoals
zorgaanbieders, groothandels en zorgverzekeraars. Daarom zet de overheid in op veldafspraken,
zoals de inmiddels in uitvoering zijnde afspraken van de Taakgroep Preferentiebeleid
en de afspraken om tot gemeenschappelijke inkoopkaders te komen in de vorm van een
Inkoopleidraad.
Daarnaast zijn in de Verordening Kritieke Geneesmiddelen leveringszekerheidscriteria
en een Europees voorkeursprincipe bij de publieke aanbesteding van kritieke geneesmiddelen
opgenomen. Daarmee kunnen aanbestedende diensten leveranciers belonen die extra investeren
in de weerbaarheid van hun productieketens, door bijvoorbeeld meerdere leveranciers
te hanteren, of de productie in Europa laten plaatsvinden63. De kanttekening die hierbij wordt geplaatst is dat het grootste deel van de kritieke
geneesmiddelen in Nederland ingekocht wordt door private partijen zoals zorgverzekeraars,
en buiten de reikwijdte van de verordening liggen. Daarom gaat het kabinet, zoals
toegezegd aan de Kamer, in gesprek met deze inkopers over de mogelijkheden om bij
de inkoop van geneesmiddelen sterker in te zetten op criteria die leveringszekerheid
bevorderen64.
De leden van de PVV-fractie lezen dat wordt gewerkt aan een inkoopleidraad. Deze leden
vragen wat de juridische status van deze leidraad wordt. Wordt de naleving gecontroleerd?
Worden partijen aangesproken als zij leveringszekerheid onvoldoende laten meewegen?
Wanneer ontvangt de Kamer deze inkoopleidraad?
De leidraad zal geen juridisch bindende status hebben. De conceptleidraad bevat gemeenschappelijke
uitgangspunten voor de inrichting van het inkoopproces. Een van de thema’s waarover
ten behoeve van de Inkoopleidraad beschikbaarheid geneesmiddelen afspraken worden
gemaakt is het opnemen van aanvullende inkoopcriteria naast prijs, waaronder bijvoorbeeld
leveringszekerheid. Indien partijen besluiten de Inkoopleidraad te ondertekenen verbinden
zij zich daarmee tot een aantoonbare inspanningsverplichting om de afspraken in beleid
en praktijk te verankeren. Deze naleving wordt, naar nu wordt voorzien, door de ondertekende
partijen gecontroleerd. Het commitment wordt door de gezamenlijke partijen periodiek
gemonitord en geëvalueerd (één keer per drie jaar of vaker indien monitoring of signalen
uit het veld daartoe aanleiding geven). Bij onvoldoende toepassing van deze verplichting
kunnen partijen worden aangesproken en bijgestuurd tijdens de periodieke evaluaties.
Bovenstaande is uiteraard onder enig voorbehoud, aangezien nog aan de Inkoopleidraad
gewerkt wordt. Pas na vaststelling is er sprake van een definitieve afspraak. De Kamer
ontvangt de vastgestelde inkoopleidraad naar verwachting voor het einde van dit jaar.
De leden van de PVV-fractie lezen dat het vergroten van Europese productiecapaciteit
voor kritieke geneesmiddelen kan bijdragen aan het verkleinen van mondiale afhankelijkheden.
Deze leden vragen welke kritieke geneesmiddelen volgens de Minister in aanmerking
komen voor productie in Nederland of Europa. Wordt daarbij ook gekeken naar productiecapaciteit
op Nederlands grondgebied?
Met de inwerkingtreding van de Verordening Kritieke Geneesmiddelen (in het Engels:
Critical Medicines Act, afgekort: CMA) wordt het mogelijk om productie te stimuleren via het opzetten van
strategische projecten voor kritieke geneesmiddelen. Dit zijn geneesmiddelen die op
de Europese lijst kritieke geneesmiddelen (Union List of Critical Medicines) staan65. Dit zijn de meest belangrijke geneesmiddelen voor de continuïteit in de zorg in
Europa en daarmee de afbakening voor welke geneesmiddelen de productie in Nederland
of Europa moet worden gestimuleerd. Strategische projecten zijn industriële projecten
die de productiecapaciteit van deze kritieke geneesmiddelen vergroten, en in ruil
daarvoor toegang tot financiële, administratieve en regulatoire ondersteuning krijgen,
binnen de bestaande kaders, vanuit de lidstaten en de EU. Er is in de uitwerking van
deze verordening nog niet gekeken naar de productiecapaciteit op Nederlands grondgebied.
De verordening geeft Nederlandse producten wel de mogelijkheid om strategische projecten
op te zetten waarmee de productiecapaciteit van kritieke geneesmiddelen wordt vergroot.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat Nederland in tijden van
crisis achteraan komt te staan bij de verdeling van kritieke geneesmiddelen. Wordt
bij de aanpak ook gekeken naar nationale weerbaarheid, noodscenario’s en afspraken
met producenten over leveringen aan Nederland?
Het kabinet is er alles aan gelegen om te voorkomen dat Nederland in tijden van crisis
tekorten heeft van kritieke geneesmiddelen. De inzet daarop is dan ook meerledig.
Hierover is de Kamer bijvoorbeeld geïnformeerd in de recente «Voortgangsbrief Beschikbaarheid
Geneesmiddelen»66 en het BNC-fiche «EU-strategie borgen beschikbaarheid medische tegenmaatregelen ter
versterking van de crisisparaatheid en gezondheidsbeveiliging»67.
Deel van deze inzet is het aanleggen van (extra) nationale voorraden van medische
producten. Zo worden bovenop de bestaande wettelijke voorraadverplichting extra voorraden
van kritieke geneesmiddelen aangelegd, en het kabinet verkent op dit moment de mogelijkheden
om weerbaarheidsvoorraden aan te leggen van medische producten die nodig zijn om een
verhoogde zorgvraag tijdens crisis op te vangen. Nederland heeft al de beschikking
over een strategische voorraad van met name vaccins en antivirale middelen voor (ernstige)
gezondheidscrisis. Ook zijn er specifieke calamiteitenproducten, zoals antidota, voorradig
voor bedreigingen van chemische, biologische of radionucleaire aard.
Maar de inzet van het kabinet is niet alleen nationaal. Geen enkel land kan zich zelfstandig
op alle potentiële gezondheidsbedreigingen voorbereiden. Juist Europese samenwerking
maakt het mogelijk om als lidstaat minder kwetsbaar te worden tijdens een crisis.
Zo neemt Nederland deel aan zogenaamde Europese gezamenlijke aanbestedingen, waarbij
voor specifieke producten zoals pandemische griepvaccins reserveringscontracten worden
afgesloten met daarin specifieke vooraf bepaalde volumes. Wanneer zich een crisis
voordoet, kunnen deze contracten geactiveerd worden en is ons land verzekerd van levering
van de afgesproken hoeveelheden vaccins binnen een van tevoren afgesproken tijdsbestek.
Ook worden er leveringscontracten afgesproken voor specifieke producten, zoals mpox
vaccins, die in crisistijd flink uitgebreid kunnen worden.
Voor mogelijke (pandemische) uitbraken van infectieziekten heeft de Europese Commissie
voor de EU-lidstaten een contract afgesloten met drie fabrikanten van vaccins, die
bij een grootschalige uitbraak binnen een afgesproken termijn 325 miljoen vaccins
kunnen produceren vanaf het moment dat een vaccin beschikbaar is. De komende tijd
wordt bekeken voor welke producten – waarbij in crisistijd een grote piekvraag kan
optreden – vergelijkbare productieafspraken gemaakt kunnen worden. Ten slotte zijn
er in verschillende Europese landen, waaronder ook Nederland, zogenaamde «rescEU»
noodvoorraden aanbesteed door de Europese Commissie met daarin medische producten
voor een breed scala aan gezondheidsbedreigingen. In noodsituaties kunnen landen aanspraak
maken op producten uit die voorraden.
De komende jaren wordt er nationaal en Europees op dit vlak verder geïnvesteerd en
beleid ontwikkeld. Het gaat dan om de hierboven genoemde weerbaarheidsvoorraden, maar
ook wordt er binnen de Joint Action Stockpile samengewerkt tussen 25 Europese landen.
Het doel is om te komen tot een gezamenlijke paraatheidsplan rondom de beschikbaarheid
van medische producten bij crises. Op basis daarvan kunnen in de toekomst mogelijk
ook tussen landen onderling afspraken worden gemaakt tot samenwerking.
Naar aanleiding van het thema Medische hulpmiddelen en medische technologie. De leden
van de PVV-fractie vragen de Minister om de recente berichtgeving van NOS/Nieuwsuur
over stijgende tekorten aan medische hulpmiddelen in ziekenhuizen te betrekken bij
de beantwoording. Welke acute maatregelen neemt de Minister aangezien ziekenhuizen
volgens deze berichtgeving bijna wekelijks met tekorten worden geconfronteerd, van
eenvoudige hulpmiddelen tot specialistische onderdelen voor operaties en MRI-scanners?
Het kabinet kijkt in samenwerking met alle partijen in de zorg naar mogelijkheden
om leveringsonderbrekingen en tekorten van medische hulpmiddelen zo veel als mogelijk
te voorkomen. Helaas is het onvermijdelijk dat er af en toe onderbrekingen in de complexe
productieketens van medische hulpmiddelen zijn. Het kabinet onderzoekt daarom ook
hoe het mogelijk is om deze (tijdelijke) tekorten op te vangen om de zorgcontinuïteit
en patiëntveiligheid te waarborgen. Zoals in antwoord op vraag 41 al aangegeven, is
sinds januari 2025 een Europese meldplicht voor leveringsonderbrekingen van medische
hulpmiddelen van kracht. Fabrikanten zijn verplicht om leveringsonderbrekingen van
kritische hulpmiddelen te melden bij een lidstaat. In Nederland komen deze meldingen
binnen bij het CIBG. Het CIBG publiceert alle meldingen die bij lidstaten binnenkomen
zodat de zorg voldoende tijd heeft om mitigerende maatregelen te treffen. Zorgaanbieders
en leveranciers kunnen tekorten ook op vrijwillige basis melden bij het meldpunt tekorten
medische hulpmiddelen van het Zorg Inkoop Netwerk Nederland (ZINN). Dit kunnen ook
meldingen van niet-kritische hulpmiddelen zijn. Het kabinet subsidieert ZINN om inzicht
te geven in de kwetsbaarheid van leveringsketens van kritische productgroepen. Tot
slot heeft ZINN een alternatievendatabase opgezet die snel inzicht biedt in alternatieve
medische hulpmiddelen die ingezet kunnen worden ter vervanging van een hulpmiddel
waar een tekort van is ontstaan.
De leden van de PVV-fractie lezen dat bij medische hulpmiddelen vooral de balans tussen
veiligheid, kwaliteit en beschikbaarheid onder druk staat. Deze leden vinden veiligheid
en kwaliteit vanzelfsprekend van groot belang, maar waarschuwen dat regelgeving niet
mag leiden tot tekorten of het verdwijnen van hulpmiddelen van de Nederlandse markt.
Kan de Minister aangeven voor welke medische hulpmiddelen de beschikbaarheid het meest
onder druk staat door strengere Europese regelgeving, hogere kosten, langere toelatingsprocedures
of marktverlating?
De beschikbaarheid staat het meest onder druk bij medische hulpmiddelen die een relatief
kleine afzetmarkt hebben, zogenaamde weeshulpmiddelen. Voor deze producten is de ontwikkeling
commercieel minder aantrekkelijk door de kleine patiëntengroep. De Europese Commissie
heeft in de herziening van de MDR en IVDR voorstellen gedaan om de beschikbaarheid
voor deze producten te waarborgen, zoals tariefverlaging, voorrang bij beoordeling
en doorlopende evaluaties (zogenaamde rolling reviews). Deze voorstellen proberen
eraan bij te dragen dat ook deze hulpmiddelen gemakkelijker op de markt kunnen komen.
De onderhandelingen over de herziening van de MDR en IVDR zijn op dit moment gaande.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de Medical Device Regulation (MDR) en In-Vitro
Diagnostics Regulation (IVDR) bijdragen aan productveiligheid, maar ook druk kunnen
zetten op beschikbaarheid. Deze leden vragen of de Minister zicht heeft op hulpmiddelen
of diagnostica die door deze regelgeving niet meer of later beschikbaar zijn voor
Nederlandse patiënten. Zo ja, kan de Minister dit overzicht met de Kamer delen? Zo
nee, waarom is dit inzicht er niet?
Het kabinet heeft zicht op signalen dat de implementatie van de MDR en IVDR in sommige
gevallen gevolgen heeft voor de beschikbaarheid van medische hulpmiddelen en in-vitrodiagnostica.
Er bestaat echter geen volledig overzicht van alle hulpmiddelen en diagnostica die
als gevolg van de MDR of IVDR niet meer of later beschikbaar zijn gekomen voor Nederlandse
patiënten. Leveringsproblemen kunnen namelijk verschillende oorzaken hebben. Het is
in de praktijk niet altijd mogelijk deze oorzaken eenduidig van elkaar te onderscheiden.
Wel ontvangt het kabinet signalen over dreigende leveringsonderbrekingen. Fabrikanten
zijn sinds januari 2025 op grond van artikel 10a van de MDR en de IVDR verplicht bepaalde
onderbrekingen of beëindigingen van de levering te melden wanneer deze kunnen leiden
tot ernstige schade of een risico op ernstige schade voor patiënten of de volksgezondheid.
In Nederland bestaat een nationale meldstructuur voor leveringsonderbrekingen van
medische hulpmiddelen via het CIBG. De meldingen die via deze route worden gedaan,
worden openbaar gemaakt in een overzicht dat voor zorgaanbieders en andere betrokkenen
beschikbaar is. Deze meldingen geven inzicht in concrete leveringsonderbrekingen,
maar bevatten niet altijd informatie waaruit kan worden afgeleid in welke mate de
MDR of IVDR de directe oorzaak van de verminderde beschikbaarheid is. Om die reden
kan het kabinet geen volledig overzicht verstrekken van hulpmiddelen of diagnostica
die uitsluitend als gevolg van de MDR of IVDR niet meer of later beschikbaar zijn
gekomen. Het kabinet blijft de signalen over beschikbaarheid nauwlettend volgen.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is in Europees verband stevig
te pleiten voor regelgeving die veiligheid borgt, maar onnodige regeldruk, onnodige
kosten en onnodige marktverlating voorkomt. Welke concrete vereenvoudigingen bepleit
Nederland?
Het kabinet brengt concrete vereenvoudigingen actief in tijdens de onderhandelingen
over de herziening van de MDR en IVDR die nu plaatsvinden. Het kabinet onderschrijft
het belang van een hoog niveau van patiëntveiligheid, maar ziet tegelijkertijd ruimte
om het huidige stelsel doelmatiger en beter uitvoerbaar te maken. Zoals aangegeven
in het BNC-fiche «Wijziging Verordening medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen
voor in-vitro diagnostiek»« ondersteunt het kabinet daarom voorstellen die de administratieve
lasten verminderen, de voorspelbaarheid van certificering vergroten en onnodige kosten
voor fabrikanten beperken, mits het veiligheidsniveau voor patiënten behouden blijft68.
Tegelijkertijd heeft het kabinet aangegeven kritisch te zijn op voorstellen die raken
aan de kern van het certificeringssysteem en daarmee mogelijk afbreuk doen aan de
borging van veiligheid. Daarnaast ziet Nederland ruimte voor verdere vereenvoudiging,
bijvoorbeeld op het gebied van softwareclassificatie, de aanwijzingscodes voor notified
bodies, en het beperken van de stapeling van verplichtingen uit verschillende Europese
wetgevingskaders. Nederland zet zich daarmee in voor een proportioneel en toekomstbestendig
regelgevend kader dat zowel patiëntveiligheid als beschikbaarheid van medische hulpmiddelen
en in-vitrodiagnostica ondersteunt.
De leden van de PVV-fractie lezen dat er niet één centrale database bestaat voor hulpmiddelen
en dat verschillende signalen en databronnen moeten worden gecombineerd. Deze leden
vragen wanneer de Minister wel beschikt over een centraal, bruikbaar en actueel overzicht
van kritieke en kwetsbare hulpmiddelen. Wanneer ontvangt de Kamer dit overzicht?
Het bijhouden van een overzicht van kritieke en kwetsbare hulpmiddelen is erg lastig.
Het is namelijk heel erg situatieafhankelijk of een hulpmiddel kritiek is of niet.
Daarom verkent het kabinet op dit moment hulpmiddelen die nodig zijn bij verschillende
crisis, zoals in de laatste Geneesmiddelenbrief aan de Kamer medegedeeld69. Daarnaast zet het kabinet in op bredere databases met informatie over hulpmiddelen.
Er wordt op Europees niveau gewerkt aan EUDAMED: een systeem met informatie over alle
hulpmiddelen die toegelaten zijn op de Europese markt. Dit systeem is al in delen
beschikbaar en wordt de komende periode verder ontwikkeld en uitgerold. Daarnaast
hebben we in Nederland een database beschikbaar bij het Zorginkoop Netwerk Nederland
die alternatieven in kaart brengt voor hulpmiddelen waar een (tijdelijk) tekort van
is ontstaan.
De leden van de PVV-fractie vragen welke medische hulpmiddelen op dit moment als kritiek
worden gezien op basis van medische noodzaak. Welke hulpmiddelen zijn kwetsbaar op
basis van historische tekorten, afhankelijkheid van één of enkele leveranciers, monopolies
of internationale toeleveringsrisico’s?
Op dit moment zijn met name producten die gemaakt zijn van olie of geproduceerd worden
met olie, kwetsbaar voor leveringsproblemen en prijsstijgingen door het risico op
een grondstoftekort en afhankelijkheid van productie in Azië. Concreet gaat het disposable
OK-jassen en afdekmateriaal, niet-latex handschoenen, infuussystemen, disposable spuiten,
katheters, mondneusmaskers en verbandmaterialen. Daarnaast zijn incontinentiemateriaal,
dialyse disposables en medische verpakkingen kwetsbaar voor prijsstijgingen. In het
algemeen geldt dat hulpmiddelen voor eenmalig gebruik (disposables) het meest kwetsbaar
zijn voor leveringsproblemen, vanwege het hoge en continue verbruik. Daarnaast zijn
medische hulpmiddelen voor specifieke toepassingen en doelgroepen (zoals kinderen)
kwetsbaar voor tekorten. Er wordt in Europa gewerkt aan vereenvoudiging van de Europese
wetgeving voor medische hulpmiddelen (MDR) om de beschikbaarheid van deze hulpmiddelen
te verbeteren.
De leden van de PVV-fractie lezen dat wordt verkend hoe meldingen en signalen uit
het veld gecombineerd kunnen worden om te prioriteren welke hulpmiddelen de meeste
aandacht verdienen. Deze leden vragen waarom dit nog niet operationeel is. Wanneer
is dit systeem gereed? Welke partijen leveren gegevens aan? Hoe wordt geborgd dat
zorgverleners en patiëntenorganisaties hierbij worden betrokken?
Het kabinet heeft de Kamer recent geïnformeerd70 over het opstarten van het traject voor het in kaart brengen van medische producten
die nodig zijn gedurende een uiteenlopende crisis. In dit onderzoek halen we input
op vanuit alle kanten van de zorg, ook de zorgverleners en patiëntenorganisaties.
Daarnaast subsidieert VWS het Zorginkoop Netwerk Nederland (ZINN) onder andere om
inzicht te krijgen in kwetsbaarheden in toeleveringsketens.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de onderzoekers adviseren de werking van het
meldpunt voor hulpmiddelen te verbeteren en één punt met een totaaloverzicht van meldingen
te realiseren. Deze leden vragen wanneer dit centrale overzicht operationeel is. Wordt
het overzicht openbaar of in ieder geval beschikbaar voor zorgpartijen en zorgprofessionals?
Welke informatie wordt precies gedeeld?
Zoals aangegeven in de appreciatie, deelt het kabinet het advies dat het belangrijk
is om één centraal overzicht van meldingen te hebben. Recent is een wetswijziging
van de Wet Medische Hulpmiddelen (Wmh) aangenomen die het mogelijk maakt om basisinformatie
over meldingen vanuit de Europese meldplicht breed beschikbaar te stellen voor de
zorg. Deze informatie wordt gebundeld op de website van het CIBG zodat dit toegankelijk
is voor zorgpartijen en zorgprofessionals. Daarnaast kan het ZINN deze meldingen verwerken
in haar systemen. In Europa lopen momenteel gesprekken voor het verwerken van informatie
over leveringsonderbrekingen in EUDAMED.
De leden van de PVV-fractie lezen dat het kabinet de mogelijkheden verkent voor het
aanleggen van een eventuele voorraad medische hulpmiddelen. Deze leden vragen waarom
dit nog steeds een verkenning is. Wanneer wordt besloten of er een voorraad komt,
voor welke hulpmiddelen die voorraad geldt en wie verantwoordelijk wordt voor beheer,
financiering, vervanging en kwaliteitsbewaking?
Het kabinet heeft dit jaar structureel € 177 miljoen per jaar vrijgemaakt voor pandemische
paraatheid. Dit is onder andere bedoeld voor het vergroten van de weerbaarheid van
medische productieketens en strategische voorraden van medicijnen en medische hulpmiddelen.
Een deel van deze middelen zal worden ingezet voor het aanleggen van voorraden en
productie van kritische medische hulpmiddelen. De eerste stap hiervoor is een recent
gestarte verkenning naar welke hulpmiddelen kritiek zijn. Afhankelijk van de uitkomsten,
wordt gestart met het uitwerken van een plan van aanpak over het eventuele beheer,
vervanging en kwaliteitsbewaking van voorraden. De Kamer wordt hier uiterlijk in Q1
2027 over geïnformeerd.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat een voorraad medische hulpmiddelen
leidt tot verspilling, veroudering of onduidelijke verantwoordelijkheden. Welke lessen
worden getrokken uit eerdere ervaringen met opschaalbare productiecapaciteit en voorraadvorming?
Het is belangrijk om de vrijgemaakte financiële middelen op een goede manier te besteden
en zo veel als mogelijk te voorkomen dat voorraden verouderen of leiden tot verspilling.
Het kabinet heeft hierbij oog voor de geleerde lessen van bijvoorbeeld de coronapandemie.
Er is daarom gekozen voor een overeenkomst met een fabrikant voor het in stand houden
van opschaalbare productiecapaciteit van mondmaskers (type FFP2), in plaats van het
aanleggen van een fysieke voorraad om verspilling te verminderen. Het kabinet overweegt
om met middelen uit het pakket pandemische paraatheid waar dat mogelijk is meer van
dit soort overeenkomsten te sluiten voor de productie van een aantal van de meest
kritische hulpmiddelen.
De leden van de PVV-fractie lezen dat Gupta adviseert om naast de bestaande taakgroep
een gremium op te zetten dat gericht in actie komt bij dreigende tekorten, met passend
mandaat. Deze leden vragen of het kabinet dit advies overneemt. Zo ja, wanneer wordt
dit gremium ingericht, welk mandaat krijgt het en welke bevoegdheden heeft het bij
acute tekorten? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de appreciatie, deelt het kabinet het advies dat het belangrijk
is om de governance ten tijde van crisis goed te organiseren. In samenwerking met
de taakgroep beschikbaarheid medische hulpmiddelen – een klankbordgroep van beroepsgroepen
en zorg- en fabrikantenkoepels – is daarom een plan opgesteld om de beschikbaarheid
van medische hulpmiddelen ten tijde van crisis te verbeteren. Onderdeel hiervan is
het maken van afspraken over de governance in crisistijd. De taakgroep heeft het Zorginkoop
Netwerk Nederland (ZINN) evraagd om de uitwerking van dit plan te coördineren. Naar
verwachting worden daar dit kalenderjaar concrete resultaten van verwacht.
De leden van de PVV-fractie vragen wie uiteindelijk de regie voert bij een dreigend
tekort aan medische hulpmiddelen. Is dat het Ministerie van VWS, Zorginkoop Netwerk
Nederland, de Kwaliteitsraad, de leveranciers, de zorgverzekeraars of een andere partij?
Momenteel komen de signalen over een (dreigend) tekort als eerste terecht bij het
ZINN. Zij maken een eerste analyse van het tekort en kunnen mogelijk oplossingen aandragen.
Als zij er niet uit komen, escaleren zij naar het Ministerie van VWS. Zoals aangegeven
in het antwoord op de voorgaande vraag, wordt momenteel gewerkt aan afspraken over
de governance in crisistijd.
De leden van de PVV-fractie lezen dat Gupta adviseert om gericht handelsmissies in
te zetten voor hulpmiddelen die de meeste aandacht verdienen. Deze leden vragen hoe
wordt bepaald welke hulpmiddelen daarvoor in aanmerking komen. Wordt hierbij vooral
gekeken naar economische kansen en innovatie, of naar medische noodzaak en leveringszekerheid
voor Nederlandse patiënten?
Het is belangrijk om zowel oog te houden voor beschikbaarheid als innovatie. De internationale
samenwerking dient vooral een maatschappelijk doel. Bij de keuze voor hulpmiddelen
die onderdeel zijn van handelsmissies kijken we vooral naar producten die een meerwaarde
hebben voor Nederland. Dit kan bijvoorbeeld zijn omdat ze helpen bij het aanpakken
van het arbeidstekort in de zorg. Daarnaast is het van belang om producten te selecteren
die resulteren in meer diversiteit in de toeleveringsketen.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is om bij medische hulpmiddelen
ook te kijken naar nationale en Europese productiecapaciteit, zeker voor hulpmiddelen
die essentieel zijn voor de continuïteit van zorg. Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer
hierover een uitwerking? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in eerdere antwoorden, is het kabinet voorstander van productiecapaciteit
dichtbij huis. De eerste gesprekken voor een Europese aanbesteding zijn recent opgestart.
Na afloop van het aanbestedingsproces zal het kabinet de Kamer informeren over de
uitkomsten. Dit is naar verwachting in Q1 2027.
Naar aanleiding van het thema Lichaamsmaterialen. De leden van de PVV-fractie lezen
dat lichaamsmaterialen een andere dynamiek kennen dan geneesmiddelen en hulpmiddelen,
maar dat er specifieke kwetsbaarheden bestaan rond plasma en donorbestanden. Deze
leden vragen hoe de Minister de huidige leveringszekerheid van plasma en plasmageneesmiddelen
beoordeelt. Is Nederland voldoende voorbereid op verstoringen in internationale plasmaketens?
Het belangrijkste geneesmiddel uit plasma is op dit moment immunoglobuline. Immunoglobulinen
zijn afweerstoffen die bijvoorbeeld gebruikt worden bij patiënten met afweerstoornissen
of als ondersteuning bij een kankerbehandeling. Voor immunoglobulinen voorziet Nederland
50% van de behoefte met plasma dat in Nederland ingezameld wordt. Het kabinet beoordeelt
daarmee dat de keten in Nederland redelijk weerbaar is. Bovendien zijn er nog andere
buitenlandse aanbieders van immunoglobulinen op de Nederlandse markt die in de overige
50% van de behoefte voorzien. Het kabinet acht de kans klein dat alle aanbieders tegelijkertijd
wegvallen.
Het kabinet vindt dat Nederland hiermee redelijk voorbereid is op verstoringen in
de internationale plasma(geneesmiddelen)keten. Een bekend voorbeeld van zo’n verstoring
was de COVID-19 pandemie. Dit heeft tot aanzienlijk lagere plasma inzameling in de
Verenigde Staten geleid, maar geen problemen veroorzaakt voor de beschikbaarheid van
plasmageneesmiddelen in Nederland.
De leden van de PVV-fractie lezen dat Nederland ongeveer de helft van de behoefte
aan immunoglobulinen dekt met in Nederland ingezameld plasma. Deze leden vragen of
de Minister dit voldoende vindt. Welke doelstelling hanteert de Minister voor meer
zelfvoorziening? Welke stappen worden gezet om de afhankelijkheid van plasma uit derde
landen verder te verminderen?
Het kabinet heeft in zijn brief van 26 juni 2026 toegelicht dat de inzameling van
plasma in Nederland niet kostenneutraal gebeurt waardoor het deel van de inzamelingskosten
dat niet door de verkoop van plasma wordt gedekt ten laste komt aan de prijs van kort
houdbare bloedproducten (zoals rode bloedcellen)71. Zolang meer inzamelen van plasma betekent dat de prijzen van kort houdbare bloedproducten
nog verder stijgen, vindt het kabinet dat met het voldoen van 50% van de behoefte
aan immunoglobulinen voldoende plasma wordt ingezameld.
De geneesmiddelenmarkt, als ook die van plasma, is een internationale markt. De rol
van Nederland in dit geheel is beperkt. Minder afhankelijk worden van derde landen
vergt een Europese aanpak. Op EU-niveau zijn er initiatieven om lidstaten te stimuleren
hun afhankelijkheid van plasma uit derde landen te verkleinen. Zo heeft een EU-joint action plaatsgevonden waar ook de bloedvoorzieningsorganisatie Sanquin een belangrijke rol
heeft gespeeld. Het kabinet heeft de Kamer over deze uitkomsten geïnformeerd op 20 juni
202472. Ook zijn er waarborgen opgenomen in de nieuwe verordening lichaamsmateriaal (Verordening
(EU) 1938/2024) die bijdragen aan strategische autonomie en leveringszekerheid. Lidstaten
moeten kritieke lichaamsmaterialen identificeren en hiervoor noodplannen en meldsystemen
opbouwen om de voorziening te borgen. Ook worden lidstaten opgeroepen de inzameling
van kritieke lichaamsmaterialen te faciliteren. Dit is met name relevant voor lidstaten
waar momenteel nog geen plasma via aferese wordt ingezameld of geen productie tot
plasmageneesmiddelen plaatsvindt.
De leden van de PVV-fractie vragen welk deel van de Nederlandse behoefte aan plasma,
immunoglobulinen en andere plasmagerelateerde producten nu uit Nederland komt, welk
deel uit andere Europese landen en welk deel uit derde landen. Kan de Minister dit
voortaan jaarlijks inzichtelijk maken?
De belangrijkste geneesmiddelen die uit plasma worden geproduceerd zijn immunoglobulinen
en albumine. Prothya Biosolutions Netherlands BV, gevestigd in Amsterdam, verwerkt
het Nederlandse plasma en voorziet daarmee respectievelijk 50% en 70% van de Nederlandse
markt. Van de andere geneesmiddelen uit plasma op de Nederlandse markt zijn de herkomstgegevens
niet bekend bij het kabinet. Deze zijn ook niet te achterhalen bij de registratieautoriteit,
het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. Het college beoordeelt weliswaar of
het plasma (uit een derde land) voldoet aan de registratie-eisen, maar het is vervolgens
aan de fabrikant om te bepalen welke geneesmiddelen uit dit plasma worden geproduceerd
en waar deze geneesmiddelen op de markt worden gebracht. Ook kan een fabrikant in
zijn productie beslissen om plasma van verschillende landen bij elkaar te voegen,
wat inhoudt dat Europees plasma gemengd wordt met plasma uit een derde land. Er is
geen reden om aan te nemen dat dit jaarlijks sterk veranderd, het is dus ook niet
noodzakelijk om dit jaarlijks inzichtelijk te maken.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de kosten van plasma-inzameling nog niet volledig
worden gedekt door de verkoop van plasma en dat Sanquin tot en met 2027 niet volledig
gedekte kosten mag financieren met de verkoop van bloedtransfusieproducten. Deze leden
vragen wat er na 2027 gebeurt. Wat gebeurt er als de kosten vanaf 2028 nog steeds
niet volledig worden gedekt? Kan dit gevolgen hebben voor de beschikbaarheid van plasma
of plasmageneesmiddelen?
Het is zeer waarschijnlijk dat ook na 2027 de inzamelingskosten niet volledig gedekt
worden door de verkoopprijzen aangezien de marktprijs aanzienlijk lager liggen dan
de inzamelingskosten van de bloedvoorzieningsorganisatie Sanquin. Vanaf 2028 kunnen
nieuwe afspraken gemaakt worden over de verkoopprijs. Het kabinet verwacht dat de
toeslag op de prijzen van kort houdbare bloedproducten als gevolg van de niet-gedekte
inzamelingskosten vanaf 2028 zal afnemen, maar niet zal verdwijnen. Dit heeft geen
gevolgen voor de beschikbaarheid van het plasma dat in Nederland wordt ingezameld
en de plasmageneesmiddelen die uit dit plasma geproduceerd worden.
De leden van de PVV-fractie lezen dat het kabinet in gesprek wil met het veld over
gepast gebruik van immunoglobulinen. Deze leden vragen wat dit concreet betekent.
Wordt hierbij gestuurd op minder gebruik, doelmatiger gebruik of betere prioritering?
Hoe wordt voorkomen dat patiënten die immunoglobulinen nodig hebben worden geconfronteerd
met beperkingen, vertraging of extra onzekerheid?
Bij gepast gebruik staat centraal dat patiënten de juiste zorg ontvangen, op het juiste
moment en passend bij hun persoonlijke situatie, en dat onnodige of niet-effectieve
zorg wordt voorkomen. Het gesprek met het veld is erop gericht om te bezien of het
gebruik van immunoglobulinen verder kan worden geoptimaliseerd. Uit een eerste inventarisatie
heb ik geen signalen gekregen van niet-gepaste inzet van immunoglobulinen en lijkt
(extra) sturing op gepaste inzet niet nodig.
Naar aanleiding van het thema Monitoring, evaluatie en regie. De leden van de PVV-fractie
vragen waarom SMART-doelstellingen, meetbare indicatoren en evaluatiemomenten niet
allang standaard zijn bij beleid rondom de beschikbaarheid van medische producten.
Kan de Minister toezeggen dat nieuwe maatregelen voortaan altijd worden voorzien van
concrete doelen, indicatoren, termijnen, verantwoordelijke partijen en evaluatiemomenten?
Het Beleidskompas is sinds 2023 de centrale werkwijze en het vaste kader van de Rijksoverheid
voor het ontwikkelen van nieuw beleid en regelgeving. Het formuleren van concrete
SMART-doelstellingen en de voorgenomen monitoring en evaluatie zijn onderdeel van
het Beleidskompas. Het uitgangspunt bij het Ministerie van VWS is dat het Beleidskompas
wordt gebruikt. Bij de beleidsvorming kan daarbij gebruik gemaakt worden van verschillende
multidisciplinaire expertisecentra binnen het Ministerie van VWS op het gebied van
onderzoek, beleidsvorming, monitoring en evaluatie welke advies geven over de door
de Kamer genoemde aspecten73.
Ten aanzien van de evaluatiemomenten verwijst het kabinet naar de Strategische Evaluatie
Agenda (SEA) als onderdeel van de begroting en het jaarverslag van het Ministerie
van VWS. De SEA is een meerjarige agenda die ex-ante, ex-durante en ex-post evaluaties
omspant op alle belangrijke beleidsthema’s en bijbehorende begrotingsartikelen van
het Ministerie van VWS. De voortgang en resultaten van de SEA worden toegelicht in
zowel de VWS-begroting, als het jaarverslag. Een eerstvolgende actualisatie van de
planning van deze evaluaties maakt onderdeel uit van de SEA in de begroting 2027.
Deze planning wordt mede opgesteld op basis van de eisen zoals hierover gesteld in
de uitgewerkte richtlijnen voor beleidsevaluaties in de Regeling periodiek evaluatieonderzoek
202274.
De leden van de PVV-fractie lezen dat het kabinet stelt dat beleid niet altijd planbaar
is en dat bij tekorten snel en daadkrachtig ingrijpen nodig kan zijn. Deze leden onderschrijven
dat, maar vragen waarom snelle actie en meetbare doelen niet samen zouden kunnen gaan.
Is de Minister het met deze leden eens dat juist bij acute tekorten duidelijk moet
zijn wie verantwoordelijk is, welk effect wordt beoogd en wanneer wordt bijgestuurd?
De partijen die deelnemen aan het OTG werken op operationeel niveau samen om geneesmiddelentekorten
vroegtijdig te signaleren en waar mogelijk op te lossen. Het OTG bestaat uit een kernteam
(CBG, IGJ, LCG, KNMP en BG Pharma), en een tweede schil (de overige leden van de Werkgroep
Verbeteren Beschikbaarheid Geneesmiddelen). De partijen die deelnemen aan dit gremium,
hebben allen een eigen rol, taak en verantwoordelijkheid. Deze aanpak werkt voor de
partijen uit OTG. Daarmee is het voor de betrokken partijen dus duidelijk welke verantwoordelijkheden
zij hebben en zijn zij in staat acute tekorten adequaat aan te pakken.
Om de verantwoordelijkheden voor alle partijen in de toeleveringsketen duidelijker
te maken is onder het AZWA een afspraak gemaakt om de praktische en eenduidige taak-
en rolverdeling tussen de spelers in de keten, van leverancier tot en met de apotheek
op te actualiseren75. Dit taak- en rolverdelingsdocument zal een beschrijving zijn van de huidige werkwijzen.
Naar aanleiding van het thema Besparingsopties en betaalbaarheid. De leden van de
PVV-fractie lezen dat er niet één besparingsoptie is waarmee 20 procent kan worden
bespaard zonder direct in te grijpen op de toegankelijkheid van zorg. Deze leden vinden
het belangrijk dat dit helder wordt uitgesproken. Deelt de Minister de mening dat
schrappen in het basispakket en het invoeren van eigen bijdragen de beschikbaarheid
en toegankelijkheid van zorg voor patiënten onder druk zetten?
Zo algemeen gesteld, deelt het kabinet die mening niet. Althans, het kabinet wijst
erop dat een beperking van de beschikbaarheid en toegankelijkheid niet per se onwenselijk
is. Als bijvoorbeeld een geneesmiddel geschrapt wordt uit het basispakket omdat het
middel na een herbeoordeling geen meerwaarde blijkt te hebben of niet kosteneffectief
is, dan kan dat weer ruimte opleveren voor andere, (kosten)effectievere middelen of
zorg. En als een eigen bijdrage mede ertoe leidt dat patiënten niet meer onnodig (lang)
gebruik maken van geneesmiddelen, en daarmee dus tot passende zorg leidt, voorkomt
dat weer niet-passende zorg.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister kan garanderen dat de aanbevelingen
uit deze rapportage niet worden gebruikt als opstap naar pakketverschraling, hogere
eigen betalingen of slechtere toegang tot geneesmiddelen en hulpmiddelen. Zo nee,
waarom kan zij die garantie niet geven?
De aanbevelingen zijn gericht op het verbeteren van de beschikbaarheid van geneesmiddelen.
Eventuele maatregelen gericht op de betaalbaarheid staan daar los van, al zal het
kabinet daarbij uiteraard ook mogelijke effecten op de beschikbaarheid meewegen.
De leden van de PVV-fractie lezen dat hulpmiddelen uit het basispakket halen als besparingsoptie
wordt genoemd, maar dat dit direct een negatief effect heeft op toegankelijkheid.
Deze leden vragen of de Minister uitsluit dat hulpmiddelen uit het basispakket worden
gehaald als besparingsmaatregel. Zo nee, welke hulpmiddelen zouden dan in beeld zijn?
Op dit moment is het kabinet niet voornemens om hulpmiddelen uit het basispakket te
halen als besparingsmaatregel.
De leden van de PVV-fractie lezen dat ook eigen bijdragen en eigen risico voor geneesmiddelen
of hulpmiddelen als besparingsopties in beeld kunnen komen. Deze leden vragen of de
Minister uitsluit dat patiënten die afhankelijk zijn van geneesmiddelen of hulpmiddelen
extra worden belast. Is de Minister het met deze leden eens dat dit juist chronisch
zieken, ouderen en mensen met een kleine beurs hard kan raken?
Dat sluit het kabinet niet uit. Het kabinet wijst erop dat een pakketmaatregel of
eigen bijdrage niet per se onwenselijk is. Als bijvoorbeeld een geneesmiddel geschrapt
wordt uit het basispakket omdat het middel na een herbeoordeling geen meerwaarde blijkt
te hebben of niet kosteneffectief is, dan kan dat weer ruimte opleveren voor andere,
(kosten)effectievere middelen of zorg. En als een eigen bijdrage mede ertoe leidt
dat patiënten niet meer onnodig (lang) gebruik maken van geneesmiddelen, en daarmee
dus tot passende zorg leidt, voorkomt dat weer niet-passende zorg. Bij besparingsmaatregelen
weegt het kabinet overigens ook de gevolgen voor de (chronische) patiënt mee.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de kabinetsreactie
op de periodieke rapportage «Beschikbaarheid in Perspectief, Beschikbaarheid medische
producten, 2017 t/m 2023». Naar aanleiding daarvan hebben deze leden nog een aantal
vragen.
De leden van de CDA-fractie lezen in de rapportage dat het verhogen en differentiëren
van de geneesmiddelenvoorraden volgens het onderzoeksbureau de hoogste prioriteit
heeft. Deze leden vragen de Minister om op deze aanbeveling te reflecteren en in het
bijzonder of en hoe zij hier opvolging aan gaat geven.
Bij het vaststellen van de hoogte van de wettelijke voorraadverplichting is rekening
gehouden met de mogelijkheid om deze later te verhogen voor specifieke groepen geneesmiddelen.
Sommige leveringsonderbrekingen duren immers langer dan de huidige veiligheidsvoorraad
van in totaal 8 weken. In de recente voortgangsbrief over de beschikbaarheid van geneesmiddelen76 heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat het kabinet eind 2025 een subsidie heeft
verstrekt voor het aanleggen en aanhouden van een extra voorraad boven op de wettelijke
voorraadverplichting van geneesmiddelen op de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen77. Hiermee zijn geneesmiddelenvoorraden dus al verhoogd en gedifferentieerd. Dit betreft
een extra voorraad van vier weken voor geneesmiddelen in de rode categorie en drie
weken van geneesmiddelen in de oranje categorie van deze lijst. Voor beide categorieën
zijn dit alleen geneesmiddelen met een apotheekinkoopprijs onder € 15. Mochten de
resultaten van lopende onderzoeken, bijvoorbeeld over kwetsbaarheden, aanleiding geven
tot verdere differentiatie van de geneesmiddelenvoorraden, zal dit worden meegenomen
in verdere beleidsvorming.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie
op de periodieke rapportage Beschikbaarheid in Perspectief, Beschikbaarheid medische
producten, 2017 t/m 2023.
Deze leden constateren dat de beschikbaarheid van geneesmiddelen, medische hulpmiddelen
en lichaamsmaterialen al langere tijd onder druk staat. Zij achten het van groot belang
dat patiënten kunnen rekenen op tijdige toegang tot noodzakelijke medische producten
en dat Nederland minder kwetsbaar wordt voor internationale verstoringen, geopolitieke
afhankelijkheden en eenzijdige prijsprikkels.
De leden van de JA21-fractie lezen dat Gupta Strategists concludeert dat het verbeteren
van de beschikbaarheid van geneesmiddelen geen kwestie is van één enkel beleidsinstrument,
maar vraagt om meer regie door VWS. De Minister geeft aan deze regierol te herkennen.
Kan de Minister concreet maken wat deze regierol in de praktijk betekent? Welke bevoegdheden,
instrumenten en afspraken heeft de Minister nodig om in te grijpen wanneer leveringszekerheid
in gevaar komt? Kan de Minister daarbij aangeven welke aanbevelingen uit de rapportage
worden omgezet in beleid?
De wijze waarop het kabinet invulling geeft aan zijn regierol verschilt per onderdeel
van het geneesmiddelenbeleid. Op onderdelen waar het Ministerie van VWS beschikt over
eigen wettelijke en beleidsmatige instrumenten kan het kabinet direct sturend optreden.
Op andere terreinen, zoals het inkoop- en preferentiebeleid, liggen verantwoordelijkheden
primair bij zorgverzekeraars, apothekers, groothandels en leveranciers. Daar richt
de regierol van het kabinet zich op het bijeenbrengen van partijen, het stimuleren
van gezamenlijke oplossingen en het wegnemen van knelpunten.
Een regierol is noodzakelijk om de beschikbaarheid van geneesmiddelen structureel
te verbeteren. Het kabinet neemt de regie over dit dossier, zowel omwille van de maatschappelijke
urgentie als vanuit haar rol als stelselverantwoordelijke. Het kabinet heeft in de
voortgangsbrief over de beschikbaarheid van geneesmiddelen van 1 april 2026 al uiteengezet
hoe deze regierol wordt vervuld78.
Samen met betrokken partijen zorgt het kabinet dat geneesmiddelentekorten zoveel mogelijk
worden afgewend, verzacht of opgelost. Het kabinet is hier stelselverantwoordelijk,
en zorgt dat betrokken partijen in staat zijn om hun rol zo goed mogelijk uit te voeren
ten behoeve van de beschikbaarheid van geneesmiddelen. Hiertoe heeft het kabinet in
2017 het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten (hierna: het Meldpunt) opgericht,
waar handelsvergunninghouders wettelijk verplicht zijn verwachte leveringsonderbrekingen
te melden. Om het Meldpunt te ondersteunen in hun werkzaamheden is vervolgens het
OTG opgericht, waar vroegsignalering plaatsvindt en dat bijdraagt aan tijdige informatie-uitwisseling
tussen partijen. Betrokken partijen zijn goed in staat om zo adequaat mogelijk te
handelen tijdens een tekort en pakken hier ook hun verantwoordelijk. Daarnaast ontvangt
het LCG van het Ministerie van VWS-subsidie om te coördineren bij geneesmiddelentekorten.
Hierom ziet het kabinet geen aanleiding om aanvullende bevoegdheden te verkennen.
Het kabinet onderschrijft de conclusie van Gupta Strategists dat het verbeteren van
de beschikbaarheid van geneesmiddelen geen kwestie is van één enkel beleidsinstrument,
maar vraagt om een samenhangende inzet van verschillende maatregelen. Het kabinet
beschouwt de aanbevelingen van Gupta daarbij niet als een afzonderlijk pakket dat
één-op-één wordt overgenomen, maar als een ondersteuning van de reeds ingezette koers.
Dat geldt in het bijzonder voor de aanbevelingen om de samenwerking in de keten verder
te versterken («whole system in the room»), de informatievoorziening en meldstructuur te verbeteren, de juiste prikkels voor
beschikbaarheid in de keten te creëren en de monitoring en evaluatie van beleid te
versterken. Een mooi voorbeeld van een succesvolle samenwerking via een «whole system in the room»-aanpak is de Werkagenda Betere Beschikbaarheid Geneesmiddelen, die onderdeel vormt
van de uitwerking van het AZWA. Recent is uw Kamer hierover geïnformeerd79. Alle partijen uit de geneesmiddelenketen, van apotheker tot aan leverancier, hebben
11 afspraken gemaakt om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren. Aankomende
tijd worden deze afspraken uitgewerkt en geïmplementeerd.
De leden van de JA21-fractie constateren dat Gupta aangeeft dat bij nieuw beleid regelmatig
een concrete beschrijving van de beoogde impact ontbreekt. Daardoor is achteraf moeilijk
vast te stellen of beleid doeltreffend en doelmatig is geweest. Kan de Minister toezeggen
dat nieuw beschikbaarheidsbeleid voortaan wordt voorzien van SMART-doelstellingen,
een duidelijke meetmethodiek en periodieke rapportage aan de Kamer? Kan de Minister
daarbij aangeven aan welke indicatoren wordt gedacht, bijvoorbeeld het aantal tekorten,
de duur van tekorten, patiëntimpact, afhankelijkheid van derde landen en de mate waarin
alternatieven beschikbaar zijn?
Het Beleidskompas is sinds 2023 de centrale werkwijze en het vaste kader van de Rijksoverheid
voor het ontwikkelen van nieuw beleid en regelgeving. Het formuleren van concrete
SMART-doelstellingen en de voorgenomen monitoring en evaluatie zijn onderdeel van
het Beleidskompas. Het uitgangspunt bij het Ministerie van VWS is dat het Beleidskompas
wordt gebruikt. Bij de beleidsvorming kan daarbij gebruik gemaakt worden van verschillende
multidisciplinaire expertisecentra binnen het Ministerie van VWS op het gebied van
onderzoek, beleidsvorming, monitoring en evaluatie welke advies geven over de door
de Kamer genoemde aspecten80.
De leden van de JA21-fractie lezen dat betere informatievoorziening in de keten noodzakelijk
is om tekorten eerder te signaleren en sneller te handelen. Deze leden vragen de Minister
daarom om een concreet tijdpad voor verbetering van de informatievoorziening rond
dreigende tekorten. Wanneer verwacht de Minister dat meldingen over dreigende tekorten
sneller en breder kunnen worden gedeeld met handelsvergunninghouders, groothandels,
apotheken, zorgverzekeraars en voorschrijvers? Welke stappen zal de Minister gaan
zetten in 2026 en 2027? Kan de Minister daarbij aangeven welke juridische, praktische
of organisatorische belemmeringen op dit moment nog bestaan, wanneer deze in kaart
zullen zijn gebracht en op welke termijn deze worden weggenomen?
Binnen het AZWA wordt gewerkt aan het versnellen en verbeteren van data-uitwisseling.
Een onderdeel van deze afspraak is dat partijen kijken naar de haalbaarheid van een
informatiepunt waarin duidelijke, uniforme en actuele informatie raadpleegbaar is81. Het doel is dat deze informatie-uitwisseling tussen partijen in de keten in plaatsvindt
in die situaties waar dit bijdraagt aan het adequaat handelen om geneesmiddelentekorten
op te lossen of – waar mogelijk – te voorkomen. De betrokken partijen zijn recent
gestart met een eerste analyse over de haalbaarheid en zullen deze in 2026 verder
brengen. In deze analyse wordt onderzocht welke belemmeringen er bestaan voor het
versnellen en verbeteren van data-uitwisseling. Het streven is om in 2027 de analyse
met belemmeringen te hebben afgerond, en afspraken te maken over hoe de informatie-uitwisseling
wordt vormgegeven. Het kabinet wil benadrukken dat dit een complex traject is, waar
veel verschillende belangen spelen en zorgvuldigheid vereist is. Zo zijn gegevens
over beschikbaarheid van geneesmiddelen verspreid over verschillende partijen in de
keten, worden deze niet altijd op dezelfde manier vastgelegd en zijn soms commercieel
gevoelig.
Daarnaast verplicht de herziene Europese geneesmiddelenwetgeving dat het CBG, als
beoogd national competent authority, informatie over door het CBG beoordeelde feitelijke geneesmiddelentekorten publiceert
op een openbare website. Deze informatie moet actueel gehouden worden en actief worden
meegedeeld aan vertegenwoordigers van zorgprofessionals en patiënten. De verwachting
is dat deze website van het CBG met informatie over tekorten in 2027 te raadplegen
zal zijn.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de Minister aankijkt tegen het voorstel om
data uit verschillende schakels van de geneesmiddelenketen samen te brengen, bijvoorbeeld
via een trusted third party, zodat een objectiever beeld ontstaat van kwetsbaarheden,
voorraden en dreigende tekorten. Is de Minister bereid hiertoe een verkenning te starten
en de Kamer hierover te informeren?
Binnen het AZWA zijn afspraken gemaakt om data-uitwisseling tussen partijen te versnellen
en verbeteren. Een onderdeel van deze afspraak is dat partijen samen kijken naar de
haalbaarheid van een informatiepunt waarin duidelijke, uniforme en actuele informatie
raadpleegbaar is82. Dit betreft een verkenning hoe informatie-uitwisseling tussen partijen van meerwaarde
kan zijn in het oplossen van tekorten. De laatste stap van deze afspraak is dat partijen
met elkaar afspraken maken over hoe de informatie-uitwisseling wordt vormgegeven,
een mogelijk optie hiervan kan zijn een trusted third party, maar bijvoorbeeld ook bilaterale of centrale afspraken tussen partijen. Het kabinet
informeert de Kamer periodiek over de voortgang van de AZWA-afspraken en dus ook over
dit onderwerp. Een aanvullende verkenning is dus volgens het kabinet niet nodig.
De leden van de JA21-fractie vragen daarbij specifiek aandacht voor de transparantie
over voorraden bij groothandels, distributeurs en distributiecentra. Kopt het dat
exacte voorraadposities en feitelijke beschikbaarheid in de keten niet altijd goed
controleerbaar zijn, waardoor dreigende tekorten mogelijk te laat zichtbaar worden?
Kan de Minister aangeven in hoeverre groothandels, distributeurs en andere partijen
die geneesmiddelenvoorraden aanhouden op dit moment verplicht zijn om actuele en betrouwbare
informatie over hun voorraden te delen? Acht de Minister de huidige transparantie
over voorraadposities voldoende om tekorten tijdig te signaleren en daarop te sturen?
Zo nee, is de Minister bereid te onderzoeken of deze partijen verplicht kunnen worden
om structureel, gestandaardiseerd en controleerbaar te rapporteren over voorraden
van kritieke en kwetsbare geneesmiddelen, bijvoorbeeld via een trusted third party,
zodat bedrijfsgevoelige informatie wordt beschermd maar de overheid wel zicht krijgt
op feitelijke beschikbaarheid? Kan de Minister daarbij een concreet tijdpad geven
voor de juridische en praktische uitwerking hiervan?
De IGJ houdt toezicht op naleving van de wettelijke voorraadverplichting, zowel bij
groothandels als bij handelsvergunninghouders, en heeft het kabinet bij navraag laten
weten dat zij dit adequaat kan doen. Groothandels en handelsvergunninghouders zijn
verplicht om aan IGJ de informatie te verstrekken die de IGJ daarvoor nodig heeft.
Daarnaast wordt het voor groothandels onder de herziene Europese geneesmiddelenwetgeving
verplicht om informatie aan te leveren wanneer daarom gevraagd wordt door de bevoegde
autoriteit, bijvoorbeeld over tekorten of voorraadstanden.
Desalniettemin vindt het kabinet het belangrijk dat informatie van álle partijen in
de keten over (dreigende) geneesmiddelentekorten op tijd bij de relevante partijen
terecht komt. Daarom wordt binnen het AZWA gewerkt aan het versnellen en verbeteren
van data-uitwisseling. Een onderdeel van deze afspraak is dat partijen83 kijken naar de haalbaarheid van een informatiepunt waarin duidelijke, uniforme en
actuele informatie raadpleegbaar is. Partijen hebben een eerste analyse uitgevoerd
waarin is nagegaan in welke situaties zij bepaalde informatie wel of niet kunnen delen,
mede vanwege bepaalde commerciële belangen zoals de leden van de JA21-fractie in hun
vraag terecht aanstippen. Bij de verdere uitwerking van deze afspraak wordt gezamenlijk
nagedacht over hoe dit informatiepunt het beste kan worden vormgegeven. Hierbij zijn
verschillende vormen denkbaar, zoals bilaterale afspraken tussen partijen om de informatie-uitwisseling
te verbeteren of een onafhankelijk punt waar informatie samen komt. Zoals ook in het
antwoord op vraag 71 aangegeven zijn de betrokken partijen recent gestart met een
eerste analyse over de haalbaarheid en zullen deze in 2026 verder brengen. In deze
analyse wordt onderzocht welke belemmeringen er bestaan voor het versnellen en verbeteren
van data-uitwisseling. Het streven is om in 2027 de analyse met belemmeringen te hebben
afgerond, en afspraken te maken over hoe de informatie-uitwisseling wordt vormgegeven.
De leden van de JA21-fractie constateren dat Gupta adviseert de voorraadverplichting
verder te verbeteren en te differentiëren naar medische urgentie, leveringsrisico’s,
kwetsbaarheid van de keten en kosten van voorraad. Kan de Minister aangeven of de
huidige voorraadverplichting voldoende is om tijdelijke tekorten daadwerkelijk op
te vangen? Hoe wordt gecontroleerd of partijen zich aan de voorraadverplichting houden?
Kan de Minister toezeggen dat ook duurdere, moeilijk vervangbare of medisch kritieke
middelen met kwetsbare ketens nadrukkelijk worden meegenomen bij de verdere uitwerking?
De wettelijke voorraadverplichting (ook wel «de veiligheidsvoorraad» genoemd) dient
als buffer om tijdelijke leveringsonderbrekingen te voorkomen. Zowel van de leverancier
als van de groothandel. Hiermee wordt voorkomen dat iedere leveringsonderbreking ook
daadwerkelijk leidt tot een tekort voor de patiënt. Op dit moment is de wettelijke
voorraadverplichting in totaal 8 weken: 6 weken bij de handelsvergunninghouder voor
vrijwel alle geneesmiddelen, en 2 weken bij groothandel voor vrijwel alle geneesmiddelen
met een AIP onder € 1584. Het is echter bekend dat sommige leveringsonderbrekingen langer duren dan deze 8
weken. In deze gevallen biedt de veiligheidsvoorraad partijen in de keten enige tijd
om te zoeken naar alternatieve oplossingen, zoals het aanbieden van een alternatieve
toedieningsvorm of het importeren van een vergelijkbaar medicijn uit het buitenland.
Het is begrijpelijk dat hierbij de vraag opkomt of de wettelijke voorraadverplichting
niet hoger moet zijn, om zo meer en langere leveringsonderbrekingen te overbruggen.
Het is echter niet vooraf te voorspellen welke geneesmiddelen in tekort zullen raken.
Dit zou betekenen dat de voorraad voor alle geneesmiddelen verhoogd moet worden. Zoals
al eerder aan de Kamer is gecommuniceerd85 laat een grove schatting zien dat het aanleggen van twee maanden aan extra voorraad
voor alle geneesmiddelen enkele honderden miljoenen euro’s zou kosten en verhoogt
ook het risico op verspilling van deze producten. Dat vindt het kabinet niet kosteneffectief.
Dat is de reden dat ambtsvoorgangers en dit kabinet niet voor alle geneesmiddelen
maar juist specifiek voor de meest kritieke geneesmiddelen extra voorraden laten aanleggen
bovenop de al bestaande veiligheidsvoorraad. Hiermee zijn geneesmiddelenvoorraden
dus al verhoogd en gedifferentieerd. Hierover is de Kamer recent opnieuw geïnformeerd86. Mochten de resultaten van lopende onderzoeken, bijvoorbeeld over kwetsbaarheden,
aanleiding geven tot verdere differentiatie van de geneesmiddelenvoorraden, zal dit
worden meegenomen in verdere beleidsvorming.
Het toezicht op de naleving van de voorraadverplichting is belegd bij de IGJ.
De leden van de JA21-fractie constateren dat beschikbaarheid niet alleen gaat over
productie, inkoop en voorraad, maar ook over het beter benutten van middelen die al
beschikbaar zijn. In dat licht vragen deze leden aandacht voor medicijnverspilling.
Kan de Minister aangeven welk inzicht het Ministerie van VWS op dit moment heeft in
de hoeveelheid ongebruikte geneesmiddelen die jaarlijks wordt vernietigd, uitgesplitst
naar zaken als ziekenhuiszorg, openbare apotheken, Wlz-instellingen en de thuissituatie?
In 2025 is een onderzoek gepubliceerd naar de geneesmiddelverspilling in het Nederlandse
zorgsysteem87. Dit onderzoek is uitgevoerd onder 11 openbare apotheken, 3 poliklinische apotheken,
22 afdelingen van 12 ziekenhuizen en 17 afdelingen van 5 zorginstellingen. Hieruit
bleek dat er gedurende twee weken in totaal 137.442 DDD (Defined Daily Doses)88 werd weggegooid met een waarde van € 169.921. Orale geneesmiddelen hadden het grootste
aandeel in verspilde DDD’s. Van deze verspilling vond 66% plaats in de openbare apotheken,
7% in de poliklinische apotheken, 14% op afdelingen van ziekenhuizen en 13% op afdelingen
van instellingen.
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister inzichtelijk kan maken of zich
onder de vernietigde geneesmiddelen ook middelen bevinden waarvoor tekorten bestaan
of dreigen. Zo ja, welke lessen trekt de Minister daaruit voor het beschikbaarheidsbeleid?
Het is niet inzichtelijk of onder de geneesmiddelen die jaarlijks worden vernietigd
ook geneesmiddelen zijn waarvoor een tekort is of dreigt. Hier zijn dus geen lessen
uit te trekken voor beschikbaarheidsbeleid.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de Minister de mogelijke bijdrage van veilige
heruitgifte van ongebruikte geneesmiddelen beoordeelt voor beschikbaarheid, leveringszekerheid
en weerbaarheid van de geneesmiddelenketen. Welke juridische, praktische en veiligheidsvoorwaarden
staan heruitgifte op dit moment nog in de weg? Is de Minister bereid bestaande heruitgiftepilots
in ziekenhuizen te verbreden naar alle ziekenhuizen die onder strikte voorwaarden
verantwoord willen deelnemen?
Heruitgifte van ongebruikte geneesmiddelen kan mogelijk bijdragen aan een betere beschikbaarheid
van geneesmiddelen. Om heruitgifte wettelijk mogelijk te maken zullen eerst de randvoorwaarden
en werkwijzen worden uitgewerkt in een zorgvuldig proces. In het najaar zal het kabinet
in de toegezegde Kamerbrief naast de financiële impactanalyse van de wijzigingen verder
ingaan op het implementatietraject van de Europese regelgeving in nationale wetgeving,
waaronder heruitgifte89. Hierin zal worden geschetst hoe het vervolgproces eruit zal zien en hoe bepaald
wordt voor welke geneesmiddelen heruitgifte geschikt blijkt.
Heruitgifte wordt tot aan de implementatie in nationale wetgeving alleen gedoogd in
onderzoeksverband voor de apotheken in de 13 ziekenhuizen die aan het eerdere onderzoek
naar heruitgifte hebben meegewerkt, met de eerder gehanteerde lijst aan orale anti-kankermedicijnen
en dezelfde werkwijze als in het onderzoek. Overige apotheken in ziekenhuizen moeten
wachten totdat heruitgifte in onze nationale wetgeving is geregeld.
De leden van de JA21-fractie vragen tevens of de Minister bereid is pilots te starten
in Wlz-instellingen, waar medicatiebeheer professioneel is georganiseerd en medicatie
regelmatig overblijft door wijziging van behandeling, opname, ontslag of overlijden.
Kan de Minister de Kamer hierover voor het commissiedebat Langdurige Zorg van 2 december
2026 informeren?
Het veld werkt aan een herziening van de Handreiking werkvoorraad geneesmiddelen die
in instellingen wordt gebruikt. Met deze herziening wordt gekeken waar binnen bestaande
wet- en regelgeving verspilling van geneesmiddelen in instellingen kan worden voorkomen
of verminderd. Hiermee wordt naar verwachting verspilling van geneesmiddelen binnen
instellingen waar mogelijk gereduceerd. De verwachting is dat deze herziene handreiking
voor het einde van dit jaar afgerond is. Zodra de handreiking is herzien zal het Ministerie
van VWS de Kamer hierover informeren.
Daarnaast zal het Ministerie van VWS richting het veld ook aandacht vragen voor de
concrete toepassing van de herziene handreiking in de praktijk.
De leden van de JA21-fractie vragen tot slot hoe de Kamer wordt geïnformeerd over
de opvolging van de aanbevelingen uit de periodieke rapportage. Kan de Minister toezeggen
dat de jaarlijkse rapportage concreet inzicht geeft in zaken als: bereikte resultaten,
resterende knelpunten, patiëntimpact en de mate waarin Nederland minder afhankelijk
is geworden van kwetsbare internationale ketens?
De Kamer wordt al periodiek geïnformeerd over de ingezette maatregelen om de beschikbaarheid
van medische producten te borgen. Waar mogelijk informeert het kabinet de Kamer ook
over de resultaten van deze maatregelen. Zo is de Kamer op 1 april 2026 geïnformeerd
over de inzet ten aanzien van de beschikbaarheid van geneesmiddelen via de voortgangsbrief
Beschikbaarheid van Geneesmiddelen90. Het kabinet streeft ernaar de Kamer in het eerste kwartaal van 2027 te informeren
over de voortgang op dit beleidsterrein.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de periodieke
rapportage «Beschikbaarheid in perspectief, Beschikbaarheid medische producten, 2017
t/m 2023» en de begeleidende brief van de Minister.
Deze leden lezen in het rapport dat de beschikbaarheid van medische producten steeds
meer onder druk staat, terwijl patiënten juist afhankelijk zijn van tijdige toegang
tot de juiste zorg en medicatie. Zij constateren dat Gupta Strategists concludeert
dat veel beleidsinstrumenten weliswaar bijdragen aan beschikbaarheid, maar dat tegelijkertijd
verbeteringen nodig zijn op het gebied van regie, informatievoorziening, monitoring
en samenhang tussen beleidsinstrumenten.
De leden van de BBB-fractie vinden het van groot belang dat bij alle beleidskeuzes
de patiënt centraal blijft staan. Doelmatige zorg mag nooit betekenen dat patiënten
steeds hogere financiële lasten krijgen of dat de toegang tot noodzakelijke geneesmiddelen
nog verder onder druk komt te staan. Deze leden vinden dat verspilling, inefficiëntie
en ondoelmatige inrichting van het systeem eerst aangepakt moeten worden voordat opnieuw
naar hogere bijdragen of beperkingen voor patiënten wordt gekeken.
De leden van de BBB-fractie lezen dat Gupta constateert dat geneesmiddelentekorten
al jarenlang een structureel probleem vormen in een complex krachtenveld van uiteenlopende
belangen, en dat daarom meer regie vanuit het Ministerie van VWS noodzakelijk is.
Ook lezen deze leden dat de onderzoekers aanbevelen om te werken met een duidelijke
«whole system in the room»-aanpak, inclusief heldere verantwoordelijkheden, mandaten
en samenwerking tussen bestuurlijk, strategisch, tactisch en operationeel niveau.
De leden van de BBB-fractie vragen nu hoe deze regierol van het ministerie concreet
wordt ingevuld. Hoe worden verantwoordelijkheden, mandaten en escalatiemogelijkheden
belegd? Hoe wordt voorkomen dat verantwoordelijkheden tussen partijen diffuus blijven?
Op welke wijze worden fabrikanten, groothandels, apothekers, ziekenhuizen, zorgverzekeraars,
voorschrijvers en patiëntenorganisaties structureel betrokken bij deze regie?
De wijze waarop het kabinet invulling geeft aan zijn regierol verschilt per onderdeel
van het geneesmiddelenbeleid. Op onderdelen waar het Ministerie van VWS beschikt over
eigen wettelijke en beleidsmatige instrumenten kan het kabinet direct sturend optreden.
Op andere terreinen, zoals het inkoop- en preferentiebeleid, liggen verantwoordelijkheden
primair bij zorgverzekeraars, apothekers, groothandels en leveranciers. Daar richt
de regierol van het kabinet zich op het bijeenbrengen van partijen, het stimuleren
van gezamenlijke oplossingen en het wegnemen van knelpunten.
Een regierol is noodzakelijk om de beschikbaarheid van geneesmiddelen structureel
te verbeteren. Het kabinet neemt de regie over dit dossier, zowel omwille van de maatschappelijke
urgentie als vanuit haar rol als stelselverantwoordelijke. Het kabinet heeft in de
voortgangsbrief over de beschikbaarheid van geneesmiddelen van 1 april 2026 al uiteengezet
hoe deze regierol wordt vervuld91.
Het kabinet werkt volgens de aanbeveling van Gupta met een «whole system in the room»-aanpak.
Dit doet het kabinet in meerdere overleggremia, bijvoorbeeld het Bestuurlijk Overleg
Farmacie en de werkgroep Verbeteren Beschikbaarheid Geneesmiddelen. In de verschillende
overleg- en werkgroepen zijn relevante partijen uit de geneesmiddelenketen vertegenwoordigd,
waaronder fabrikanten, groothandels, apothekers, ziekenhuizen, zorgverzekeraars, voorschrijvers
en patiëntenorganisaties. Op deze wijze worden kennis, signalen en ervaringen vanuit
de verschillende schakels in de keten structureel betrokken bij de uitvoering beleid,
bijvoorbeeld bij de totstandkoming van de Werkagenda Betere Beschikbaarheid Geneesmiddelen
als onderdeel van het AZWA92.
Een van de afspraken in de Werkagenda is het toewerken naar uniforme definities rondom
tekorten en een duidelijke taak- en rolverdeling te hebben tussen alle partijen in
de geneesmiddelenketen, van leverancier tot apotheker. Doel hiervan is om voor alle
betrokken partijen duidelijk te maken wie wat moet weten en wie op welk moment welke
rol heeft bij het voorkomen en oplossen van geneesmiddelentekorten. Hiermee wordt
beoogd de aanpak van tekorten efficiënter te maken en onduidelijkheid over verantwoordelijkheden
te voorkomen.
Deze leden lezen daarnaast dat Gupta verbeterpunten ziet bij meldpunten en informatievoorziening,
waaronder de behoefte aan één centraal meldpunt, transparante meldingen en betere
databeschikbaarheid in de gehele keten. De leden van de BBB-fractie vragen welke stappen
de Minister zet om te komen tot eenduidige definities van geneesmiddelentekorten,
zodat betere sturing, monitoring en verantwoording mogelijk wordt. Kan de Minister
daarnaast toelichten hoe zij gaat borgen dat niet uitsluitend wordt gestuurd op logistieke
beschikbaarheid, maar ook op patiëntimpact en doelmatigheid? Wordt bijvoorbeeld ook
gekeken naar de gevolgen van substitutie, uitstel van behandeling of minder passende
alternatieven voor patiënten?
Binnen het AZWA zijn afspraken gemaakt over goed afgestemde en snelle reactie op dreigende
tekorten. Zie hiervoor ook afspraak 5 van de AZWA-werkagenda, die recent naar de Kamer
is gestuurd93. Afspraak 5 gaat onder meer over het opstellen van uniforme definities van een tekort,
het versnellen en verbeteren van data-uitwisseling, en over de haalbaarheid van één
informatiepunt waarin duidelijke, uniforme en actuele informatie raadpleegbaar is.
Door samen met de koepels van zorgverleners, ziekenhuizen, zorgverzekeraars, patiënten
en groothandels te werken aan deze afspraken wordt hier invulling aangegeven op een
manier die voor de hele keten werkbaar moet zijn. Ook wordt hierbij het patiëntenperspectief
goed meegenomen. Aanvullend is binnen het AZWA een afspraak gemaakt over het verminderen
van de impact van tekorten op de zorg en de relatie met de patiënt. Hierin worden
waar mogelijk de punten die de leden noemen in hun vraag meegenomen.
De leden van de BBB-fractie vragen voorts hoe de Minister de data-uitwisseling rond
geneesmiddelentekorten gaat verbinden met de bredere inzet op databeschikbaarheid
in de zorg en de implementatie van de European Health Data Space (EHDS). Hoe wordt
voorkomen dat opnieuw losse datasystemen ontstaan zonder goede interoperabiliteit?
De voorziene uitwisseling van data over geneesmiddelentekorten bevat geen gezondheidsinformatie
en heeft daarmee geen raakvlakken met de implementatie van de EHDS.
De leden van de BBB-fractie lezen dat Gupta expliciet aanbeveelt om goed onderbouwde
aanpassingen in samenhangende prijsstellende instrumenten zoals de Wet geneesmiddelenprijzen
(Wgp), het Geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS) en het preferentiebeleid vorm te
geven. Daarbij benadrukken de onderzoekers dat de «driehoek» van Wgp, GVS en het inkoopbeleid
van zorgverzekeraars moet zorgen voor een goede balans tussen betaalbaarheid en beschikbaarheid.
Deze leden vragen in dit kader hoe de Minister gaat waarborgen dat aanpassingen in
Wgp, GVS en preferentiebeleid daadwerkelijk in onderlinge samenhang worden vormgegeven.
Op welke wijze wordt het veld structureel betrokken bij de uitwerking van deze beleidsaanpassingen?
Is de Minister bereid hierover concrete afspraken met betrokken partijen te maken?
De Wgp, het GVS en het preferentiebeleid zijn aparte instrumenten. Maar bij het verkennen
van mogelijke wijzigingen aan één van deze instrumenten wordt rekening gehouden met
hoe andere prijs- en vergoedingsinstrumenten de effecten beïnvloeden. Veldpartijen
worden binnen deze trajecten regelmatig geconsulteerd in individuele consultatiegesprekken
of tijdens de Werkgroepen Verbeteren Beschikbaarheid Geneesmiddelen en de Werkgroep
Dure Geneesmiddelen. Ook veldpartijen zien wijzigingen binnen één van deze instrumenten
niet als losstaande trajecten, maar juist als geheel en brengen vanuit hun perspectief
aandachtspunten in.
Op 22 april 2025 heeft de Kamer bij motie van de leden Daniëlle Jansen (NSC) en Tielen
(VVD) het kabinet verzocht om een onafhankelijke evaluatie van de baten en lasten
van het preferentiebeleid (Kamerstuk 36 682, nr. 11). Deze evaluatie is inmiddels in uitvoering en heeft tot doel om inzicht te bieden
in de effecten, kosten en baten van het preferentiebeleid zoals dat op dit moment
door zorgverzekeraars wordt uitgevoerd. Daarbij wordt ook de relatie gelegd met de
andere prijs- en vergoedingsinstrumenten. De uitkomsten van de evaluatie kunnen richting
geven aan beleidskeuzes en aan het handelen van betrokken partijen in de geneesmiddelenketen.
Deze leden lezen tevens dat GVS-limieten vooral problematisch kunnen zijn voor geneesmiddelen
met een kleine afzetmarkt en voor geneesmiddelen voor kinderen, juist omdat daar vaak
geen generieke alternatieven beschikbaar zijn. Kan de Minister toelichten welke concrete
stappen worden gezet om te voorkomen dat prijsdruk via het GVS leidt tot marktuittreding
of het uitblijven van introducties van innovatieve geneesmiddelen in Nederland, in
het bijzonder voor kleine patiëntgroepen?
Zoals mijn voorganger heeft aangegeven in de Kamerbrief «ontwikkelingen in het GVS
en de Wgp» van 26 juni 2025 wordt het GVS herzien. In die brief is ook de probleemanalyse
van het huidige GVS gedeeld94. Hier staat op pagina 4, onder punt 6, expliciet het probleem benoemd dat de GVS-limieten
een negatief effect kunnen hebben op middelen met een lage toedieningssterkte, zoals
geneesmiddelen voor kinderen of andere specifieke groepen. In deze brief wordt ook
breder het probleem erkend dat de prijsdruk van GVS-limieten kunnen zorgen voor beschikbaarheidsproblemen.
Dit heeft dus de aandacht van het kabinet en dat wordt aangepakt in de GVS-herziening.
Het kabinet is voornemens om de Kamer nog dit jaar een brief te sturen over de herziening
inclusief termijn van inwerkingtreding.
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of de Minister bereid is fabrikanten
en andere marktpartijen een formele rol te geven bij de ontwikkeling en validatie
van kwantitatieve simulatiemodellen die ten grondslag liggen aan wijzigingen in Wgp,
GVS en preferentiebeleid. Deze partijen beschikken immers over marktinformatie, prijsstructuren
en contractinzichten die niet altijd bij de overheid beschikbaar zijn. Indien de Minister
dit niet wenselijk acht, hoe wil zij deze kennis dan alsnog zorgvuldig betrekken?
De geneesmiddelenmarkt is een complexe markt. De overheid reguleert de openbare prijzen
van geneesmiddelen via de Wgp en het GVS terwijl voor vrijwel alle geneesmiddelen
prijsafspraken bestaan tussen verschillende partijen. De uit deze afspraken vloeiende
nettoprijzen zijn over het algemeen niet bekend. Partijen zijn ook niet bereid om
inzicht te geven in deze prijzen. Ook uitspraken van marktpartijen over de impact
van het GVS en de Wgp op de beschikbaarheid of betaalbaarheid van geneesmiddelen worden
zelden tot nooit kwantitatief onderbouwd, ondanks herhaaldelijke verzoeken. Om die
reden is het voor het kabinet lastig om een reële inschatting te maken van de effecten
van wijzigingen in het GVS en de Wgp. Het kabinet werkt dus met aannames, analyseert
die zo goed als mogelijk, bespreekt die uiteraard met veldpartijen en zal op deze
manier ook de gevolgen van de wijzigingen inschatten.
Voor wat betreft het preferentiebeleid geldt dat de Kamer bij motie van de leden Daniëlle
Jansen (NSC) en Tielen (VVD) het kabinet verzocht om een onafhankelijke evaluatie
van de baten en lasten van het preferentiebeleid. Deze evaluatie is inmiddels in uitvoering
en heeft tot doel om inzicht te bieden in de effecten, kosten en baten van het preferentiebeleid
zoals dat op dit moment door zorgverzekeraars wordt uitgevoerd. Daarbij wordt zoveel
mogelijk gebruik gemaakt van de data waarover veldpartijen beschikken, in zoverre
als zij bereid zijn die aan het onderzoeksbureau dat de evaluatie uitvoert te verstrekken.
De uitkomsten van de evaluatie kunnen richting geven aan beleidskeuzes en aan het
handelen van betrokken partijen in de geneesmiddelenketen.
De leden van de BBB-fractie lezen dat Gupta constateert dat bij nieuw beleid regelmatig
een concretisering van de beoogde impact ontbreekt en dat evaluaties daardoor vaak
vooral kwalitatief van aard zijn. De onderzoekers adviseren daarom nadrukkelijk om
SMART-doelstellingen te formuleren, vooraf meetmethoden vast te leggen en structureel
te monitoren. Deze leden onderschrijven het belang van dit advies. Kan de Minister
aangeven hoe zij concreet gaat borgen dat toekomstige maatregelen rondom beschikbaarheid
van geneesmiddelen vooraf voorzien worden van heldere, toetsbare doelstellingen en
meetbare indicatoren? Hoe wordt de Kamer tussentijds geïnformeerd over de effectiviteit
en eventuele neveneffecten van maatregelen?
Het Beleidskompas is sinds 2023 de centrale werkwijze en het vaste kader van de Rijksoverheid
voor het ontwikkelen van nieuw beleid en regelgeving. Het formuleren van concrete
SMART-doelstellingen en de voorgenomen monitoring en evaluatie zijn onderdeel van
het Beleidskompas. Het uitgangspunt bij het Ministerie van VWS is dat het Beleidskompas
wordt gebruikt. Bij de beleidsvorming kan daarbij gebruik gemaakt worden van verschillende
multidisciplinaire expertisecentra binnen het Ministerie van VWS op het gebied van
onderzoek, beleidsvorming, monitoring en evaluatie welke advies geven over de door
de Kamer genoemde aspecten95.
Jaarlijks wordt de Kamer geïnformeerd over de opvolging van de bevindingen en aanbevelingen
van afgeronde periodieke rapportages die in de afgelopen periode zijn afgerond. De
periodieke rapportage «Beschikbaarheid in Perspectief» maakt hier vanzelfsprekend
ook onderdeel van uit96.
Zoals aangegeven in de Kamerbrief beschikbaarheid van geneesmiddelen informeert het
kabinet de Kamer periodiek over de voortgang van het beleid rondom beschikbaarheid
van geneesmiddelen97.
De leden van de BBB-fractie lezen tevens dat Gupta concludeert dat voldoende voorraad
bijdraagt aan beschikbaarheid, maar dat daarbij duidelijke keuzes nodig zijn over
de gewenste voorraadhoogte en de handhaving daarop. Deze leden vragen hoe de Minister
bepaalt welke geneesmiddelen als kritisch worden beschouwd en welke minimale voorraden
daarvoor noodzakelijk zijn. Kan de Minister bij de beantwoording ook aangeven of bij
besluitvorming ook de huidige instabiele geopolitieke situatie voldoende wordt meegewogen?
In hoeverre wijken de uiteindelijke beslissing om die specifieke reden op dit moment
dan af van de beslissingen die de afgelopen jaren, in geopolitiek rustiger vaarwater,
genomen werden?
Er worden in de keten verschillende voorraden van geneesmiddelen aangehouden. Zo geldt
een wettelijke voorraadverplichting van in totaal 8 weken (6 weken bij de leverancier
en 2 weken bij de groothandel) voor vrijwel alle geneesmiddelen. In verschillende
voorgaande Kamerbrieven98 is de Kamer geïnformeerd over de extra voorraad van kritieke geneesmiddelen die wordt
aangelegd bovenop de wettelijke voorraadverplichting. Dit is een extra voorraad van
kritieke geneesmiddelen van de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen99. Dit betreft een medisch inhoudelijke lijst die een categorisering aanbrengt voor
welke geneesmiddelen het niet beschikbaar zijn de grootste negatieve gevolgen heeft
voor patiënten. Voor het bepalen van de hoogte van de extra voorraden is rekening
gehouden met deze categorisering (meer voorraad van de rode categorie dan van de oranje
categorie), hoeveel leveringsonderbrekingen opgevangen kunnen worden met hoeveel extra
voorraad, en het destijds daarvoor beschikbare budget.
Naast deze voorraden, die bedoeld zijn om leveringsonderbrekingen op te vangen in
de keten, verkent het kabinet mede in het licht van de geopolitieke ontwikkelingen
op dit moment de mogelijkheden om weerbaarheidsvoorraden aan te leggen van medische
producten die nodig zijn om een verhoogde zorgvraag tijdens crises op te vangen.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat Nederland de afgelopen jaren een belangrijk
deel van zijn eigen productiecapaciteit voor generieke geneesmiddelen is kwijtgeraakt,
waaronder de sluiting van de Leidse geneesmiddelenfabriek InnoGenerics. Deze leden
vragen hoe de Minister voorkomt dat Nederland steeds afhankelijker wordt van productie
in Azië voor essentiële geneesmiddelen en werkzame stoffen. Acht de Minister deze
afhankelijkheid, mede gelet op geopolitieke spanningen en kwetsbare handelsketens,
nog verantwoord?
Het kabinet vindt het belangrijk de generieke geneesmiddelenindustrie in Nederland
en Europa te behouden. We hebben deze industrie nodig voor het afbouwen van de afhankelijkheden
in de toeleveringsketens van kritieke geneesmiddelen van derde landen. Het kabinet
zet zich op verschillende manieren in om het bedrijfsleven hierin te ondersteunen,
door onder andere het stimuleren van productie middels de Verordening Kritieke Geneesmiddelen.
Het kabinet is ook recentelijk een pilot begonnen die meer ruimte biedt voor hogere
vergoeding voor kritieke antibiotica en kijkt verder of aanvullende maatregelen genomen
moeten worden in nationaal prijsbeleid, vergoedingsbeleid en het inkoopbeleid in de
gehele geneesmiddelenketen. Op deze manier bouwt het kabinet de risicovolle strategische
afhankelijkheden in de toeleveringsketens af.
De leden van de BBB-fractie lezen dat Gupta geen mogelijkheid ziet om fors te besparen
zonder gevolgen voor de toegankelijkheid van zorg, behalve mogelijk via het aanpakken
van de afbakeningsproblematiek tussen intramurale en extramurale geneesmiddelenzorg.
Deze leden vinden dat nog nadrukkelijker gekeken moet worden naar het verminderen
van ondoelmatigheid in plaats van direct naar hogere lasten voor patiënten. Deze leden
vragen de Minister hoe zij voorkomt dat eventuele aanpassingen in de afbakening leiden
tot extra administratieve lasten, onduidelijkheid voor patiënten of verschuivingen
van zorg zonder aantoonbare verbetering van doelmatigheid.
Het kabinet beoogt dat patiënten beperkt gevolgen ervaren van een eventuele wijziging,
maar volledig voorkomen is niet mogelijk. De Kamer zal naar verwachting in 2027 geïnformeerd
worden over eventuele gevolgen zodra de analyse van de mogelijke oplossingsrichtingen
zijn afgerond.
De leden van de BBB-fractie lezen in de kabinetsreactie dat de taakstellende bezuiniging
van € 150 miljoen uit het coalitieakkoord mede wordt gekoppeld aan het oplossen van
deze afbakeningsproblematiek, waarbij Gupta een potentiële besparing van € 50 tot
€ 170 miljoen noemt. Deze leden vragen hoe de Minister het resterende deel van de
deze taakstelling wil invullen en welke beleidsinstrumenten daarbij worden overwogen.
De totale taakstelling van 150 miljoen euro is een brede taakstelling op intramurale
en extramurale geneesmiddelen, die nader ingevuld gaat worden. Het staat nog open
welk deel ten laste valt aan de verbetering van de afbakening.
Is de Minister bereid de Kamer en het veld tijdig te informeren over de concrete invulling
van deze taakstelling voordat beleidsmaatregelen worden genomen, zodat effecten op
beschikbaarheid, toegankelijkheid en patiëntenzorg vooraf zorgvuldig kunnen worden
beoordeeld?
Het kabinet zal de Kamer uiteraard informeren over de invulling van de taakstelling,
namelijk bij Voorjaarsnota 2027.
De leden van de BBB-fractie vinden het zorgelijk dat in discussies over besparingen
opnieuw opties terugkomen waarbij patiënten meer zelf moeten betalen voor noodzakelijke
zorg of geneesmiddelen. Deze leden vinden dat toegankelijkheid van zorg niet afhankelijk
mag worden van de dikte van iemands portemonnee. Genoemde leden wijzen erop dat patiënten
soms geconfronteerd worden met hoge eigen bijdragen voor geneesmiddelen binnen het
GVS. De tijdelijke maximering van de eigen bijdrage op € 250 per jaar loopt af. Kunnen
patiënten erop rekenen dat deze maximering ook na 2026 behouden blijft? Wanneer verwacht
de Minister hierover duidelijkheid te geven?
Patiënten moeten een eigen bijdrage betalen als hun geneesmiddel duurder is dan de
Geneesmiddelenvergoedingssysteem-vergoedingslimiet voor dat geneesmiddel.
Later dit jaar wordt de Kamer geïnformeerd over de toekomst van het GVS en mogelijke
wijzigingen in dit systeem. Voor het antwoord op de vraag over de maximering van de
eigen bijdrage verwijst het kabinet u naar de aanstaande miljoenennota.
De leden van de BBB-fractie vinden dat het verminderen van medicijnverspilling nadrukkelijk
onderdeel zou moeten zijn van het beleid rondom geneesmiddelenbeschikbaarheid. Deze
leden vinden het moeilijk uitlegbaar dat goede geneesmiddelen worden vernietigd terwijl
tegelijkertijd patiënten geconfronteerd worden met tekorten. Zij vragen of de Minister
deelt dat het voorkomen van medicijnverspilling onderdeel zou moeten zijn van het
beleid om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren. Zo nee, waarom niet?
Het voorkomen van medicijnverspilling is onderdeel van verschillende beleidsvraagstukken,
waaronder beschikbaarheid en goede farmaceutische zorg. Zoals eerder aan de Kamer
is gemeld100 kan het verminderen van verspilling van geneesmiddelen bijdragen aan het verbeteren
van de beschikbaarheid en aan het terugdringen van tekorten. Verspilling voorkomen
begint, aan de voorkant, met gepast voorschrijven en verstrekken van geneesmiddelen
aan patiënten en hen ondersteunen bij het juist gebruiken van geneesmiddelen. Daarvoor
is het belangrijk dat we ruimte maken voor de zorgverlenende rol van apothekers. Dat
doet dit kabinet bijvoorbeeld al in de uitvoering van de Visie Eerstelijnszorg en
verschillende andere trajecten met het apotheekzorgveld. Daarnaast is het veld bezig
met allerlei initiatieven om verspilling in hun processen te verminderen. Goede voorbeelden
daarvan zijn de herziening van de Handreiking werkvoorraad geneesmiddelen die in instellingen
wordt gebruikt en de routekaart voor zorgprofessionals die ontwikkeld is in het kader
van de Green Deal Duurzame Zorg101. Aandacht voor het tegengaan van verspilling komt dus breed terug in het beleid van
dit kabinet.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat de recente Europese ontwikkelingen rondom
de Falsified Medicines Directive mogelijk meer ruimte bieden voor veilige heruitgifte
van geneesmiddelen onder strikte voorwaarden. Hoe beoordeelt de Minister de mogelijke
bijdrage van veilige heruitgifte aan het verbeteren van beschikbaarheid, leveringszekerheid
en weerbaarheid van de geneesmiddelenketen? Kan de Minister aangeven welk inzicht
het Ministerie van VWS momenteel heeft in de hoeveelheid ongebruikte geneesmiddelen
die jaarlijks wordt vernietigd, uitgesplitst naar ziekenhuiszorg, openbare apotheken,
Wlz-instellingen en thuissituaties? Is bekend of zich onder deze vernietigde geneesmiddelen
ook middelen bevinden waarvoor tekorten bestaan of dreigen?
Verspilling van geneesmiddelen verminderen kan bijdragen aan het verbeteren van de
beschikbaarheid. Heruitgifte van geneesmiddelen is ook een mogelijkheid om verspilling
te verminderen en kan op die manier de beschikbaarheid verbeteren.
In 2025 is een onderzoek gepubliceerd naar de geneesmiddelverspilling in het Nederlandse
zorgsysteem102. Dit onderzoek is uitgevoerd onder 11 openbare apotheken, 3 poliklinische apotheken,
22 afdelingen van 12 ziekenhuizen en 17 afdelingen van 5 zorginstellingen. Hieruit
bleek dat er gedurende twee weken in totaal 137.442 DDD (Defined Daily Doses103) werd weggegooid met een waarde van € 169.921. Orale geneesmiddelen hadden het grootste
aandeel in verspilde DDD’s. Van deze verspilling vond 66% plaats in de openbare apotheken,
7% in de poliklinische apotheken, 14% op afdelingen van ziekenhuizen en 13% op afdelingen
van instellingen.
Het is niet inzichtelijk of onder de geneesmiddelen die jaarlijks worden vernietigd
ook geneesmiddelen zijn waarvoor een tekort is of dreigt.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Minister de recente Europese ontwikkelingen
rondom de Falsified Medicines Directive betrekt bij de Nederlandse aanpak van geneesmiddelenbeschikbaarheid
en heruitgifte. Deze leden wijzen erop dat de Kamer in 2023 de motie-Van Esch/Ellemeet
over uitbreiding van pilots met heruitgifte van medicijnen heeft aangenomen. Destijds
werd uitvoering volgens de Minister beperkt door Europese regelgeving. Nu die regelgeving
mogelijk verandert, ziet de Minister ruimte om deze motie alsnog met prioriteit uit
te voeren? Welke lessen trekt de Minister uit bestaande heruitgiftepilots in ziekenhuizen?
Is zij bereid deelname mogelijk te maken voor alle ziekenhuizen die onder strikte
voorwaarden verantwoord willen deelnemen? De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast
of de Minister bereid is pilots met heruitgifte te starten binnen Wlz-instellingen,
waar medicatiebeheer professioneel georganiseerd is en waar regelmatig geneesmiddelen
overblijven door wijziging van behandeling, opname, ontslag of overlijden. Is de Minister
bereid de Kamer hierover voor het commissiedebat Langdurige Zorg van 2 december 2026
te informeren?
Met een voorlopig politiek akkoord op de herziene Europese geneesmiddelrichtlijn is
de grootste belemmering voor heruitgifte inderdaad geweken. Nu moet Nederland deze
nieuwe bepaling eerst op zorgvuldige wijze implementeren in de nationale regelgeving,
en dat gaat tijd kosten. Enerzijds omdat aanpassing van wet-en regelgeving nu eenmaal
tijd kost, maar met name ook omdat je heruitgifte op zo’n manier vorm wil geven dat
het verantwoord veilig kan voor diegenen die heruitgegeven medicijnen gaan gebruiken.
Het kabinet vindt het niet wenselijk om heruitgifte in de ziekenhuizen, die dit in
onderzoeksetting al hebben uitgevoerd, nu helemaal stil te leggen totdat de grondslag
voor heruitgifte is geïmplementeerd in de nationale regelgeving. Daarom kiest het
kabinet ervoor om beperkt vervolgonderzoek toe te staan, tot aan de implementatie
in nationale regelgeving.
Dit vervolgonderzoek betreft heruitgifte van orale oncolytica door apotheken van de
huidige 13 ziekenhuizen die betrokken waren bij het eerdere onderzoek en ook aan dit
vervolgonderzoek willen deelnemen. De resultaten van dit onderzoek moeten helpen bij
het vormgeven van de nieuwe nationale regelgeving.
Wat betreft pilots in WLZ-instellingen kan ik melden dat het veld werkt aan een herziening
van de Handreiking werkvoorraad geneesmiddelen die in instellingen wordt gebruikt.
Met deze herziening wordt gekeken waar binnen bestaande wet- en regelgeving verspilling
van geneesmiddelen in instellingen kan worden voorkomen of verminderd. Hiermee wordt
naar verwachting verspilling van geneesmiddelen binnen instellingen waar mogelijk
gereduceerd. De verwachting is dat deze herziene handreiking voor het einde van dit
jaar afgerond is. Zodra de handreiking is herzien zal het Ministerie van VWS de Kamer
hierover informeren.
Daarnaast zal het Ministerie van VWS richting het veld aandacht vragen voor de concrete
toepassing van de herziene handreiking in de praktijk.
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie of de Minister bereid is medicijnverspilling
structureel landelijk in kaart te brengen, zodat inzicht ontstaat in de omvang van
verspilling, om welke middelen het gaat en waar in de keten deze verspilling plaatsvindt.
Zonder goede data blijft beleid volgens deze leden immers te veel gebaseerd op aannames.
Hoewel de vraag om meer data begrijpelijk is, betekent een dergelijke omvangrijke
onderzoeksvraag, een enorme extra administratieve last voor de zorgverleners, Dit
gaat het kabinet niet van hen vragen. Zo heeft de Koninklijke Nederlandse Maatschappij
ter bevordering der Pharmacie (KNMP) bijvoorbeeld onlangs nog opgeroepen om de administratieve
lasten en regeldruk te verminderen104.
Ook loopt er op dit moment nog een groot onderzoek in het kader van de Green Deal
Duurzame Zorg 3.0 op het thema geneesmiddelverspilling. Hier wordt gekeken naar interventies
om geneesmiddelverspilling in 1e, 2e en 3e lijn te verminderen. De resultaten van dit onderzoek worden eind 2027 verwacht. Het
kabinet zal deze resultaten en ook andere kennis en ervaringen uit het veld benutten
om verspilling van geneesmiddelen te verminderen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de rapportage «Beschikbaarheid
in Perspectief, Beschikbaarheid medische producten, 2017 t/m 2023» alsmede van de
kabinetsreactie hierop en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
Zoals het kabinet beschrijft in haar reactie heeft de Rijksoverheid de verantwoordelijkheid
om inzicht te bieden in de doeltreffendheid en doelmatigheid van overheidsuitgaven.
Genoemde leden zijn het met het kabinet eens dat het verkrijgen van meer inzicht in
de doeltreffendheid en doelmatigheid van overheidsuitgaven begint met het beter in
kaart brengen welke inzichten er al zijn en welke nog ontbreken. Op welke manier is
hierbij onderzocht in hoeverre het beleid rondom het voorkeursassortiment bij medische
hulpmiddelen nog voldoende doeltreffend en doelmatig is?
Gupta heeft in het onderzoeksrapport105 nader toegelicht hoe zij gekomen zijn tot de beleidsinstrumenten die geëvalueerd
worden in het onderzoek. Hier hebben zij een selectiefunnel voor gebruikt. Het beleid
rondom het voorkeursassortiment bij medische hulpmiddelen is geen onderdeel geweest
van de scope van het onderzoek.
Genoemde leden zijn benieuwd wie bepaalt welke medische hulpmiddelen, zoals bijvoorbeeld
rolstoelen in het voorkeurspakket van het zorgkantoor komen? Is de Minister tevreden
over het betreffende voorkeursbeleid? En hoe wordt bepaald welke hulpmiddelen de voorkeur
hebben? Genoemde leden zijn benieuwd of er de laatste 8 jaar nog aanpassingen aan
dit beleid en het voorkeurspakket zijn geweest? Zo ja, welke? Genoemde leden zijn
tevens benieuwd of er de komende jaren nog aanpassingen in het voorkeursbeleid (pakket)
gepland zijn? Indien ja, welke? Indien nee, waarom niet?
Zorgkantoren zijn verantwoordelijk voor de inkoop van rolstoelen waar cliënten die
verblijven in een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) recht op
hebben. Zorgverzekeraars Nederland laat weten dat zorgkantoren, in samenspraak met
ergotherapeuten en fysiotherapeuten van zorginstellingen, op basis van de functionele
eisen van de verschillende doelgroepen in de Wlz een voorkeurspakket van rolstoelen
hebben samengesteld. Het gaat hierbij om een beperkt aantal typen rolstoelen. Deze
werkwijze komt mede voort uit het beleid van zorgkantoren om zoveel mogelijk rolstoelen
te herverstrekken. Momenteel worden in de Wlz circa 85% tot 90% van de rolstoelen
herverstrekt. Zorgkantoren herijken doorlopend dit voorkeurspakket op basis van onderzoek
naar nieuwe typen rolstoelen die op de markt komen en waarbij is vastgesteld dat zij
een meerwaarde hebben ten opzichte van de rolstoelen uit het voorkeurspakket. Overigens
verstrekken de zorgkantoren ook rolstoelen buiten het voorkeurspakket als uitkomsten
van het functioneringsgericht indiceren daartoe aanleiding geven. Dit is vooral aan
de orde bij jonge, actieve en zelfstandige mensen.
De onderzoekers van Gupta Strategists hebben als hoofdvraag meegekregen in welke mate
de beleidsinstrumenten ten behoeve van, of met een effect op, de beschikbaarheid van
geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en lichaamsmaterialen doeltreffend en doelmatig
zijn. Hen is gevraagd dit te beschouwen in relatie tot de bijdrage die deze beleidsinstrumenten
leveren aan de toegankelijkheid, veiligheid, kwaliteit en betaalbaarheid. Kijkend
naar de betaalbaarheid, vragen genoemde leden de Minister welke invloed het verstrekken
van bijvoorbeeld rolstoelen heeft vanuit de verschillende zorgwetten (respectievelijk
de Wlz en de Wmo), graag een uiteenzetting van de verschillende kosten bij gebruik
van dezelfde rolstoel in beide wetten. Genoemde leden willen hiernaast graag weten
hoe het voorkeursassortiment in beide wetten wordt toegepast. Indien er een kostenverschil
zit in het gebruik van dezelfde rolstoel in de beide zorgwetten dan graag nadere uitleg
waarom dit zo is.
De inkoop van hulpmiddelen is, afhankelijk van het geldende stelsel, belegd bij zorgkantoren,
gemeenten en zorgverzekeraars. Deze partijen sluiten overeenkomsten met leveranciers
van hulpmiddelen en onderhandelen daarbij over de voorwaarden waaronder hulpmiddelen
worden verstrekt. Het Ministerie van VWS is niet op de hoogte van de inhoud van deze
contracten. Er zijn bij het Ministerie van VWS geen signalen bekend dat er sprake
zou zijn van ondoelmatige uitgaven of significante verschillen in de bekostiging van
hulpmiddelen, zoals rolstoelen.
Genoemde leden vragen waarom de evaluatie alleen heeft plaatsgevonden binnen de aanwezigheid
(fysiek) van het medisch product in Nederland en alleen bij producten die toegelaten
zijn tot de markt? Waarom is hiervoor gekozen? Deelt de Minister de mening, dat ook
door te kijken naar nieuwe producten de betaalbaarheid en/of beschikbaarheid van medische
hulpmiddelen juist vergroot wordt? Zo nee, waarom niet? Is de Minister alsnog bereid
de scope te vergroten en juist ook hulpmiddelen die nu buiten het voorkeurspakket
vallen te betrekken in vervolgonderzoeken? Zo nee, waarom niet? Deelt de Minister
de mening dat er anders mogelijk sprake kan zijn van oneerlijke concurrentie op de
markt van medische hulpmiddelen? En deelt de Minister de mening dat oneerlijke concurrentie
ervoor kan zorgen dat de eindgebruiker, de patiënt, hierdoor mogelijk veel te veel
betaalt voor het gebruik van een medisch product en dit een negatief effect heeft
op de zorgpremies? Indien nee, waarom niet? Kan de Minister toelichten wat de exacte
rol van bijvoorbeeld Zorgplan is bij het verstrekken van hulpmiddelen en hoe hierbij
wordt gewaarborgd dat er geen sprake kan zijn van oneerlijke concurrentie? Genoemde
leden vragen of er meerdere bedrijven zijn zoals Zorgplan? Zo ja, hoeveel?
Het onderzoek van Gupta richt106 zich op het beleid dat het Ministerie van VWS heeft ontwikkeld en ingezet voor de
beschikbaarheid van medische producten. Het Ministerie van VWS heeft geen invloed
op de keuzes van fabrikanten en leveranciers om een product niet te certificeren of
aan te bieden op de Nederlandse of Europese markt. Zodoende is gekozen om dit buiten
scope te laten en acht het kabinet het niet zinvol de scope voor dit onderzoek te
vergroten. Dat neemt niet weg dat kabinet zich focust op beschikbaarheid in den brede
en dat er bij toekomstig beleid oog is voor nieuwe producten.
Wat betreft de rol van Zorgplan, laat Zorgverzekeraars Nederland weten dat Zorgplan
door zorgkantoren kan worden ingeschakeld om op hun verzoek een pilot onder zorginstellingen
uit te zetten om de geschiktheid en de meerwaarde van een nieuwe rolstoel te testen.
Zij brengen hierover advies uit aan de zorgkantoren, die hierover vervolgens een beslissing
nemen. Zorgkantoren geven aan dat Zorgplan transparant en onafhankelijk van de leveranciers
en fabrikanten van hulpmiddelen deze werkzaamheden uitvoert. In de Wlz worden rolstoelen
door de ergotherapeut of fysiotherapeut van de zorginstellingen, in overleg met de
cliënt, aangevraagd bij het zorgkantoor. Een aantal zorgkantoren schakelt medische
adviseurs van Zorgplan in om te adviseren bij complexe aanvragen, waarbij zij zich
bij hun beoordeling baseren op de kwaliteitscriteria van de zorgkantoren. Enkele andere
zorgkantoren hebben, gelet op hun beperkte schaalgrootte, ervoor gekozen om de uitvoering
van de hulpmiddelenverstrekking extern bij NTAC te beleggen. NTAC is net als Zorgplan
een adviseur op het gebied van hulpmiddelen en voert deze taken uit onder de verantwoordelijkheid
van het betreffende zorgkantoor.
Een van de aanbevelingen die worden gedaan is het creëren van de juiste prikkels in
de keten. Daarbij worden mogelijkheden gezien, door met opschaalbare productiecapaciteit
de toeleveringsketen te versterken door afhankelijkheid te verminderen. Wordt hiermee
gedoeld op de productiecapaciteit van de huidige leveranciers? Op welke manier komen
(nieuwe) leveranciers van hulpmiddelen, die nu niet preferent zijn, of niet in het
voorkeursassortiment zitten in aanmerking om wel toegelaten te worden tot dit pakket?
Genoemde leden willen weten wanneer er bij nieuwe producten gebruikt wordt gemaakt
van pilots en/of onderzoeksrapporten? Wie beoordeelt deze pilots en onderzoeksrapporten?
Waar kunnen genoemde leden deze terugvinden? Wordt daarbij ook aangegeven wat der
eden van afwijzing, danwel het niet toelaten tot het voorkeurspakket is? Zo nee, waarom
niet? Wie heeft het uiteindelijke eindoordeel over toelating tot het voorkeurspakket?
Bij de verkenning naar mogelijkheden tot het reserveren van productiecapaciteit behoren
zowel productiecapaciteit bij huidige leveranciers, als productiecapaciteit bij nieuwe
leveranciers tot de mogelijkheden.
Zorgkantoren laten weten dat nieuwe rolstoelen van fabrikanten onderdeel worden van
het voorkeurspakket als op basis van onderzoek wordt vastgesteld dat deze rolstoel
een meerwaarde heeft ten opzichte van de rolstoelen uit het voorkeurspakket. Zorgkantoren
beslissen hierover. De rapporten hierover zijn niet openbaar vanwege bedrijfsgevoelige
informatie. De zorgkantoren bespreken de uitkomsten van deze onderzoeken met de betreffende
fabrikanten voordat dat zij een besluit nemen.
Zoals beschreven in de reactie van het kabinet is op het terrein van medische producten
sprake van marktwerking en is de overheid (veelal) zelf geen directe actor in de zin
dat de overheid niet zelf inkoopt, produceert, of voorraden aanlegt. Genoemde leden
vragen op welke manier het kabinet hierbij alsnog zicht heeft op bijvoorbeeld belangenverstrengeling.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat marktwerking daadwerkelijk zijn werk kan doen? Wie borgt
dit? En op welke manier? Waar is dit voor de Kamer terug te vinden?
Voor een goede werking van de marktwerking, zijn in ons zorgstelsel verschillende
toezichthouders aanwezig. De overheid is primair verantwoordelijk voor de randvoorwaarden
van het stelsel waarbinnen de Autoriteit Consument & Markt (ACM) toeziet op naleving
van de mededingingsregels en kan optreden bij misbruik van marktmacht en concurrentiebeperking.
Daarnaast houdt de Nederlandse Zorgautoriteit zicht op een goede werking van de zorgmarkten.
De Kamer wordt hier regulier over geïnformeerd via beleidsbrieven en jaarverslagen
van de betrokken toezichthouders.
Genoemde leden zijn blij dat het kabinet de aanbeveling van Gupta Strategists steunt,
om verder onderzoek te doen, aangezien het inderdaad aan de overheid is om te zorgen
dat partijen hun rol in het stelsel goed kunnen uitvoeren, en te zorgen voor zo doelmatig
mogelijke besteding van premiegeld.
Genoemde leden willen ten slotte van het kabinet weten wie er toezicht houdt op de
rechtmatigheid van declaraties aangaande (kantel) rolstoelen in verpleeghuizen? Waar
worden aanpassingen aan hierbij verstrekte rolstoelen in rekening gebracht? Bij de
zorgverzekeraar of bij de eindgebruiker?
De ergotherapeut of fysiotherapeut van de zorginstelling doet bij het zorgkantoor
een aanvraag voor een rolstoel, waarover het zorgkantoor een beslissing neemt. Bij
deze aanvraag controleert het zorgkantoor de rechtmatigheid op basis van landelijke
protocollen. Aanpassingen en reparaties van rolstoelen die door het zorgkantoor zijn
verstrekt worden bekostigd door het zorgkantoor.
De leden van Groep Markuszower lezen dat het kabinet inzet op het versterken van de
weerbaarheid van ketens maar missen in de evaluatie elke kwantitatieve onderbouwing
van het geopolitieke risico. Is in de evaluatieperiode 2017–2023 een formele geopolitieke
stresstest uitgevoerd op concrete scenario's, zoals een militair conflict rond Taiwan,
een handelsblokkade met China of India, of een langdurige verstoring van het Suezkanaal?
Zo nee, waarom niet? Is de Minister bereid alsnog een dergelijke stresstest uit te
voeren, en daarbij specifiek in kaart te brengen voor hoeveel kritieke werkzame stoffen
(API's) Nederland voor 100% afhankelijk is van één land of zelfs één fabrikant?
In de evaluatieperiode 2017–2023 is geen formele geopolitieke stresstest uitgevoerd
op specifieke scenario’s, zoals een militair conflict rond Taiwan, een handelsblokkade
met China of India of een langdurige verstoring van het Suezkanaal. Sindsdien zijn
economische veiligheid, strategische afhankelijkheden en geopolitieke risico’s nadrukkelijker
onderdeel geworden van de beleidsvorming. De NCTV, AIVD en MIVD brengen jaarlijks
een dreigingsbeeld uit107. Op basis van de veranderende geopolitieke ontwikkelingen, zoals ook gesignaleerd
wordt in het dreigingsbeeld, heeft het vorige kabinet ingezet op de aanpak van hybride
en militaire dreigingen108. De zorg maakt hier onderdeel vanuit. Het huidige kabinet zet deze inzet voort.
Daarnaast werkt het kabinet al aan het beter in kaart brengen van toeleveringsketens
en afhankelijkheden, zodat de mogelijke gevolgen van internationale handelsverstoringen,
waaronder handelsblokkades, beter kunnen worden ingeschat. Zo rondt het consortium
MOSUPPAN deze zomer een onderzoek af naar indicatoren die de kans op een geneesmiddelentekort
voorspellen voor een selecte groep generieke geneesmiddelen109. Daarnaast wordt in Europees verband deelgenomen aan een kwetsbaarhedenanalyse die
uitgevoerd wordt door het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA). Hier zal onder andere
gekeken worden naar de afhankelijkheid van werkzame stoffen van enkele fabrikanten
en/of landen.
Genoemde leden vragen voorts of de Minister bereid is, naar analogie van de strategische
olievoorraad onder verantwoordelijkheid van COVA, een nationale strategische voorraad
aan te leggen van een nader te bepalen lijst kritieke geneesmiddelen voor een periode
van ten minste zes tot twaalf maanden, in plaats van uitsluitend te leunen op de ijzeren
voorraad bij groothandels en fabrikanten. Indien nee, waarom niet?
De Kamer is op 1 april 2026 geïnformeerd, in de voortgangsbrief Beschikbaarheid van
Geneesmiddelen110, dat het kabinet op korte termijn een verkenning start naar zowel de geneesmiddelen
als de medische hulpmiddelen die nodig zijn gedurende uiteenlopende crises, zodat
hier extra voorraden van aangelegd kunnen worden voor de zorg tijdens dergelijke crises.
Tevens wordt opgemerkt dat de magistrale (apotheekbereide) bereiding traditioneel
een vangnet vormde bij geneesmiddelentekorten, maar dat in de evaluatieperiode regelgeving
op nationaal en Europees niveau is aangescherpt. Hoeveel apotheekbereidingen zijn
er in de periode 2017–2023 ingezet als alternatief voor een niet-leverbaar industrieel
product? Is de Minister bereid de regelgeving rond doorleveringsbereidingen en grootschalige
apotheekbereiding te versoepelen, zodat tekorten sneller en goedkoper kunnen worden
opgevangen zonder steeds opnieuw afhankelijk te zijn van buitenlandse aanbieders?
Voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen spelen magistrale bereidingen en doorgeleverde
bereidingen een belangrijke rol. Dit gaat dan bijvoorbeeld om geneesmiddelen waarvoor
een bepaalde sterkte niet beschikbaar is als geregistreerd geneesmiddel, maar die
wel nodig is voor de behandeling van een patiënt. Daarentegen blijkt uit de KNMP Farmanco
rapportage van 2023 dat bereidingen in slechts 2% van de tekorten een oplossingsrichting
is111. Het is belangrijk dit vangnet ook in de toekomst te behouden. Echter, het huidige
systeem is kwetsbaar: het doorleveren van bereidingen wordt op dit moment gedoogd
en kent geen wettelijke verankering. Over dit onderwerp is de Kamer op 1 april 2026
nog geïnformeerd in de «Voortgangsbrief Beschikbaarheid Geneesmiddelen».
Het politiek akkoord van de herziening Europese geneesmiddelenwetgeving van 6 maart
jongsteleden bevat een wettelijke basis voor de inzet van doorgeleverde bereidingen,
onder andere bij tekorten om in specifieke omstandigheden en onder passende voorwaarden
apotheken toe te staan bereidingen van anderen te betrekken. De Europese wettelijke
verankering van bereidingen wordt betrokken bij de verdere implementatie van het beschikbaarheidsbeleid
en draagt bij aan het versterken van het vangnet bij tekorten.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier