Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Markuszower over de gewelddadige straatroof van een 96-jarige vrouw in Overveen en het uitblijven van adequaat politieoptreden
Vragen van het lid Markuszower (Groep Markuszower) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de gewelddadige straatroof van een 96-jarige vrouw in Overveen en het uitblijven van adequaat politieoptreden (ingezonden 20 juli 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 1 september 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2649.
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Mieke (96) bruut overvallen, maar politie heeft geen
tijd, kleinzoon Bing (23) start massale klopjacht op daders: «Het net sluit zich»»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2 en 3
Hoe beoordeelt u het feit dat een 96-jarige vrouw die op 4 juli jl. in Overveen op
klaarlichte dag gewelddadig van haar gouden ketting werd beroofd, van de politie te
horen kreeg dat er pas over zeventien dagen plek was om aangifte te doen?
Deelt u de opvatting dat een wachttijd van zeventien dagen voor het doen van aangifte
van een geweldsmisdrijf tegen een hoogbejaarde volstrekt onacceptabel is, mede omdat – zoals
de kleinzoon van het slachtoffer terecht constateerde – cruciaal bewijsmateriaal zoals
camerabeelden na zo'n periode veelal gewist is? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2 en 3
Geweldsmisdrijven als deze zijn afschuwelijk en ik veroordeel deze ten zeerste. Als
Minister van Justitie en Veiligheid kan ik echter niet ingaan op individuele casussen.
Ik onderschrijf het belang van een bereikbare en zichtbare politie en vind het belangrijk
dat burgers goed en zo snel als kan worden geholpen bij (het doen van) de aangifte.
De politie is verantwoordelijk voor haar dienstverlening aan de burger en streeft
ernaar om slachtoffers van misdrijven zo goed mogelijk bij te staan. Daarom spant
de politie zich in om dit proces zo veel mogelijk aan te laten sluiten bij de behoefte
van burgers.
In het algemeen geldt dat de politie bij het opnemen van aangiften rekening houdt
met de ernst van het misdrijf, de situatie van het slachtoffer en het belang van eventueel
opsporingsonderzoek.
Voor het opnemen van een aangifte van een meer complex of ernstiger strafbaar feit
zoals in deze zaak, is vaak persoonlijk contact tussen de politie en het slachtoffer
nodig en is het belangrijk dat er doorgevraagd kan worden om zoveel mogelijk aanknopingspunten
voor de opsporing te verkrijgen. Dit kan een langere doorlooptijd met zich meebrengen.
In deze casus is inmiddels de aangifte ontvangen en loopt er onderzoek.
Een belangrijk aspect hierbij is het verzamelen van bewijs, zoals het veiligstellen
van relevante camerabeelden binnen de termijn waarin dat mogelijk is. Volgens de Autoriteit
Persoonsgegevens mogen particulieren camerabeelden maximaal 4 weken (28 dagen) bewaren.
Als er sprake is van een incident mogen camerabeelden langer worden bewaard. Daarnaast
mogen gemeentelijke cameratoezichtbeelden in de openbare ruimte maximaal vier weken
bewaard worden (artikel 151c van de Gemeentewet). Als de politie beelden heeft van
een misdrijf en deze gebruikt kunnen worden voor opsporing en vervolging, mogen de
beelden bewaard worden zolang dit voor het onderzoek nodig is
Tot slot geldt dat de politie voortdurend haar dienstverlening evalueert om deze waar
mogelijk te verbeteren. De inzichten en lessen uit bovenstaande casus worden benut
om de dienstverlening verder te ontwikkelen en in de toekomst nog beter aan te laten
sluiten bij de behoeften van burgers.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u het gegeven dat drie jonge burgers binnen enkele dagen deden wat
de politie naliet: camerabeelden verzamelen bij winkeliers en bewoners, de daders
haarscherp in beeld brengen – inclusief het misdrijf zelf – en dit bewijsmateriaal,
in de woorden van de Telegraaf, «op een presenteerblaadje» aanleveren bij de Haarlemse
politie?
Antwoord 4
Wanneer burgers informatie aanleveren ten behoeve van een opsporingsonderzoek staat
de politie daarvoor open. Informatie die aanknopingspunten voor de opsporing oplevert,
is waardevol en behulpzaam bij de uitvoering van het onderzoek en het vinden van daders.
Uiteraard waardeer ik de betrokkenheid van burgers en juich ik toe dat zij relevante
informatie met de politie delen. Daarbij is het wel van belang dat deze informatie
binnen de geldende wettelijke kaders is verkregen. Burgers beschikken namelijk niet
over opsporingsbevoegdheden; het uitvoeren van opsporingsonderzoek is een taak van
de politie die plaatsvindt onder het gezag van het Openbaar Ministerie (OM). De politie
bepaalt echter – ook onder het gezag van het OM – welke zaken worden onderzocht en
beoordeelt aangeleverde informatie altijd op betrouwbaarheid en rechtmatigheid. Voordat
informatie als bewijs wordt gebruikt, verricht de politie daarom te allen tijde eigen
onderzoek ter verificatie.
Vraag 5
Kunt u verklaren waarom zelfs ná het aanleveren van dit bewijsmateriaal het politieoptreden
volgens de betrokkenen «vrij bureaucratisch» verliep, waarbij het ene politiedistrict
niet direct schakelde met het andere en de jongens niet konden worden doorverbonden
met het district Zandvoort waar de zaak onder viel?
Antwoord 5
Ik betreur het wanneer burgers het gevoel hebben dat adequaat politieoptreden uitblijft
en benadruk dat de politie ernaar streeft om slachtoffers van misdrijven zo goed mogelijk
bij te staan. Het belang van een zichtbare en bereikbare politie is daarbij groot.
Als Minister van Justitie en Veiligheid kan ik echter niet ingaan op individuele casussen.
Zie het antwoord op de vragen 2 en 3.
Vraag 6
Hoe beoordeelt u de reactie van de politiewoordvoerder dat een aangifte-afspraak «moet
passen in de agenda's van de politie en de aangever»? Deelt u de opvatting van onze
fractie dat bij een gewelddadige straatroof op een 96-jarige de agenda van de politie
zich moet voegen naar het slachtoffer, en niet andersom?
Antwoord 6
Zoals ik in mijn beantwoording op de vragen 2 en 3 aangaf is het van groot belang
dat de politie bereikbaar en zichtbaar is. Het contact tussen de politie en een burger
die aangifte wil doen, dient zo veel als mogelijk op maat te zijn en te passen bij
de individuele situatie en behoefte van de burger.
Vraag 7
Kunt u bevestigen dat de daders – volgens het artikel drie vermoedelijk Oost-Europese
mannen – op dit moment nog altijd voortvluchtig zijn? Welke opsporingsinzet wordt
er nu daadwerkelijk gepleegd om hen aan te houden, en op welke termijn verwacht u
resultaat?
Antwoord 7
Als Minister van Justitie en Veiligheid ga ik niet in op individuele casussen. Daarnaast
kan ik geen uitspraken doen over lopend onderzoek.
Vraag 8
Kunt u de Kamer, zodra de daders zijn aangehouden, informeren over hun nationaliteit
en verblijfsstatus?
Antwoord 8
Op het moment dat er verdachten zijn aangehouden is er sprake van een strafzaak en
is het Openbaar Ministerie verantwoordelijk voor de communicatie. Over lopende strafzaken
doe ik geen uitspraken.
Vraag 9
Deelt u de opvatting van onze fractie dat daders die een oma van 96 beroven lang in
de cel horen en daarna keihard ons land uitgetrapt moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
Ik deel uw afschuw van dit soort gewelddadige misdrijven tegen kwetsbare slachtoffers,
maar het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om de daders op te sporen en
te vervolgen en aan de rechter om een straf op te leggen.
Vraag 10
Bent u bereid ervoor te zorgen dat het Openbaar Ministerie in deze zaak maximaal inzet
op een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf, en dat na afloop van de detentie wordt
ingezet op ongewenstverklaring, uitzetting en een duurzaam inreisverbod? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 10
Het Openbaar Ministerie handelt zelfstandig en onafhankelijk. Ik heb er alle vertrouwen
in dat het OM in deze zaak tot een passende beslissing komt.
Meer algemeen gesproken, indien daartoe aanleiding bestaat, beoordeelt de Immigratie-
en Naturalisatiedienst of een strafrechtelijke veroordeling gevolgen heeft voor het
verblijfsrecht. Eindigt het verblijfsrecht, dan zet de Dienst Terugkeer en Vertrek
voortvarend in op terugkeer naar het land van herkomst of, indien van toepassing,
overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat.
Vraag 11
Is de politie bekend met de eerdere incidenten die in het artikel worden genoemd waarbij
de daders volgens de sociale-mediacampagne van de drie vrienden meer berovingspogingen
hebben gedaan en eerder een vrouw hebben achtervolgd en worden deze meegenomen in
het opsporingsonderzoek?
Antwoord 11
Ik heb van de politie vernomen dat alle informatie die de kleinzoon van het slachtoffer
samen met zijn vrienden heeft verzameld, is overgedragen aan de politie. Verder kan
ik niet ingaan op individuele casussen en worden er geen uitspraken gedaan over lopende
onderzoeken.
Vraag 12
Welke structurele maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat slachtoffers van geweldsmisdrijven
direct aangifte kunnen doen en dat burgers zich niet langer genoodzaakt voelen zelf
rechercheur te spelen omdat de politie geen tijd heeft?
Antwoord 12
De politie ontwikkelt haar dienstverlening steeds meer naar een multichannel-vorm,
ook voor het doen van aangifte. Dat houdt in dat burgers, afhankelijk van de aard
van hun melding, via de juiste route worden geholpen, zodat het contact zo veel als
mogelijk aansluit bij hun situatie en behoefte. Voor het doen van aangifte zijn politie.nl
en 0900-8844 in principe de primaire ingangen. Via deze kanalen kan voor een aantal
strafbare feiten direct aangifte worden gedaan. In andere gevallen adviseert en verwijst
de politie naar andere mogelijkheden, bijvoorbeeld door een afspraak te maken voor
een aangifte op het bureau.
Vraag 13
Kunt u deze vragen, gezien de maatschappelijke onrust rond deze zaak en het feit dat
de daders nog voortvluchtig zijn, ieder afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Antwoord 13
Waar mogelijk heb ik de vragen individueel beantwoord.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.