Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Patijn over het afnemen van rechten voor de werknemersverzekeringen
Vragen van het lid Patijn (PRO) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het afnemen van rechten voor de werknemersverzekeringen (ingezonden 17 juni 2026).
Antwoord van Minister Vijlbrief (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 31 augustus
2026).
Vraag 1
Kunt u uitdrukken welke groepen door de aanscherping van de referte-eis geen recht
meer hebben op Werkloosheidswet (WW-)uitkering (in de huidige situatie wel WW zouden
krijgen, maar door de aanscherping niet meer)? Kunt u hierbij in ieder geval de volgende
groepen onderscheiden op basis van leeftijd (t/m 24 jaar, 25 t/m 34 jaar, 35 t/m 44
jaar, 45 t/m 54 jaar, 55 t/m 59 jaar, 60 t/m 64 jaar, 65 tot Algemene Ouderdomswet
(AOW-)leeftijd en het gemiddelde) type contract (flex, vast en het gemiddelde) en
op basis van inkomen (verdeeld in vijf kwintielen en het gemiddelde)?
Antwoord 1
In 2024 heeft het CBS voor de WW-instroom in 2022 en 2023 een analyse gemaakt van de gevolgen van een aanscherping van de referte-eis.1 Ten behoeve van de beantwoording van deze Kamervraag heeft UWV op basis van WW-gerechtigden
met een eerste werkloosheidsdag in 2024 en 2025 een nieuwe, recentere analyse gemaakt van de effecten van een eventuele aanscherping
van de referte-eis van 26 uit 36 weken naar 42 uit 52 weken. UWV heeft gekeken hoeveel
mensen in deze jaren geen recht zouden hebben gehad op een WW-uitkering indien de
aangescherpte referte-eis toen van kracht zou zijn geweest. Uit de analyse van UWV
volgt dat zowel voor WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2024 als 2025,
circa 12% geen recht zou hebben gehad op een WW-uitkering door de aanscherping van
de referte-eis. Dit percentage is in lijn met de analyse van het CBS. Die vond 14%
voor 2022 en 11% voor 2023.
De gevolgen voor verschillende groepen zijn in de tabellen hieronder weergegeven.
Deze zijn weergegeven voor WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025. De tweede kolom van onderstaande tabellen geeft steeds de verdeling van de groep
die bij een aangescherpte referte-eis het recht op een WW-uitkering zou verliezen. De derde kolom geeft ter vergelijking de verdeling van de groep die ondanks een
strengere referte-eis het recht op WW zou behouden. De kolommen tellen verticaal op tot 100%. Bijvoorbeeld voor tabel 1: van alle WW-gerechtigden
met een eerste werkloosheidsdag in 2025 die bij een aangescherpte het recht op WW-uitkering
zou verliezen, was 22% tussen de 35 en 44 jaar. Voor de WW-gerechtigden met een eerste
werkloosheidsdag in 2025 die ondanks een aanscherping van de referte-eis het recht
op WW zouden behouden, was 23% tussen de 35 en 44 jaar.
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet de coalitieakkoordvoorstellen voor
de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm door.
Tabel 1. Leeftijdsverdeling en gemiddelde leeftijd van WW-gerechtigden met een eerste
werkloosheidsdag in 2025 die wel of niet aan de aangescherpte referte-eis voldoen.
Voldoen niet aan 42 uit 52 weken
Voldoen wel aan 42 uit 52 weken
Gemiddelde leeftijd
38 jaar
40 jaar
t/m 24 jaar
14%
10%
25 t/m 34 jaar
32%
31%
35 t/m 44 jaar
22%
23%
45 t/m 54 jaar
17%
18%
55 t/m 59 jaar
7%
9%
60 t/m 64 jaar
6%
7%
65 tot AOW-leeftijd
1%
2%
Totaal
100%
100%
Tabel 2. Inkomensverdeling en gemiddelde inkomen van WW-gerechtigden met een eerste
werkloosheidsdag in 2025 die wel of niet aan de aangescherpte referte-eis voldoen.1
Voldoen niet aan 42 uit 52 weken
Voldoen wel aan 42 uit 52 weken
Gemiddelde maandloon2
€ 2.701
€ 3.954
Minder dan € 2.054 per maand
33%
18%
€ 2.054 tot € 2.697 per maand
29%
19%
€ 2.698 tot € 3.421 per maand
20%
20%
€ 3.422 tot € 4.751 per maand
12%
21%
€ 4.752 of meer per maand
7%
22%
Totaal
100%
100%
X Noot
1
Voor de verdeling is gebruik gemaakt van kwintielen (vijf groepen van een gelijk aantal
personen). De grenzen van de kwintielen zijn bepaald op basis van alle WW-gerechtigden
met een eerste werkloosheidsdag in 2025.
X Noot
2
Het maandloon is 21,75 maal het dagloon. Het gemiddelde is berekend op basis van het
ongemaximeerde dagloon.
Tabel 3. Contracttype van WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025
die wel of niet aan de aangescherpte referte-eis voldoen.
Voldoen niet aan 42 uit 52 weken
Voldoen wel aan 42 uit 52 weken
Vast contract
6%
36%
Tijdelijk contract
50%
44%
Oproepcontract
14%
7%
Uitzendcontract
27%
13%
Overig/onbekend
3%
1%
Totaal
100%
100%
Bij deze cijfers horen enkele kanttekeningen. Allereerst bevat de loonaangifte van
werkgevers uitsluitend informatie over het aantal uren per loonaangiftetijdvak en
niet over het aantal uren per week. In de uitvoeringspraktijk (en voor deze exercitie)
verdeelt UWV het aantal verloonde uren per loonaangiftetijdvak evenredig over het
aantal weken in het loonaangiftetijdvak.
Ten tweede is, om de analyse behapbaar te houden, voor het bepalen of een werknemer
zou voldoen aan de aangescherpte referte-eis een vereenvoudigde berekeningswijze gehanteerd
die afwijkt van de daadwerkelijke uitvoeringspraktijk. Er is alleen gekeken naar het
aantal verloonde uren in de periode van 36 dan wel 52 kalenderweken voorafgaand aan
de eerste werkloosheidsdag. Er is geen rekening gehouden met uitzonderingsgevallen,
zoals bijvoorbeeld een verlengde referteperiode als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid
of uren waarover geen loon is ontvangen maar wel recht bestond op loon. De cijfers
moeten dus als een indicatie van de effecten worden gezien.
Vraag 2
Kunt u uitdrukken wat de gevolgen zijn van de inkorting van de maximale WW-duur en
de vertraagde opbouw van WW op de gemiddelde WW-duur? Kunt u hierbij in ieder geval
de volgende groepen onderscheiden op basis van leeftijd (t/m 24 jaar, 25 t/m 34 jaar,
35 t/m 44 jaar, 45 t/m 54 jaar, 55 t/m 59 jaar, 60 t/m 64 jaar, 65 tot AOW-leeftijd
en het gemiddelde) type contract (flex, vast en het gemiddelde) en op basis van inkomen
(verdeeld in vijf kwintielen en het gemiddelde)?
Antwoord 2
Ten behoeve van de beantwoording van deze Kamervraag heeft UWV voor WW-gerechtigden
met een eerste werkloosheidsdag in 2025 berekend wat het WW-recht zou zijn geweest
indien een maximale WW-duur van 12 maanden zou gelden en de opbouw van WW-recht een
halve maand per jaar arbeidsverleden zou zijn.2 De uitkomst van deze analyse is dat het gemiddelde toegekende WW-recht zou dalen
van 12 maanden naar 7 maanden. De gevolgen voor verschillende groepen zijn in de tabellen
hieronder weergegeven.
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet de coalitieakkoordvoorstellen voor
de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm door.
Tabel 4. Gevolgen aanpassingen in WW-duur op gemiddeld toegekend WW-recht naar leeftijd
op basis van WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025.
Daadwerkelijk toegekend WW-recht
Alle jaren arbeidsverleden een halve maand WW. Maximale WW-duur 12 maanden.
t/m 24 jaar
5 maanden
3 maanden
25 t/m 34 jaar
8 maanden
5 maanden
35 t/m 44 jaar
12 maanden
7 maanden
45 t/m 54 jaar
18 maanden
10 maanden
55 t/m 59 jaar
21 maanden
11 maanden
60 t/m 64 jaar
22 maanden
11 maanden
65 tot AOW-leeftijd
22 maanden
11 maanden
Totaal
12 maanden
7 maanden
Tabel 5. Gevolgen aanpassingen in WW-duur op gemiddeld toegekend WW-recht naar inkomen
op basis van WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025.1
Daadwerkelijk toegekend WW-recht
Alle jaren arbeidsverleden een halve maand WW. Maximale WW-duur 12 maanden.
Minder dan € 2.054 per maand
10 maanden
6 maanden
€ 2.054 tot € 2.697 per maand
10 maanden
6 maanden
€ 2.698 tot € 3.421 per maand
12 maanden
7 maanden
€ 3.422 tot € 4.751 per maand
14 maanden
8 maanden
€ 4.752 of meer per maand
17 maanden
8 maanden
Totaal
12 maanden
7 maanden
X Noot
1
Voor de verdeling is gebruik gemaakt van kwintielen (vijf groepen van een gelijk aantal
personen). De grenzen van de kwintielen zijn bepaald op basis van alle WW-gerechtigden
met een eerste werkloosheidsdag in 2025.
Tabel 6. Gevolgen aanpassingen in WW-duur op gemiddeld toegekend WW-recht naar contracttype
op basis van WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025.
Daadwerkelijk toegekend WW-recht
Alle jaren arbeidsverleden een halve maand WW. Maximale WW-duur 12 maanden.
Vast contract
17 maanden
9 maanden
Tijdelijk contract
11 maanden
6 maanden
Oproepcontract
8 maanden
5 maanden
Uitzendcontract
10 maanden
6 maanden
Totaal
12 maanden
7 maanden
Vraag 3
Kunt u aangeven welk deel van de mensen met WW daadwerkelijk werkloos is?
Antwoord 3
Van alle lopende WW-uitkering in maart 2026 was 64% op dat moment niet werkzaam in
loondienst.3
Vraag 4
Kunt u aangeven welk deel van de mensen met WW een baan naast de WW heeft?
Antwoord 4
Van alle lopende WW-uitkering in maart 2026 was 36% op dat moment naast de WW-uitkering
werkzaam in loondienst.4
Vraag 5
Kunt u aangeven hoeveel tijdswinst binnen keuringen er wordt bespaard door de Inkomensvoorziening
Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) af te schaffen? Kunt u dit aangeven per persoon
en in totaal (voor het totaal aantal personen en voor de totale duur dat iemand in
de WIA zit)?
Antwoord 5
In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar de WIA van afgelopen december5 is een schatting gemaakt van het aantal extra WIA-beoordelingen dat kan worden gedaan
als de IVA wordt afgeschaft. Het gaat om ca. 7.500–12.000 extra beoordelingen per
jaar. Afgezet tegen een beschikbare jaarlijkse capaciteit van ca. 60.000 beoordelingen
betekent dat een gemiddelde versnelling van de beoordeling met ca. eenzesde oftewel
16%, of ca. 13% als wordt uitgegaan van de laagste schatting van 7.500 extra beoordelingen
per jaar.
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet de coalitieakkoordvoorstellen voor
de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm door.
Vraag 6
Kunt u aangeven hoeveel tijdswinst het oplevert dat mensen binnen de IVA niet herkeurd
hoeven te worden, terwijl dit voor andere populaties binnen de WIA wel geldt? Kunt
u aangeven hoe vaak er gemiddeld herkeuringen plaatsvinden binnen de periode dat mensen
in de WIA zitten? Kunt u dit aangeven per persoon en in totaal (voor het totaal aantal
personen en voor de totale duur dat iemand in de WIA zit)?
Antwoord 6
Het is niet zo dat mensen binnen de IVA niet herbeoordeeld hoeven te worden. Zowel
in de WGA als in de IVA geldt het uitgangspunt dat een herbeoordeling moet plaatsvinden
als daartoe aanleiding is, bijvoorbeeld als iemands gezondheidssituatie is veranderd
of als blijkt dat iemands inkomen uit werk is toegenomen. Daarbij komt dat het bestaan
van de IVA er juist toe leidt dat meer herbeoordelingen worden aangevraagd in de WGA,
omdat de werknemer en de werkgever (of diens verzekeraar) beide een financieel belang
hebben bij een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering. In de periode 2013–2021
werden per WGA-gerechtigde gemiddeld 0,4 herbeoordelingen gedaan als de werkgever
publiek verzekerd was, en 0,8 herbeoordelingen als de werkgever eigenrisicodrager
was voor de WGA.6
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet de coalitieakkoordvoorstellen voor
de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm door.
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.