Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
37 000 Wijziging van de Kadasterwet in verband met het verduidelijken van de inschrijvingseisen van registerverklaringen, het regelen van een grondslag voor de geautomatiseerde verwerking van aktes, het regelen van de verplichting voor de bewaarder om voortaan stukken in te schrijven die gesteld zijn in een vreemde of de Friese taal en een aantal andere wijzigingen (Verzamelwijziging Kadasterwet)
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
I. ALGEMEEN DEEL
1. Inleiding
Het onderhavige wetsvoorstel is erop gericht een aantal onderdelen van de Kadasterwet
te repareren, te verbeteren en te actualiseren. Het doel van de verbetering en actualisering
betreft het voorkomen van fouten, het tegengaan van onduidelijkheden, het bevorderen
van het internationale rechtsverkeer en het verminderen van de administratieve lasten
voor partijen betrokken in de keten. Zo tracht het wetsvoorstel onduidelijkheden weg
te nemen in relatie tot de context voor het inroepen van het recht op herstel van
een gegeven in de Basisregistratie Kadaster (BRK) door belanghebbenden en scherpt
het eisen aan bij de inschrijving van rechtsfeiten en rechtshandelingen in de BRK.
In rechtszaken en uit de praktijk is namelijk gebleken dat de eerdere formulering
van de bepalingen met betrekking tot deze onderwerpen in de Kadasterwet voor onduidelijkheid
heeft gezorgd.
Actualisaties die met dit wetsvoorstel worden doorgevoerd betreffen bijvoorbeeld het
invoegen van een grondslag ten behoeve van het geautomatiseerd verwerken van akten
in de BRK en de mogelijkheid van het inschrijven van stukken in een buitenlandse taal.
Digitale ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat geautomatiseerde verwerking van
stukken ter inschrijving in de BRK tegenwoordig op betrouwbare wijze kan worden gerealiseerd.
Geautomatiseerde verwerking leidt tot betere integratie van de processen van partners
in de vastgoedketen, is qua inschrijvingstarief goedkoper voor de partijen die overgaan
tot inschrijving van stukken en leidt tot minder fouten in de bijwerking. Uit de praktijk
is bovendien gebleken dat door geautomatiseerde verwerking achteraf minder verbeteringen
in de registratie hoeven te worden doorgevoerd door de Dienst voor het kadaster en
de openbare registers (hierna: de Dienst)1. De positieve ervaringen die zijn opgedaan in de praktijk met geautomatiseerde verwerking
worden daarom met dit wetsvoorstel bestendigd. Door het toegenomen rechtsverkeer met
internationale partijen is daarnaast gebleken dat vaker stukken in een buitenlandse
taal worden aangeboden bij de Dienst. Ter bevordering van het internationale rechtsverkeer
is daarom besloten om een nieuwe verplichting voor de Dienst in te voeren om voortaan
ook stukken in een buitenlandse taal in te schrijven.
Door de aard van de wijzigingen hebben deze veelal tot gevolg dat naar verwachting
de administratieve lasten voor de Dienst en de partijen in de uitvoeringspraktijk,
met name de partijen in de vastgoedketen (notarissen, deurwaarders en rechthebbenden)
zullen verminderen. Onderdelen die naar verwachting bij zullen dragen aan de kwaliteit
van de gegevens in de BRK, zoals het geautomatiseerde verwerken van akten waardoor
minder fouten worden gemaakt bij de bijwerking, dragen daarnaast naar verwachting
ook bij aan het verminderen van administratieve lasten voor notarissen, overheidsorganisaties
en bestuursorganen omdat zij dan minder onjuistheden terug hoeven te melden.
Dit wetsvoorstel voldoet aan de criteria voor een verzamelwet (Aanwijzing 6.4 van
de Aanwijzingen voor de regelgeving). De samenhang van de onderdelen is daarin gelegen
dat het allen actualisaties betreffen van de Kadasterwet, die niet van een omvang
en complexiteit zijn waardoor een afzonderlijk wetsvoorstel gerechtvaardigd zou zijn
voor losse onderdelen daarbinnen, en het is op voorhand niet de verwachting dat één
van de onderdelen dermate politiek omstreden is dat een goede parlementaire behandeling
van andere onderdelen in het geding zou kunnen komen.
Hieronder in hoofdstuk 2 worden de verschillende wijzigingen en nut en noodzaak daarvan
kort inhoudelijk beschreven. Zie de artikelsgewijze toelichting voor een uitgebreidere
toelichting.
2. Inhoud van het voorstel
De voorstellen tot wijziging van de Kadasterwet kunnen in verschillende categorieën
worden onderverdeeld qua onderwerp, namelijk:
1. Herstel onduidelijke bewoordingen
2. Herstel foutieve verwijzingen
3. Inschrijving stukken buitenlandse en de Friese taal
4. Geautomatiseerde inschrijving
5. Verduidelijking inschrijvingseisen registerverklaringen
6. Informatie ter oriëntatie kadastrale kaart
7. Onduidelijkheid omtrent kadastrale grens
8. Verdere verwerking met oogmerk verstrekken aan derden
Deze onderwerpen worden hierna verder inhoudelijk beschreven.
2.1 Herstel onduidelijke bewoordingen
De wijziging van artikel 7t van de Kadasterwet herstelt onduidelijke bewoordingen.
De huidige formulering wekt de indruk dat bij verdenkingen van mogelijke fouten in
de BRK op elk moment gereageerd kan worden. Beoogd is echter dat een verzoek tot herstel
als bedoeld in artikel 7t van de Kadasterwet alleen mogelijk is als het in de BRK
opgenomen gegeven verschilt van het gegeven in het brondocument omdat dit onjuist
of onvolledig is overgenomen. Het gaat dan om de situatie dat sprake is van een kennelijke
misslag. Dit is een door de Dienst gemaakte fout bij het overnemen van het gegeven,
waardoor het gegeven in de basisregistratie kadaster niet overeenkomt met het gegeven
in het brondocument. Artikel 7t is samen met artikel 7s ontstaan uit de artikelen
112 tot en met 114 (oud) van de Kadasterwet. Deze artikelen zijn op 1 januari 2008,
bij de invoering van de basisregistratie kadaster, komen te vervallen. De artikelen
112 tot en met 114 (oud) boden belanghebbenden de mogelijkheid om in de gevallen waarin
bij de bijwerking van de kadastrale registratie, inclusief de registers voor schepen
en luchtvaartuigen, door de Dienst kennelijke misslagen waren begaan, een verzoek
te doen tot herstel van deze misslagen. Een zodanig verzoek kon zich alleen richten
tegen het feit dat de bijwerking zelf onjuist of onvolledig was geschied en niet tegen
het resultaat van de bijwerking. Abusievelijk is bij het herformuleren van de oude
artikelen een onduidelijke formulering opgenomen in artikel 7t.
De huidige formulering heeft geleid tot diverse rechtszaken2 waarbij de belanghebbende de bewaarder verzocht om toepassing te geven aan artikel
7t, eerste lid, terwijl feitelijk geen sprake was van een dergelijk onjuist of onvolledig
overnemen en de rechter om die reden heeft geoordeeld dat artikel 7t, eerste lid,
niet van toepassing was. Om verdere rechtszaken en dus deze onnodige belasting van
de rechterlijke macht te voorkomen wordt artikel 7t, eerste lid, opnieuw geformuleerd
zodat wordt aangesloten bij de oorspronkelijke bedoeling van de artikelen die zagen
op de kennelijke misslag, om een belanghebbende de mogelijkheid te bieden om (enkel)
bij een onjuist of onvolledig overnemen van de gegevens uit het brondocument in de
BRK bij de bewaarder een verzoek tot herstel in te dienen. Deze wijziging laat de
mogelijkheid van een belanghebbende om tegen het resultaat van de bijwerking bezwaar
te maken, onverlet. Artikel 7t gaat namelijk niet over dat recht op het maken van
bezwaar tegen het resultaat van een bijwerking. Daarover gaan artikelen 7r en 56b
van de Kadasterwet.
Deze wijziging voorkomt mogelijk onnodige administratieve kosten bij de Dienst en
andere betrokken partijen, omdat het afwijzen van een verzoek voortaan op grond van
een duidelijke wettelijke grondslag plaatsvindt, waardoor eventuele nieuwe juridische
procedures hierover zouden kunnen worden voorkomen.
Gelet op het aantal «artikel 7t-zaken» over 2021 (40) en 2022 (35) kan naar inschatting
ongeveer 1/3 deel daarvan voorkomen worden door het verduidelijken van het artikel.
In 2021 werden namelijk 15 van deze zaken onterecht op artikel 7t gebaseerd en in
2022 waren dat er 11.
2.2 Herstel foutieve verwijzingen
In artikel 7u staat een onjuiste verwijzing naar artikel 48, tweede lid, onderdeel
e, inzake publiekrechtelijke beperkingen, en deze is abusievelijk niet geschrapt bij
de eerdere aanpassing van artikel 7f, tweede lid, waarin de authentieke gegevens in
de BRK worden vastgesteld.
In artikel 58, derde lid, staan verwijzingen naar diverse wetten die al enige tijd
geleden of inmiddels zijn vervallen. De Reconstructiewet Midden-Delfland, de Herinrichtingswet
Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, de Landinrichtingswet en de Reconstructiewet
concentratiegebieden zijn in 2007, 2010 respectievelijk 2014 vervallen en op basis
van die wetten is het niet meer mogelijk om een akte van toedeling of ruilakte ter
inschrijving aan te bieden. De Wet inrichting landelijk gebied is per 1 januari 2024
vervallen en opgegaan in de Omgevingswet. Dientengevolge dient in artikel 58, derde
lid, verwezen te worden naar de herverkavelingsakte als bedoeld in artikel 16.136
van de Omgevingswet.
2.3 Inschrijven stukken buitenlandse taal
Door het toenemende rechtsverkeer met internationaal opererende cliënten, worden steeds
meer akten in een buitenlandse taal opgemaakt. Hieruit volgt dat het steeds belangrijker
wordt dat ook buiten de Nederlandse landsgrenzen de betekenis en strekking van rechtshandelingen,
die op basis van ons nationale recht plaatsvinden, worden begrepen. Vanuit de praktijk
leeft daarom de wens dat deze stukken in de originele taal worden ingeschreven in
de openbare registers. De wijziging leidt ertoe dat ook stukken die in een vreemde
of de Friese taal zijn opgesteld (samen met een letterlijke Nederlandse vertaling,
in de vorm van een akte in het Nederlands), in de openbare registers ingeschreven
worden. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan wensen van klanten van de Dienst. De dienstverlening
wordt hiermee verbeterd en uitgebreid. Er is voor gekozen om één uniforme nieuwe regeling
te maken voor alle stukken waarvoor een vertaling wordt verlangd (te weten stukken
in een vreemde taal of in de Friese taal), daarom wordt de nieuwe werkwijze ook voor
de stukken die in de Friese taal zijn gesteld gevolgd.
De inschrijving van stukken in een vreemde of de Friese taal bevordert de begrijpelijkheid
en toegankelijkheid van stukken voor het internationale rechtsverkeer en daarmee ook
het rechtsverkeer in Nederland. Ook het Nederlandse rechtsverkeer zal er immers baat
bij hebben dat partijen die de Nederlandse taal niet machtig zijn sneller en met meer
zekerheid kunnen handelen op grond van het ingeschreven stuk in een vreemde of de
Friese taal.
Net als nu het geval is blijft de Nederlandse akte leidend in geval van interpretatieverschillen,
waardoor de rechtszekerheid door deze wijziging niet negatief wordt beïnvloed.
Om de documenten in de openbare registers toegankelijk en begrijpelijk te houden voor
eenieder die de registers raadpleegt, maar tevens ook om geen onderscheid te maken
tussen de documenten die in een vreemde of de Friese taal worden aangeboden en de
Europese verklaring van erfrecht, wordt ook bij de inschrijving van een dergelijke
verklaring een vertaling verlangd.
Daarnaast wordt op verzoek van de notariële rechtspraktijk het eerste lid gewijzigd
zodat daarin geregeld wordt dat bij de aanbieding van een Nederlands stuk waarin de
akte in de Friese of een vreemde taal is opgenomen, een Nederlandse vertaling kan
worden toegevoegd of wel door een beëdigd vertaler, of wel door de notaris, waarbij
de notaris aangeeft dat deze vertaling overeenstemt met de tekst in het Fries of in
de vreemde taal. Het komt regelmatig voor dat partijen in een andere taal hebben gecontracteerd,
bijvoorbeeld omdat een van de partijen in het buitenland is gevestigd. Wanneer er
gecontracteerd is over de koop/verkoop van onroerend goed, dan dient een notariële
akte te worden opgesteld waarin de notaris in de akte ook de partijbedoelingen weergeeft.
Uit de notariële praktijk blijkt dat er kantoren zijn die dermate gespecialiseerd
zijn in buitenlandse akten, dat zij ook de verantwoordelijkheid voor een juiste (volledige)
vertaling in de Nederlandse taal op zich kunnen nemen. Het ook in die gevallen vasthouden
aan de eis van een vertaling door een beëdigde vertaler zou een onnodige administratieve
last betekenen. Wel zal de notaris dan expliciet de verantwoordelijkheid voor de vertaling
moeten nemen door zelf te verklaren dat de vertaling overeenstemt met het stuk in
de buitenlandse taal. Overigens is deze werkwijze niet anders dan nu wordt gehanteerd
voor akten die in de Friese taal zijn gesteld. Daarvoor was al op basis van het eerste
lid van artikel 41 reeds mogelijk dat de notaris de Nederlandse vertaling kon opstellen.
Overigens kan het ook wenselijk zijn om in de Nederlandse tekst van de akte een passage
op te nemen in een vreemde taal omdat die passage de bedoeling van partijen exact
weergeeft. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een ontbindende voorwaarde
waaronder partijen de koop/verkoop zijn aangegaan. In een dergelijke situatie waarin
de tekstpassage in de vreemde taal slechts een ondergeschikt gedeelte is van de totale
tekst van de verder in de Nederlandse taal opgestelde akte, kan nog steeds worden
volstaan met een Nederlandse vertaling van de passage in de vreemde taal, door de
inzet van een beëdigd vertaler, dan wel door partijen of door de notaris opgestelde
Nederlandse vertaling van die tekstpassage in de akte. Als partijen of de notaris
de Nederlandse tekst verzorgen, dan is dat onder de voorwaarde dat de notaris in de
akte verklaart dat de vertaling overeenstemt met de tekst in de vreemde of de Friese
taal.
Dankzij deze wijziging zullen de administratieve lasten voor de Dienst dalen omdat
het weigeren van stukken met daarin de Friese of buitenlandse teksten en de daarmee
gepaard gaande administratieve procedures, niet meer plaats hoeven te vinden. Inschrijving
van dergelijke stukken leidt niet tot een ander inschrijftarief noch tot extra IT-lasten.
De dienstverlening aan bedrijven en professionals verbetert omdat stukken in de Friese
of in een vreemde taal, of met Friese of tekstdelen in een vreemde taal, niet meer
geweigerd hoeven te worden.
Overigens staat deze wijziging los van de introductie van de mogelijkheid om een gewaarmerkt
afschrift van een Europese erfrechtverklaring in te schrijven als bedoeld in artikel
27a van de Kadasterwet. Deze mogelijkheid tot inschrijving van een dergelijke verklaring
is een uitvloeisel van artikel 62, eerste lid, van de verordening (EU) nr. 650/2012
van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid,
het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en
de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging,
alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PbEU 2012,
L 201). Bij inschrijving van een Europese erfrechtverklaring is het eveneens verplicht
om een Nederlandse vertaling door een beëdigd vertaler mee in te schrijven. De verordening
regelt immers niet (of: wijzigt niet) onder welke wettelijke voorwaarden en op welke
wijze de registratie moet plaatsvinden van een recht van de erflater op de (onroerende)
zaken uit de nalatenschap die in het ter inschrijving aangeboden document staan vermeld.
In overweging 18 van de verordening staat hierover:
(...) In het bijzonder dient de op grond van deze verordening afgegeven Europese erfrechtverklaring
een geldig document te vormen voor de inschrijving van de goederen van de nalatenschap
in het register van een lidstaat. Dit laat onverlet dat de bij de registratie betrokken
autoriteiten de persoon die om registratie verzoekt, kunnen vragen om zodanige aanvullende
informatie te verstrekken of zodanige aanvullende stukken over te leggen, als vereist
onder het recht van de lidstaat waar het register wordt gehouden, zoals gegevens of
documenten in verband met de betaling van belastingen. (...).
2.4 Geautomatiseerde inschrijving
Deze actualisatie van de wetgeving volgt de ICT-ontwikkelingen die het mogelijk maken
dat sommige stukken volledig geautomatiseerd worden ingeschreven in de openbare registers.
De geautomatiseerde inschrijving leidt tot betere integratie van de processen van
partners in de vastgoedketen. Daarnaast worden hierdoor minder fouten gemaakt bij
de bijwerking waardoor er achteraf ook minder verbeterd hoeft te worden in de registratie.
Door het geautomatiseerd verwerken van akten kan het inschrijvingstarief lager vastgesteld
worden. Kortom, deze wijziging leidt tot betere, efficiëntere en goedkopere dienstverlening
door de Dienst.
De Dienst heeft hiertoe een systematiek ontwikkeld, waarbij de elektronisch ter inschrijving
aangeboden stukken geheel geautomatiseerd worden verwerkt op basis van vooraf, door
de bewaarder goedgekeurde modeldocumenten.
Op grond van een in 2006 gesloten convenant tussen de Dienst en de Koninklijke Notariële
Beroepsorganisatie (hierna: KNB) is een specifieke systematiek ontwikkeld, die sinds
2009 ook wordt gebruikt. Hierbij is geen sprake van een «uitsluitend op geautomatiseerde
verwerking gebaseerd besluit», wat verboden is op grond van artikel 22 van de Algemene
verordening gegevensbescherming. Er is immers altijd sprake van menselijke tussenkomst,
in de persoon van de notaris, die het beoogde rechtsgevolg invoert. Dit neemt niet
weg dat het wenselijk is om de geautomatiseerde verwerking wettelijk te regelen in
en op grond van de Kadasterwet zodat de wetgeving aansluit bij de (digitale) uitvoeringspraktijk
van de Dienst en de notarissen, hetgeen hier wordt voorgesteld.
De door de Dienst ontwikkelde systematiek houdt geen materiële wijziging in van taak,
functie, verantwoordelijkheden en mogelijke aansprakelijkheid van de notaris en de
Dienst. De notaris is en blijft verantwoordelijk voor de juistheid en de vormgeving
van de akte en voor het afgeven van afschriften. Het oordeel of, en zo ja hoe de bijwerking
in de basisregistratie kadaster door een akte plaatsvindt, is en blijft de verantwoordelijkheid
van de Dienst. Voor fouten of onregelmatigheden die bij de bijwerking van de basisregistratie
kadaster worden gemaakt, is en blijft de Dienst primair verantwoordelijk en aansprakelijk.
Dit onderdeel in het wetsvoorstel betreft dus een betere wettelijke borging van de
bestaande situatie. Inhoudelijk wijzigt er niets aan de bestaande verantwoordelijkheden
of aansprakelijkheden tussen de Dienst en de notaris.
De meeste elektronisch ter inschrijving aangeboden stukken, die automatisch kunnen
worden verwerkt, bestaan uit twee delen, te weten:
a. een vast (eerste) deel (modeldocument) mét elektronisch mutatiebestand dat geautomatiseerd
kan worden verwerkt en waarin alle voor de bijwerking van de basisregistratie van
belang zijnde feiten en rechtshandelingen zijn opgenomen (het zogeheten gestandaardiseerde
deel van de akte), en
b. een vrij (tweede) deel dat door de notaris vrij geredigeerd kan worden, maar waarin
geen voor de bijwerking van de registratie van belang zijnde feiten en rechtshandelingen
mogen worden opgenomen.
Overigens bestaan er ook elektronisch aangeboden stukken zonder vrij (tweede) deel.
Dit is het geval bij doorhalingen, registerverklaring koop en verklaring van erfrecht.
Ook is het denkbaar dat in de toekomst nog andere mogelijke varianten ontstaan, die
het mogelijk kunnen maken om andere typen stukken in te schrijven die nu nog handmatig
moeten worden ingeschreven.
Het gebruik van modeldocumenten is noodzakelijk om de juistheid van de afdoening van
akten en daarmee de rechtszekerheid geautomatiseerd te kunnen waarborgen. Als de notaris
bij de elektronische akte het modeldocument met elektronisch mutatiebestand meelevert,
kan het geautomatiseerde systeem van de Dienst controleren of het modeldocument ongewijzigd
is gebruikt en daarmee geautomatiseerd vaststellen welke gegevens op welke wijze in
de basisregistratie kadaster moeten worden opgenomen. De bijwerking geschiedt dus
ook geautomatiseerd.
Bijhouding van de basisregistratie kadaster vindt plaats op grond van het gehele stuk
dat elektronisch voor geautomatiseerde verwerking ter inschrijving is aangeboden.
Voor vergissingen, verzuimen of andere onregelmatigheden die gemaakt zijn bij het
bijwerken van de basisregistratie kadaster, is de Dienst aansprakelijk op grond van
artikel 117, derde lid, van de Kadasterwet. Een derde zal de Dienst voor eventuele
schade dan ook kunnen aanspreken op grond van voornoemde wetsbepaling.
Met een notaris die gebruik wil maken van modeldocumenten wordt evenwel een overeenkomst
gesloten waarin door de notaris aansprakelijkheid wordt aanvaard jegens de Dienst,
ingeval de Dienst aansprakelijk wordt gesteld door een derde op grond van artikel
117, derde lid, van de Kadasterwet. De Dienst heeft derhalve een contractueel regresrecht
jegens de notaris indien de notaris in het vrije deel van het stuk abusievelijk toch
feiten of rechtshandelingen heeft opgenomen, die niet in de basisregistratie kadaster
zijn verwerkt waardoor schade voor derden is ontstaan. Voor betrokkenen die schade
ondervinden blijft de Dienst echter op grond van artikel 117 van de Kadasterwet het
aanspreekpunt.
De invoering van het gebruik van modeldocumenten (in de praktijk ook wel: «stylesheets»
genoemd) maakt onderdeel uit van het programma Ketenintegratie Inschrijving Kadaster
(KIK).
Vanaf 2009 zijn de eerste ervaringen opgedaan met het gebruik van modeldocumenten
voor relatief eenvoudige akten. Op basis van de ervaringen van notarissen en het Kadaster
zijn in de loop van de tijd aanpassingen doorgevoerd in de modeldocumenten en zijn
de verschillende soorten akten, die geautomatiseerd verwerkt kunnen worden, uitgebreid.
Geconstateerd is ook dat een aantal akten niet (eenvoudig) in modeldocumenten is vorm
te geven. Deze akten zijn dusdanig complex dat handmatige verwerking ervan noodzakelijk
blijft. Medio 2023 ligt het percentage akten dat geheel geautomatiseerd verwerkt kan
worden op circa 45%. Gelet op dit deel van de akten dat op genoemde wijze door de
Dienst kan worden verwerkt, is het wenselijk om geautomatiseerde verwerking van akten
in de Kadasterwet vast te leggen.
Deze wijziging vergt investeringen in ICT die bij de Dienst reeds langjarig zijn voorzien.
Doordat optimalisering van het inschrijfproces plaatsvindt en de bijwerking van de
BRK geautomatiseerd kan plaatsvinden levert dit onderdeel ook baten op voor de Dienst.
Deze baten bestaan uit minder personeelsinzet voor het «vertoetsen» (handmatig verwerken)
van akten. Bij een percentage van ongeveer 45% van de akten die geautomatiseerd verwerkt
kunnen worden per jaar, scheelt dat ongeveer 68 fte, wat qua personeelskosten ongeveer
5,5 miljoen euro bedraagt. Daarnaast levert het ook baten op omdat hierdoor minder
fouten worden gemaakt die achteraf hersteld dienen te worden.
De voorgestelde wijziging leidt tot betere en goedkopere dienstverlening aan bedrijven
en professionals (waaronder een lager inschrijftarief) en verbetering van de keten.
Door akten geautomatiseerd te verwerken wordt ingeschat dat aan de kant van het notariaat,
bedrijven en burgers ongeveer 10 miljoen euro per jaar bespaard wordt. Deze inschatting
is gebaseerd op het aantal akten en tarieven in 2023, bij een percentage van 45% akten
die geautomatiseerd verwerkt kunnen worden (zie kader hieronder).
Voorbeeld hypotheekakten
Op basis van artikel 2 van de Tarievenregeling Kadaster, golden in 2023 voor een hypotheekakte
in beginsel de volgende tarieven:
• Aangeleverd in papieren vorm: € 163,50
• Elektronisch aangeleverd, handmatig verwerkt: € 137,50
• Elektronisch aangeleverd en geautomatiseerd verwerkt € 78,50
Afgelopen jaar zijn ongeveer 300.000 hypotheekakten ingeschreven (excl. BES). Omdat
in papieren vorm nauwelijks meer wordt aangeleverd, kan gesteld worden dat hiervan
45% geautomatiseerd is verwerkt (zijnde: 135.000 stuks), waarvoor dus een lager tarief
is betaald (€ 137,50–€ 78,50 = € 59,00), dan wanneer deze niet geautomatiseerd zouden
zijn verwerkt. Dit is bijna 8 miljoen Euro (135.000 x € 59,00) dat voor dit typen
akten minder aan inschrijftarief is betaald (= «uitgespaard»).
Voorbeeld overige akten
Naast hypotheekakten zijn in 2023 ca. 400.000 (excl. BES) overige akten ingeschreven.
Afhankelijk van welk type akte is de besparing per akte bij geautomatiseerde verwerking
lager (resp. € 26,50 of € 10,30 lager, volgens artikel 2 van de Tarievenregeling Kadaster
zoals deze gold in 2023). Uitgaand van 45% geautomatiseerde verwerking, dan zouden
van de overige akten ca. 180.000 geautomatiseerd verwerkt kunnen zijn in 2023 en dan
is er tussen de 4,8 miljoen – 1,9 miljoen euro minder aan inschrijftarieven voldaan
omdat deze akten volledig geautomatiseerd verwerkt konden worden.
2.5 Verduidelijking inschrijvingseisen registerverklaringen
Uit vragen die vanuit de praktijk zijn gesteld aan de Dienst en uit overleg met de
KNB is gebleken dat er onduidelijkheid bestaat over de interpretatie van de artikelen
26, 30, 34 en 36 in relatie tot artikel 37 van de Kadasterwet. Welke eisen gelden
er nu precies voor de inschrijving van de daar bedoelde rechtshandelingen en rechtsfeiten?
In het onderhavige wetsvoorstel worden deze inschrijvingseisen verduidelijkt, hetgeen
naar verwachting een beperking van de administratieve lasten zal opleveren voor de
notaris en de burgers en bedrijven die klant zijn van de notaris en de Dienst omdat
minder onjuiste of onvolledige verzoeken tot inschrijving bij de Dienst zullen worden
gedaan, waardoor geen contact met de notaris nodig is en direct tot inschrijving kan
worden overgegaan.
Over deze wijzigingen heeft reeds in het voorbereidingstraject van dit wetsvoorstel
afstemming plaatsgevonden met de KNB.
2.6 Informatie ter oriëntatie kadastrale kaart
In de huidige kadastrale kaart is een voorstelling van de omtrek van hoofd- of bijgebouwen
opgenomen als (vast) onderdeel van de kadastrale kaart. Dit is vastgelegd in artikel
48, derde lid, onderdeel d, van de Kadasterwet. De omtrek van hoofd- en bijgebouwen
wordt overgenomen uit de Basisregistratie Grootschalige Topografie (hierna: BGT).
De liggingen van de weergaves van kadastrale grenzen enerzijds en van de omtrek van
hoofd- en bijgebouwen anderzijds zijn op de kaart aan elkaar aangepast om een logisch
beeld te krijgen. In artikel I, onderdeel M van dit wetsvoorstel wordt voorgesteld
de weergave van de omtrek van gebouwen in de kadastrale kaart te schrappen.
Door de omtrek van hoofd- en bijgebouwen, als vast onderdeel van de kadastrale kaart
eruit te halen, zal na inwerkintreding van dit wetsvoorstel geen aanpassing meer van
de weergave van de kadastrale grenzen in relatie tot de omtrek van gebouwen, plaatsvinden.
Dit levert een efficiënter en accurater vernieuwings- en bijhoudingsproces op van
de kadastrale kaart, omdat er geen aanpassingen aan de weergave van de kadastrale
grenzen hoeven te worden gedaan. De weergaves van de kadastrale grenzen op de kaart
zullen accurater worden, hetgeen baten oplevert voor gebruikers van de kaart.
Dat geldt dus voor vernieuwings- en bijhoudingsprocedures na inwerkingtreding van
dit wetsvoorstel. Bij de informatieverstrekking zal op verzoek informatie over de
ligging van gebouwen worden verstrekt omdat dit nodig kan zijn ter oriëntatie op de
kadastrale kaart. Zo zal de kadastrale kaart gecombineerd worden met de Basisregistratie
grootschalige topografie (hierna ook wel: BGT) waarin de omtrekken van hoofd- en bijgebouwen
staan vermeld die op basis van de voor de BGT geldende specificaties worden ingewonnen
en afgebeeld. Het opvragen van deze aanvullende informatie zal voor de gebruiker gemakkelijk
en laagdrempelig toegankelijk worden gemaakt, en het zal geen aanvullende kosten opleveren.
Op termijn is het dus mogelijk dat bij de informatieverstrekking de omtrek van een
gebouw visueel (deels) buiten een op de kadastrale kaart weergegeven grens komt te
liggen. Dit is echter een gevolg van de combinatie van twee verschillende kaartlagen
(te weten de kadastrale kaart en de BGT), met verschillende specificaties, die niet
meer in één kaart(beeld) worden ingepast. Dat lijkt in zekere zin nadelig te zijn,
maar het is een bewuste keuze, in het belang van een accuratere weergave van de kadastrale
grenzen op de kadastrale kaart. Bovendien is de visualisatie van de omtrek van gebouwen
«slechts» bedoeld voor een goede oriëntatie op de kadastrale kaart en dus niet om
een zo nauwkeurig mogelijke weergave te geven van de ligging van de kadastrale grenzen
ten opzichte van (de omtrek van) gebouwen.
Voor de Dienst zullen het schrappen van de omtrek van hoofd- en bijgebouwen als vast
onderdeel van de BRK en het op verzoek toevoegen van informatie ter oriëntatie op
de kadastrale kaart per saldo kostenneutraal uitvallen. Het inpassen van de kadastrale
grenzen aan de omtrek van hoofd -en bijgebouwen uit de BGT is een handeling die niet
meer hoeft plaats te vinden. Hier staat tegenover dat er een optionele kaartlaag (BGT)
beschikbaar gesteld wordt op verzoek.
Dit verzoek zal door de afnemer van de gegevens met weinig moeite kunnen worden gedaan.
Het opvragen van deze aanvullende informatie zal namelijk voor de gebruiker laagdrempelig
toegankelijk worden gemaakt, en het zal geen aanvullende kosten opleveren.
2.7 Onduidelijkheid wie kadastrale grens aanwijst
Het is noodzakelijk om bij een splitsing of samenvoeging van een perceel op verzoek
van een eigenaar of beperkt gerechtigde, te verduidelijken wie de grens kan aanwijzen
indien dit naar het oordeel van de Dienst noodzakelijk is. In de huidige praktijk
bestaat hier onduidelijkheid over en dat levert, vaak onnodige, vertraging op in het
bijhoudingsproces. Met de verduidelijking die is opgenomen in artikel I, onderdeel
O, verloopt het bijhoudingsproces efficiënter en verbetert de dienstverlening aan
klanten. Dit vermindert de administratieve lasten voor de Dienst doordat naar verwachting
het proces van aanwijzing eenvoudiger en efficiënter kan verlopen en achteraf minder
correcties hoeven worden doorgevoerd.
Het wetsvoorstel beperkt ook de lasten voor eigenaren die niet meer hoeven te worden
gehoord als er een verzoek tot bijhouding door een beperkt gerechtigde wordt gedaan
op grond van artikel 73, tweede lid, en ook worden lasten beperkt voor andere belanghebbenden
dan de verzoeker tot een splitsing of samenvoeging van percelen die ingevolge de voorgestelde
wijziging van artikel 73, derde lid, niet meer worden opgeroepen voor het verstrekken
van inlichtingen ter plaatse. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel
Q, voor een nadere toelichting.
2.8 Voorwaarden aan verdere verwerking van persoonsgegevens met oogmerk te verstrekken
aan derden
In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld (in artikel I, onderdeel U) wettelijk te verankeren
dat er, naast de reeds bestaande contractuele voorwaarden, bij algemene maatregel
van bestuur nadere voorwaarden worden gesteld aan de verstrekking van persoonsgegevens
uit de BRK en de openbare registers aan ondernemingen die deze verwerken in producten
met het oogmerk deze te verstrekken aan derden. Deze voorwaarden zijn gericht op het
waarborgen van een rechtmatige en betrouwbare verwerking van de persoonsgegevens door
de onderneming. De betreffende ondernemingen worden in de praktijk vaak geduid met
de term «resellers».
Tot de taken van de Dienst behoren het verstrekken van inlichtingen over gegevens die de Dienst heeft gekregen in het kader van de uitvoering van zijn
taken, zoals het houden van de openbare registers, het houden en bijwerken van de
BRK en de registraties voor schepen en luchtvaartuigen (artikel 3, eerste lid, onderdeel
i, van de wet) én het bevorderen van de toegankelijkheid en de uitwisselbaarheid van de hiervoor genoemde gegevens (artikel 3, eerste lid, onderdeel j, van de wet).
Het uitvoeren van genoemde taken, inclusief de daarvoor te verwerken persoonsgegevens,
dient verenigbaar te zijn met de doeleinden, genoemd in artikel 2a van de wet. Bepaalde
afnemers van de Dienst verwerken de door de Dienst verstrekte gegevens in afgeleide
producten met het doel deze producten aan te bieden aan derden. Voorbeelden van dergelijke
producten zijn het 1-op-1 doorleveren van informatieproducten van de Dienst. De afnemer
treedt hierbij op als een tussenschakel in de informatieketen naar de eindgebruiker.
De toegevoegde waarde van deze afnemer zit in de wijze waarop de Kadastergegevens
toegankelijk worden gemaakt of de integratie van de gegevens in gebruikersapplicaties
van de eindgebruiker. Zo zijn er notariële softwareleveranciers die Kadastergegevens
in het softwarepakket van een notaris integreren, waardoor de notaris efficiënter
zijn werkzaamheden kan uitvoeren bij het opstellen van in te schrijven stukken. Een
ander voorbeeld is het leveren van informatieproducten door afnemers op basis van
afgeleide of samengestelde Kadastergegevens. De Dienst verstrekt dan bepaalde elementen
van gegevens (zg. «halffabricaten», zoals transactiedata) die in combinatie met andere
(niet van de Dienst afkomstige) data worden gebruikt in de professionele vastgoedmarkt.
De toegevoegde waarde van dit type afnemers is dat zij hierdoor gespecialiseerde informatieproducten
voor onder meer taxateurs kunnen aanbieden, die niet door de Dienst worden aangeboden.
Dit type afgeleide producten bieden een toegevoegde waarde in het kader van de rechtszekerheid
ten aanzien van registergoederen en bevorderen van economische activiteiten op de
vastgoedmarkt én deze producten worden niet door de Dienst aangeboden.
De Dienst voert reeds een doelbindingstoets uit ten aanzien van de verstrekking van
persoonsgegevens aan dergelijke partijen die van de BRK en de openbare registers afgeleide
producten aanbieden, vanuit zijn rol als verwerkingsverantwoordelijke, en stelt contractuele
voorwaarden. Door de nieuwe grondslag uit te werken op het niveau van de algemene
maatregel van bestuur zullen daarnaast door de regering voorwaarden worden gesteld
teneinde een zorgvuldigere verdere verwerking van persoonsgegevens te waarborgen.
Naar aanleiding van het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens is het artikel aangevuld
met een uitwerking van de door de Autoriteit Persoonsgegevens omschreven erkenningsregeling,
in een nieuw tweede, derde en vierde lid van artikel 107d. De Autoriteit Persoonsgegevens
ziet in dat afgeleide producten en diensten bij kunnen dragen aan de doelstelling
van de Kadasterwet. De verstrekking van persoonsgegevens door het Kadaster ten behoeve
van die producten en diensten is dan op zichzelf in overeenstemming met de doeleinden
van de Kadasterwet zodat van onverenigbare verdere verwerking door het Kadaster geen
sprake hoeft te zijn.
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft echter in haar advies aangegeven dat het verstrekken
van persoonsgegevens aan deze ondernemingen in strijd is met hoger recht, tenzij de
betrouwbaarheid van de verwerking van de persoonsgegevens door de onderneming voorafgaand
aan het verstrekken daarvan wordt getoetst. Het hoger recht dat de Autoriteit Persoonsgegevens
bedoelt betreft het bestaan van passende waarborgen bij een verdere verwerking van
persoonsgegevens, als bedoeld in artikel 6, vierde lid, aanhef en onderdeel e, van
de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG). De Autoriteit Persoonsgegevens
oordeelt dat een dergelijke waarborg nog ontbrak en dient te worden opgenomen in de
vorm van een betrouwbaarheidstoets (of «erkenningsregeling»).
Op basis van het tweede lid van artikel 107d zal de Dienst daarom een toets uitvoeren
en op basis van het derde en vierde lid van artikel 107d zal vervolgens ook periodiek
een herhaalde controle plaatsvinden (welke een herhaling inhoud van een deel van de
oorspronkelijke toets, hetgeen bij algemene maatregel van bestuur nader wordt uitgewerkt).
Zie paragraaf 8.3 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting voor meer
informatie over het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens.
De toets van de Dienst ziet erop of de beoogde verwerking van de verstrekte persoonsgegevens
door de onderneming aan een aantal voorwaarden voldoet. De dienst zal daarvoor toetsen
aan een vijftal eisen waarvan de eerste is opgenomen in dit wetsvoorstel, terwijl
eis twee tot en met vier zullen worden opgenomen in de algemene maatregel van bestuur.
De vijfde eis tenslotte betreft de uitvoeringssfeer van de Dienst, die voor de goede
uitvoering van de door de Autoriteit Persoonsgegevens gevraagde erkenningsregeling
voortaan het recht op controle (in de praktijk ook bekend als de «right to audit»)
zal opnemen in overeenkomsten met de ondernemingen.
Inhoudelijk betreft het de volgende eisen:
1) Doelbinding: de onderneming gebruikt de persoonsgegevens voor het product zoals afgesproken
in de overeenkomst. Initieel toetst de Dienst deze beoogde verwerking bij het aangaan
van de overeenkomst, dit is de bestaande situatie. Nieuw is de jaarlijkse verklaring
van de onderneming dat persoonsgegevens niet voor andere doelen worden gebruikt. Dit
leidt tot beperkte (extra) kosten voor de onderneming (enkele uren op jaarbasis).
De onderneming dient de beoogde verwerking van de verstrekte persoonsgegevens goed
en volledig te omschrijven, en zal jaarlijks moeten verklaren dat die omschrijving
nog steeds volstaat en overeenkomt met wat de Dienst en de onderneming bij het aangaan
van de overeenkomst zijn overeengekomen.
2) Betrouwbaarheid en veiligheid: de Dienst toetst of de onderneming geen banden heeft
met landen met een offensief cyberprogramma. De beperkte kosten hiervoor zijn voor
de Dienst.
3) Geen strafbare feiten rechtspersoon: via het overleggen van een VOG Rechtspersoon
door de onderneming bij het aangaan van de overeenkomst. Hiermee wordt verzekerd dat
er geen strafbare feiten gepleegd zijn die een risico vormen voor het gebruik van
persoonsgegevens door de onderneming. Dit leidt tot eenmalige kosten van ongeveer
€ 200 voor de onderneming.
4) Informatiebeveiliging: passende, risico-gebaseerde technische en organisatorische
maatregelen door de onderneming zijn noodzakelijk om de vertrouwelijkheid, integriteit
en beschikbaarheid van kadasterinformatie te waarborgen. Hiervoor moet een actuele
ISO-27001 certificering of aantoonbaar gelijkwaardig certificaat overlegd worden door
de onderneming. De kosten voor de onderneming bedragen initieel € 5.000 – € 20.000
(afhankelijk van scope en de huidige stand van informatiebeveiliging bij het bedrijf)
en jaarlijks € 2.000 – € 5.000.
5) Opnemen recht op controle («right to audit») in overeenkomsten. Bij vermoedens van
misbruik of overtreding van de gebruiksvoorwaarden door de onderneming of diens afnemers
kan de Dienst een audit laten uitvoeren. Kosten van de audit komen voor rekening van
de onderneming als onregelmatigheden worden geconstateerd, anders voor rekening van
de Dienst. Zoals hiervoor aangegeven zal het recht op controle worden opgenomen in
de overeenkomsten, niet in een voorwaarde in de algemene maatregel van bestuur.
De nieuwe voorwaarden zullen, zoals hierboven ook wordt uiteengezet, lasten opleveren
voor de betrokken ondernemingen, met name de eis met betrekking tot informatiebeveiliging.
Het gaat momenteel om in totaal 23 ondernemingen die mogelijk te maken krijgen met
de aangescherpte eisen en lasten.
Bij het formuleren van de voorwaarden is inspiratie opgedaan bij de voorwaarden die
de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) stelt aan serviceproviders. De eis van de ISO-27001
certificering of aantoonbaar gelijkwaardig certificaat is hieraan ontleend. De overige
voorwaarden zijn niet overgenomen, hetgeen voornamelijk ermee samenhangt dat de relatie
tussen de KvK, serviceproviders en uiteindelijke afnemer en gebruiker verschilt van
de relatie tussen de Dienst, de in artikel 107d bedoelde ondernemingen en diens uiteindelijke
afnemers en gebruikers. De serviceprovider van de KvK vraagt namelijk gegevens op
namens zijn klant en biedt niet een eigen product aan zoals de hier bedoelde ondernemingen
dat doen.
Gezien de strekking van het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens, bij ongewijzigde
vaststelling is sprake van strijd met hoger recht (te weten het ontbreken van passende
waarborgen als bedoeld in artikel 6, vierde lid, aanhef en onderdeel e, van de AVG),
is het noodzakelijk om invulling te geven aan een erkenningsregeling. Met de voorgestelde
eisen is de balans gezocht tussen het beperken van risico’s enerzijds en het beperken
van extra lasten voor ondernemingen anderzijds. Hierbij is meegewogen dat gelet op
de lastenverzwaring aan de kant van de ondernemingen er geen extra tarief voor het
toetsen van de betrouwbaarheid door de Dienst in rekening wordt gebracht. Er zijn
alternatieve maatregelen overwogen die tot aanzienlijk zwaardere lasten zouden hebben
geleid. Het gaat hierbij om het vragen van een assuranceverklaring van ondernemingen
(hetgeen is vervangen door een eigen verklaring en een recht op controle voor de Dienst)
en de eis wat betreft rollenscheiding (zie paragraaf 8.6 voor nadere toelichting).
Daarnaast wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld (in artikel I, onderdeel T) om een
grondslag op te nemen op grond waarvan de Dienst (algemene) voorwaarden mag stellen
bij het verstrekken van inlichtingen uit de openbare registers, de registraties en
de bescheiden bedoeld in artikel 50 van de Kadasterwet. De Dienst stelt momenteel
al voorwaarden bij het verstrekken van producten en diensten uit de openbare registers
en de (basis)registraties, maar in de praktijk wordt regelmatig door afnemers in twijfel
getrokken of dergelijke voorwaarden mogen worden gesteld door de Dienst. Het wordt
op basis van deze publiekrechtelijk grondslag duidelijk geregeld dat de Dienst dergelijke
privaatrechtelijke voorwaarden kan opleggen. Dergelijke voorwaarden zien bijvoorbeeld
op betalings- en aansprakelijkheidsvoorwaarden. Het gaat niet om voorwaarden die een
beperking zouden kunnen zijn op het beginsel van de openbaarheid van de gegevens en
de raadpleegbaarheid daarvan voor eenieder.
Producten en diensten uit de openbare registers en de registraties bevatten doorgaans
persoonsgegevens die direct herleidbaar zijn tot personen. Dit is noodzakelijk voor
de rechtszekerheid ten aanzien van registergoederen (verkoop woning of verstrekken
hypotheek) of ter uitvoering van publiekrechtelijke taken (zoals belastingheffing
of ruimtelijke ordening). Het kader van de Wet hergebruik van overheidsinformatie,
waaronder de mogelijkheid van het stellen van voorwaarden op grond van artikel 6 van
die wet is daardoor niet toepasbaar. Daarom wordt voorgesteld een dergelijke grondslag
op te nemen in de Kadasterwet. De Dienst zal bij het stellen van voorwaarden op deze
grondslag erop zien dat die voorwaarden evenredig en gerechtvaardigd zijn gelet op
de doeleinden van de Dienst. Bij het verstrekken van inlichtingen die geen persoonsgegevens
bevatten zal de Dienst voldoen aan de eisen van de Wet hergebruik van overheidsinformatie.
3. Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving
3.1 Algemene verordening gegevensbescherming
Ten aanzien van de wijzigingen die zien op de geautomatiseerde inschrijving van aktes,
is geen sprake van een «uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerd besluit»,
wat verboden is op grond van artikel 22, eerste lid, van de AVG. Er is immers altijd
sprake van menselijke tussenkomst, in de persoon van de notaris, die de beoogde rechtsgevolgen
zelf in de modeltekst opneemt. Dit neemt niet weg dat het wenselijk is om de geautomatiseerde
verwerking wettelijk te regelen in en op grond van de Kadasterwet zodat de wetgeving
aansluit bij de (digitale) uitvoeringspraktijk van de Dienst en de notarissen, hetgeen
in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld.
Verder heeft de wijziging die hierboven in paragraaf 2.8 is toegelicht ook een raakvlak
met de AVG omdat er wordt voorgesteld een grondslag op te nemen op grond waarvan op
het niveau van de algemene maatregel van bestuur specifieke voorwaarden worden gesteld
omtrent gegevensverwerking. De voorwaarden zijn gericht op het waarborgen van een
zorgvuldigere verdere verwerking van persoonsgegevens.
3.2 Datagovernanceverordening
De door de VNG ingediende consultatiereactie heeft inzichtelijk gemaakt dat het goed
is om de verhouding tussen het voorgestelde artikel 107d en Hoofdstuk II van de Verordening
(EU) 2022/868 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2022 betreffende Europese
datagovernance en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1724 (hierna: Datagovernanceverordening)
toe te lichten.
Hoofdstuk II van de Datagovernanceverordening ziet op het door openbare lichamen onder
voorwaarden toegang te verlenen tot bepaalde gegevenscategorieën met het oog op hergebruik.
Aan het toestaan van dat hergebruik kunnen voorwaarden worden gesteld. In de Datagovernanceverordening
wordt hergebruik als volgt gedefinieerd in artikel 2, tweede lid: «het gebruik van
gegevens die in het bezit zijn van openbare lichamen door natuurlijke of rechtspersonen,
voor andere commerciële of niet-commerciële doeleinden dan het oorspronkelijk doel
binnen de openbare taak waarvoor de gegevens zijn geproduceerd, met uitzondering van
de uitwisseling van gegevens tussen openbare lichamen uitsluitend met het oog op de
vervulling van hun openbare taken.»
Het voorgestelde artikel 107d beoogt géén hergebruik van de door de Dienst te verstrekken
inlichtingen, maar biedt een grondslag om op het niveau van de algemene maatregel
van bestuur voorwaarden te stellen teneinde een zorgvuldigere verdere verwerking van persoonsgegevens te waarborgen. De verwerking door ondernemingen van de door
de Dienst verstrekte inlichtingen dient verenigbaar te zijn met de doeleinden van
artikel 2a van de Kadasterwet.
Met het voorgestelde artikel 107d en de daaraan verbonden voorwaarde dat de door de
Dienst verstrekte inlichtingen alleen worden verstrekt aan een onderneming als de
door de onderneming beoogde verwerking van de te verstrekken inlichtingen verenigbaar
is met de doeleinden, genoemd in artikel 2a, houdt derhalve geen hergebruik in als
bedoeld in Hoofdstuk II van de Datagovernanceverordening.
3.3 Dienstenrichtlijn
De in artikel 107d en de op grond van het eerste en vierde lid van dat artikel vast
te stellen algemene maatregel van bestuur bevatten voorwaarden die kwalificeren onder
artikel 16, tweede lid, onderdeel b, van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.
Het zou daarmee eisen betreffen die een niet toegestane beperking op het vrije verkeer
van diensten opleveren en in principe genotificeerd dienen te worden bij de Europese
Commissie. Echter, in artikel 17, derde lid, van die richtlijn is bepaald dat artikel
16 niet van toepassing is op aangelegenheden die vallen onder Richtlijn 95/46/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van
natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende
het vrije verkeer van die gegevens. Genoemde richtlijn betreft de voorganger van de
Algemene Verordening Gegevensbescherming (Verordening EU 2016/679 van het Europees
Parlement en de Raad van 27 april 2016).
Omdat artikel 107d en de onderliggende algemene maatregel van bestuur gericht zijn
op het waarborgen van een rechtmatige en betrouwbare verwerking van persoonsgegevens,
is artikel 16 niet van toepassing en is er dus geen sprake van eisen die een niet
toegestane beperking op het vrije verkeer van diensten opleveren en is er ook geen
sprake van een notificatieverplichting.
3.4 Wet hergebruik van overheidsinformatie
De Wet hergebruik van overheidsinformatie (hierna: Who) is erop gericht om de openheid
en het hergebruik van gegevens, die door organisaties met een publieke taak worden
beheerd, te verbeteren. Artikel I, onderdelen T en U, van dit wetsvoorstel, bevatten
grondslagen voor het stellen van voorwaarden met betrekking tot het verstrekken van
gegevens door de Dienst, waardoor het goed is de verhouding van deze onderdelen met
de Who nader toe te lichten.
De Who is op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van die wet, in beginsel
niet van toepassing op persoonsgegevens in bij of krachtens de wet ingestelde registers
voor zover deze openbaar toegankelijk zijn. Onderdeel U ziet op het stellen van nadere
voorwaarden met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens en daarmee is de
Who niet van toepassing op onderdeel U.
Onderdeel T ziet op het toevoegen van een grondslag voor het stellen van (privaatrechtelijke)
algemene voorwaarden en heeft daarmee een breder bereik, waardoor de Dienst er zorg
voor moet dragen dat de gestelde voorwaarden die geen betrekking hebben op persoonsgegevens
voldoen aan de Who. Zie met name artikel 6 van de Who, met beperkingen die gelden
met betrekking tot het stellen van dergelijke voorwaarden.
3.5 Algemene wet bestuursrecht
Bij al dan niet geautomatiseerde bijhouding van de BRK ontvangt de belanghebbende
een kennisgeving met het resultaat van de bijhouding. Tegen de bijhouding kan, indien
gewenst, de belanghebbende in bezwaar en beroep gaan. Op grond van artikel 6:7 van
de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar-
of beroepschrift zes weken. Die termijn vangt op grond van artikel 6:8, eerste lid,
van de Algemene wet bestuursrecht aan met ingang van de dag na die waarop het besluit
op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Die bekendmaking geschiedt op grond van
artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht door toezending of uitreiking
aan de belanghebbenden. De kennisgeving is dan ook de bekendmaking van het resultaat
van de bijhouding en dient enkel om de dag te bepalen waarop de termijn om bezwaar
te maken tegen de bijhouding aanvangt.3
Verder ontstaat er in dit wetsvoorstel een nieuwe bezwaarmogelijkheid, namelijk met
betrekking tot het nieuwe artikel 107d, specifiek het tweede lid. De Dienst moet voorafgaand
aan het verstrekken van inlichtingen aan de in dat artikel bedoelde ondernemingen
een toets uitvoeren om vast te stellen of de inlichtingen aan die onderneming mogen
worden verstrekt. De beslissing die de Dienst neemt is een appellabel besluit in de
zin van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar mogelijk is.
4. Gevolgen
4.1. Algemeen
De verschillende onderdelen van dit wetsvoorstel betreffen verschillende onderwerpen
binnen de Kadasterwet. De gevolgen lopen daardoor uiteen, maar in het algemeen geldt
dat de aard van de wijzingen zodanig is dat alle betrokkenen profiteren. Een deel
van de wijzigingen draagt bij aan het verminderen van administratieve lasten voor
de partijen in de vastgoedketen, direct of indirect profiteren ook burgers hiervan.
4.2. Gevolgen voor de Dienst
Over het algemeen zijn de extra kosten voor de Dienst beperkt en kunnen binnen de
bestaande budgetten worden opgevangen. Een aantal wijzingen zouden mogelijk tot minder
kosten kunnen leiden, bijvoorbeeld omdat het herstel van onduidelijke bewoordingen
zou kunnen leiden tot minder rechtszaken.
De gevolgen per relevant onderdeel zijn omwille van de duidelijkheid al in hoofdstuk
2 opgenomen.
4.3. Gevolgen voor burgers, bedrijven en professionals
Burgers, bedrijven en professionals profiteren over het algemeen van de voorgestelde
wijzigingen, met uitzondering van voorwaarden aan verdere verwerking van persoonsgegevens
met oogmerk verstrekken aan derden, hetgeen lasten oplevert voor een aantal bedrijven.
De gevolgen per relevant onderdeel zijn omwille van de duidelijkheid al in hoofdstuk
2 opgenomen.
4.4 Gevolgen voor de rechterlijke macht
Noemenswaardig in dit verband is de wijziging van artikel 7t, eerste lid. Deze verduidelijking
kan mogelijk onnodige rechtszaken in de toekomst voorkomen en daarmee de werklast
voor de rechterlijke macht verlichten. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel
I, onderdeel A van dit wetsvoorstel voor een nadere toelichting.
4.5 Financiële gevolgen voor het Rijk
Er zijn geen financiële gevolgen voor het Rijk.
4.6 Financiële gevolgen voor decentrale overheden
Dit wetsvoorstel heeft geen direct meetbare financiële gevolgen voor decentrale overheden.
Indirect worden er wel enkele baten verwacht, doordat de kwaliteit van de BRK verhoogd
wordt, zullen bestuursorganen naar verwachting namelijk minder onjuiste gegevens hoeven
terug te melden. Dit leidt waarschijnlijk tot een lastenverlichting.
5. Uitvoering, toezicht en handhaving
Normen in de Kadasterwet zijn gericht tot gebruikers van de diensten van het Kadaster
maar bevatten ook verplichtingen voor de Dienst. De Dienst ziet toe op de naleving
van de normen die gericht zijn tot de gebruikers van het Kadaster. De Dienst wordt
gecontroleerd door en bijgestaan met advies van de raad van toezicht op grond van
artikel 12, eerste lid, van de Organisatiewet Kadaster.
Het nieuw voorgestelde artikel 107d ziet op de (verdere) verwerking van persoonsgegevens
en ligt daarom op het terrein waar de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht op houdt.
Het wetsvoorstel is in goed overleg met de Dienst opgesteld. Alle wijzigingen betreffen
wijzigingen die door de Dienst gewenst zijn en uitgevoerd kunnen worden.
6. Inwerkingtreding
Dit wetsvoorstel treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Er is terugwerkende kracht geregeld voor artikel I, onderdeel M, eerste lid, en artikel
II. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel M, onder het kopje
«toevoeging nieuw onderdeel l aan het tweede lid van artikel 48», voor de onderbouwing daarvan.
Ten slotte is bepaald dat er een afwijkend tijdstip van inwerkingtreding kan worden
geregeld in het koninklijk besluit voor artikel I, onderdeel U. Voor wat betreft dat
tijdstip van inwerkingtreding zal rekening worden gehouden met een reële benodigde
voorbereidingstijd voor de betreffende ondernemingen. Zie de artikelsgewijze toelichting
bij artikel I, onderdeel U, voor een nadere toelichting.
7. Evaluatie
Een aparte evaluatie is niet nodig. Het betreft relatief kleine wijzingen, deze worden
geëvalueerd als onderdeel van de Kadasterwet als geheel.
8. Advies en consultatie
8.1 Internetconsultatie
Dit wetsvoorstel is van 10 september 2024 tot en met 5 november 2024 openbaar geconsulteerd
door publicatie op www.internetconsultatie.nl.
Daarop is één reactie ingediend. In de reactie wordt verzocht om het op Bonaire mogelijk
te maken om digitaal te kunnen inzien wie eigenaar is van een perceel en dat de adressen
moeten worden verbeterd.
Het Kadaster op Bonaire valt buiten de scope van deze verzamelwijziging van de Kadasterwet.
Voor Caribisch Nederland geldt aparte wetgeving: de Kadasterwet Bes. In algemene zin
werkt het kabinet via de werkagenda waardegedreven digitaliseren aan het versterken
van de digitale dienstverlening in Caribisch Nederland, ook het Kadaster is hierbij
betrokken. Zie: https://www.digitaleoverheid.nl/kabinetsbeleid-digitalisering/werkagend….
Daarnaast is er een reactie ingediend door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(hierna: VNG), er is advies uitgebracht door de Autoriteit Persoonsgegevens en in
het voortraject is afgestemd met de KNB.
Ten slotte is naar aanleiding van het advies van de Autoriteit persoonsgegevens een
tweede en een derde lid toegevoegd aan artikel 107d, hetgeen een specifieke groep
ondernemingen raakt. Daarom is er een aanvullende consultatieronde geweest met deze
ondernemingen, zie daarover paragraaf 8.6 hieronder.
8.2 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
De VNG heeft per brief van 15 november 2024 aan het Ministerie van VRO laten weten
zich te kunnen vinden in de voorgestelde wetswijzigingen. De VNG ziet met name het
voorstel om de omtrek van hoofd- en bijgebouwen te schrappen als een vast onderdeel
van de kadastrale kaart als een duidelijke verbetering. Wel uit de VNG haar zorgen
over de samenhang van dit voorstel met de andere lopende en voorgenomen wet- en regelgeving
met betrekking tot het Kadaster en vraagt VRO om hier duidelijkheid over te geven.
Samenhang lopende wet- en regelgeving kadaster
Er is tussen de verschillende lopende wijzigingen van de bestaande wet- en regelgeving
geen sprake van samenhang in die zin dat de ene wijziging randvoorwaardelijk is voor
een andere, of dat wijzigingen vanwege een onderling verband noodzakelijkerwijs parallel
zouden moeten lopen. De Verzamelwijziging van de Kadasterwet bevat technische, beleidsarme
reparaties en aanpassingen die niettemin leiden tot aanzienlijke verbeteringen. De
behoefte aan deze wijzigingen leeft al jaren bij Kadaster en zijn klanten. Het betreft
een verzameling van onderdelen van de wet die ieder voor zich reeds nu om op zichzelf
staande redenen, los van andere lopende en voorgestelde ontwikkelingen van de wet
of lagere regelgeving, enige vorm van «reparatie» behoeven waarvoor aanpassing van
de wet noodzakelijk is. Vanwege het op zichzelf staande karakter van de achtergrond
en het moment van de respectieve reparaties die in dit wetsvoorstel zijn bijeengebracht,
is er geen concrete inhoudelijke of procesmatige samenhang met andere ontwikkelingen
aan te duiden.
Daarnaast loopt een wijziging van het Kadasterbesluit die voortvloeit uit de noodzaak
doxing te voorkomen naar aanleiding van berichtgeving dat gezocht kon worden onder
een valse identiteit in de kadastrale registers. Dit beleidsrijke traject staat dus
ook los van de Verzamelwijziging Kadasterwet.
De wijziging van de Kadasterwet in verband met nieuwe taak voegt een taak toe het
takenpakket van het Kadaster. Het gaat hierbij om het ontsluiten van geo-informatie
via Publieke Dienstverlening op de Kaart (PDOK) waar nog geen wettelijke grondslag
voor was. Dit traject loopt al sinds 2022 en staat zowel qua inhoud als proces los
van de Verzamelwijziging Kadasterwet.
De door de VNG genoemde voorgenomen aanpassing van de Uitvoeringsregeling Kadasterregeling
1994 heeft wel betrekking op hetzelfde onderwerp als waarop artikel I, onder M, tweede
lid, en onder S, van het onderhavige wetsvoorstel ziet, namelijk de kadastrale kaart.
Het thans in de Verzamelwijziging Kadasterwet opgenomen voorstel om de omtrek van
hoofd- en bijgebouwen te schrappen als een vast onderdeel van de kadastrale kaart
is feitelijk ook voortgekomen uit een nadere beschouwing van de kadastrale kaart in
het kader van de Uitvoeringsregeling. Als zodanig kan de nu voorgestelde aanpassing
echter los van de ontwikkeling in de Uitvoeringsregeling worden bezien; deze aanpassing
houdt reeds op zichzelf, onafhankelijk van andere ontwikkelingen, een verbetering
in zoals ook door VNG wordt opgemerkt.
Samenhang voorgenomen wet- en regelgeving kadaster
Los van bovenstaande op dit moment benodigde aanpassingen op onderdelen, bestaat het
beleidsvoornemen om voor de toekomst een volledig herziene Kadasterwet te ontwerpen
die naar structuur meer flexibel en toekomstvast is.
Deze brede herziening van de Kadasterwet verkeert nog in een pril stadium. De ambtelijke
voorbereidingen zijn gestart, uiteraard zullen alle stakeholders verderop in het proces
betrokken worden.
Ook de beoogde Wet geodata, nog in een zeer pril stadium, staat los van de Verzamelwijziging
Kadasterwet. Met de Wet geodata wordt beoogd één wet te realiseren waarin alle bestaande
en toekomstige Geobasisregistraties een plaats krijgen. De bestaande wetgeving wat
betreft de geobasisregistraties is ruim 20 jaar oud en is verkokerd per geobasisregistratie.
Er is behoefte aan één samenhangende set (geo)basisgegevens die data in plaats van
registraties centraal stelt. De Wet geodata faciliteert daarmee de beleidsvisie Zicht
Op Nederland4 en vervangt delen van de Kadasterwet (BRK (deels)/BRT) en de wetten Basisregistratie
grootschalige topografie (BGT), Basisregistratie adressen en gebouwen (BAG) en Basisregistratie
ondergrond (BRO). Uiteraard zullen ook bij dit traject alle stakeholders verderop
in het proces betrokken worden.
Datagovernanceverordening
Een ander aandachtspunt van de VNG ten aanzien van de samenhang met overige wet- en
regelgeving is dat het voorgestelde artikel 107d bij uitvoering een situatie kan scheppen
die onder materiële reikwijdte van Hoofdstuk II van de Datagovernanceverordening valt
en daarmee onder de nog in werking te treden Uitvoeringswet Datagovernanceverordening.
Het heeft de voorkeur van de VNG dat ten minste in de memorie van toelichting in hoofdstuk
3 (Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving) alsnog duiding over de samenhang
hiermee wordt opgenomen. Deze suggestie van de VNG is overgenomen, daartoe is paragraaf
3.2 ingevoegd in het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Wet digitale overheid
De VNG noemt ten slotte ook de samenhang met de Wet digitale overheid (hierna: Wdo)
een zorgpunt. Volgens de VNG ontstaat in het voorgestelde artikel 11d, tweede lid,
een aanwijzingsbevoegdheid voor de Minister ten aanzien van technische standaarden
die overlapt met de al bestaande bevoegdheid onder artikel 3 Wdo, maar zonder de waarborgen
van dat artikel. Het lijkt de VNG logischer om hiervoor van de al bestaande Wdo-bevoegdheid
gebruik te maken.
De delegatiebevoegdheid aan de Minister in artikel 11d, tweede lid, van de Kadasterwet,
is van een andere orde dan de bevoegdheid van de Minister op grond van artikel 3 van
de Wdo. In de Wdo gaat het om de mogelijkheid om bepaalde (open) standaarden aan te
wijzen die verplicht door overheden – in hun verkeer onderling, met burgers en bedrijven
– in het elektronisch verkeer gebruikt moeten worden. In de Kadasterwet gaat het om
de bevoegdheid om het voorschrijven van bepaalde technische eisen die nodig zijn om
het elektronisch aanleveren en verwerken van akten in de openbare registers en de
BRK te laten plaatsvinden. Deze bevoegdheid dient niet zo ver te reiken dat deze technische
eisen in andere elektronische dienstverlening van andere overheidsorganisaties ook
moet hebben te gelden. Dit is niet noodzakelijk, noch proportioneel omdat de technische
eisen voor het elektronische aanleveren van stukken alleen specifiek hebben te gelden
voor het aanleverproces van akten ter inschrijving in de openbare registers voor registergoederen
en bijhouding daarvan in de BRK.
8.3 Autoriteit Persoonsgegevens
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft op 8 april 2025 advies uitgebracht over dit wetsvoorstel.
Het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens ziet op het voorgestelde artikel 107d5 van de Kadasterwet. In het advies geeft zij aan dat bij ongewijzigde vaststelling
sprake is van strijd met hoger recht, te weten het ontbreken van passende waarborgen
als bedoeld in artikel 6, vierde lid, aanhef en onderdeel e, van de AVG. Bij een latere
navraag heeft de Autoriteit Persoonsgegevens aangegeven dat dit het hoger recht is
dat in het advies is bedoeld.
Hoofdlijnen van het advies zijn:
– De wet moet voorzien in een erkenningsregeling om zo vast te kunnen stellen dat een
persoon of instelling aan bepaalde eisen voldoet («erkenning») en daaraan zodanige
voorschriften en beperkingen te verbinden dat het risico op gebruik van de kadastergegevens
voor andere doelen wordt weggenomen.
– Voor zover voorschriften voor alle erkende afnemers gelijkluidend zullen zijn, kunnen
deze in een algemeen verbindend voorschrift worden neergelegd.
– Het ligt in de rede om het Kadaster zowel voor de erkenning als het toezicht op de
naleving van de voorschriften en beperkingen verantwoordelijk te maken.
– Voor zover voor de uitvoering van vorenbedoelde taken een vergoeding wordt gevraagd
aan de commerciële dienstverlener die erkenning vraagt en/of heeft, zal die de vorm
moet hebben van een wettelijk tarief.
In navolging van het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens wordt voorgesteld om
het tweede en derde lid toe te voegen aan artikel 107d van de Kadasterwet. Op grond
van het tweede lid, onderdeel a, zal de Dienst toetsen of de door de onderneming beoogde
verwerking van de te verstrekken inlichtingen verenigbaar is met de doeleinden, genoemd
in artikel 2a van de Kadasterwet. Daarnaast zal de Dienst op grond van onderdeel b
toetsen of de onderneming voldoet aan de nadere voorwaarden die op grond van het eerste
lid bij algemene maatregel van bestuur zullen worden geregeld. Die voorwaarden zullen
gericht zijn op onder meer de informatiebeveiliging van de onderneming.
Op grond van het derde lid zal de Dienst jaarlijks controleren of de door de onderneming
verrichte verwerking van de aan de onderneming verstrekte inlichtingen nog steeds
verenigbaar is met de doeleinden, genoemd in artikel 2a. Tevens kan de jaarlijkse
controle van de Dienst nog toezien op andere voorwaarden, dat wordt op het niveau
van de algemene maatregel van bestuur uitgewerkt.
Er zal voor het toetsen op deze voorwaarden geen vergoeding worden gevraagd door de
Dienst aan de ondernemingen. De nieuwe voorwaarden zullen wel lasten opleveren voor
de betrokken ondernemingen, zie daarvoor paragraaf 2.8 van het algemeen deel van deze
memorie van toelichting.
Aangezien dit tweede en derde lid nieuw zijn in vergelijking met de versie van het
wetsvoorstel dat in internetconsultatie is gebracht, heeft er een aanvullende specifieke
consultatie plaatsgevonden over dit onderdeel met de (huidige) ondernemingen die hierdoor
zullen worden geraakt. Zie paragraaf 8.6 daarover. Ook is het wetsvoorstel opnieuw
voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR), aangezien dit nieuwe
onderdeel regeldruk met zich meebrengt voor het bedrijfsleven.
8.4 Adviescollege Toetsing en Regeldruk
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) had het dossier in eerste instantie niet
geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de
regeldruk heeft. Het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens met betrekking tot
een erkenningsregeling leidt mogelijk tot meer lasten voor een aantal ondernemingen
(zie 8.3). Om deze reden is voor dit onderdeel opnieuw advies gevraagd aan het ATR.
Ook over het aangepaste onderdeel heeft het ATR hetzelfde oordeel. Het ATR heeft het
dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen aanmerkelijke gevolgen
voor de regeldruk heeft.
8.5 Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (hierna: KNB)
Reeds in de voorbereidingsfase is er afstemming geweest over dit wetsvoorstel met
de KNB. In overleg met de KNB zijn de artikelen 11d en 54, tweede lid, en de toelichting
daarbij zodanig aangescherpt dat duidelijk is dat er met deze wijzigingen geen materiële
wijziging beoogd is van taak, functie, verantwoordelijkheden en mogelijke aansprakelijkheid
van de notaris en de Dienst.
Ook is de technische verduidelijking van de inschrijvingseisen die gelden voor het
inschrijven van stukken in de openbare registers, opgenomen in artikel I, onderdelen
E tot en met J en onderdeel L, in afstemming met de KNB tot stand gekomen.
8.6 Ondernemingen die vallen binnen het bereik van artikel 107d
Het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens over de erkenningsregeling (zie paragraaf
8.3) en de opname daarvan in het wetsvoorstel heeft gevolgen voor ondernemingen die
vallen onder het bereik van artikel 107d. Omdat dit advies is uitgebracht en het wetsvoorstel
is aangepast na de periode van de internetconsultatie zijn deze ondernemingen apart
geconsulteerd over het betreffende onderdeel in het wetsvoorstel.
Om de ondernemingen goed te informeren en hen de gelegenheid te geven te reageren
is tijdens een bijeenkomst op 17 september 2025 door de Dienst en het Ministerie van
VRO toegelicht wat de impact van het advies was en welke invulling van de te stellen
eisen op grond van de erkenningsregeling op hoofdlijnen werd overwogen naast de voorwaarden
die nu al in de overeenkomsten worden opgenomen. Hierna volgen de in eerste instantie
overwogen eisen, dus nog voor aanpassing naar aanleiding van de consultatie van de
ondernemingen:
– Verplichte ISO 27001 certificatie voor ondernemingen (dan wel een aantoonbaar vergelijkbaar
certificaat).
– Een rapportage van een onafhankelijke accountant of auditor (assuranceverklaring)
waarin wordt aangetoond: (i) aantal/omvang verkochte producten (waarin kadastrale
gegevens zijn verwerkt) en (ii) doel waarvoor producten zijn aangeboden.
– Er moet sprake zijn van rollenscheiding (organisatorisch en administratief). Wanneer
een partij meerdere «rollen» heeft of wil uitoefenen, met name een rol als (directe)
afnemer van kadastrale gegevens als «eindgebruiker» én een rol als reseller, dan mag
de rol van reseller alleen uitgeoefend worden in een afzonderlijke entiteit (met KvK
inschrijving).
– De onderneming mag niet verbonden zijn met of onderdeel uitmaken van een organisatie
of land dat een offensief cyberprogramma voert tegen Nederland.
De belangrijkste reacties en vragen van de ondernemingen:
1. Duidelijk moet zijn wat precies onder «resellers» wordt verstaan.
2. Mogelijk moet onderscheid worden gemaakt in verschillende soorten resellers.
3. Een accountants- of assuranceverklaring kan voor (kleine) partijen een flinke lastenverhoging
met zich meebrengen. Maatregelen moeten proportioneel zijn. Kijk goed naar wat de
verklaring precies moet inhouden en wat de scope en frequentie van de verklaring moet
zijn.
4. Betrouwbaarheid van bedrijven kan ook worden aangetoond door middel van een VOG-rechtspersoon
die door Justis wordt afgegeven. Dit is een lichtere vorm van betrouwbaarheidstoets.
5. Wordt er ook gekeken naar de eisen die andere overheidsorganisaties (bijvoorbeeld
de KvK) stellen?
6. Komt er een overgangstermijn, en een bezwaarmogelijkheid voor afgewezen partijen?
Op basis van de reacties van de ondernemingen zijn de voorstellen aangepast. Zo wordt
de eis wat betreft rollenscheiding niet meer overwogen en wordt het punt van de ondernemingen
om betrouwbaarheid aan te tonen met een VOG-rechtspersoon toegevoegd aan de eisen.
De beoogde assuranceverklaring is vervangen door een eigen verklaring van de ondernemingen6, met een «right to audit»» voor de Dienst. In paragraaf 2.8 is een volledig overzicht
van de eisen opgenomen.
Voor wat er onder een reseller wordt verstaan wordt de volgende definitie gehanteerd:
«een onderneming die producten vervaardigt of aanbiedt waarin kadastrale informatie
is verwerkt met het oogmerk om de producten aan derden te verstrekken». Het gaat daarbij
niet om het verwerken van open data van het Kadaster. De verstrekking van de gegevens
van het Kadaster betreft de kern van het product dat de onderneming aanbiedt aan derden.
Op deze wijze is dit type onderneming te onderscheiden van bijvoorbeeld een notaris
of makelaar, die de gegevens verwerkt in het kader van een andere, bredere dienstverlening.
Er wordt voor wat betreft de voorwaarden in de algemene maatregel van bestuur geen
onderscheid gemaakt in verschillende soorten resellers. Van de overgebleven voorwaarden
is overwogen dat deze algemeen dienen te gelden, onafhankelijk van de vraag of sprake
is van bijvoorbeeld een kleine of een grotere onderneming. De eis met betrekking tot
de verplichte ISO 27001 certificatie draagt reeds een differentiatie in zich: voor
een grotere onderneming die meer /complexere verwerkingen van gegevens uitvoert is
ook een intensievere beveiliging nodig ten behoeve van het verkrijgen van de certificatie.
Voorts blijft naast de eisen in de algemene maatregel van bestuur ook de mogelijkheid
bestaan dat de Dienst specifieke voorwaarden opneemt in de overeenkomsten, waarin
meer rekening gehouden kan worden met de specifieke situatie.
Bij het formuleren van de eisen is gekeken naar de eisen die de Kamer van Koophandel
(hierna: KvK) in vergelijkbare situatie stelt aan afnemers en serviceproviders. Een
aantal eisen is hierbij overgenomen, zoals bijvoorbeeld de ISO-27001 certificering
of aantoonbaar gelijkwaardig certificaat.
Ten slotte is er inderdaad de mogelijkheid van bezwaar voor partijen die afgewezen
worden wanneer ze niet voldoen aan de nieuwe eisen.
Er is gekozen om een gefaseerde inwerkingtredingsbepaling op te nemen in dit wetsvoorstel,
waardoor dit onderdeel met de nieuwe verplichtingen voor de betrokken ondernemingen
mogelijk later in werking kan treden dan de overige onderdelen in dit wetsvoorstel.
Die inwerkingtredingsdatum zal zo worden bepaald dat er een realistische voorbereidingstijd
is voor de betrokken ondernemingen.
II. ARTIKELSGEWIJS
Artikel I
Onderdeel A
Zie paragraaf 2.1 van het algemeen deel van deze toelichting over deze wijziging.
Ten behoeve van de leesbaarheid wordt het eerste lid opgedeeld in twee leden.
Onderdeel B
In de periode van de parlementaire behandeling van de Wet basisregistraties kadaster
en topografie is destijds in een nota van wijziging7 artikel 7f, tweede lid, van de Kadasterwet aangepast door artikel 48, tweede lid,
onderdeel e, betreffende gegevens met betrekking tot beperkingenbesluiten, niet langer
als authentiek gegeven aan te merken.
Abusievelijk heeft dezelfde wijziging toen niet plaatsgevonden in artikel 7u. Dat
wordt met deze wijziging hersteld.
De reden in de toelichting bij die nota van wijziging is destijds als volgt geformuleerd:
«De gegevens genoemd in het voorgestelde artikel 7f, onderdeel e, betreffen gegevens
met betrekking tot publiekrechtelijke beperkingen zoals bedoeld in de Wet kenbaarheid
publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op dit moment is aanwijzing van die
gegevens tot authentiek gegeven niet aan de orde. Die gegevens dienen met name de
rechtszekerheid. Om die reden worden zij in het wetsvoorstel nu niet aangewezen als
authentieke gegevens, maar volgen zij het regime dat ook voor andere primair ten behoeve
van de rechtszekerheid opgenomen gegevens, zoals gegevens betreffende hypotheek en
koopsom, geldt. Zij gelden dus als «andere dan authentieke gegevens».»
Onderdelen C en K
Zie ook paragraaf 2.3 van het algemeen deel van deze toelichting over deze wijziging.
Het huidige artikel 41 van de Kadasterwet regelt in het derde lid dat enkel de vertaling
van een in een vreemde of de Friese taal opgesteld stuk wordt ingeschreven in de openbare
registers en dat de in een vreemde of de Friese taal opgestelde stukken onder de bewaarder
blijven berusten. Die stukken zijn niet via de openbare registers raadpleegbaar. Om
ook deze laatst genoemde stukken voortaan in de openbare registers in te schrijven,
wordt voorgesteld het artikellid daartoe te wijzigen. Vanaf het moment van inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel gaat deze verplichting voor de Dienst gelden.
In verband met de raadpleegbaarheid en de rechtszekerheid wordt ten aanzien van de
in een vreemde of de Friese taal opgemaakte stukken in de openbare registers bepaald,
dat bij discrepantie of interpretatieverschillen tussen de tekst in de akte die in
een vreemde of de Friese taal is opgemaakt en de tekst van de Nederlandse vertaling,
deze laatste prevaleert. Dit voorschrift wordt vastgelegd in het gewijzigde vierde
lid (nieuw) van artikel 41.
Artikel 9a is gewijzigd om te zorgen dat artikel 9 van overeenkomstige toepassing
blijft voor de in vreemde of Friese taal gestelde stukken voor zover die nog onder
de bewaarder berusten. Dat gaat om alle stukken van voor inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel: die worden niet alsnog ingeschreven, maar zullen onder de bewaarder
blijven berusten.
Onderdelen D en N
Zie ook paragraaf 2.4 van het algemeen deel van deze toelichting over deze onderdelen.
In het nieuw voorgestelde artikel 11d wordt de geautomatiseerde verwerking van akten
geregeld. Het eerste lid van artikel 11d regelt dat een elektronisch aangeleverd stuk
als bedoeld in artikel 10a in een zodanige elektronische vorm kan worden aangeboden
dat het voor geautomatiseerde verwerking ervan in aanmerking komt. In dit lid komt
tot uitdrukking dat het aan de notaris is om te beslissen op welke wijze hij een akte
aanlevert. Het gebruik van de modeldocumenten is derhalve niet verplicht, maar bij
gebruik ervan worden door de Dienst lagere inschrijvingstarieven gehanteerd (op grond
van artikel 2 van de Tarievenregeling Kadaster).
Op grond van artikel 11d, tweede lid, kan de Dienst nadere regels stellen over de
soorten (rechts)feiten die voor geautomatiseerde verwerking vatbaar zijn alsmede over
de voorwaarden waaraan moeten worden voldaan om stukken geautomatiseerd te laten verwerken.
Aangezien het om technische eisen gaat, die in de loop van de tijd kunnen wijzigen,
ligt het voor de hand deze eisen in lagere regelgeving door de Dienst vast te leggen.
Daarnaast wordt in een nieuw tweede lid van artikel 54 van de Kadasterwet vastgelegd
dat, in het geval gebruik wordt gemaakt van geautomatiseerde verwerking, de bijhouding
van de basisregistratie kadaster uitsluitend plaatsvindt op grond van het stuk dat
elektronisch wordt aangeboden.
Onderdelen E tot en met J en onderdeel L
De Dienst ontvangt al enige tijd signalen vanuit het notariaat dat de inschrijvingsvereisten
voor rechtsfeiten op grond van de artikelen 26 en verder van de Kadasterwet niet altijd
helder of eenduidig kunnen worden toegepast. Het is niet altijd duidelijk welk artikel
van de Kadasterwet van toepassing is op het feit dat ingeschreven dient te worden.
Soms lijken de gestelde vereisten in de wet ook voor meerdere uitleg vatbaar te zijn.
Veel registerverklaringen die worden aangeboden voldoen niet aan de gestelde inschrijvingsvereisten,
zodat deze stukken moeten worden geweigerd. In dit voorstel wordt aan de hand van
technische verbeteringen van de artikelen 26, 30, 34, 36 en 37 van de wet verduidelijkingen
aangebracht die de toepasbaarheid van de inschrijvingsvereisten zullen verbeteren.
Deze verbeteringen zijn tot stand gekomen in overleg met de Dienst en de KNB. De belangrijkste
verduidelijkingen zijn dat opsommingen binnen artikelleden zijn opgenomen in losse
onderdelen, in plaats van de voorheen opgenomen lastig leesbare doorlopende tekst.
Daarbij is de verhouding van de artikelen met de in artikel 37 geregelde verklaring
van de notaris verduidelijkt, door de in artikel 37 geregelde verklaring van de notaris
een logische plaats binnen deze opsommingen te geven.
Tevens wordt voor een efficiëntere inschrijving van stukken met bewijzen voorgesteld
dat, wanneer een bewijsstuk wordt verlangd dat reeds is ingeschreven in de openbare
registers, volstaan kan worden met een verwijzing naar dat ingeschreven stuk. Dit
betreft de wijziging van artikel 44, eerste lid, die is voorgesteld in onderdeel L.
Artikel 19 van de wet bevat al de mogelijkheid om bij in te schrijven stukken te kunnen
verwijzen naar reeds eerder ingeschreven stukken op de wijze zoals door de Minister
is vastgesteld. Dit is uitgewerkt in artikel 12 van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet
1994.
Onderdeel M
Toevoeging nieuw onderdeel l aan het tweede lid van artikel 48
Tot 1 januari 2008, de datum van inwerkingtreding van de Wet basisregistraties kadaster
en topografie, was het mogelijk dat de Minister op basis van het bepaalde in het tot
dan toe geldende onderdeel i van artikel 48, tweede lid, van de Kadasterwet, andere
gegevens dan de reeds in artikel 48, tweede lid, onder a tot en met h genoemde gegevens
kon aanwijzen die werden opgenomen in de kadastrale registratie. Op basis hiervan
is in artikel 14 van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994 aanvullend geregeld welke
gegevens in de kadastrale registratie worden opgenomen. Door inwerkingtreding van
de Wet basisregistratie kadaster en topografie op 1 januari 2008 is artikel 48, tweede
lid, onderdeel i, gewijzigd waardoor de formele grondslag voor artikel 14 van de Uitvoeringsregeling
Kadasterwet 1994 is komen te vervallen. Aangezien de gegevens zoals genoemd in artikel
14 nadien nog steeds in de basisregistratie kadaster worden opgenomen en het voor
de rechtszekerheid ten aanzien van registergoederen ook noodzakelijk is dat dergelijke
gegevens in de basisregistratie kadaster opgenomen blijven worden, is van belang om
de op 1 januari 2008 abusievelijk geschrapte grondslag te herstellen.
Het voorgestelde nieuwe onderdeel l, alsmede artikel II en de aan onderdeel l te verlenen
terugwerkende kracht (zie artikel III), strekken daartoe. Er is getoetst aan Aanwijzing
5.62 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Het betreft geen belastende regeling
en het rechtsgevolg is dat artikel 14 van de Uitvoeringsregeling Kadasterwet 1994
weer op de Kadasterwet berust.
Het vervallen van het derde lid, onderdeel d
Zie paragraaf 2.6 van het algemeen deel van deze toelichting voor een toelichting
op deze wijziging en de wijziging die is opgenomen in onderdeel R (de wijziging van
artikel 100 van de Kadasterwet).
Onderdeel O
Onderdeel O wijzigt artikel 57 van de Kadasterwet om te verduidelijken dat de beslissing
of een aanwijs ter plaatse zal plaatsvinden of niet is voorbehouden aan de ambtenaar
van de Dienst. Voorgesteld wordt om mandatering van deze bevoegdheid aan niet-ondergeschikten
uit te sluiten.
Hoewel uit de wet kan worden afgeleid dat alle handelingen ten behoeve van de bijhouding
op grond van de in de openbare registers ingeschreven stukken, door dezelfde ambtenaar
van de Dienst worden uitgevoerd, wordt in de praktijk met enige regelmaat hiervan
afgeweken. Terwijl de Dienst bij alle stappen8 betrokken is, worden deze niet altijd door dezelfde ambtenaar van de Dienst uitgevoerd
en kan mandatering aan een deskundige derde plaatsvinden. Dit betreft bijvoorbeeld
de aanwijs ter plaatse en de meting als het gaat om nieuwe bouwterreinen. Het komt
regelmatig voor dat deze stappen in de bijhouding niet meer door een ambtenaar van
de Dienst maar door bijvoorbeeld een deskundige van de gemeenten zelf worden uitgevoerd.
De gemandateerde deskundige heeft hierbij niet de bevoegdheid om te beslissen of een
aanwijs ter plaatse zal plaatsvinden of niet. Dit betreft een kerntaak van de Dienst
die niet gemandateerd dient te worden aan niet-ondergeschikten. Dat is reeds staande
praktijk, maar wordt hiermee geëxpliciteerd.
Ook wordt voorgesteld om ten aanzien van de mededeling in artikel 57 te bepalen dat
deze niet in alle gevallen de dag en het uur aangeeft waarop de aanwijzing die de
grondslag vormt voor de meting, zal plaatsvinden. In plaats daarvan bevat de mededeling
het moment waarop of de periode waarin de aanwijzing zal plaatsvinden.
Uiteraard moeten de eigenaar en de beperkt gerechtigde op de hoogte zijn van het precieze
moment waarop de aanwijzing plaatsvindt. Echter, in de praktijk blijkt dat dat op
het moment van het doen van de mededeling het precieze moment van de aanwijzing niet
altijd bepaalbaar is, met name bij nieuwbouwprojecten. In dat geval zal de mededeling
de periode waarin de aanwijzing plaatsvindt bevatten en zal in overleg met de eigenaar
en beperkt gerechtigde(n) het precieze moment in die periode worden afgestemd.
Onderdeel P
Voorgesteld wordt om in artikel 58, eerste lid, een foutieve verwijzing te herstellen,
evenals in het derde lid.
Onderdeel Q
In onderdeel Q wordt artikel 73, tweede lid, zodanig gewijzigd dat de eigenaar van
een onroerende zaak niet langer hoeft te worden gehoord voordat tot bijhouding kan
worden overgegaan op verzoek van beperkt gerechtigde. Artikel 73, tweede lid, bepaalt
dat een eigenaar van, of een beperkt gerechtigde tot, een onroerende zaak een verzoek
tot splitsing of samenvoeging tot percelen kan doen indien hij daarbij een redelijk
belang heeft én het een geval betreft dat bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur is bepaald. In artikel 22 van het Kadasterbesluit zijn deze gevallen geregeld.
Op grond van de tweede volzin van artikel 73, tweede lid moet, indien het verzoek
afkomstig is van een beperkt gerechtigde, de eigenaar van die onroerende zaak door
de Dienst worden gehoord voordat tot bijhouding kan worden overgegaan. Nadat de bijhouding
voltooid is, ontvangen alle belanghebbenden het resultaat van de bijhouding en kan
een belanghebbende op grond van artikel 56b van de Kadasterwet eventueel bezwaar maken
tegen een beschikking inzake de bijwerking. In de praktijk leidt een verzoek tot splitsing
door een beperkt gerechtigde nauwelijks tot problemen en wordt het horen van de eigenaar,
voordat tot bijhouding wordt overgegaan, als een vertragende stap in het proces ervaren.
De mogelijkheden tot splitsing (of samenvoeging) van percelen zijn immers beperkt
tot de gevallen genoemd in artikel 22 van het Kadasterbesluit alsmede wijzigt het
(bloot)eigendom van de eigenaar erdoor ook niet. Dit laatste is regelmatig de reden
dat een eigenaar niet reageert op een verzoek om gehoord te worden, wat het uitvoeren
van het verzoek tot splitsing (of samenvoegen) onnodig vertraagt. Gelet ook op de
bezwaarmogelijkheid van alle rechthebbenden, zoals de eigenaar of een beperkt gerechtigde,
met betrekking tot het gewijzigde perceel, is het horen van de eigenaar voordat tot
bijhouding wordt overgegaan, niet noodzakelijk om de rechten van eigenaar en beperkt
gerechtigde te waarborgen.
Tevens wordt voorgesteld artikel 73, derde lid, te wijzigen zodat in afwijking van
artikel 57, eerste, tweede en derde lid, enkel de verzoeker van de splitsing of samenvoeging
van percelen wordt uitgenodigd om ter plaatse inlichtingen aan de ambtenaar van de
Dienst te verschaffen, indien dit door de Dienst noodzakelijk wordt gevonden. Onder
de verzoeker kan zowel de eigenaar – ook als hij als bloot eigenaar moet worden aangemerkt
– als de beperkt gerechtigde worden verstaan. De reden om in deze situatie af te wijken
van artikel 57, eerste tot en met derde lid, is dat in de praktijk, buiten de verzoeker
om, de overige belanghebbenden doorgaans niet verschijnen om ter plaatse inlichtingen
te geven. Daarnaast zijn de gevallen waarin op verzoek van een (bloot) eigenaar of
beperkt gerechtigde een splitsing van percelen kan plaatsvinden, beperkt en nader
ingekaderd door artikel 22 van het Kadasterbesluit. Door alleen de verzoeker tot de
splitsing van percelen uit te nodigen en ter plaatse de inlichtingen te laten verstrekken
kan het proces tot bijhouding (vooraf) een stuk efficiënter verlopen. Hierbij geldt
eveneens dat alle belanghebbenden in kennis worden gesteld van het resultaat van de
bijhouding en daartegen eventueel bezwaar kunnen maken. De rechten van de overige
belanghebbenden worden in de nieuwe situatie derhalve nog steeds goed geborgd.
Onderdeel R
Artikel 85, tweede lid, van de Kadasterwet bevat een opsomming van informatie die
is opgenomen in de registratie voor schepen. Als gevolg van de inwerkingtreding van
de Rijkswet nationaliteit zeeschepen9, die de vlagregistratie van zeeschepen regelt, is een samenwerking vastgelegd (één
loket) tussen het Kadaster en de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT)
om de teboekstelling en de vlagregistratie van een zeeschip zo spoedig mogelijk te
laten verlopen. Bij registratie van schepen wordt over en weer informatie gedeeld
die relevant is in het kader van de registratie.
Om de informatie die wordt ontvangen van de ILT gemakkelijk te koppelen aan de informatie
die al beschikbaar is bij het Kadaster, is het wenselijk om daarbij gebruik te maken
van identificatienummers. De ILT kent bij ieder in te vlaggen schip een uniek NSI-nummer
(nationaal scheepsidentificatienummer) toe. Om het gezamenlijke loket tussen de ILT
en het Kadaster te kunnen laten functioneren, worden berichten over en weer verzonden
met gebruikmaking van het NSI-nummer om het juiste schip te kunnen identificeren.
Het is dan ook wenselijk dat dit nummer ook bij het Kadaster in de registratie voor
schepen wordt opgenomen.
Op grond van artikel 7g, tweede lid, van de Kadasterwet kan bij algemene maatregel
van bestuur worden bepaald dat een gegeven wordt toegevoegd aan een registratie van
het Kadaster. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt door in artikel 36a van de
Maatregel teboekgestelde schepen 1992 op te nemen dat dit NSI-nummer in de registratie
voor schepen wordt opgenomen. Artikel 7g schrijft echter ook voor dat dit vervolgens
zo spoedig mogelijk dit bij wet te regelen. Daartoe dient de wijziging van artikel
85, tweede lid, opgenomen in dit onderdeel.
Onderdeel S
Zie paragraaf 2.6 van het algemeen deel van deze toelichting voor een toelichting
op deze wijziging en de wijziging die is opgenomen in het tweede lid van onderdeel
M (het vervallen van artikel 48, derde lid, onderdeel d, van de Kadasterwet).
Onderdelen T en U
Artikel 107 wordt aangevuld met een nieuw onderdeel h, op grond waarvan de Dienst
(algemene) voorwaarden mag stellen bij het verstrekken van inlichtingen uit de openbare
registers, de registraties en de bescheiden bedoeld in artikel 50 van de Kadasterwet.
Het nieuw in te voegen artikel 107d, eerste lid, biedt een grondslag om op het niveau
van de algemene maatregel van bestuur voorwaarden te stellen teneinde een rechtmatige
en betrouwbare verdere verwerking van persoonsgegevens te waarborgen bij afname van
persoonsgegevens door ondernemingen teneinde afgeleide producten te kunnen leveren
die toegevoegde waarde bieden in de vastgoedketen. De Dienst biedt dergelijke producten
niet aan en dit is aan de markt overgelaten. Binnen het bereik van artikel 107d vallen
alleen (een beperkte groep) ondernemingen die met hun producten toegevoegde waarde
bieden in de vastgoedketen én waarvan de verwerking van kadastrale informatie verenigbaar
is met de doeleinden van de Dienst als bepaald in artikel 2a Kadasterwet.
Zie paragraaf 2.8 van het algemeen deel van deze toelichting voor een uitgebreidere
toelichting.
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft in haar advies aangegeven dat het verstrekken
van persoonsgegevens aan deze ondernemingen in strijd is met hoger recht (te weten
het ontbreken van passende waarborgen als bedoeld in artikel 6, vierde lid, aanhef
en onderdeel e, van de AVG), tenzij de betrouwbaarheid van de verwerking van de inlichtingen
door de onderneming voorafgaand aan het verstrekken van de persoonsgegevens wordt
getoetst. Zie paragraaf 8.3 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting
voor meer informatie over het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens.
In navolging van het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens wordt voorgesteld om
het tweede en derde lid toe te voegen aan artikel 107d. Op grond van het tweede lid,
onderdeel a, zal de Dienst toetsen of de door de onderneming beoogde verwerking van
de te verstrekken persoonsgegevens verenigbaar is met de doeleinden, genoemd in artikel
2a van de Kadasterwet. Daarnaast zal de Dienst op grond van onderdeel b toetsen of
de onderneming voldoet aan de nadere voorwaarden die op grond van het eerste lid bij
algemene maatregel van bestuur zullen worden geregeld. Die voorwaarden zullen gericht
zijn op onder meer de informatiebeveiliging van de onderneming.
Op grond van het derde lid zal de Dienst jaarlijks controleren of de door de onderneming
verrichte verwerking van de aan de onderneming verstrekte persoonsgegevens nog steeds
verenigbaar is met de doeleinden, genoemd in artikel 2a. Tevens kan daarnaast ook
op andere voorwaarden periodiek een controle plaatsvinden, dat wordt op het niveau
van de algemene maatregel van bestuur uitgewerkt op grond van het vierde lid.
Voor wat betreft het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en de onderliggende
voorwaarden in de algemene maatregel van bestuur zal rekening worden gehouden met
een reële benodigde voorbereidingstijd voor de betreffende ondernemingen.
Zie paragraaf 2.8 van het algemeen deel van deze toelichting voor een nadere toelichting
over deze twee wijzigingen.
Artikel II
Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel M, onder het kopje «toevoeging nieuw onderdeel l aan het tweede lid van artikel 48», voor een toelichting op deze wijziging.
Artikel IV
Zie hoofdstuk 6 van het algemeen deel van de memorie van toelichting voor een nadere
toelichting op de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
E. Boekholt-O’Sullivan
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening