Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Beckerman over de aanpak van nepreviews
Vragen van het lid Beckerman (SP) aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat over de aanpak van nepreviews (ingezonden 20 juli 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Aerdts (Economische Zaken en Klimaat) (ontvangen 31 augustus
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2641.
Vraag 1 en 2
In 2021 zijn nepreviews verboden bij wet, in 2024 werd echter geconcludeerd dat de
problemen met nepbeoordelingen niet afnemen maar toenemen, herkent u dit beeld?1
Erkent u dat consumenten misleid worden en de verkeerde keuzes maken doordat de aanpak
van nepreviews nog niet afdoende werkt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Antwoord 1 en 2
Ik ben bekend met de publicatie van BEUC uit december 2025. BEUC geeft daarin aan
dat consumenten nog steeds worden blootgesteld aan nepbeoordelingen en dat de huidige
regelgeving nog onvoldoende effectief is om deze praktijken tegen te gaan.
Consumenten gebruiken online reviews bij het vergelijken van producten en diensten
en wegen deze informatie mee bij hun aankoopbeslissing. De betrouwbaarheid van reviews
is daarbij van belang. Nepbeoordelingen kunnen consumenten daarom misleiden en ertoe
leiden dat zij een andere aankoopbeslissing nemen dan zij zouden hebben gedaan wanneer
zij over betrouwbare informatie hadden beschikt.
Ik herken het beeld dat de aanpak van nepbeoordelingen in de praktijk complex is.
Het is mij niet bekend dat deze problemen zouden zijn toegenomen. De opkomst van AI
kan ervoor zorgen dat nepreviews makkelijker opgesteld kunnen worden. Tegelijkertijd
biedt AI ook mogelijkheden om dergelijke content sneller op te sporen.
Vraag 3
Bent u van mening dat lidstaten nu voldoende mogelijkheden hebben om nepreviews aan
te kunnen pakken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en welke extra maatregelen zijn
volgens u nodig?
Antwoord 3
Het (laten) plaatsen van valse beoordelingen of aanbevelingen is sinds mei 2022 in
Nederland expliciet verboden voor handelaren.2 Ook is het voor handelaren verboden om te beweren dat beoordelingen van producten
zijn ingediend door consumenten die het product daadwerkelijk hebben gebruikt of aangekocht,
zonder dat de handelaar redelijke en proportionele stappen heeft genomen om dit na
te gaan. Dit geldt ook voor review-websites. Ik ben daarom van mening dat er voldoende
wettelijke mogelijkheden zijn om handelaren aan te kunnen pakken die gebruik maken
van nepbeoordelingen.
Vraag 4 en 5
De Autoriteit Consument & Markt (ACM), die belast is met de handhaving van onderhavige
wetgeving, concludeert dat het nog zeer lastig is om op te treden tegen het aanbieden
en verkopen van nepinteracties en -recensies, erkent u dit en steunt u hun wens voor
uitbreiding van de Digital Fairness Act?
Steunt u het voorstel van de ACM om het aanbieden en verkopen van neprecensies of
-interacties te verbieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Antwoord 4 en 5
De ACM heeft in 2024 handhavingsacties ondernomen rondom nepbeoordelingen.3 In dit kader heeft de ACM onder meer 14 verkopers verzocht te stoppen met het aanbieden
en plaatsen van nepreviews. De helft van de aangesproken partijen heeft dit ook daadwerkelijk
gedaan. De ACM beoordeelde dit als een geschikte eerste stap met impact.4
Optreden tegen partijen die nepbeoordelingen verkopen is voor de ACM gecompliceerd,
onder meer omdat deze partijen regelmatig vanuit een ander land (ook buiten de EU)
opereren. Ook moet de ACM aannemelijk maken dat de nepbeoordelingen daadwerkelijk
geplaatst zijn (door de verkoper van nepbeoordelingen of door de handelaar die de
nepbeoordelingen heeft gekocht).
De ACM verzoekt in haar inzet rondom de aankomende Digital Fairness Act (hierna: DFA)
om ook het verkopen van nepbeoordelingen zelf te verbieden.5 Ik heb begrip voor deze wens van de ACM, omdat de ACM daarmee effectiever zou kunnen
optreden. Het aanbieden van nepbeoordelingen is namelijk makkelijker te bewijzen dan
het (laten) plaatsen van deze nepbeoordelingen. Een complicerende factor hierbij is
echter dat de verkoop van nepbeoordelingen een transactie tussen twee bedrijven is
en daardoor lastig binnen de reikwijdte van het consumentenrecht past. Het consumentenrecht
ziet namelijk op de relatie tussen de handelaar en de consument en in principe niet
op een transactie tussen een handelaar en toeleverancier. Een mogelijk alternatief
zou kunnen zijn om het opstellen van nepbeoordelingen op verzoek van een handelaar
als oneerlijke handelspraktijk aan te merken.
Vraag 6
Welke stappen wilt u zetten om de Europese Commissie te overtuigen van een verbod
op de verkoop van neprecensies en -interacties?
Antwoord 6
De inzet van de Nederlandse regering6 en van de ACM7 rondom de DFA is separaat in een eerdere fase van het proces aan de Europese Commissie
(hierna: EC) kenbaar gemaakt. Door de ACM is haar voorstel rondom de verkoop van nepbeoordelingen
hierin meegenomen. Het wetgevend voorstel van de EC voor de DFA wordt in het vierde
kwartaal van dit jaar verwacht. Het wetgevingsproces bevindt zich reeds in een vergevorderd
stadium waarbij zeer beperkt ruimte is voor de Commissie om nog aanvullende beleidsvoorstellen
mee te nemen. Het kabinet zal de verdere inzet rondom de DFA bepalen nadat het wetgevend
voorstel van de EC is gepubliceerd en daartoe een BNC-fiche opstellen.
Vraag 7, 8 en 9
Hoe beoordeelt u het voorstel van de ACM om externe leveranciers of tussenpersonen
aansprakelijk te stellen voor de oneerlijke beïnvloedingstechnieken die zij ontwikkelen
of helpen ontwikkelen en faciliteren?
Deelt u onze mening dat schade die aangebracht wordt aan consumenten vergoed moet
kunnen worden?
Bent u voorstander van een uitbreiding van het consumentenrecht met een wettelijke
aansprakelijkheid voor externe leveranciers?
Antwoord 7, 8 en 9
Het voorstel van de ACM voor de aansprakelijkheid van derde partijen is breder van
aard dan de problematiek rondom nepbeoordelingen. Het zou hierbij bijvoorbeeld kunnen
gaan om verkopers van designs en templates voor websites waar mogelijk verboden handelspraktijken
in worden gebruikt. Volgens de ACM maakt een groot deel van Nederlandse online webwinkels
gebruik van dergelijke derde partijen, waardoor het de effectiviteit van handhaving
ten goede kan komen om ook deze leveranciers rechtstreeks aan te kunnen spreken.
Het is goed de mogelijkheid van een wettelijke aansprakelijkheid van externe leveranciers
in ogenschouw te nemen en in Europees verband de voor- en nadelen daarvan te beoordelen,
als ook te kijken naar andere oplossingen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen plaatsvinden
in het kader van de aankomende onderhandelingen over de DFA. Dit zou dan moeten gebeuren
tegen de achtergrond dat consumenten onder het huidige consumenten- en contractenrecht
een hoog niveau van bescherming hebben.
Het consumentenrecht kent al regels inzake oneerlijke handelspraktijken, zoals misleidende
handelspraktijken (bijv. artikel 6:193 g BW). Als er sprake is van een oneerlijke
handelspraktijk, dan kan de consument de overeenkomst vernietigen. Daarnaast kunnen
consumenten voor producten die zij online hebben gekocht gebruik maken van het herroepingsrecht
en het product binnen 14 dagen retourneren. Ook hebben consumenten in Nederland recht
op een goed product zolang zij dat redelijkerwijs mogen verwachten. Als het product
bij normaal gebruik toch snel kapotgaat, dan moet de verkoper dit probleem verhelpen
(bijvoorbeeld door het product te repareren, vervangen of het geld terug te geven).
Als het product stuk gaat binnen een jaar, dan wordt aangenomen dat het product ondeugdelijk
was op het moment van de aankoop. Het is dan aan de verkoper om het tegendeel te bewijzen.
Na een jaar is het aan de consument om te bewijzen dat hij het product normaal heeft
gebruikt en niet door zijn toedoen kapotgegaan is. Schade die door een product wordt
veroorzaakt, dient de verkoper op grond van wanprestatie te vergoeden (artikel 7:24
lid 1 BW).
Hierbij merk ik nog op dat een consument op grond van het huidige recht ook een derde
(iemand met wie hij geen contractuele relatie heeft) kan aanspreken op grond van onrechtmatige
daad. Dit lijkt in het geval van bijvoorbeeld nepreviews wel een moeizame weg voor
de in de vraag genoemde externe leveranciers. Niet alleen zal het voor een consument
moeilijk zijn om te achterhalen wie de nepreviews heeft verstrekt aan de verkoper,
als dit al mogelijk is. Ook zal de consument aan dienen te tonen dat hij schade heeft
als gevolg van de nepreviews (schade en causaal verband). Bij de aankoop van een product
zijn immers meer aspecten van belang dan de nepreviews, waaronder de prijs, de kwaliteit
en de door de verkoper verstrekte informatie.
Vraag 10
Deelt u voorts onze mening dat consumenten meer mogelijkheden moeten krijgen om gepersonaliseerde
content van grote bedrijven te weigeren?
Antwoord 10
Ik vind dat consumenten effectieve controle moeten hebben over het gebruik van (persoons)gegevens
en hun voorkeuren voor gepersonaliseerde data. Voor consumenten kan het soms onvoldoende
duidelijk zijn wanneer en hoe zij toestemming hebben gegeven voor het gebruik van
hun data en wat de gevolgen daarvan zijn. Dit kan onder andere het gevolg zijn van
een gebrek aan transparantie over hoe de personalisatie van content precies tot stand
komt, of van misleidende patronen, ingewikkelde formulieren of toestemmingsmoeheid.
Hierdoor bestaat het risico dat consumenten hun ware voorkeuren niet (kunnen) uiten.
Het kabinet zet zich daarom in voor de verbetering van deze situatie, onder meer binnen
het kader van de DFA en ePrivacyrichtlijn.8
Vraag 11
Gepersonaliseerde content staat nu standaard ingeschakeld, deelt u de mening van de
ACM dat dit moet worden omgedraaid en dat algemene content de standaardinstelling
moet zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Antwoord 11
De ACM schetst in haar document9 een drietal beleidsopties die niet logischerwijs allemaal gelijktijdig zouden moeten
worden ingevoerd. Één daarvan is dat algemene, niet-gepersonaliseerde content de standaardinstelling
zou moeten zijn.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10 ben ik van mening dat consumenten effectieve
controle moeten hebben over hun personalisatievoorkeuren. Ik sta daarom in de basis
positief tegenover een «opt-in» of «opt-out» systeem zoals geschetst door de ACM en
dit is ook een richting die door de EC verkend lijkt te worden in het kader van de
DFA. Of een dergelijk systeem een effectieve en proportionele maatregel zou zijn,
moet daarom ook blijken uit de impact assessment van de EC voor de DFA. Hierbij vind
ik het van belang dat de maatregel ook realistisch uitvoerbaar moet zijn voor kleinere
handelaren en dat de maatregel de effectieve controle van consumenten daadwerkelijk
vergroot. Ik wacht de voorstellen van de EC en de resultaten van de impact assessment
daarom met interesse af.
Vraag 12
De AMC wil ook dat er meer transparantie en consistentie wordt geëist van handelaren
over hoe ze gepersonaliseerde content aanbieden, deelt u deze mening? Zo nee, waarom
niet? Zo ja, wilt u zich inzetten voor verbetering van de EU-wetgeving over consumentenbescherming
en privacy zodat dit kan worden afgedwongen?
Antwoord 12
Ja, deze mening deel ik. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 10 kan het voor
consumenten soms onvoldoende duidelijk zijn wanneer zij toestemming hebben gegeven
voor het gebruik van hun data en wat de gevolgen daarvan zijn. Conform mijn inzet
voor de aankomende DFA ben ik in dit kader ook van mening dat algemene voorwaarden
makkelijker te begrijpen moeten zijn, bijvoorbeeld via standaardisatie.10 Dit kan consumenten helpen betere keuzes te maken voordat ze zich aanmelden voor
digitale diensten.
Daarnaast zet het kabinet zich op het gebied van privacy in om het voor burgers makkelijker
te maken om hun rechten uit te oefenen. Dit doet zij in de lopende onderhandelingen
over de Omnibus Digitaal.
Vraag 13
Tot slot stelt de ACM voor om consumenten een «één-klik» optie te geven om gepersonaliseerde
reclame te weigeren, wilt u zich hiervoor inzetten?
Antwoord 13
De «één-klik» optie is een van de andere opties die door de ACM geschetst is om meer
grip te krijgen op gepersonaliseerde content. Ik ben van mening dat consumenten controle
moeten hebben over hun (persoonlijke) data en personalisatie voorkeuren, en dat er
keuzevrijheid moet zijn voor de consument. Dat wil zeggen: de consument moet zelf
kunnen bepalen of hij gepersonaliseerde content of niet-gepersonaliseerde/standaard
content wil zien. Zoals weergegeven in het BNC-fiche over de Omnibus Digitaal, welke
op 12 december 2025 met uw Kamer is gedeeld, staat het kabinet positief tegenover
oplossingen om het voor burgers makkelijker te maken hun rechten uit te oefenen. Het
steunen van deze voorstellen in Europees verband is daarom reeds onderdeel van de
kabinetsinzet. Voor een «opt-out» voor de gepersonaliseerde content zou het vooral
van belang zijn dat deze effectief is en op een makkelijke manier toegankelijk. Daarnaast
moet het ook voor kleinere handelaren realistisch zijn om een dergelijke opt-out te
realiseren.
Ondertekenaars
W.J.M. Aerdts, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.