Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Raijer en Faber over het bericht 'Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: ‘Jullie moeten allemaal sterven, vuile fascisten’'
Vragen van de leden Raijer en Faber (beiden PVV) aan de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Justitie en Veiligheid over het bericht «Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: «Jullie moeten allemaal sterven, vuile fascisten»» (ingezonden 22 juni 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 28 augustus 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2551
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden:
«Jullie moeten allemaal sterven vuile fascisten»» en wat is uw reactie op de in het
artikel beschreven gebeurtenissen?1
Antwoord 1
Ja, ik heb kennisgenomen van het artikel. In de verdere beantwoording ga ik voor zover
mogelijk nader op de gebeurtenissen in, maar wat in algemene zin in ieder geval geldt
is dat het nooit de bedoeling kan zijn dat mensen zich geïntimideerd voelen bij de
uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging.
Vraag 2, 3, 4 en 5
Klopt het dat leden van de Groot-Nederlandse Studentenvereniging (GNSV) in Leiden
zijn omsingeld, gevolgd, geïntimideerd en bedreigd door personen die zich met Antifa
identificeren, waarbij onder meer uitspraken zouden zijn gedaan als «Ik geef je een
nekschot» en «jullie moeten allemaal sterven»?
Welke informatie is hierover bekend bij politie en justitie en deelt u de mening dat
dergelijke uitlatingen als ernstige bedreigingen strafrechtelijk onderzocht dienen
te worden? Zo nee, waarom niet?
Zijn er naar aanleiding van dit incident aangiftes opgenomen, verdachten geïdentificeerd
of onderzoeken gestart? Zo nee waarom niet?
Kunt u tevens aangeven hoe u beoordeelt dat de betrokkenen volgens berichtgeving niet
alleen bij het station werden benaderd, maar ook werden gevolgd naar de locatie van
hun bijeenkomst?
Antwoord 2, 3, 4 en 5
De politie heeft laten weten dat zij bekend zijn met het incident. Op basis van de
bevindingen ter plaatse herkent de politie het beeld dat wordt geschetst echter niet
als zodanig. Wel zijn er uitlatingen gedaan die de agenten ter plaatse noopten de
desbetreffende personen daarop aan te spreken.
Zowel de politie als het Openbaar Ministerie (OM) hebben laten weten dat er tot op
heden geen aangiftes zijn gedaan naar aanleiding van de gebeurtenissen. Er loopt op
dit moment geen strafrechtelijk onderzoek. Mocht dat op enig moment toch aan de orde
zijn, dan is de beoordeling van specifieke gedragingen op mogelijke strafbaarheid
in eerste instantie aan het OM en uiteindelijk aan de rechter. Ik zal dan ook niet
verder in dit specifieke geval treden.
Wel geldt in algemene zin, zoals ik in het antwoord op vraag 1 al aangaf, dat het
absoluut niet de bedoeling kan zijn dat mensen zich geïntimideerd voelen bij het uitoefenen
van hun vrijheid van meningsuiting of hun vrijheid van vereniging. Natuurlijk hoort
bij onze democratische rechtsstaat ook dat er ruimte moet zijn voor het laten horen
van tegengeluid, maar dat mag nooit gepaard gaan met intimidatie, laat staan strafbare
handelingen.
Vraag 6 en 8
Deelt u de mening dat studenten, ongeacht hun politieke overtuiging, veilig moeten
kunnen deelnemen aan verenigingsactiviteiten en gebruik moeten kunnen maken van hun
recht op vrije meningsuiting en vereniging zonder angst voor intimidatie, geweld of
doodsbedreigingen? Zo ja, welke consequenties verbindt u aan dit incident?
Kunt u uitsluiten dat binnen universiteitssteden een klimaat ontstaat waarin rechtse
of conservatieve studenten zich niet langer veilig voelen om hun politieke overtuiging
uit te dragen? Zo nee, bent u bereid in overleg te treden met universiteiten en studentenorganisaties
om politieke intimidatie en geweld keihard aan te pakken en de Kamer vóór het einde
van het zomerreces te informeren over de uitkomsten van eventuele onderzoeken en aanvullende
maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6 en 8
Het is binnen onze democratische rechtsorde van belang dat eenieder zijn vrijheid
van meningsuiting en vrijheid van vereniging kan uitoefenen, ongeacht politieke of
ideologische inhoud – zolang dat uiteraard de grenzen van het strafbare niet overschrijdt.
Dat politieke of ideologische meningen tegenreacties kunnen en mogen oproepen is evenzeer
onderdeel van onze democratische rechtsorde: voor het uiten van die tegenreactie en
een andere mening moet ook ruimte zijn. Ook hiervoor geldt echter dat de grenzen van
het strafbare niet overschreden mogen worden: voor intimidatie of geweld is geen plek.
Dat dit kan schuren of botsen is bekend; incidenten uitsluiten is onmogelijk. Wanneer
daarbij verstoring van de openbare orde ontstaat is de burgemeester belast met de
handhaving van de openbare orde. Als er sprake is van strafbare feiten, kan door de
politie onder gezag van de officier van justitie worden opgetreden.
Vraag 7
Worden extreemlinkse groeperingen die zich schuldig maken aan intimidatie, bedreiging,
geweld of het verstoren van bijeenkomsten voldoende in beeld gebracht door politie,
gemeenten en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid en kunt
u daarbij aangeven hoeveel incidenten waarbij extreemlinkse activisten betrokken waren
bij bedreigingen, vernielingen, geweld of verstoringen van bijeenkomsten zich in de
afgelopen vijf jaar hebben voorgedaan?
Antwoord 7
De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) heeft geen (wettelijke)
grondslag om onderzoek te doen naar organisaties of personen en zal derhalve groeperingen
of individuen niet in kaart brengen. De NCTV stelt wel het Dreigingsbeeld Terrorisme
Nederland (DTN) op, waarin het actuele dreigingsniveau, trends, achtergronden en de
aard van de dreiging worden beschreven. Zoals beschreven in het DTN van juni 2026
is over het algemeen de geweldsdreiging die uitgaat van de links-extremistische beweging
in Nederland beperkt en deze lijkt ook niet toe te nemen.2
Bij wetsovertredingen, zoals bedreigingen of geweld, kan de politie onder bevoegd
gezag van het OM optreden. Op het moment dat gedragingen de lat van extremisme of
terrorisme halen, dan kunnen personen worden opgenomen in de lokale persoonsgerichte
aanpak radicalisering, waar gemeenten regievoerder zijn. Personen worden opgenomen
in deze aanpak aan de hand van objectieve criteria die omschreven staan in de wet.
Deze criteria zijn ideologieneutraal en gaan over radicalisering en extremisme, niet
over activisme. Het bespreken van personen in deze aanpak vindt plaats op lokaal niveau.
Het kabinet heeft dus geen inzicht in hoeveel personen er besproken worden in de persoonsgerichte
aanpak of welk gedachtegoed zij aanhangen.
Het gevraagde overzicht van incidenten in de afgelopen vijf jaar is door de politie
en het OM niet te genereren, omdat er in de systemen van beide organisaties geen specifieke
classificering is met betrekking tot linksextremisme.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.