Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Duijvenvoorde over seksuele uitbuiting van minderjarigen
Vragen van het lid Van Duijvenvoorde (FVD) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over seksuele uitbuiting van minderjarigen (ingezonden 3 juni 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 28 augustus 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2350
Vraag 1
Bent u bekend met de berichtgeving vanaf 21 mei 2026 over een lopend politieonderzoek
in het Duitse Neurenberg, waarbij de recherche een speciale onderzoekscommissie genaamd
«EKO Kajal» heeft ingesteld naar aanleiding van signalen dat minderjarige meisjes
– van wie het jongste bekende slachtoffer dertien jaar oud is – rondom het centraal
station stelselmatig werden benaderd door een groep verdachten van voornamelijk Syrische,
Noord-Afrikaanse en Pakistaanse afkomst, afhankelijk werden gemaakt van harddrugs
zoals crystal meth en vervolgens seksueel werden uitgebuit?
Antwoord 1
Ja
Vraag 2
Hoe beoordeelt u deze berichtgeving, mede in het licht van de grootschalige zaken
in Rotherham en Rochdale, waarbij de dadergroepen overwegend bestonden uit mannen
van Pakistaanse afkomst en de slachtoffers overwegend autochtone Britse meisjes waren
– en waarbij de officiële evaluatie (Jay Report, 2014) concludeerde dat autoriteiten
jarenlang hebben gefaald doordat zij de etnische achtergrond van de dadergroepen niet
durfden te benoemen – en deelt u de opvatting dat onderzocht moet worden in hoeverre
bij dergelijke zaken sprake is van etnisch gemotiveerde selectie van slachtoffers?
Antwoord 2
Seksueel misbruik van minderjarigen is afschuwelijk; ieder slachtoffer van seksuele
uitbuiting is er één te veel. Gelet op het feit dat het hier gaat om berichtgeving
over individuele zaken die buiten Nederland spelen, ga ik op de berichten niet verder
in. Er zijn geen concrete aanwijzingen voor structureel etnisch gemotiveerde slachtofferselectie
in Nederlandse zaken, daarom is een onderzoek gericht op etniciteit niet nodig.
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat zaken als Rotherham en Rochdale enerzijds, en de huidige
zaak in Neurenberg anderzijds, een structureel patroon laten zien waarbij kwetsbare
minderjarigen door georganiseerde groepen worden gerekruteerd, via alcohol, drugs
of intimidatie in een positie van afhankelijkheid en onmacht worden gebracht en vervolgens
stelselmatig seksueel worden misbruikt en uitgebuit – en dat dit patroon zich doorgaans
buiten het directe zicht van politie, hulpverlening en lokale overheden afspeelt?
Antwoord 3
Seksueel misbruik van minderjarigen is afschuwelijk. De situaties in Rotherham, Rochdale
en Neurenberg spelen in verschillende landen. Het is niet aan mij om daar verdere
uitspraken over te doen.
Voor de Nederlandse situatie geldt dat er geen vergelijkbare zaken bekend zijn van
georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen – waarbij drugsafhankelijkheid
of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet. De politie en het OM hebben
wel onderzoeken gekend waarin minderjarige slachtoffers seksueel zijn uitgebuit door
samenwerking van meerdere daders, maar er zijn geen aanwijzingen voor een structureel
patroon. De politie is hier alert op en zal bij eventuele nadere signalen direct afwegen
of opsporingsonderzoek geïndiceerd is.
Vraag 4
Beschikt u over signalen dat vergelijkbare vormen van georganiseerde seksuele uitbuiting
van minderjarigen – waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van
dwang wordt ingezet – zich ook in Nederland voordoen? Zo ja, wat is hierover bekend?
Zo nee, op basis waarvan concludeert u dat dergelijke signalen ontbreken, mede gelet
op het feit dat de Nationaal Rapporteur Mensenhandel in 2025 heeft gewaarschuwd voor
infiltratie van criminele netwerken in zorginstellingen?
Antwoord 4
Bij de politie zijn thans geen aanwijzingen bekend van vergelijkbare vormen van georganiseerde
seksuele uitbuiting van minderjarigen waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie
als instrument van dwang wordt ingezet.
De waarschuwing van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen
Kinderen (hierna: Nationaal Rapporteur) voor infiltratie van criminele netwerken in
zorginstellingen was mede aanleiding voor het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel
(EMM) om onderzoek te doen naar ronselpraktijken binnen zorginstellingen. Uit dat
onderzoek volgt dat zorginstellingen vanwege de kwetsbaarheid van bewoners aantrekkelijk
kunnen zijn voor mensenhandelaren. Tot dusverre is in één geval betrokkenheid van
een medewerker vastgesteld. Ondanks de resultaten uit dit onderzoek ben ik mij bewust
van de signalen van criminele infiltratie in zorginstellingen. We voeren binnen het
Actieplan Samen tegen mensenhandel daarnaast een pilot uit naar de preventie van ronselen
in beschermd en begeleid wonen. Dit is gericht op het herkennen, bespreken en voorkomen
van ronselen in zorginstellingen. De eerste inzichten laten zien dat de aanpak professionals
helpt bij het signaleren en bespreekbaar maken van risico’s.
Vraag 5
Worden in Nederland gegevens bijgehouden over de mate waarin minderjarige meisjes
via drugs, schulden, afhankelijkheidsrelaties of andere vormen van dwang in seksuele
uitbuiting terechtkomen? Zo ja, wat laten deze gegevens zien over de afgelopen vijf
jaar? Zo nee, waarom niet, en acht u dit aanvaardbaar?
Antwoord 5
De politie registreert slachtoffers van uitbuiting die bij haar in beeld komen, waaronder
minderjarige meisjes. De specifieke vorm van dwang waardoor zij in de uitbuitingssituatie
terecht zijn gekomen (bijvoorbeeld drugs, schulden of afhankelijkheidsrelaties) wordt
niet landelijk en uniform geregistreerd. Daar is vanuit het opsporingsbelang ook geen
directe noodzaak toe, omdat voor minderjarigen het bestaan van dwang geen vereiste
is om te komen tot strafbaarheid wegens mensenhandel.
Vraag 6
Kunt u aangeven in hoeveel zaken van seksuele uitbuiting of verkrachting van minderjarigen
de afgelopen vijf jaar sprake was van een georganiseerd samenwerkingsverband van meerdere
daders, en in hoeveel zaken van een individuele dader?
Antwoord 6
Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) houdt geen registratie bij van het aantal zaken
met betrekking tot seksuele uitbuiting van minderjarigen waarin sprake was van een
georganiseerd samenwerkingsverband dan wel van individuele daders.
Vraag 7
In hoeverre beschikken politie, Openbaar Ministerie, gemeenten, jeugdzorginstellingen
en de Nationaal Rapporteur Mensenhandel over voldoende instrumenten om georganiseerde
netwerken die minderjarigen seksueel uitbuiten vroegtijdig te herkennen en te ontmantelen,
en welke knelpunten worden hierbij gesignaleerd?
Antwoord 7
De politie en het OM zijn primair verantwoordelijk voor het herkennen (politie) en
het opsporen en vervolgen (OM) van verdachten van georganiseerde netwerken die minderjarigen
seksueel uitbuiten. Gemeenten en jeugdzorginstellingen vervullen een cruciale signalerings-
en meldfunctie richting ketenpartners. De Nationaal Rapporteur doet onafhankelijk
onderzoek en adviseert het kabinet over verbeteringen in de aanpak van mensenhandel
en seksueel geweld tegen kinderen.
De politie en het OM geven aan te beschikken over toereikende instrumenten om signalen
van georganiseerde netwerken die minderjarigen seksueel uitbuiten tijdig te herkennen
en te onderzoeken. Wanneer dergelijke netwerken in beeld komen, biedt het huidige
wettelijke kader voldoende mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden.
Er wordt stevig geïnvesteerd in het versterken van de signalerings- en meldfunctie
rond mensenhandel in brede zin, bij ketenpartners. Binnen het Actieplan Programma
Samen tegen Mensenhandel is specifieke aandacht voor minderjarige slachtoffers via
bewustwording en deskundigheidsbevordering, onder meer bij jeugdzorg, politie en het
OM. Professionals worden ondersteund met een gratis e-learning, maatwerktrainingen
en de campagne «Jongeren zijn #GeenBuit» om signalen van mensenhandel bij jeugdigen
tijdig te herkennen en ernaar te handelen. Ook wordt ingezet op het verbeteren van
de informatie-uitwisseling tussen lokale en regionale partners centraal, en de versterking
van de regionale en bovenregionale samenwerking.
Vraag 8
Wordt in Nederland structureel onderzocht of bepaalde groepen minderjarige meisjes
een verhoogd risico lopen slachtoffer te worden van deze vorm van uitbuiting – bijvoorbeeld
meisjes uit instabiele gezinssituaties, de jeugdzorg of de gesloten jeugdhulp – en
zo ja, wat zijn de uitkomsten van dat onderzoek?
Antwoord 8
Er zijn op dit moment geen signalen bekend bij de politie van georganiseerde seksuele
uitbuiting van minderjarigen waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument
van dwang wordt ingezet. Gericht onderzoek op basis van politiedata naar deze concrete
modus operandi is daardoor momenteel niet mogelijk.
Vraag 9 en 10
Beschikt u over gegevens omtrent de nationaliteit, migratieachtergrond of verblijfsstatus
van verdachten die in Nederland betrokken zijn bij georganiseerde seksuele uitbuiting
van minderjarigen? Zo ja, bent u bereid deze gegevens met de Kamer te delen? Zo nee,
deelt u de opvatting dat het ontbreken van deze registratie – gelet op de uitdrukkelijke
conclusie in het Britse Jay Report dat het niet benoemen van de achtergrond van dadergroepen
het ingrijpen heeft vertraagd en slachtoffers heeft geschaad – zelf een beleidsrisico
vormt dat correctie behoeft?
Indien gegevens over de achtergrond van daders bij georganiseerde seksuele uitbuiting
van minderjarigen niet structureel worden verzameld of geanalyseerd, acht u het wenselijk
hierin verandering te brengen, zodat beter inzicht ontstaat in de aard, omvang en
achtergrond van deze ernstige vorm van criminaliteit en de aanpak daarop kan worden
afgestemd?
Antwoord 9 en 10
De politie en het OM registreren geen migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten.
Indien bekend wordt de nationaliteit door de politie wel geregistreerd; deze gegevens
worden gedeeld met de Nationaal Rapporteur en opgenomen in haar jaarbeeld. Bijzondere
categorieën van politiegegevens mogen ook enkel door de politie en het OM verzameld
en verwerkt worden indien dit noodzakelijk is voor het doel van de verwerking, i.c.
de opsporing of vervolging van strafbare feiten. Deze gegevens worden dan ook niet
categorisch verwerkt, omdat de verwerking niet voor alle situaties noodzakelijk zal
zijn. De Nationaal Rapporteur heeft de wettelijke taak om onderzoek te doen naar de
aard en omvang van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen. Ook is het een
wettelijke taak om onderzoek te doen naar de effecten van het huidige beleid op de
aanpak van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen en om de regering te adviseren
over het voorkomen en bestrijden ervan. Ik laat me hierover dan ook adviseren door
de Nationaal Rapporteur.
Vraag 11
Welke concrete lessen trekt u uit de zaken in Neurenberg, Rotherham, Rochdale en vergelijkbare
buitenlandse onderzoeken, en ziet u aanleiding om de Nederlandse aanpak – inclusief
het instrumentarium voor vroegherkenning, registratie en vervolging – tegen het licht
te houden?
Antwoord 11
Het is niet aan ons om op basis van mediaberichten over buitenlandse zaken conclusies
te trekken of beleidslessen te formuleren.
Vraag 12
Bent u bereid de Kamer een overzicht te sturen van de aard en omvang van georganiseerde
seksuele uitbuiting van minderjarigen in Nederland, inclusief de wijze waarop politie,
Openbaar Ministerie en hulpverlening dit monitoren en bestrijden, alsmede een beoordeling
of het huidige instrumentarium toereikend is?
Antwoord 12
De Nationaal Rapporteur rapporteert jaarlijks over de aard en omvang van seksuele
uitbuiting, ook van minderjarigen. Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag
7 geven politie en OM aan voldoende uit de voeten te kunnen met het huidige instrumentarium.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.