Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Mutluer over georganiseerd seksueel geweld, online verspreiding van seksueel misbruik en de recente zedenzaak waarbij vrouwen mogelijk werden gedrogeerd, verkracht en gefilmd
Vragen van het lid Mutluer (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over georganiseerd seksueel geweld, online verspreiding van seksueel misbruik en de recente zedenzaak waarbij vrouwen mogelijk werden gedrogeerd, verkracht en gefilmd (ingezonden 10 juni 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 28 augustus 2026)Zie
ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2452
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat meerdere mannen worden verdacht van het
drogeren, verkrachten en filmen van vrouwen, waarbij beelden en informatie zouden
zijn gedeeld binnen besloten online groepen?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de zorg dat in het geval van samenwerking tussen verdachten, het uitwisselen
van kennis over het drogeren van vrouwen en het delen van beeldmateriaal kenmerken
vertoont van een georganiseerd patroon van seksueel geweld in plaats van uitsluitend
individueel gepleegde zedendelicten? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze zaak. Zoals ik tijdens het mondelinge vragenuur
van 9 juni jl. heb aangegeven waren er acht verdachten in beeld waarvan er vier toen
zijn aangehouden. Inmiddels zitten deze vier verdachten niet meer vast, maar zij blijven
wel verdachten. Het strafrechtelijk onderzoek is nog in volle gang. Wanneer er gewichtige
ontwikkelingen zijn in het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoeksbelang zich
hiertegen niet verzet zal ik uw Kamer, in lijn met mijn toezegging op 9 juni jl. om
uw Kamer te informeren over de voortgang van deze zaak, hierover informeren.
Wanneer meerdere verdachten samenwerken, beeldmateriaal delen, elkaar tips geven en
elkaar aanmoedigen bij het plegen van seksueel geweld, kan sprake zijn van georganiseerd
seksueel geweld (zie ook het antwoord op vraag 5). Als het zo zou zijn dat er netwerken
zijn waarbinnen vrouwen worden gedrogeerd en daarna worden verkracht is dat bijzonder
schokkend. Als hiervan vervolgens ook beeldmateriaal zou worden gedeeld met anderen
is dat natuurlijk extra kwalijk. Dit onderstreept het belang van grondig onderzoek
naar de rol van alle betrokkenen bij strafbare feiten en van een effectieve strafrechtelijke
aanpak daarvan.
Vraag 3
Kent u meer berichten met betrekking tot gelijkaardige verdenkingen? Zo ja, welke
zijn dat?
Antwoord 3
De politie is in algemene zin bekend met dit fenomeen waarbij in digitale groepen
kennis wordt gedeeld over het drogeren van vrouwen om hen seksueel te misbruiken.
Eventuele meldingen of signalen over het drogeren van slachtoffers om hen seksueel
te misbruiken en het filmen daarvan, worden door de politie en het Openbaar Ministerie
zorgvuldig beoordeeld en, waar aangewezen, onderzocht. Zolang een strafrechtelijk
onderzoek loopt kan de politie hierover geen mededelingen doen.
Vraag 4
Beschikt u over informatie betreffende slachtoffers van georganiseerd seksueel geweld?
Zo ja, waaruit bestaat die informatie? Hoe worden deze slachtoffers geholpen, bijvoorbeeld
via Slachtofferhulp Nederland? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Antwoord 4
De politie geeft aan meldingen te hebben ontvangen van slachtoffers die vermoeden
dat zij zijn gedrogeerd en seksueel misbruikt door hun partner. Het onderzoek naar
de in het artikel genoemde casus loopt, waarbij ook nadrukkelijk wordt onderzocht
of verdachten gezamenlijk strafbare feiten hebben gepleegd. In het algemeen geldt
dat wanneer de opsporingsdiensten een stelselmatigheid ontdekken of herkennen, dit
altijd prioriteit krijgt bij de inzet van de opsporingscapaciteit. Dit is in lijn
met het uitgangspunt dat de opsporingscapaciteit wordt ingezet daar waar een zo groot
mogelijk maatschappelijk effect kan worden bereikt.
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht
kunnen bij verschillende organisaties. De medewerkers van Slachtofferhulp Nederland
geven kosteloos emotionele steun en juridisch advies. Voor aanvullende ondersteuning
kan Slachtofferhulp Nederland doorverwijzen naar gespecialiseerde organisaties. Zo
heeft het Centrum Seksueel Geweld een speciale pagina met informatie over seksueel
misbruik en wat slachtoffers kunnen doen als het hen overkomt. Offlimits helpt met
het laten verwijderen van online illegaal materiaal en biedt hulp, advies en preventie
op het gebied van online grensoverschrijdend gedrag en online seksueel misbruik.
Vraag 5
Acht u het wenselijk om onderzoek te laten doen naar het fenomeen van georganiseerd
seksueel geweld en daarbij te bezien of het als afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk
moet worden erkend? Zo ja, op welke wijze en termijn gaat u hier voor zorgen? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 5
Ja, ik zal conform mijn toezegging tijdens het Mondelinge Vragenuur van 9 juni jl.,
samen met de politie en het Openbaar Ministerie verkennen of georganiseerd seksueel
misbruik een afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk vergt. Daarbij wordt bezien
of de aard, omvang en kenmerken van deze problematiek aanleiding geven om deze als
een zelfstandige categorie binnen beleid en opsporing te benaderen en welke eventuele
vervolgstappen daarbij passend zijn. De Kamer wordt over de uitkomsten van deze verkenning
geïnformeerd in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven voorafgaand het commissiedebat
Zeden en (on)veiligheid van vrouwen op 9 december 2026.
Vraag 6
Bent u van oordeel dat de huidige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen
voor het in georganiseerd verband plegen van seksuele misdrijven afdoende is om vroegtijdig
in te kunnen grijpen ter voorkoming van ernstige zedenmisdrijven? Zo ja, aan welke
voorbereidingshandelingen denkt u? Zo nee, waarom niet en hoe kunnen deze voorbereidingshandelingen
wel strafbaar worden gesteld?
Antwoord 6
Op grond van artikel 46 Sr zijn bepaalde handelingen strafbaar als deze worden gepleegd
ter voorbereiding van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer
is gesteld. Dit geldt ook in geval van ernstige seksuele misdrijven zoals (gekwalificeerde)
opzetverkrachting (artikel 243 Sr). Strafbare voorbereidingshandelingen zijn onder
meer het opzettelijk verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen, stoffen of ruimten
die zijn bestemd voor het begaan van een dergelijk misdrijf. In het geval van een
drogeerverkrachting kan het aanschaffen van de middelen die worden gebruikt om het
slachtoffer te drogeren bijvoorbeeld een strafbare voorbereidingshandeling zijn.
Daarbij is van belang dat er naast de genoemde strafbare voorbereiding meer strafbaarstellingen
zijn op basis waarvan vroegtijdig strafrechtelijk kan worden ingegrepen. Hierbij valt
bijvoorbeeld te denken aan het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk
heeft het plegen van seksuele misdrijven (artikel 140 Sr); in dat geval is voor strafbaarheid
niet vereist dat al een aanvang is gemaakt met het plegen van die misdrijven. Ook
de enkele poging een ander uit te lokken om een seksueel misdrijf te begaan is zelfstandig
strafbaar (artikel 46a Sr).
Vraag 7
Bent u bereid te onderzoeken of, naar analogie van artikel 141a van het Wetboek van
Strafrecht inzake medeplichtigheid tot geweldpleging, aanvullende wettelijke mogelijkheden
nodig zijn om opsporing van georganiseerd seksueel geweld in een vroeg stadium mogelijk
te maken? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
De zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld vind ik niet nodig
of wenselijk. In aanvulling op het antwoord op vraag 6 hierboven wijs ik erop dat
in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht verschillende seksuele misdrijven zijn
opgenomen die bij seksueel geweld dat in georganiseerd verband wordt begaan van toepassing
kunnen zijn, zoals vormen van aanranding en verkrachting, en de voorbereiding van,
poging tot en deelneming aan die misdrijven.
Daarbij is van belang dat niet alleen degenen die fysiek betrokken zijn bij de seksuele
handelingen die worden verricht, strafbaar kunnen zijn wegens betrokkenheid bij seksuele
misdrijven. Dit kunnen bijvoorbeeld ook personen zijn die op afstand seksuele handelingen
aansturen die een slachtoffer aan het eigen lichaam verricht of die een derde bij
het slachtoffer verricht. Als dergelijke misdrijven door twee of meer verenigde personen
worden gepleegd wordt het toepasselijke gevangenisstrafmaximum met drie jaar verhoogd
(artikel 254, eerste lid, onder b, Sr). Ook zijn als medeplichtigen strafbaar degenen
die behulpzaam zijn bij het plegen van een seksueel misdrijf of daartoe opzettelijk
gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen (artikel 48 Sr). Degenen die het
feit door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk uitlokken
of daartoe een poging doen, zijn – zoals hiervoor al aan de orde kwam – eveneens strafbaar
(artikelen 47, eerste lid, onderdeel 2°, en 46a Sr).
Gelet op de bestaande strafbaarstellingen en strafverzwaringsgronden meen ik dat het
huidige strafrechtelijk instrumentarium volstaat om ook in een vroegtijdig stadium
krachtig op te treden tegen strafbaar handelen dat is gericht op seksueel misbruik.
Vraag 8
Acht u de wettelijke bevoegdheden op grond waarvan de politie kan infiltreren in besloten
online groepen waarin seksueel geweld wordt voorbereid, verheerlijkt, gefaciliteerd
of gepleegd afdoende? Zo ja, waarom en hoe vaak maakt de politie in het verband van
dergelijke online groepen gebruik van deze bevoegdheid? Zo nee, waarom niet? En indien
niet, bent u van plan dat op korte termijn op te lossen zodat dit opsporingsmiddel
hier wel kan worden ingezet?
Antwoord 8
In geval van een concrete verdenking van een misdrijf (waaronder een seksueel misdrijf),
kan de officier van justitie op grond van de artikelen 126g en 126j Sv bevelen tot
stelselmatige observatie of het stelselmatig inwinnen van informatie, ook in besloten
digitale groepen. Inzet van deze bevoegdheden vindt alleen plaats wanneer dat noodzakelijk
en proportioneel is, onder gezag van het Openbaar Ministerie en met inachtneming van
de wettelijke waarborgen en rechterlijke toetsing waar vereist.
Over de frequentie van de toepassing van deze bevoegdheden kunnen geen gedetailleerde
cijfers worden gedeeld. Deze inzet wordt selectief toegepast en cijfers daarover worden
niet afzonderlijk en centraal openbaar gemaakt, mede vanwege het opsporingsbelang.
Vraag 9
In hoeverre worden online platforms, hostingdiensten en beheerders van digitale gemeenschappen
momenteel verantwoordelijk gehouden voor het signaleren, verwijderen en melden van
niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en beelden van seksueel misbruik? Hoe verhoudt
die verantwoordelijkheid zich tot de Online Safety Act in het Verenigd Koninkrijk?
Antwoord 9
De doelen van de DSA en de Online Safety Act zijn vergelijkbaar in het bevorderen
van een veilige online omgeving door online aanbieders verplichtingen op te leggen
die onder meer zien op effectieve moderatie en risicobeheersing. Verschillen zijn
er ook, zoals in de benadering van de risicosturing en het toezichtsmodel.
De Digital Services Act (DSA) bevat enerzijds een kader voor de aansprakelijkheid
van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten en online platforms,
en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waar deze diensten aan moeten
voldoen. Hostingdiensten en online platforms dienen illegale online content te verwijderen
of ontoegankelijk te maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan
kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel
genieten, en riskeren zij zelf aansprakelijkheid. Kennis kan onder meer ontstaan door
de ontvangst van een melding van illegale online content. Daarnaast legt de DSA aan
tussenhandeldiensten zorgvuldigheidsverplichtingen op, zoals het inrichten van kennisgevings-
en actiemechanismen, zodat het melden van illegale online content voor iedereen eenvoudig
en toegankelijk is. De DSA betreft maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte
voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale
eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen
aan tussenhandeldiensten.
Er kan sprake zijn van illegale online content in de zin van de DSA indien op het
beeldmateriaal seksuele gedragingen van personen zichtbaar zijn die zelf geen toestemming
hebben gegeven om die opnamen te maken dan wel te verspreiden (artikel 254ba Sr).
De Online Safety Act 2023 stelt een uitgebreid wettelijk kader vast voor online gebruikersdiensten
(zoals sociale mediaplatforms en onlinefora) en zoekdiensten. Op grond van deze wet
rusten op deze diensten duidelijke wettelijke verplichtingen om illegale content,
waaronder het zonder toestemming verspreiden van intieme afbeeldingen, tegen te gaan.
Op basis van de wet moeten deze diensten proportionele systemen en processen inrichten
om de risico's op illegale content, waaronder misbruik van intieme afbeeldingen zonder
toestemming, te identificeren, te beperken en te beheersen. Dit omvat onder meer de
verplichting om risicoanalyses uit te voeren, effectieve systemen voor contentmoderatie
te implementeren en toegankelijke meld- en klachtenprocedures voor gebruikers in te
richten. Platforms moeten daarnaast maatregelen treffen om te voorkomen dat gebruikers
met illegale content worden geconfronteerd en dergelijke content, zodra zij daarvan
kennis hebben, snel verwijderen.
Deze verplichtingen gelden voor de volledige werking van een dienst. In de praktijk
betekent dit onder meer dat effectieve moderatie- en meldsystemen aanwezig moeten
zijn voor de verschillende functies, onderdelen en gebruikersgemeenschappen van een
platform. De wet is nadrukkelijk gebaseerd op een stelsel van systemen en processen.
Van aanbieders wordt verwacht dat zij risico's op een integrale en proportionele wijze
aanpakken, en niet uitsluitend reageren door afzonderlijke uitingen van illegale content
achteraf te verwijderen.
Voor zoekdiensten gelden vergelijkbare verplichtingen. Zij moeten proportionele maatregelen
treffen om te voorkomen dat gebruikers via zoekresultaten worden blootgesteld aan
illegale content. Dit omvat onder meer het inrichten van systemen om dergelijke content
in zoekindexen te identificeren en de kans te verkleinen dat gebruikers daarmee worden
geconfronteerd, mede naar aanleiding van meldingen van gebruikers.
De Online Safety Act legt geen directe verplichtingen op aan hostingdiensten van derden
of andere aanbieders van internetinfrastructuur. De wet kent de Britse toezichthouder
«Ofcom» echter ruime handhavingsbevoegdheden toe wanneer gereguleerde platforms of
zoekdiensten hun wettelijke verplichtingen niet nakomen. Zo kan Ofcom gebruikmaken
van zogenoemde Business Disruption Measures door de rechter te verzoeken derden, zoals hostingdiensten, betalingsverwerkers of
internetaanbieders, te verplichten hun dienstverlening aan een niet-conform platform
te beëindigen of de toegang daartoe te beperken.
Samengevat legt de Online Safety Act 2023 de primaire verantwoordelijkheid bij gebruikersdiensten
en zoekdiensten om de verspreiding van seksueel getinte afbeeldingen die zonder toestemming
zijn gedeeld, te identificeren, te verwijderen en te beperken door middel van robuuste
en proportionele systemen en processen. Hoewel hostingdiensten en andere aanbieders
van internetinfrastructuur niet rechtstreeks aan deze verplichtingen zijn gebonden,
kunnen zij via de handhavingsbevoegdheden van Ofcom indirect worden betrokken wanneer
dat noodzakelijk is om naleving van de wet af te dwingen.
Vraag 10
Acht u het wenselijk dat er aanvullende maatregelen komen om platforms verantwoordelijk
te houden voor het proactief bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal
en andere vormen van online seksueel misbruik? Zo ja, aan welke maatregelen denkt
u? Zo nee, waarom niet en waaruit blijkt dat de bestaande maatregelen afdoende zijn?
Antwoord 10
Op dit moment kan aan aanbieders van tussenhandeldiensten gelet op artikel 8 DSA geen
algemene verplichting worden opgelegd tot monitoring van de door hen doorgegeven of
opgeslagen informatie, noch tot actief onderzoek naar feiten of omstandigheden die
duiden op illegale activiteiten. De DSA voorziet in maximumharmonisatie. Dit betekent
dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA
aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van
aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. Voor het einde van 2027 zal de
DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Dit biedt een belangrijke mogelijkheid
om te bezien of aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen voor tussenhandeldiensten
nodig en wenselijk zijn. De evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening
van de DSA. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de
Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met
betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de
Nederlandse inzet in Europa te bepalen.
Het kabinet acht het van groot belang dat aanbieders van diensten effectief optreden
tegen de verspreiding van strafbaar materiaal. Nederland zet zich daarom in Europees
verband in voor een juridisch kader waarmee aanbieders, binnen de grenzen van de grondrechten
en met passende waarborgen, maatregelen treffen om de verspreiding van dit materiaal
op hun diensten te voorkomen, op te sporen en te verwijderen.
Vraag 11
Acht u het wenselijk om het bezit, bekijken of verspreiden van beelden waarin personen
worden verkracht strafbaar te stellen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en hoe kan
deze praktijk dan via het bestaande strafrecht wel worden aangepakt?
Antwoord 11
Op grond van artikel 254ba Sr is het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van
een visuele weergave van seksueel aard van een ander strafbaar. Hetzelfde geldt voor
het beschikken over een dergelijke visuele weergave die zo is vervaardigd of het openbaar
maken hiervan. In geval van een verkrachting mag worden verondersteld dat het slachtoffer
niet instemt met het maken van het beeldmateriaal en dat dit materiaal daarom wederrechtelijk
is. Als de betrokkene minderjarig is, is het maken en verspreiden van een visuele
weergave van seksuele handelingen van diegene altijd strafbaar, zelfs als de minderjarige
vrijwillig betrokken is bij seksuele handelingen (artikel 252 Sr).
In dit verband kan in sommige gevallen ook relevant zijn de strafbaarstelling van
het openbaar maken en verspreiden van beeldmateriaal van slachtoffers waarin het initiatiefvoorstel
van de leden Straatman en Mutluer voorziet (Kamerstukken II 2022/23, 36 381, nr. 2). Ik volg de behandeling van dat wetsvoorstel door uw Kamer met interesse.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.