Schriftelijke vragen : Het antwoord op vragen over het artikel 'IPCC schrapt rampscenario: opwarming hooguit nog ‘maar’ 3,5 graden in 2100'” van 17 juli 2026.
Vragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Ministers van Klimaat en Groene Groei en van Infrastructuur en Waterstaat over het antwoord op vragen over het artikel «IPCC schrapt rampscenario: opwarming hooguit nog «maar» 3,5 graden in 2100» van 17 juli 2026 (ingezonden 28 augustus 2026).
Vraag 1
Klopt het dat in uw antwoord op vraag 21 u aangeeft dat in de KNMI’23 klimaatscenario’s gebruik is gemaakt van het hoge emissiescenario
SSP5–8.5 om een hoog klimaatscenario af te leiden als worst-case scenario voor de
effecten van klimaatverandering met als argument dat «Dit hoge klimaatscenario is
ook mogelijk bij lagere emissies als het klimaat gevoeliger blijkt te reageren op
een toename in broeikasgassen dan gedacht en/of als terugkoppelingen in de koolstofcyclus
de CO2 concentratie sneller doet toenemen dan gedacht.», waarmee aangetoond is dat het Koninklijk
Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) ondanks dat nationaal en internationaal
onderzoekers al bijna tien jaar waarschuwen dat het RCP8.5-scenario onwaarschijnlijk
is en niet meer gebruikt zou moeten worden voor beleidsdoeleinden, toch nog dit onwaarschijnlijke
scenario?
Vraag 2
Kunt u als dat klopt dan aangeven op welke wetenschappelijke literatuur het KNMI baseert
dat er versterkende effecten in het klimaat kunnen zitten waardoor het klimaat nog
heftiger kan gaan reageren op een toename van CO2?
Vraag 3
Klopt het dat het KNMI zonder wetenschappelijke onderbouwing nieuwe klimaatscenario’s
draait waarbij het probeert aan te tonen dat je zelfs met veel lagere emissies toch
die hoge opwarming kunt krijgen en dus geen afstand wil nemen van de hoge opwarming
en snelle zeespiegelstijging in hun Hoge scenario?
Vraag 4
Deelt u de mening en zo nee waarom niet dat in de «KNMI-klimaatscenario’s 2023» er
wel wordt gehint dat RCP8.5 niet langer plausibel zou zijn maar toch omschrijft het
KNMI in het antwoord op vraag 2 het gebruik van RCP8.5 als een worst-case scenario
terwijl die omschrijving in het 66 pagina’s tellende rapport van het KNMI helemaal
niet voorkomt en het KNMI en PBL het RCP8.5 scenario in 2014 dus wel degelijk opvoerden
als een business-as-usual scenario?
Vraag 5
Deelt u de volgende mening: in vraag 26 vraag ik de Kamer met spoed een eerste inventarisatie
te sturen van de projecten in Nederland die gebaseerd zijn op RCP8.5 en/of SSP5–8.5
zodat de Kamer kan zien hoe dit scenario heeft doorgewerkt in de samenleving en u
antwoord dat u daarvoor onvoldoende aanleiding ziet en verwijst u naar de Kamerbrief
«KNMI’23-klimaatscenario’s en doorwerking in Rijksbeleid» van 8 mei 20242 die een uitgebreid overzicht zou geven, maar die brief zelf noemt RCP8.5 of SSP5–8.5
niet expliciet maar geeft wel aan dat de overheid een scenario gebruikt dat vergelijkbaar
is met een hoge-emissiewereld (SSP5–8.5-familie) als basis voor een groot aantal strategische
investeringen en beleidsprogramma’s en de brief documenteert daarmee een brede institutionele
doorwerking van dit type scenario in de Nederlandse samenleving?
Vraag 6
Kunt u de projectlijsten van bijvoorbeeld (en niet limiterend) Rijkswaterstaat, Deltares,
ProRail, IPO, Unie van Waterschappen en de provincies waarnaar is gevraagd alsnog
aan de Kamer toesturen, ter aanvulling op de genoemde brief van Minister Harbers die
weliswaar bewijst dat de beleidsmatige doorwerking groot is, maar nog geen inventarisatie
van de feitelijke projectmatige doorwerking oplevert en alleen programma’s weergeeft?
Indieners
-
Gericht aan
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat -
Gericht aan
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Indiener
Henk Vermeer, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.