Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid De Beer over het bericht – ‘Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet - opleidingen dreigen te verdwijnen’
Schriftelijke vragen van het lid De Beer (VVD) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht: «Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet: opleidingen dreigen te verdwijnen» (ingezonden 9 juli 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 27 augustus
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2547.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet:
opleidingen dreigen te verdwijnen»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de zorgen van onder meer de technieksector dat juist kostbare technische
opleidingen onder druk komen te staan door de voorgestelde bekostigingssystematiek?
Antwoord 2
Er is bewust voor gekozen om de herziening geen negatief effect te laten hebben op
het totale budget dat instellingen ontvangen voor techniekopleidingen.
De herziening stelt instellingen in regio’s met dalende studentenaantallen juist in
staat om het opleidingsaanbod, waaronder de techniekopleidingen, te behouden.
Vraag 3
Deelt u de mening dat Nederland zich geen verdere verschraling van het technische
mbo-aanbod kan veroorloven gezien de enorme tekorten aan technisch personeel en de
maatschappelijke opgaven op het gebied van o.a. woningbouw, defensie, energie, infrastructuur
en tech? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Die mening deel ik. Het kabinet treft daarom verschillende maatregelen om techniekopleidingen
verder te stimuleren, bijvoorbeeld met de Talentstrategie die op 10 juli naar de Kamer
is verstuurd. Hiermee wordt meer talent opgeleid en begeleid naar de cruciale opgaven
waar Nederland voor staat. Binnen de Talentstrategie kiest het kabinet ervoor om specifiek
te investeren in vier domeinen: Digitalisering & AI, Veiligheid & weerbaarheid, Energie-
& klimaattechnologie en Life sciences & biotechnologie. Techniek speelt hier een belangrijke
rol in. In het mbo wordt dit verder vormgegeven via het nog af te sluiten Pact «Opleiden
voor de arbeidsmarkt van de toekomst». Met het pact wil het kabinet de instroom in
opleidingen voor de cruciale opgaven verhogen.
Ook met de herziene bekostiging wordt hier verder op ingezet. Met het samenwerkingsbudget
wordt namelijk € 200 miljoen beschikbaar gesteld om verder invulling te geven aan
de Talentstrategie en het pact. Mbo-instellingen kunnen aanspraak maken op dit budget
via gezamenlijke regionale plannen met werkgevers, waarmee de doelstellingen uit de
Talentstrategie en het mbo-pact worden omgezet in concrete afspraken. In de plannen
zal in ieder geval aandacht zijn voor een afgestemd regionaal opleidingsportfolio
dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst.
Vraag 4
Kunt u uitsluiten dat de voorgestelde hervorming van de bekostigingssystematiek ertoe
leidt dat techniekopleidingen worden afgeschaald of verdwijnen in regio's waar de
vraag naar technisch personeel juist groot is?
Antwoord 4
De voorgestelde hervorming heeft geen negatief effect op het budget dat instellingen
ontvangen voor techniekopleidingen en stelt instellingen in regio’s met dalende studentenaantallen
juist in staat om het opleidingsaanbod, waaronder de techniekopleidingen, te behouden.
Daarnaast biedt de stabiliteit van een vaste voet instellingen meer zekerheid om noodzakelijke
investeringen in het opleidingsaanbod te doen. Dit komt de toegankelijkheid en kwaliteit
van het onderwijs ten goede, waaronder ook het techniekonderwijs. Voor de regio’s
met de sterkst dalende studentenaantallen wordt daarnaast een toegankelijkheidsopslag
geïntroduceerd. Hierdoor blijft mbo-onderwijs, waaronder in de techniek, beschikbaar
voor studenten in alle delen van Nederland. Ten slotte wordt met de voorgestelde hervorming
van de bekostigingssystematiek het aanbod in onder andere de techniek ook verder gestimuleerd
met behulp van het samenwerkingsbudget (zie antwoord op vraag2.
Vraag 5 en 6
Heeft u voorafgaand aan het onderliggende voorstel een impactanalyse laten uitvoeren
naar de gevolgen van deze nieuwe bekostiging voor technische opleidingen en andere
opleidingen in tekortsectoren? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee,
bent u voornemens dit nog te doen?
Op welke wijze wordt in de door u voorgestelde nieuwe bekostigingssystematiek rekening
gehouden met het feit dat technische opleidingen aantoonbaar hogere kosten kennen
dan veel andere opleidingen, bijvoorbeeld vanwege praktijklokalen, machines en materialen?
Antwoord 5 en 6
De mbo-bekostiging is een verdeelmodel over instellingen en kent geen vaste prijs
voor een (type) opleiding. De kosten van opleidingen worden in deze verdeling tot
uiting gebracht via de prijsfactoren. Een opleiding met hogere kosten kent een hogere
prijsfactor dan een opleiding met lagere kosten. Het verschilt per technische opleiding
welke prijsfactor is toegekend.
Met de voorgestelde vereenvoudiging van de prijsfactoren zullen de opleidingen die
nu de hoogste prijsfactor ontvangen, dat in de toekomst nog steeds krijgen. De vereenvoudiging
zorgt ervoor dat er, op basis van het huidige opleidingsaanbod, een lichte stijging
zit in het budget dat naar instellingen gaat met techniekopleidingen. Daarnaast worden
de negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren
van het huidige opleidingsaanbod gecompenseerd.
Hoeveel een instelling voor een student op een specifieke opleiding ontvangt, wordt
niet alleen bepaald door de prijsfactor van deze opleiding, maar is afhankelijk van
de totale verdeling van studenten over alle mbo-opleidingen in Nederland.
De budgettaire gevolgen van de voorgenomen wijzigingen zijn daarom per instelling
onderzocht en niet per specifieke opleiding. Dit uit zich in een herverdeeleffect.
Deze effecten per instelling voor het bekostigingsjaar 2026 zijn openbaar gemaakt
via de beslisnota’s bij de Kamerbrief Stabiele financiering voor goed en toegankelijk
mbo.
Vraag 7
Klopt het dat er € 200 miljoen beschikbaar komt voor regionale plannen die gericht
zijn op het opleiden voor maatschappelijk cruciale sectoren? Kunt u dat nader duiden?
Antwoord 7
Ja, dit betreft het samenwerkingsbudget. Met deze € 200 miljoen worden in regionale
plannen afspraken gemaakt met werkgevers over een afgestemd regionaal opleidingsportfolio
dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst. Ook dienen in het plan maatregelen
te staan die ervoor zorgen dat de instroom en uitstroom van studenten past bij het
opleidingsportfolio en de arbeidsmarkt van de toekomst. Daarnaast is er aandacht voor
de beschikbaarheid en kwaliteit van stages, met goede begeleiding en inzet op loopbaanoriëntatie
en -begeleiding (LOB) en flexibilisering.
De Talentstrategie en het nog af te sluiten Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van
de toekomst» vormen de kaders waaraan de regioplannen moeten voldoen. Zowel het Pact,
als de specifieke regeling van het samenwerkingsbudget worden nog verder vormgegeven.
Vraag 8
Waarom kiest u ervoor deze middelen afhankelijk te maken van bovengenoemde regionale
plannen terwijl instellingen en bedrijven aangeven behoefte te hebben aan structurele
zekerheid voor technische opleidingen?
Antwoord 8
Om de structurele zekerheid voor alle instellingen te vergroten introduceer ik de
vaste voet en de toegankelijkheidsopslag. Dit zijn vaste bedragen, die alleen worden
bijgesteld met de eventuele loon- en prijsbijstelling.
Voor een goede aansluiting tussen het mbo-onderwijs op de arbeidsmarkt is naast deze
zekerheid, regionale samenwerking cruciaal. Dit gaat om samenwerking tussen instellingen
onderling, maar ook bijvoorbeeld met werkgevers. Deze samenwerking komt niet overal
voldoende tot stand. Daarom kies ik ervoor om de instellingen, in afstemming met werkgevers,
regioplannen te laten maken.
Mijn ministerie stelt criteria op voor de regioplannen en beoordeelt de plannen op
onder meer de inhoudelijke doelen en ambitie. Een strak beoordelingskader zorgt ervoor
dat ik kan sturen op de gewenste uitkomsten. Dergelijke sturing is niet mogelijk via
de lumpsum, vandaar dat ik kies voor de systematiek van het samenwerkingsbudget.
Voor de Regeling Aanvullende middelen studentendaling mbo 2025–2027 hebben mbo-instellingen
in regio’s met de sterkst dalende studentenaantallen ook regioplannen moeten maken
om de toegankelijkheid in hun regio te borgen.
De ervaringen met deze systematiek van regioplannen zijn positief.
Vraag 9
Klopt het dat instellingen die relatief veel studenten opleiden voor de techniek maar
niet onder de toegankelijkheidstoeslag vallen per saldo nadeel kunnen ondervinden
van de voorgestelde herverdeling? Zo ja, kunt u dat nader duiden?
Antwoord 9
Ja, dit kan het geval zijn. De negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging
van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod worden gecompenseerd. Instellingen
ondervinden hier dus geen nadeel van. Het kan wel zo zijn dat instellingen als gevolg
van de introductie van de vaste voet en de toegankelijkheidsopslag een negatief herverdeeleffect
hebben. Dit heeft onder andere te maken met de ontwikkeling van de studentenaantallen
van instellingen ten opzichte van de ontwikkeling bij andere instellingen.
Vraag 10
Hoe gaat u bij de verdere uitwerking van de bekostigingssystematiek voorkomen dat
opleidingen in tekortsectoren, waaronder de techniek, geen nadelen ondervinden van
de herverdeling van middelen?
Antwoord 10
Om dit te voorkomen heb ik besloten om met extra geld de negatieve herverdeeleffecten
als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod
te compenseren. Daarnaast geldt, zoals uiteengezet bij het antwoord op vraag 5 en
6, dat het bedrag dat een instelling aan bekostiging ontvangt afhankelijk is van het
volledige mbo-aanbod dat gevolgd wordt in heel Nederland.
Vraag 11
Deelt u de mening dat het mbo meer moet opleiden voor tekortsectoren? Waarom kiest
u er niet voor om een deel van de bekostiging afhankelijk te maken van de bijdrage
van opleidingen aan maatschappelijke tekorten, en klopt het dat dit eerder een nadrukkelijke
bouwsteen van de hervorming van de bekostiging was?
Antwoord 11
Een factor voor een hogere bekostiging voor opleidingen met grote maatschappelijke
relevantie is inderdaad een bouwsteen die eerder op tafel heeft gelegen. De Kamer
is hierover geïnformeerd.3 Er is onderzocht of een factor in de bekostiging kon worden ingebouwd, waardoor er
meer geld zou gaan naar opleidingen met een grote maatschappelijke relevantie. Dit
bleek echter niet effectief.
De factor zou namelijk worden toegepast op de lumpsum, die binnen de wettelijke kaders
vrij te besteden is. Het is dus geen garantie dat het hogere budget ten goede komt
van de arbeidsmarktrelevante opleidingen. Instellingen mogen besluiten om het budget
anders in te zetten. Daarnaast kent de lumpsum een verdeelmodel: dit betekent dat
de hogere factor bij de ene opleiding, ten kostte gaat van het budget bij andere opleidingen.
Dit kan de kwaliteit van andere opleidingen aantasten.
Bovenstaande argumenten zijn uiteengezet door de Reviewcommissie herziening bekostiging
mbo. Deze commissie heeft gedurende het proces van de herziening meerdere malen advies
gegeven over de gemaakte keuzes en het doorlopen proces. Hierbij is door mijn ambtsvoorganger
expliciet advies gevraagd over de arbeidsmarktfactor. De commissie benadrukte dat
het legitiem is om te sturen op maatschappelijke relevantie, maar zette fundamentele
vraagtekens bij de effectiviteit van sturing hierop via de bekostiging en benadrukte
daarbij bovenstaande punten. De commissie adviseerde daarom om met andere instrumenten
te sturen op de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld via
het samenwerkingsbudget.
Met het samenwerkingsbudget wordt het budget geoormerkt. Daarmee is (in tegenstelling
tot een hogere factor in de lumpsum) verzekerd dat middelen aan de aansluiting van
het onderwijs op de arbeidsmarkt wordt uitgegeven. De keuze voor het samenwerkingsbudget
stelt mij in de gelegenheid criteria te stellen en de regioplannen te beoordelen.
Nauwe afstemming met werkgevers kan bijvoorbeeld worden geëist, evenals het sturen
op de kaders uit de Talentstrategie en het Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van
de toekomst».
Vraag 12
Bent u bereid om voorafgaand aan de behandeling van het wetsvoorstel met vertegenwoordigers
van de technieksector, mbo-instellingen en werkgevers aanvullende afspraken te maken
om te voorkomen dat technische opleidingen verdwijnen?
Antwoord 12
Ik heb veelvuldig contact gehad met mbo-instellingen en werkgevers over de totstandkoming
van het voorstel voor de herziene bekostiging. Ook ben ik in gesprek met vertegenwoordigers
van de technieksector. Daarnaast ben ik met de mbo-instellingen en werkgevers in gesprek
over het Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst», waarmee in invulling
zal geven aan de Talentstrategie voor het mbo. In dit pact maken overheid, mbo en
werkgevers landelijke afspraken om samen studenten op te leiden voor de cruciale sectoren
voor onze welvaart en samenleving. U wordt hier dit najaar verder over geïnformeerd.
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.