Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Teunissen over de klimaatimpact van de veehouderij en de kabinetsaanpak
Vragen van het lid Teunissen (PvdD) aan de Ministers van Klimaat en Groene Groei en van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de klimaatimpact van de veehouderij en de kabinetsaanpak (ingezonden 16 juli 2026).
Antwoord van Minister Van Essen (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur),
mede namens de Minister van Klimaat en Groene Groei (ontvangen 26 augustus 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2635.
Vraag 1
Kunt u bevestigen dat volgens de meest recente Klimaat- en Energieverkenning (KEV)
nog circa 24 megaton CO2-reductie nodig is om de klimaatdoelen voor 2030 te halen?
Antwoord 1
Volgens de Klimaat- en Energieverkenning 2025 (KEV25) van het Planbureau voor de Leefomgeving
(PBL) is nog 22 megaton CO2-eq. aanvullende broeikasgasreductie nodig om het wettelijke klimaatdoel van 55% broeikasgasreductie
in 2030 ten opzichte van 1990 met 95% zekerheid te halen. In de KEV26, die met Prinsjesdag
wordt gepubliceerd, komt het PBL met nieuwe cijfers en ramingen richting 2030, zie
ook antwoord op vraag 4.
Vraag 2
Kunt u aangeven hoeveel de landbouwsector en specifiek de veehouderij uitstoot in
CO2-equivalenten volgens de meest recente cijfers? Welk aandeel is dit van de totale
uitstoot in Nederland?
Antwoord 2
Volgens de KEV25 kwamen de broeikasgasemissies van de landbouw in 2024 uit op 24,8
megaton CO2-eq. Hiervan kwam 17,8 megaton CO2-eq. door de procesemissies van de veehouderij en akkerbouw. De overige emissies kwamen
door energieverbruik, met name afkomstig van de glastuinbouw. Dit komt neer op een
aandeel van 17,1% van de landbouw en 12,3% specifiek van de procesemissies van de
veehouderij en akkerbouw, van de totale uitstoot (145 megaton CO2-eq.) in Nederland.
Vraag 3
Hoeveel van de nog benodigde reductiedoelstelling van 24 megaton gaat u toerekenen
aan de landbouw- en veehouderijsector?
Antwoord 3
In 2022 zijn voor alle klimaatsectoren indicatieve sectordoelen gesteld1. In de voorjaarsbesluitvorming 20232 is de indicatieve restemissie van de landbouw aangescherpt met 1 Mton CO2-eq. extra reductie in de glastuinbouw. De landbouwsector heeft hierdoor een indicatief
sectordoel (restemissiedoel) van 17,9 megaton CO2-eq. in 2030. Dit is uitgesplitst in een bijdrage van de veehouderij en akkerbouw
van 13,6 megaton CO2-eq. en een bijdrage van de glastuinbouw van 4,3 megaton CO2-eq. in 2030. Volgens de KEV25 is het gat tot het doelbereik voor de landbouw nog
4 megaton CO2-eq., waarvan 2,5 megaton CO2-eq. voor de veehouderij en akkerbouw.
Vraag 4
Kunt u aangeven hoeveel broeikasgasreductie het kabinet op dit moment concreet verwacht
te realiseren in de veehouderij richting 2030 en 2035, uitgesplitst naar maatregelen
en in megatonnen CO2-equivalenten, gezien het voornemen om pas vanaf 2035 doelsturing in te voeren?
Antwoord 4
In de KEV26, die met Prinsjesdag wordt gepubliceerd, komt het PBL met nieuwe cijfers
en ramingen richting 2030. Het kabinet heeft op 26 juni jl. het maatregelenpakket
landbouw, natuur en stikstof gepresenteerd.3 De maatregelen die hierin zijn genomen zullen vanwege de doorlooptijd nog niet kunnen
worden meegenomen in de ramingen in de KEV26. In september 2026 volgt wel een reflectie
van het PBL op dit maatregelenpakket, waarin ook de klimaateffecten worden meegenomen.
Vraag 5
Staat de reductiedoelstelling uit het Klimaatakkoord 2019 van 1,2 tot 2,7 megaton
nog steeds overeind, of gelden er op dit moment andere doelstellingen, aangezien in
het Klimaatplan 2025–2035 geen concrete reductiedoelstellingen worden genoemd voor
landbouw en veehouderij?
Antwoord 5
Na het Klimaatakkoord uit 2019 zijn zowel de wettelijke doelen (via wijziging van
de Klimaatwet) als het bijbehorende beleid aangescherpt. Het kabinet stuurt voor de
klimaatopgave primair op de indicatieve sectordoelen (restemissiedoelen), waaronder
het eerdergenoemde restemissiedoel van 17,9 megaton CO2-eq. voor de landbouw. Daarnaast heeft Nederland zich gecommitteerd aan de Global
Methane Pledge. Dit houdt in dat Nederland zich inzet voor 30% reductie van methaan
in 2030 ten opzichte van 2020.
Vraag 6
Wordt de reductiedoelstelling uit het Klimaatakkoord 2019 van 1,2 tot 2,7 megaton
vanuit de veehouderij gehaald, en zo nee, waarom en welke reductie resteert?
Antwoord 6
Zie hiervoor het antwoord op de vragen 3 en 5.
Vraag 7
Kunt u toelichten waarom in het Klimaatplan 2025–2035 geen concrete reductiedoelen
of maatregelen voor de landbouw en veehouderij in megatonnen zijn opgenomen, terwijl
deze sector een substantiële bijdrage levert aan de nationale uitstoot?
Antwoord 7
In het Klimaatplan, dat eens in de vijf jaar wordt vastgesteld, is een meerjarige
beleidsagenda opgenomen en wordt het transitiepad geschetst voor de lange termijn.
Het Klimaatplan bevat geen concrete reductiedoelen of maatregelen voor sectoren na
2030, ook niet voor andere sectoren dan de landbouw. De meerjarige beleidsagenda wordt
in de jaarlijkse klimaatcyclus gebruikt voor de budgettaire besluitvorming over concrete
klimaatmaatregelen. De meerjarige beleidsagenda is in de Klimaat- en Energienota 2025
geactualiseerd.4
Vraag 8
Deelt u de conclusie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dat het huidige
beleid onvoldoende is om de klimaatdoelen te halen en dat aanvullend beleid noodzakelijk
is dat op korte termijn emissiereductie oplevert? Zo ja, welke aanvullende maatregelen
bereidt u specifiek voor de veehouderij voor?
Antwoord 8
Het PBL stelt in de KEV25 dat het huidige beleid onvoldoende is om de klimaatdoelen
te halen. Na het verschijnen van de KEV25 heeft het kabinet maatregelen voor de landbouwsector
aangekondigd in het kader van het pakket voor landbouw, natuur en stikstof. Onderdeel
van dit pakket zijn de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat.
Hiermee zet het kabinet in op reductie van broeikasgassen in de veehouderij. Daarnaast
zijn er ook andere maatregelen aangekondigd die naar verwachting effect hebben op
de reductie van de broeikasgassenuitstoot in de landbouw, zoals de vrijwillige beëindigingsregeling,
de afroming van productierechten en grondgebondenheid. Conform het coalitieakkoord
neemt het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen om
de klimaatdoelen te halen. Het kabinet wil aansluiten bij de Europese aanpak en kijkt
hiervoor ook naar de voorstellen van de Europese Commissie voor het 2040-maatregelenpakket
die later dit jaar worden verwacht.
Vraag 9
Kunt u aangeven hoeveel CO2-reductie wordt verwacht als gevolg van het stikstofbeleid? Wat betekent dit voor
de zekerheid waarmee klimaatdoelen gehaald kunnen worden?
Antwoord 9
Het PBL presenteert in september een reflectie op het maatregelenpakket landbouw,
natuur en stikstof. Het klimaateffect van het pakket zal in deze reflectie ook worden
doorgerekend.
Vraag 10
Kunt u inzichtelijk maken in welke mate de omvang van de veestapel onderdeel is van
het klimaatbeleid, gegeven dat het PBL aangeeft dat deze voor een groot deel bepalend
is voor de broeikasgasemissies? Welke concrete beleidskeuzes en doelstellingen hanteert
het kabinet op dit punt?
Antwoord 10
Het kabinet stuurt in het klimaatbeleid op de eerdergenoemde sectorale restemissiedoelen.
Voor de veehouderij is er vanuit de Ministeriële Taskforce voor landbouw, natuur en
stikstof een reeks aan maatregelen aangekondigd, waaronder de bedrijfsspecifieke emissienormen
voor stikstof en klimaat. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Vraag 11
Kunt u toelichten wat u verstaat onder «een stevige aanpak [...] om invulling te geven aan het sectordoel van de veehouderij
en mestaanwending in de akkerbouw» zoals genoemd in het Klimaatplan 2025–2025 (p. 43), en welke concrete maatregelen
daar op dit moment onder vallen?
Antwoord 11
Zoals genoemd heeft het kabinet onlangs het maatregelenpakket landbouw, natuur en
stikstof gepresenteerd. Deze maatregelen zullen ook een bijdrage leveren aan de klimaatdoelen
voor de landbouw. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8. Conform het coalitieakkoord
neemt het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen om
de klimaatdoelen te halen.
Vraag 12
Kunt u per maatregel aangeven wat het verwachte reductiepotentieel is, binnen welke
termijn deze gerealiseerd wordt en hoe zeker deze reductie is (bijvoorbeeld op basis
van gevalideerde praktijkdata)?
Antwoord 12
In september 2026 wordt de doorrekening van PBL voor het maatregelenpakket landbouw,
natuur en stikstof verwacht. Hierbij wordt ook gekeken naar de effecten voor klimaat.
Vraag 13
In hoeverre leunt het huidige beleid op technologische innovaties, zoals emissiearme
stalsystemen en managementmaatregelen? Hoe beoordeelt u de risico’s dat deze innovaties
onvoldoende of te laat leveren?
Antwoord 13
De aanpak bestaat uit verschillende soorten maatregelen en leunt niet alleen op technologische
innovaties. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Voor het behalen van de bedrijfsspecifieke emissiedoelen is het van belang dat de
veehouder voldoende maatregelen tot zijn beschikking heeft om het bedrijfsspecifieke
emissiedoel te halen. Daarom wordt het doel ook bepaald op basis van technisch reductiepotentieel.
De borging van de bedrijfsspecifieke emissiedoelen wordt verder uitgewerkt om te zorgen
dat ingezette maatregelen ook tot daadwerkelijke reductie zullen leiden.
Vraag 14
Klopt het dat het kabinet voornemens is doelsturing pas vanaf 2035 in te voeren, waarbij
agrariërs afrekenbare emissiedoelen krijgen? Waarom wordt deze systematiek niet al
vóór 2030 ingevoerd, gezien de urgentie van de klimaatopgave?
Antwoord 14
Doelsturing en het invoeren van afrekenbare emissienormen vraagt om een uitvoerige
systeemwijziging die niet van vandaag op morgen gerealiseerd is. De periode richting
2035 geeft agrarische bedrijven tevens de ruimte om zorgvuldige keuzes te maken over
de toekomst van hun bedrijf waarna ze moeten voldoen aan de individuele bedrijfsnormen.
Het is daarbij cruciaal om ondernemers te ondersteunen met het maken van deze keuzes
en in het nemen van maatregelen om in 2035 voldoen aan de geldende normen. Voor ammoniak
geldt bovendien in 2030 een sectorale streefwaarde waardoor er naar verwachting al
sprake zal zijn van reductie voor 2030. Het kabinet verkent de mogelijkheden voor
een passend borgingsmechanisme in 2030.
Vraag 15
Hoe verhoudt het uitstellen van doelsturing tot na 2030 zich tot de noodzaak om op
korte termijn substantiële emissiereducties te realiseren?
Antwoord 15
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 14. Er geldt voor ammoniak een sectorale streefwaarde
voor 2030 en het kabinet verkent mogelijkheden voor een passend borgingsmechanisme.
Daarnaast zet het kabinet voordat de normen afrekenbaar worden al in op emissiereducerende
maatregelen door bijvoorbeeld managementmaatregelen te stimuleren. Naast de inzet
op doelsturing, heeft het kabinet andere maatregelen aangekondigd in het onlangs verschenen
maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Vraag 16
Welke alternatieve instrumenten zet het kabinet vóór 2030 in om daadwerkelijk afdwingbare
emissiereductie in de veehouderij te realiseren?
Antwoord 16
Zie antwoord op vraag 15.
Vraag 17
Kunt u toelichten waarom het kabinet stelt dat emissies uit de veehouderij in 2050
niet tot nul kunnen worden teruggebracht, en in hoeverre deze aanname invloed heeft
op de ambitie en inzet richting 2030?
Antwoord 17
De emissies uit de veehouderij worden in 2050 niet tot nul teruggebracht vanwege de
biologische processen die met deze emissies gepaard gaan. Met de huidige inzichten
kunnen deze biologische processen van met name (melk)vee en mesttoediening niet volledig
emissievrij worden. De (melk)veehouderij en mesttoediening zal ook in 2050 nog in
Nederland plaatsvinden, waardoor deze sector niet geheel naar nul emissie zal gaan.
Deze stelling doet niets af aan de ambitie en inzet richting het klimaatdoel van 2030.
Vraag 18
Hoe groot acht u de resterende emissies uit de landbouwsector in 2030, en in hoeverre
rekent u op koolstofverwijdering of andere vormen van compensatie om deze te neutraliseren?
Antwoord 18
Zie antwoord op vraag 2. De indicatieve sectordoelen voor 2030 tellen op tot het wettelijke
netto reductiedoel van 55% ten opzichte van 1990. Het kabinet stuurt op doelbereik
in de sectoren en rekent voor 2030 niet op koolstofverwijdering of andere vormen van
compensatie voor het indicatieve sectordoel voor de landbouw. Voor realisatie van
het indicatieve sectordoel voor het landgebruik in 2030 wordt echter wel gerekend
op een toename van koolstofverwijdering in bossen en minerale bodems, naast emissiereductie
uit organische veenbodems.
Vraag 19
Acht u het wenselijk om in te zetten op compensatie van landbouwemissies, in plaats
van maximale reductie aan de bron? Kunt u dit toelichten?
Antwoord 19
Een van de uitgangspunten uit de Routekaart Koolstofverwijdering5 is dat het reduceren van broeikasgasemissies voorop blijft staan. Hiermee wordt de
afhankelijkheid van koolstofverwijdering voor compensatie richting klimaatneutraliteit
in 2050 geminimaliseerd. Voor de landbouwsector, evenals voor andere klimaatsectoren,
betekent dit concreet dat emissiereductie aan de bron plaatsvindt waar dit mogelijk
en haalbaar is. Onvermijdelijke of zeer moeilijk te reduceren emissies worden op duurzame
wijze gecompenseerd door de inzet van koolstofverwijdering.
Vraag 20
Hoe borgt u dat Nederland voldoet aan de verplichtingen onder de Europese Effort Sharing
Regulation (ESR), waarin landbouwemissies zijn inbegrepen, indien aanvullende nationale
maatregelen uitblijven?
Antwoord 20
De KEV25 raamt dat het heel erg waarschijnlijk is (meer dan 95% kans) dat Nederland
zijn verplichtingen nakomt onder de ESR. De ESR beslaat naast landbouw ook uit emissies
uit mobiliteit (excl. luchtvaart), gebouwde omgeving, kleine industrie en afval.
Vraag 21
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn als Nederland zijn ESR-doelen niet haalt, zowel
financieel als juridisch?
Antwoord 21
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 20, ligt Nederland op koers om het ESR-doel
voor 2030 te halen. Een lidstaat die niet voldoende reductie behaalt binnen de ESR,
kan verschillende flexibiliteiten uit de verordening inzetten om alsnog aan de ESR-verplichting
te kunnen voldoen. Hier gaat het onder andere om compensatie tussen verschillende
jaren of het kopen van emissieruimte van andere lidstaten. Indien na inzet van deze
flexibiliteiten alsnog niet voldaan wordt aan de verplichting, treedt de boeteclausule
van de ESR-verordening in werking. De lidstaat moet in latere jaren dan meer emissies
reduceren. Haalt een land de doelen structureel niet, dan heeft de Europese Commissie
de mogelijkheid om een inbreukprocedure te starten bij het EU-Hof, wat kan leiden
tot geldboetes voor de overheid.
Vraag 22
Kunt u reflecteren op de bredere klimaatimpact van het in stand houden van de huidige
omvang van de veehouderij, mede in relatie tot beleidskeuzes rond bijvoorbeeld groen
gas? In hoeverre worden hier ook scope-2 en -3 effecten meegenomen?
Antwoord 22
Het kabinet stuurt voor de klimaatdoelen op emissiereductie van broeikasgassen. De
inzet op groen gas is hier onderdeel van. De omvang van de veehouderij is geen doel
op zich, maar kan wel een resultante zijn van het gevoerde beleid. Scope-2 en scope-3
effecten vormen geen onderdeel van de doelen, maar kunnen wel worden meegewogen in
de besluitvorming.
Vraag 23
Welke concrete stappen is het kabinet bereid op korte termijn te zetten om de uitstoot
van de veehouderij daadwerkelijk en substantieel te reduceren, en wanneer kan de Kamer
hierover uitgewerkte voorstellen verwachten?
Antwoord 23
Het kabinet zal de komende tijd uitgewerkte voorstellen uit het maatregelenpakket
landbouw, natuur en stikstof aan de Kamer doen toekomen. Zie verder ook het antwoord
op vraag 8.
Vraag 24
Deelt u de opvatting dat het huidige beleid onvoldoende concreet, onvoldoende afdwingbaar
en onvoldoende ambitieus is om de klimaatdoelen te halen? Zo nee, waarop baseert u
dat?
Antwoord 24
Volgens de KEV25 zijn er aanvullende maatregelen nodig om de klimaatdoelen te realiseren.
Met het gepresenteerde maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof beoogt het kabinet
een forse stap te zetten richting het vlottrekken van vergunningverlening. Maatregelen
uit dit maatregelenpakket kennen ook een emissie-reducerend effect op klimaat. In
september komt het PBL met een reflectie op dit maatregelenpakket, waarin ook wordt
gekeken naar het klimaateffect. Daarnaast volgt met Prinsjesdag de KEV26 met nieuwe
ramingen van het PBL. Conform het coalitieakkoord zal het kabinet in het voorjaar
van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen nemen om de klimaatdoelen te halen.
Vraag 25
Kunt u deze vragen afzonderlijk, onderbouwd en op tijd beantwoorden?
Antwoord 25
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede namens
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.