Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Ten Hove over de reactie op een burgerbrief over het artikel ‘Luchtmachtpiloot versus Defensie: Victor blijft Knokken, alsmede aanvullende en onbeantwoorde vragen over het debat over de veteranennota
Vragen van het lid Ten Hove (Groep Markuszower) aan de Staatssecretaris van Defensie over de reactie op een burgerbrief over het artikel «Luchtmachtpiloot versus Defensie: Victor blijft Knokken», alsmede aanvullende en onbeantwoorde vragen over het debat over de veteranennota (ingezonden 16 juli 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Boswijk (Defensie) (ontvangen 25 augustus 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel van het online luchtvaartplatform Up in the
Sky van 9 mei 2026 (hierna: het artikel) «Luchtmachtpiloot versus Defensie: Victor
blijft knokken»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Heeft u kennisgenomen van de aan u gerichte brief van de vaste commissie voor Defensie
van 21 mei 2026 met de aanhef «Betreft: Aanbieding artikel «Luchtmachtpiloot versus
Defensie: Victor blijft knokken»» en het verzoek daarin dat stelt: «In de procedurevergadering
van 21 mei 2026 heeft de commissie besloten graag een reactie van u op dit artikel
te ontvangen»?2
Antwoord 2
Ja. Op 11 juni jl. heb ik op de brief van de vaste commissie voor Defensie mijn reactie
gegeven (Kamerstukken II 2025/26, 31 936, nr. 1297; kenmerk 2026D28894).
Vraag 3
Waarom heeft u in de kabinetsreactie van 11 juni 2026 gesteld «Bij brief van 21 mei
2026 (2026Z09727/2026D23983) te reageren op een brief van een burger van 11 mei 2026»3, terwijl uit het hierboven onder vraag 2 geciteerde schriftelijke verzoek van de
vaste commissie voor Defensie glashelder blijkt dat er door de Kamer niet is gevraagd
om een reactie op «een brief» en wel om een kabinetsreactie op het artikel?
Antwoord 3
In de brief van de vaste commissie voor Defensie werd gerefereerd aan een burgerbrief
met daarin hoofdzakelijk een verwijzing naar het genoemde artikel. In mijn eerdergenoemde
brief van 11 juni jl. heb ik daarop mijn reactie gegeven.
Vraag 4
Hoe verhoudt het niet honoreren van het verzoek van de Kamer, zoals hierboven onder
vraag 2 geciteerd, zich tot de informatieplicht van het kabinet jegens de Kamer en
tot Artikel 68 van de Grondwet?
Antwoord 4
De vaste commissie voor Defensie heeft verzocht om een reactie op het genoemde artikel.
In mijn brief van 11 juni jl. heb ik hierop gereageerd. Daarnaast is hierover ook
gesproken tijdens het notaoverleg Veteranen met de vaste commissie voor Defensie op
22 juni jl. Ik herken dan ook niet het beeld dat het verzoek van de Kamer om inlichtingen
niet zou zijn gehonoreerd. De door de Kamer gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.
Vraag 5
Welke wet of regeling staat het kabinet toe om dit verzoek om informatie van de Kamer
opzettelijk naast zich neer te leggen? Indien daarvoor geen legitieme grond bestaat,
welke gevolgtrekkingen verbindt u hieraan?
Antwoord 5
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, zijn de door de Kamer gevraagde inlichtingen
verstrekt.
Vraag 6
Hoe verhoudt het door de Minister van Defensie en vicepremier tijdens het debat over
de veteranennota van 22 juni 2026 niet beantwoorden van mijn gestelde vragen zich
tot de informatieplicht van het kabinet richting de Kamer en tot Artikel 68 van de
Grondwet?
Antwoord 6
Tijdens het notaoverleg Veteranen zijn aan de Minister van Defensie vragen gesteld
die betrekking hebben op een voormalig medewerker van Defensie.
In algemene zin dient het kabinet bij het verstrekken van inlichtingen aan de Staten-Generaal
die betrekking hebben op een individuele burger, rekening houden met het recht op
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals bepaald in artikel 10 van de Grondwet.
Voor zover de vragen geen betrekking hadden op privacygevoelige gegevens, heeft de
Minister deze – mede in relatie tot een motie over hetzelfde onderwerp – achteraf
schriftelijk beantwoord. Ik verwijs hiervoor naar de brief van de Minister van Defensie
van 29 juni 2026 (Kamerstukken II 2025/26, 30 139, nr. 307).
Vraag 7
In welke wet of regeling is vastgelegd dat het feit dat Defensie c.q. de Staat is
gedagvaard een uitzonderingsgrond zou zijn voor de informatieplicht van het kabinet
richting de Kamer die volgt uit Artikel 68 van de Grondwet? Indien die uitzonderingsgrond
niet bestaat, waarom beroept het kabinet zich er dan op?
Antwoord 7
In aanvulling op mijn antwoord op vraag 6 merk ik op dat de Minister van Defensie
tijdens het notaoverleg Veteranen van 22 juni jl. heeft toegelicht dat zij het in
eerste instantie niet opportuun achtte om in het parlement in te gaan op een individuele
casus waarbij Defensie door betrokkene is gedagvaard, aangezien dit het proces bij
de rechter zou kunnen beïnvloeden.
Vraag 8
Zijn er door Defensie inmiddels excuses aangeboden en aansprakelijkheid erkend voor
de onherroepelijke tuchtrechtelijke veroordelingen van 4 (vier) verschillende Defensieartsen,
waarvan 2 (twee) verschillende artsen in 2 (twee) verschillende rechtsplegingen voor
het vervalsen van het medische dossier van betrokkene? Zo nee, waarom niet en zo nee,
gaat de Minister van Defensie en zorgaanbieder van Defensie dat nog doen en zo nee,
waarom niet?
Antwoord 8
Ten aanzien van het vermeend vervalsen van het medisch dossier heeft het Centraal
Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in het hoger beroep de defensiearts een maatregel
van waarschuwing opgelegd. Daarbij geeft het Centraal Tuchtcollege aan: «Het Centraal
Tuchtcollege ziet overigens geen enkel aanknopingspunt voor de suggestie van klager
dat er sprake is van een moedwillige vervalsing of kwaad opzet van [de defensiearts]».
De tuchtklachten ten aanzien van een andere defensiearts over een verwijderingsverzoek
zijn gedeeltelijk gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel. Daarbij is
aangegeven door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: «het is het college
duidelijk geworden dat [de defensiearts] zeer prudent en zorgvuldig te werk heeft
willen gaan bij de afhandeling van het verwijderingsverzoek in de gegeven situatie.
Zij was op de hoogte van de relevante wet- en regelgeving en heeft zorgvuldig willen
zijn, maar is daarbij niet uitgegaan van de juiste maatstaf.»
Defensie heeft als bestuursorgaan over deze tuchtrechtelijke procedures tegen het
handelen van de twee defensie-artsen niet afzonderlijk excuses aangeboden en ziet
na de uitkomst van deze tuchtrechtelijke procedures hier ook geen verdere aanleiding
toe. Met betrokkene zijn twee vaststellingsovereenkomsten gesloten, waarbij finale
kwijting is overeengekomen.
Vraag 9
Waarom is de Kamer voorgehouden dat er sprake zou zijn van «opschoning» van het medisch
dossier van betrokkene, terwijl inmiddels in rechte vaststaat dat er sprake was van
vervalsing?4
Antwoord 9
Zie het antwoord op vraag 8.
Vraag 10
Waarom worden de tuchtrechtelijk veroordeelde artsen bijgestaan door de landsadvocaat,
terwijl Defensie in reactie op Kamervragen herhaaldelijk heeft gesteld dat Defensie
in deze kwestie geen partij zou zijn?
Antwoord 10
Defensie en, vervolgens drie (voormalig) defensiemedewerkers, waaronder twee (voormalig)
defensieartsen, zijn in 2025 gezamenlijk aansprakelijk gesteld voor een vermeende
gemiste carrière in de burgerluchtvaart. Daarom is besloten gezamenlijk verweer te
voeren. Gebruikelijk is dat de Staat in dit soort procedures vertegenwoordigd wordt
door de Landsadvocaat. Defensie en de (voormalig) defensiemedewerkers hebben deze
aansprakelijkheid van de hand gewezen. Defensie heeft onlangs schriftelijk verweer
ingediend bij de rechtbank Den Haag.
Vraag 11
Hoe verhoudt de stellingname van de Minister dat Defensie geen partij zou zijn zich
tot de verantwoordelijkheid van de Minister als zorgaanbieder van Defensie?
Antwoord 11
De tuchtklachten waren gericht tegen het handelen van defensieartsen. In die tuchtrechtprocedures
stond het individuele handelen van de defensieartsen centraal, en was Defensie geen
partij.
Vraag 12
Houdt het kabinet vol dat Defensie geen partij zou zijn? Zo ja, kunt u dat toelichten
en zo nee, wanneer is die opstelling veranderd en welke gevolgen heeft dit in relatie
tot de eerdere herhaaldelijke beweringen dat Defensie geen partij zou zijn?
Antwoord 12
Defensie is op dit moment, samen met drie (voormalig) defensiemedewerkers gedaagde
– en dus partij – in de gestarte dagvaardingsprocedure. Bij de tuchtrechtzaken gericht
tegen de artsen was Defensie geen partij.
Vraag 13
Waarom is de Kamer verkeerd geïnformeerd dat Defensie geen zwijgcontracten zou aanwenden
om medewerkers de mond te snoeren?5
Antwoord 13
Op basis van deze vraag is mij niet duidelijk waarop de veronderstelling is gebaseerd
dat Defensie «zwijgcontracten» zou aanwenden. Mijn ambtsvoorganger heeft in reactie
op de aangehaalde (en vervallen) motie uit 2019 het volgende aangegeven (Handelingen II 2018/19, nr. 51, item 4):
«En als u daartoe oproept in de motie, laat ik dan helder zijn: tot het mensen iets
laten ondertekenen om ze de mond te snoeren zullen we nooit oproepen, in de hele organisatie.
Dat heb ik u ook al eerder in debatten gezegd.
Maar er is iets wat ik wel belangrijk vind. We sluiten heel veel vaststellingsovereenkomsten
af; dat doet iedere werkgever in Nederland. Het kan zijn dat een van de partijen,
waaronder ook de werknemer, zegt: ik wil niet dat dit in de openbaarheid komt. Dus
dan komt er een geheimhoudingsparagraaf bij. Dat kan juist op verzoek zijn van de
werknemer. Dus ik weet niet hoe ik deze motie moet interpreteren. Als de oproep is:
«spreek nog een keer uit dat er geen sprake zal zijn van zwijgcontracten», dan spreek
ik dat bij deze nogmaals uit.»
Deze uitspraak is gedaan in de context van het rapport van de Commissie-Giebels uit
2018. Deze commissie deed onderzoek naar de sociaal veilige werkomgeving bij Defensie.
Een van de aanbevelingen van de Commissie-Giebels was om meer duidelijkheid te geven
over de «zwijgplicht» tijdens een intern onderzoek. In dit kader heeft de Kamer via
de motie-Kerstens verzocht om «voor eens en altijd duidelijk te maken dat het bij
het melden van misstanden en calamiteiten onder druk laten ondertekenen van geheimhoudingsverklaringen
niet aan de orde is» (Kamerstukken II 2018/19, 35 000 X, nr. 118).
In navolging hierop is de Aanwijzing SG 989 «Interne onderzoeken» aangepast, waarover
de Kamer op 10 februari 2020 per brief is geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35 300 X, nr. 54). De aanwijzing geeft aan dat betrokkenen bij het onderzoek vertrouwelijk moeten
omgaan met verkregen informatie. Als betrokkenen gedurende het interne onderzoek met
elkaar spreken over het onderzoek, kan dit namelijk de authenticiteit van de verklaringen
beïnvloeden, hetgeen de kwaliteit van het onderzoek niet ten goede komt. Echter, dit
mag er niet toe leiden dat een betrokkene ervan wordt weerhouden om aangifte te doen,
informatie te delen met zijn raadsman en/of vertrouwenspersoon of contact te zoeken
met andere officiële instanties, zoals de Onderzoeksraad voor Veiligheid, het Huis
voor Klokkenluiders, de Nationale ombudsman of andere externe toezichthouders.
Vraag 14
Hoe vaak en tegen hoeveel (voormalig) Defensiemedewerkers heeft Defensie zwijgcontracten
aangewend, door de medewerker ondertekend of niet? Indien dit nooit vaker is gebeurd,
waarom dan wel tegen betrokkene?
Antwoord 14
Ik herken mij niet in het geschetste beeld dat Defensie zwijgcontracten zou hebben
aangewend tegen (voormalig) defensiemedewerkers, waaronder betrokkene.
Vraag 15
Wie was de Defensiemedewerker die het zwijgcontract tegen betrokkene aanwendde en
welke functie bekleedde de Defensiemedewerker die het zwijgcontract aanwendde op dat
moment?
Antwoord 15
Zie het antwoord op vraag 14.
Vraag 16
Welke functie(s) bij Defensie heeft de medewerker, die het zwijgcontract tegen betrokkene
aanwendde, nadat het zwijgcontract is aangewend, nog bekleed bij Defensie?
Antwoord 16
Zie het antwoord op vraag 14.
Vraag 17
Is de medewerker die het zwijgcontract inzette tegen betrokkene vandaag de dag nog
werkzaam bij Defensie en zo ja, op welke functie?
Antwoord 17
Zie het antwoord op vraag 14.
Vraag 18
Hoe verhoudt het voor betrokkene achtergehouden dossier van tenminste 1700 e-mails
van de toenmalige commandant van de vliegbasis Eindhoven zich tot goed werkgeverschap,
de AVG, de wet- en regelgeving met betrekking tot de bescherming van klokkenluiders
en de sociale veiligheid binnen Defensie?
Antwoord 18
Ik herken mij niet in het beeld dat er e-mails zouden zijn achtergehouden.
Vraag 19
Beheert Defensie over meer (voormalig) Defensiemedewerkers dergelijke dossiers en
zo ja van hoeveel (voormalig) werknemers en zo nee, waarom dan wel over betrokkene?
Antwoord 19
Defensiemedewerkers hebben een personeelsdossier, en zorgverleners houden conform
de daarvoor geldende wettelijke verplichting een medisch dossier bij. Bij uitzondering
kan daarnaast sprake zijn van een aanvullend dossier, zoals een onderzoeksdossier
in het geval van een intern onderzoek.
Vraag 20
Indien Defensie dergelijke dossiers beheert van meer (voormalige) Defensiemedewerkers,
om hoeveel medewerkers gaat het, waaruit bestaan die dossiers, wat is de omvang van
die dossiers en zijn de betreffende medewerkers daarover geïnformeerd? Zo nee, waarom
niet? Zo ja, gaat Defensie deze dossiers delen met de betreffende medewerkers en zo
nee waarom niet?
Antwoord 20
Defensiemedewerkers zijn ermee bekend dat Defensie, met inachtneming van de AVG, persoonsgegevens
bijhoudt, zoals dat gebruikelijk is bij het bijhouden van personeelsdossiers. Daarnaast
is Defensie wettelijk verplicht medische dossiers van (oud-)medewerkers bij te houden.
Medewerkers en oud-medewerkers van Defensie kunnen hun personeelsdossier en medisch
dossier desgewenst opvragen.
Onderzoekdossiers, zoals beschreven bij vraag 19, zijn uitsluitend toegankelijk voor
het bevoegd gezag of geautoriseerde functionarissen. Betrokkenen kunnen verzoeken
om afschriften van die delen van een onderzoeksdossier die rechtstreeks op hen betrekking
hebben.
Vraag 21
Waarom heeft Defensie het dossier van tenminste 1700 e-mails over betrokkene ook achtergehouden
voor de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO)6?
Antwoord 21
Defensie heeft volledige medewerking verleend aan het onderzoek van de Onderzoeksraad
Integriteit Overheid. Defensie heeft de informatie aangeleverd waar door de Onderzoeksraad
Integriteit Overheid om is verzocht.
Vraag 22
Waarom heeft betrokkene het dossier, waaronder maar zich niet beperkend tot de 1700
e-mails over hem van de voormalig commandant van vliegbasis Eindhoven en de documenten
die zijn achtergehouden met het zwijgcontract, ook bij navraag7 en ook met een beroep op de AVG8, nooit ontvangen?
Antwoord 22
Defensie heeft per brief van 29 januari 2021 hierover met betrokkene gecorrespondeerd
en deze vragen geadresseerd. Het recht van inzage op grond van de AVG is van toepassing.
Indien een verzoek wordt ingediend vindt beoordeling plaats conform de vigerende wet-
en regelgeving waaronder de beperkingen in artikel 13 AVG zoals de rechten en vrijheden
van anderen.
Vraag 23
Heeft het Ministerie van Defensie in deze kwestie informatie, waaronder in ieder geval
de documenten zoals door betrokkene genoemd in de brieven van 4 maart 2019 en 12 januari
2021 die beiden in afschrift zijn verstuurd aan de Kamer9, achtergehouden voor de rechter? Zo ja, welke informatie en kunt u daar een opsomming
van geven? Zo ja, op grond van welke wet of regeling bent u daartoe bevoegd? Bent
u van mening dat alleen een verzoek van een rechtbank reden kan zijn voor overdracht
van een dossier en zo ja, kunt u dat toelichten?
Antwoord 23
Defensie is niet bekend met een verzoek van een rechtbank tot het aanleveren van informatie
over betrokkene.
Vraag 24
Is de Minister bereid om het volledige dossier alsnog aan betrokkene te verstrekken
en zo nee, waarom niet en op welke grond?
Antwoord 24
Zie het antwoord op vraag 22.
Vraag 25
Gaat het Ministerie van Defensie het dossier in lopende en toekomstige gerechtelijke
procedures buiten de rechtspleging houden en zo ja, waarom en zo ja op welke grond
of regeling bent u daartoe bevoegd? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de noodzaak van
transparantie en waarheidsvinding en waarom belemmert u die in dat geval opzettelijk?
Antwoord 25
Zoals aangegeven bij vraag 23, is Defensie niet bekend met een verzoek van een rechtbank
tot het aanleveren van informatie over betrokkene. Ieder verzoek van een rechtbank
zal worden beoordeeld op grond van geldende wet- en regelgeving.
Vraag 26
Waarom is, gelet op het antwoord van uw ambtsvoorganger op eerdere schriftelijke Kamervragen10, een vaststellingsovereenkomst met afspraken over rehabilitatie niet bekend bij betrokkene11? Bestaat er überhaupt een vaststellingsovereenkomst waarin het woord «rehabilitatie»
wel voorkomt? Heeft de Minister van Defensie, met de reactie van uw ambtsvoorganger,
de Kamer verkeerd geïnformeerd en zo nee, waarom niet en zo ja, welke gevolgtrekkingen
verbindt u daar aan?
Antwoord 26
Zoals mijn ambtsvoorganger in reactie op Kamervragen van 8 november 2019 (Aanhangsel
van de Handelingen II 2019/20, nr. 926) voor de volledigheid heeft opgemerkt, zijn met betrokkene naar aanleiding van het
rapport van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) afspraken gemaakt om hem
te rehabiliteren. Deze afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.
In 2017 is met betrokkene een tweede vaststellingsovereenkomst gesloten. Over de inhoud
van deze overeenkomsten doe ik verder geen mededelingen. Daarmee is de Tweede Kamer
niet onjuist geïnformeerd.
Vraag 27
Waarom is het kabinet, ook na ontvangst van een brief daarover van betrokkene die
in afschrift aan de Kamer is gestuurd12, niet teruggekomen op de bewering dat er sprake zou zijn geweest van mediation en
dat er een vaststellingsovereenkomst zou bestaan waarin afspraken zouden staan over
rehabilitatie?13 Waarom is de Kamer daarover verkeerd geïnformeerd?
Antwoord 27
Zoals wordt toegelicht in het antwoord op vraag 26, zijn met betrokkene twee vaststellingsovereenkomsten
gesloten. De Tweede Kamer is daarover niet onjuist geïnformeerd.
Vraag 28
Indien het kabinet volhoudt dat er wel sprake zou zijn geweest van mediation (wat
een formeel traject is onder leiding van gespecialiseerde instanties), kunt u dan
aangeven wie de mediator was, wanneer de beweerde mediation zou hebben plaatsgevonden
en waaruit de beweerde mediation exact bestond, wat de uitkomst was van de beweerde
mediation en wie er bij Defensie de leidinggevende was (de zogenoemde «tot straffen
bevoegde meerdere») die iets met de uitkomst van de beweerde mediation heeft moeten
doen? Indien nee, waarom kunt u dit niet?
Antwoord 28
Ik kan hier niet op ingaan. In zijn algemeenheid vindt mediation plaats onder afgesproken
geheimhouding van alle partijen die bij die mediation betrokken zijn.
Vraag 29
Hoe heeft u vastgesteld dat het verlies van loggingsgegevens «van de gehele zorgpopulatie»
geen gevolgen heeft gehad voor de informatie in de medische dossiers van (voormalig)
werknemers, terwijl juist dàt niet meer te achterhalen is?
Antwoord 29
Ik verwijs hiervoor naar de brief van de Minister van Defensie van 29 juni 2026 (2026D33530, Kamerstukken II 2025/26, 30 139, nr. 307).
Zoals aangegeven, is na onderzoek gebleken dat alle medische dossiers volledig zijn
(ook over de periode 16 april 2010 – 26 november 2010). Niet alleen ontbreekt geen
medische informatie, maar ook de loggingen binnen het dossier zijn aanwezig. Binnen het dossier wordt een datum-tijdstempel van iedere
mutatie in het systeem vermeld alsmede de naam van de zorgverlener die de mutatie
heeft opgesteld.
Naast deze loggingen in het medisch dossier wordt ook een loggingsbestand aangelegd
van alle gebruikers die inzage hebben gehad in het dossier. Dit bestand is in 2010
wel volledig bijgehouden maar bij de systeemmigratie in het weekend van 4 maart 2011
is het deel van 16 april 2010 tot 26 november 2010 achtergebleven in de brondatabase.
Voorafgaand en achteraf is een back-up gemaakt van alle bestanden. Deze bestanden
worden over het algemeen slechts 28 dagen bewaard. In die periode is, ondanks gebruikers-
en acceptatietesten, het verlies aan informatie niet aan het licht gekomen.
Vraag 30
Hoe heeft u vastgesteld dat het verlies van loggingsgegevens «van de gehele zorgpopulatie»
geen gevolgen heeft gehad voor de informatie in de medische dossiers van (voormalig)
werknemers terwijl u dat alleen zou kunnen vaststellen na inzage van alle getroffen
medische dossiers, hetgeen alleen mogelijk is met de expliciete, vastgelegde toestemming
daartoe van de (voormalig) Defensiemedewerkers wiens medische dossiers het betreft?
Als er geen sprake is geweest van deze inzagen, hoe kunt u dan tot de conclusie komen
dat er geen gevolgen zouden zijn?
Antwoord 30
Zoals aangegeven, is na onderzoek gebleken dat alle medische dossiers volledig zijn
(ook over de periode 16 april 2010 – 26 november 2010). Niet alleen ontbreekt er geen
medische informatie, maar ook de loggingen binnen het dossier zijn aanwezig. Binnen het dossier wordt een datum-tijdstempel van iedere
mutatie in het systeem vermeld alsmede de naam van de zorgverlener die de mutatie
opstelt. Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie
uit de dossiers is verdwenen.
Vraag 31
Welk standpunt zal Defensie innemen wanneer een (voormalig) Defensiemedewerker stelt
dat er in de periode dat er medische loggingsgegevens uit het medische dossier zijn
verdwenen, ook medische informatie (waaronder maar zich niet bij voorbaat beperkend
tot artsencontact, consulten, medische gegevens, ziektebeelden, diagnoses en medische
prognoses, medicijngebruik, etc.) uit het dossier is verdwenen? Welke (juridische)
onderbouwing ligt er ten grondslag aan die reactie? Welke bewijsvoering zou Defensie
daartoe kunnen aanwenden?
Antwoord 31
Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers
is verdwenen. Ik vind het daarom niet opportuun om een standpunt in te nemen over
deze hypothetische situatie.
Vraag 32
Zijn er vaker dan in de genoemde periode14 medische gegevens, waaronder maar zich niet bij voorbaat beperkend tot loggingsgegevens,
verwijderd of verdwenen uit, toegevoegd aan of gewijzigd in medische dossiers van
(voormalig) Defensiemedewerkers en zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren, om welke
gegevens en in welke periode in de tijd gaat het en om hoeveel (voormalig) Defensiemedewerkers
gaat het daarbij? Zijn de getroffen medewerkers daarover geïnformeerd en zo nee, waarom
niet? Indien onbekend, hoe kunt u als zorgaanbieder van Defensie dan de integriteit
van de medische dossiers van (voormalig) Defensiemedewerkers garanderen en indien
u dit niet kunt, welke gevolgen heeft dit?
Antwoord 32
Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers
is verdwenen. Ik vind het daarom niet opportuun om een standpunt in te nemen over
deze hypothetische situatie.
Vraag 33
Kunt aan alle (voormalig) Defensiemedewerkers uit wiens medisch dossiers loggingsgegevens
zijn verdwenen15 garanderen dat er geen:
a. artsencontacten of andere contacten van medische aard die in het medisch dossier moeten
worden opgenomen;
b. consulten;
c. medische patiëntenklachten;
d. ziektebeelden en symptomen;
e. diagnoses;
f. medische prognoses;
g. medicijngebruik, en;
h. overige medische gegevens,
aan hun medische dossiers zijn toegevoegd, of uit hun medische dossiers zijn verwijderd,
of zijn gewijzigd, in de wetenschap dat in het geval van het gelijktijdig ook het
verwijderen van de daarmee corresponderende loggingsgegevens, zulke mutaties nooit
maar aan te tonen zijn?
Antwoord 33
Zie het antwoord op vraag 29.
Vraag 34
Kunt u de melding zoals door het Ministerie van Defensie op 20 augustus 2020 gedaan
bij de Autoriteit Persoonsgegevens over de verdwenen loggingsgegevens delen met de
Kamer? Indien u dit niet kunt, waarom niet?
Antwoord 34
Ja, zie bijlage.
Vraag 35
Is het binnen Defensie nog altijd een zoals beweerd «gebruikelijke werkwijze» om zogenaamde
«aantekeningen» in een medisch dossier van een Defensiemedewerker op te slaan als
een consult met diagnoses dan wel met diagnosecodes en een primaire diagnose?16 Zo ja, wat is de reden om die praktijk voort te zetten? Zo nee, waarom is Defensie
daarmee gestopt en wanneer is Defensie daarmee gestopt?
Antwoord 35
Nee. Sinds 25 juni 2021 maakt Defensie gebruik van een nieuw digitaal patiëntendossier.
Hierin heeft de arts de mogelijkheid om een privéaantekening te maken die alleen inzichtelijk
is voor de arts die deze aantekening maakt. Deze aantekening maakt geen onderdeel
uit van het medisch dossier en mag niet worden gebruikt voor informatie die van belang
is voor het verlenen van goede zorg. Het systeem biedt daarnaast de opties: openbare
aantekening en aantekening voor specialisme (bijvoorbeeld alleen voor cardiologen).
Deze beide aantekeningen maken wel onderdeel uit van het patiëntendossier. Door deze
mogelijkheden is het gebruiken van de aantekening van «consult» voor een dergelijke
aantekening niet meer nodig.
Vraag 36
Heeft Defensie in het verleden voldaan aan de norm NEN 7513 en zo nee, over welke
periode in tijd voldeed Defensie daar niet aan en waarom niet? Welke gevolgen verbindt
Defensie daaraan? Zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld en kunt u uw bevindingen daarover
met de Kamer delen?
Antwoord 36
De Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg (Wabvpz) regelt
in artikel 15e logging en specifiek welke loggingsinformatie moet worden opgenomen
in een afschrift. De bepalingen rondom elektronische afschrift/inzage en logging zijn
op 1 juli 2020 in werking getreden.17 Het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders bepaalt in artikel 5
dat de logging van het systeem voldoet aan het bepaalde in NEN 7513 en regelt de bewaartermijn.
In juli 201918 is bepaald dat de logging als bedoeld in het Besluit elektronische gegevensverwerking
door zorgaanbieders, ten minste 5 jaar moet worden bewaard vanaf het moment dat de
logregel wordt geschreven.
NEN 7513 is niet apart certificeerbaar, NEN 7510 wel. NEN 7513 specificeert een gemeenschappelijk
kader voor de logging van persoonlijke gezondheidsinformatie aan de hand van toegangs-
en zoekgebeurtenissen. De NEN 7510 betreft eisen voor informatiebeveiliging van zorginformatiesystemen.
In het Defensie beveiligingsbeleid zijn de normen van de NEN 7513 en NEN 7510 opgenomen.
Het eerstelijns zorgbedrijf van Defensie alsmede de beheerorganisatie zijn NEN 7510
gecertificeerd. Het huidige digitale patiëntendossier is geaccrediteerd door de Beveiligingsautoriteit
van Defensie en voldoet daarmee aan het Defensie beveiligingsbeleid vanaf ingebruikname.
Er worden periodieke controles uitgevoerd. Binnen Defensie wordt intern toezicht gehouden
op het naleven van de omgang met medische persoonsgegevens door de Inspectie Militaire
Gezondheidszorg (IMG), de Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en de Beveiligingsautoriteit
(BA). Jaarlijks worden de jaarverslagen van de interne toezichthouders naar de Kamer
gestuurd.
Vraag 37
Voldoet Defensie vandaag de dag aan de norm NEN 7513 en zo nee waarom niet? Zo ja,
wie is de bevoegde autoriteit om dat vast te stellen en op welke manier heeft de bevoegde
autoriteit dat vastgesteld? Voert de bevoegde autoriteit hier periodieke controles
op uit, waaronder met bijvoorbeeld steekproeven en audits? Kunt u de uitkomst van
deze controles met de Kamer delen en zo nee, waarom niet?
Antwoord 37
Zie het antwoord op vraag 36.
Vraag 38
Heeft Defensie in het verleden voldaan aan de KNMG norm «Omgaan met medische gegevens»19 en zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld? Zo nee, waarom niet en welke gevolgen zijn
hieraan verbonden?
Antwoord 38
De richtlijn «Omgaan met medische gegevens» is opgesteld door de artsenfederatie KNMG
en beschrijft op welke wijze artsen, met inachtneming van hun beroepsgeheim, medische
gegevens mogen verzamelen, opslaan, uitwisselen of anderszins mogen gebruiken.
De KNMG-richtlijn is juridisch gezien een vorm van zelfregulering binnen de beroepsgroep
en geldt ook voor defensieartsen. De gedragsnormen uit deze richtlijn zijn daarmee
gericht op individuele artsen. Het professionele handelen van een individuele arts
wordt door de medische tuchtrechter beoordeeld, waarbij de normen uit de beroepsgroep
vaak gebruikt worden.
Binnen Defensie wordt intern toezicht gehouden op het naleven van de omgang met (medische)
gegevens door de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), de Functionaris voor Gegevensbescherming
(FG) en de Beveiligingsautoriteit (BA).
Vraag 39
Voldoet Defensie vandaag de dag aan de KNMG norm «Omgang met medische gegevens» en
zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld en zo nee, waarom niet en welke gevolgen verbindt
u daar aan?
Antwoord 39
Zie het antwoord op vraag 38.
Vraag 40
Hoe verhouden de conclusies in het rapport van het Huis voor Klokkenluiders zich tot
de informatie die door het kabinet eerder aan de Kamer is verstrekt en die door de
Minister in het debat over de veteranennota op 22 juni 2026 in reactie op mijn vragen
nadrukkelijk is genoemd20? Heeft het Ministerie van Defensie met het aan de Kamer toezenden van deze informatie
Kamer volledig geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Indien ja, kunt u in uw antwoord
de conclusies van het Huis voor Klokkenluiders daarin betrekken? Wilt u zich in uw
antwoord beperken tot de feiten van de misstanden zoals vastgesteld door het Huis
voor Klokkenluiders en niet verwijzen naar maatregelen die met het oog op het voorkomen
van herhaling pas zijn genomen nádat de misstanden zijn gepleegd?
Antwoord 40
Tijdens het notaoverleg Veteranen op 22 juni jl. werd gerefereerd aan «het rapport
van het Huis voor Klokkenluiders over financiële fraude bij 336-suadron en joyriding
met Defensievliegtuigen».
Voor zover de vraag betrekking heeft op het interne onderzoek over vermeende misstanden
op vliegbasis Eindhoven met betrekking tot declaraties en privégebruik van defensiemiddelen,
heeft de Minister van Defensie tijdens het notaoverleg gereageerd dat de rapporten
in 2016 naar de Kamer zijn verstuurd. Hierbij gaat het om beide delen van het interne
onderzoeksrapport van Defensie die op 29 november 2016 naar de Kamer zijn verstuurd
(Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 52).
Vraag 41
Waarom is het rapport van het Huis voor Klokkenluiders nooit aan de Kamer gestuurd
terwijl het wel direct betrekking heeft op de gang van zaken op vliegbasis Eindhoven?
Antwoord 41
Zie het antwoord op vraag 40. Eerder heeft de Onderzoeksraad Integriteit Overheid
(OIO) – de voorganger van het Huis voor Klokkenluiders – onderzoek gedaan naar meldingen
van een vermoeden van een misstand op vliegbasis Eindhoven. Over de conclusies en
adviezen van de OIO en de reacties van Defensie, is de Kamer geïnformeerd (zie o.a.
Kamerstukken II 2014/15, 34 000 X, nrs. 88 en 94; Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nrs. 8 en 51; Aanhangsel van de Handelingen II 2016/17, nr. 1001).
Vraag 42
Wilt u het rapport van het Huis voor Klokkenluiders alsnog aan de Kamer sturen en
zo nee, waarom niet?
Antwoord 42
Zie het antwoord op de vragen 40 en 41.
Vraag 43
Is er over het rapport van het Huis voor Klokkenluiders door Defensie een zogenoemde
«appreciatie» geschreven? Zo nee, waarom niet en zo ja, wanneer en door wie en kunt
u die met de Kamer delen en zo nee, waarom niet?
Antwoord 43
Zie het antwoord op de vragen 40 t/m 42.
Vraag 44
Hoe beoordeelt u het feit dat de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven op
5 juli 2016 aangifte deed bij de Koninklijke Marechaussee21? Waarvan deed de commandant op die dag aangifte?
Antwoord 44
Artikel 78 van de Wet militair tuchtrecht bepaalt dat de commandant die kennisneemt
van een gedraging van een militair die naar zijn oordeel een strafbaar feit betreft,
verplicht is daarvan aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar van de Koninklijke
Marechaussee (KMar). In de praktijk is het gebruikelijk dat de commandant bij een
(vermoeden van een) strafbaar feit daarover advies inwint bij bijvoorbeeld een juridisch
adviseur van de eenheid, voordat contact wordt opgenomen met de KMar en/of het Openbaar
Ministerie (OM). Indien twijfel bestaat of sprake is van een (vermoeden van een) strafbaar
feit wordt dit ter beoordeling voorgelegd aan de KMar en/of het OM en beslist het
OM welke stappen genomen worden. Dit bespreken en melden van een (vermoeden van een)
strafbaar feit wordt in spreektaal «aangifte doen» genoemd.
Niet altijd is voor de KMar en/of het OM meteen duidelijk dat een geconstateerde gedraging
een strafbaar feit betreft en niet altijd wordt direct aangifte gedaan. Soms wordt
Defensie gevraagd om zaken zelf nader (administratief) uit te zoeken en deze informatie
ter beoordeling voor te leggen.
In het onderhavige geval heeft de commandant vliegbasis Eindhoven op de genoemde datum
overleg gehad met de KMar. Dit had betrekking op een op die dag door haar ontvangen
melding van een vermoeden van misstanden, mogelijke declaratiefraude. In dit geval
is naar aanleiding van deze melding niet overgegaan tot het opnemen van een aangifte.
In overleg met de KMar is de commandant vliegbasis Eindhoven overgegaan tot een intern
Defensieonderzoek. Wel is geregistreerd dat de commandant hierover een gesprek heeft
gevoerd bij de KMar.
Dit is vermeld bij de datum 5 juli 2016 in de tijdlijn die is opgenomen in het rapport
dat naar aanleiding van het interne onderzoek is opgesteld. Dit rapport is aan uw
Kamer aangeboden op 29 november 2016 (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 52)
Vraag 45
Kunt u het proces-verbaal van aangifte van 5 juli 2016 aan de Kamer sturen en zo nee,
waarom niet en zo nee, kunt u wel aangeven wat het proces-verbaalnummer is en zo nee
waarom niet?
Antwoord 45
Nee, er is geen proces-verbaal, want er is geen aangifte opgenomen.
Vraag 46
Hoe beoordeelt u dat de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven, onder ede op
30 augustus 2018, de aangifte van 5 juli 2016 ontkende22?
Antwoord 46
Nu er geen aangifte is opgenomen, is deze ontkenning een verklaring naar waarheid.
Vraag 47
Is er aangifte gedaan naar aanleiding van de beweringen onder ede bij de rechtbank
Gelderland op 30 augustus 2018 door de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven
en huidig Minister van VRO en zo nee waarom niet en zo nee, gaat u dat nog doen en
zo nee waarom niet?
Antwoord 47
Nee. Er was en is geen aanleiding om aangifte te doen.
Vraag 48
Hoeveel meldingen over sociale onveiligheid en andere vormen van ongewenst gedrag,
gericht tegen persoonlijke gedragingen van de toenmalige commandant van vliegbasis
Eindhoven (de huidig Minister van VRO), zijn er de afgelopen 15 jaren gedaan bij het
Meldpunt Integriteit Defensie (MID), hoeveel van die bij het MID binnengekomen meldingen
zijn doorgezet naar de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) en wat is
er door zowel het MID als het COID met die meldingen gedaan? Kan de Minister al deze
meldingen en de uitkomst van de behandeling daarvan delen met de Kamer en zo nee,
waarom niet?
Antwoord 48
Meldingen worden in vertrouwen bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID) en de Centrale
Organisatie Integriteit Defensie (COID) gemaakt. Inhoudelijke informatie over individuele
meldingen of informatie die herleidbaar is naar een melder of beschuldigde wordt alleen
gedeeld met functionarissen die een directe rol hebben in de behandeling van de betreffende
melding. Algemene informatie over aantallen meldingen zijn terug te vinden in de gepubliceerde
jaarverslagen integriteit van Defensie.
Vraag 49
Wilt u deze vragen ieder afzonderlijk, op nummer en zonder verwijzing naar eerdere
vragen beantwoorden en wel binnen de daartoe gestelde termijn van 3 weken en in ieder
geval voor het commissiedebat Veiligheid & Integriteit Defensie?
Antwoord 49
U ontvangt de antwoorden op de vragen voor het commissiedebat Veiligheid & Integriteit.
Ondertekenaars
D.G. Boswijk, staatssecretaris van Defensie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.