Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Leijen over het behoud van studentenhuizen
Vragen van het lid Van Leijen (D66) aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over het behoud van bestaande studentenhuizen (ingezonden 3 juli 2026).
Antwoord van Minister Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening)
(ontvangen 24 augustus 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Groningse studenten luiden noodklok bij gemeenteraad:
«Laat studentenhuizen bestaan»»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de zorg dat in een tijd van grote kamernood niet alleen nieuwe studentenwoningen
moeten worden gebouwd, maar ook bestaande studentenkamers en studentenhuizen behouden
moeten blijven?
Antwoord 2
Het is van belang dat verkamerde studentenhuizen behouden blijven, waar deze in lijn
met onder andere de Wet goed verhuurderschap, bouwregelgeving en als nodig met een
vergunning worden verhuurd. Een groot deel van de studentenwoningen wordt verhuurd
door particuliere verhuurders. Het staat een verhuurder vrij om te kopen en verkopen
wanneer zij willen. Om te zorgen voor voldoende studentenwoningen, is het van belang
om verhuurders te stimuleren om de woningen niet te verkopen. Recente kabinetten hebben
dit onder meer gestimuleerd door de puntprijs in het Woningwaarderingsstelsel Onzelfstandig
(WWSO) met 25 procent te verhogen en door de studiefinanciering opnieuw in te voeren,
zodat huurders meer financiële ruimte hebben.
Vraag 3
Herkent u dat bestaande studentenhuizen kunnen verdwijnen door de combinatie van gemeentelijk
verkameringsbeleid, vergunningplichten voor kamerverhuur en een strikte uitleg van
het begrip «één huishouden»?
Antwoord 3
Dit kan inderdaad gebeuren, maar de precieze uitwerking hangt af van het gemeentelijk
woonbeleid. In veel gemeenten geldt een vergunningsplicht als het aankomt op het verhuren
aan meerdere huishoudens, bijvoorbeeld via verkamering. Het staat een gemeente vrij
om bewoning door meerdere huishoudens in één woning toe te staan, al dan niet via
een vergunning. Zij maakt daarin lokaal een afweging, bijvoorbeeld door het overwegen
van de leefbaarheid. Het kan natuurlijk zijn dat een verhuurder een woning verkamerd
heeft zonder daar een vergunning voor te hebben. In dat geval kan een situatie ontstaan
waarin deze vergunning alsnog wordt verleend door de gemeente, of de verhuurder de
illegaal verkamerde situatie ongedaan moet maken. In dat laatste geval kan bijvoorbeeld
een studentenhuis verdwijnen.
Het begrip «één huishouden» lijkt te verwijzen naar de verduidelijkte begripsbepaling
van een zelfstandige woning in de zin van het woningwaarderingsstelsel (WWS), zoals
vastgelegd in het Besluit huurprijzen woonruimte. Dit begrip is verduidelijkt omdat
in de praktijk friendscontracten onterecht als manier gezien werden om geen verkameringsvergunning
aan te hoeven vragen, waarbij ook de huurprijsbescherming van huurders ontweken werd.
Zo werd verondersteld dat door één of twee «hoofdhuurders» aan te wijzen en aan hen
de hele woning te verhuren, mocht worden gerekend met het WWS zelfstandig. De hoofdhuurders
wezen dan vervolgens onderhuurders aan die dikwijls niet ingeschreven stonden in de
gemeente. Omdat het hierbij vaak om grotere woningen ging, was de woning al snel geliberaliseerd
waarmee de verhuurder niet gebonden was aan een maximaal redelijke huurprijs. De hele
verhuurconstructie werd hierbij opgehangen aan de twee «hoofdhuurders» waarmee verondersteld
werd dat het om één huishouden ging.
Mijn ambtsvoorganger heeft daarom verduidelijkt dat om een woning volgens het WWS
zelfstandig te mogen beprijzen, er bij drie of meer bewoners sprake moet zijn van
een duurzaam gemeenschappelijk huishouden. De definitie van «duurzaam gemeenschappelijk
huishouden» is daarin geen gegeven, maar jurisprudentie geeft een basis voor de uitleg
van dit begrip. Studenten voldoen in de regel niet aan dit begrip. Zij mogen nog steeds
via friendscontracten huren, maar daarop dient aangegeven te worden welke persoon
welk deel van de woning huurt tegen welke prijs. De huurprijs moet bepaald worden
via het WWS onzelfstandig.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u dat een studentenhuis waar bewoners al meerdere jaren via een gezamenlijke
woonvorm samenleven, verantwoordelijkheid nemen voor beheer en leefbaarheid en volgens
hen geen overlast veroorzaken, toch kan worden aangemerkt als onvergunde kamerverhuur?
Antwoord 4
Deze twee zaken kunnen naast elkaar bestaan. Het is aan gemeenten om hun beleid vorm
te geven. In het geval dat er sprake is van een vergunningplicht, er geen vergunning
is afgegeven en er ook geen zicht is op legalisatie, dan geldt er in principe een
handhavingsplicht voor het bevoegd gezag. Ik kan geen oordeel geven over individuele
gevallen.
Vraag 5
Vindt u het wenselijk dat regels die bedoeld zijn om overlast, druk op wijken en slecht
verhuurderschap tegen te gaan, in de praktijk ook goed functionerende studentenhuizen
kunnen raken?
Antwoord 5
Dat vind ik niet wenselijk. Mijn inzet is daarom in algemene zin dat gemeenten woningdelen
vaker dan nu het geval is toestaan en pragmatisch omgaan met de overweging om (alsnog)
een vergunning te verlenen. Ik zie in de praktijk dat gemeenten dit al doen, bijvoorbeeld
als er al lange tijd sprake is van verkamering en de leefbaarheid in de wijk niet
onder druk staat. Het is van belang dat gemeenten lokaal en van geval tot geval een
eigen afweging maken.
Vraag 6
Welke ruimte hebben gemeenten om onderscheid te maken tussen problematische kamerverhuur
enerzijds en bestaande studentenhuizen, waar aantoonaar geen of weinig sprake is van
overlast, onveiligheid of slecht verhuurderschap?
Antwoord 6
Gemeenten maken per geval een afweging of nieuwe verkamering wenselijk is of bestaande
kamerverhuur voldoet aan de regels. Waar dat wenselijk en passend is en verder wordt
voldaan aan de regels, roep ik gemeenten op pragmatisch met bestaande situaties om
te gaan. Kamerverhuur kan problematisch zijn als niet wordt voldaan aan de lokale
en landelijke regelgeving. Zo moet, indien vereist, een vergunning aanwezig zijn,
voldaan worden aan bouwregelgeving en landelijke regels zoals de wet Goed verhuurderschap.
Vraag 7
Bent u bereid te onderzoeken of gemeenten aanvullende ruimte nodig hebben om bestaande
studentenhuizen vaker te kunnen behouden of legaliseren, bijvoorbeeld via maatwerk?
Antwoord 7
Gemeenten beschikken momenteel al over voldoende instrumentarium om een afweging te
maken in het al dan niet toestaan en legaliseren van kamerverhuur binnen de bestaande
voorraad. Mij zijn geen signalen bekend die wijzen op het tegendeel. In de beantwoording
van vraag 6 heb ik al aangegeven welke mogelijkheden gemeenten hebben. Daaronder valt
de mogelijkheid voor gemeenten om bij het gebruik van een (omzettings-)vergunning,
binnen het vergunningsverleningsproces, te bepalen of de locatie en woonruimte geschikt
is voor kamerverhuur aan één of meerdere personen. Via de Landelijke Aanpak Beter
Benutten stimuleer ik gemeenten een dergelijke stap te zetten. Ik wil er namelijk
voor zorgen dat alle gemeenten aandacht schenken aan de regels voor kamerverhuur,
met als uitgangspunt dat dit wordt toegestaan waar dat passend is. Onlangs heb ik
uw Kamer over de voortgang van deze aanpak geïnformeerd.
Vraag 8
Welke mogelijkheden zijn er om gemeenten te stimuleren om bij bestaande studentenhuizen
eerst te kijken naar legalisatie en maatwerk, voordat wordt overgegaan tot beëindiging
van bewoning?
Antwoord 8
Gemeenten hebben de vrijheid om lokaal regels op te stellen rondom kamerverhuur en
daarmee ook om de lokale regels te wijzigen en maatwerk toe te passen. Zij maken per
geval een eigen afweging. Dit is passend, omdat zij dan de lokale situatie kunnen
meewegen in het besluit. Ik vind het niet wenselijk om hier Rijksbreed op te sturen.
In de beantwoording van vraag 6 heb ik al aangegeven dat gemeenten de beschikking
hebben over verschillende instrumenten. Via de landelijke aanpak Beter Benutten stimuleer
ik gemeenten om kamerverhuur vaker mogelijk te maken waar dat passend is. Daarnaast
werkt het kabinet aan het voorstel om gemeenten te stimuleren om meer een «ja, mits»-benadering
toe te passen. In de praktijk zie ik dat gemeenten niet van de ene op de andere dag
overgaan tot beëindiging van bewoning, maar dat zij hier in het belang van de bewoners
pragmatisch mee omgaan.
Vraag 9
Bent u bereid samen met studentensteden, studentenorganisaties, corporaties en particuliere
verhuurders te werken aan een «ja, mits»-benadering, waarbij goede studentenhuizen
behouden blijven en nieuwe initiatieven worden aangejaagd, terwijl gericht wordt opgetreden
tegen overlast, onveiligheid en slecht verhuurderschap?
Antwoord 9
De lijn van het kabinet is dat er gewerkt wordt aan een «ja, mits»-benadering. Hierbij
wordt afgestapt van een vergunningstelsel, maar mogen verhuurders als zij voldoen
aan de regels starten met kamerverhuur zonder tussenkomst van de gemeente. Binnen
het Landelijk Platform Studentenhuisvesting is hier al aandacht voor, onder andere
naar aanleiding van een onderzoek van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb) naar verkameringsbeleid
in de vijftien grootste studentensteden en hun beleid rondom studentenkamers. Ik zie
gelukkig dat steeds meer gemeenten hun regels over woningdelen, splitsen en kamerverhuur
aan het versoepelen zijn waar dat passend is, wat kansen biedt voor onder andere studenten.
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.