Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Vervuurt en Jagtenberg over het bericht 'Nu al tekorten medicijnen en medische hulpmiddelen: hoe weerbaar is de zorg bij een crisis?'
Vragen van de leden Vervuurt en Jagtenberg (beiden D66) aan de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Defensie over het bericht «Nu al tekorten medicijnen en medische hulpmiddelen: hoe weerbaar is de zorg bij een crisis?» (ingezonden 29 juni 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport), mede namens de
Minister van Defensie (ontvangen 21 augustus 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de BNR-rapportage «Nu al tekorten medicijnen en medische hulpmiddelen:
hoe weerbaar is de zorg bij een crisis?»1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat verstaat u onder een weerbare zorg?
Antwoord 2
Hieronder verstaat het kabinet een slagvaardige, wendbare en opschaalbare gezondheidszorg
die berekend is op (langdurige) crisis, conflict en ontwrichting.
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat ons zorgsysteem in staat moet zijn om te functioneren, en
wanneer nodig, moet kunnen opschalen om verschillende soorten crises (bijv. militaire
en hybride conflicten, cyberterrorisme, natuurrampen) het hoofd te kunnen bieden?
Antwoord 3
Ja.
Vraag 4
Welke risico's vormen volgens u de grootste bedreiging voor de continuïteit van de
zorg?
Antwoord 4
Er zijn verschillende soorten dreigingen denkbaar die een risico kunnen vormen voor
de continuïteit van de zorg. Denk bijvoorbeeld aan pandemieën, cyberaanvallen, verstoring
van leveringsketens of de effecten van gewapend conflict2, die vaak in meer of mindere mate samenhangend kunnen voorkomen. Om deze veelvoud
van dreigingen het hoofd te kunnen bieden, is de weerbare zorg-aanpak van het kabinet
all-hazard.
Vraag 5
Hoe goed is de zorg voorbereid op langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen,
of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet?
Antwoord 5
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) moeten zorgaanbieders
goede zorg leveren. Daar hoort ook bij dat de organisatie zodanig is ingericht dat
continuïteit en veiligheid van zorg zijn gewaarborgd, óók tijdens calamiteiten en
grootschalige incidenten.
De zorgaanbieders moeten zelf in beeld hebben in welke mate zij voorbereid zijn op
(onder andere) langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, en/of uitval
van gas, water, telecommunicatie en internet; en het is aan hen om hiervoor zo nodig
maatregelen te treffen in de eigen organisatie. Bijvoorbeeld het ontwikkelen van draaiboeken
voor noodscenario’s of het oefenen daarmee.
Voor enkele van de genoemde tekorten geldt specifieke wet- en regelgeving of worden
aanvullende maatregelen genomen door het kabinet. Zo geldt voor de uitval van telecom
en internet dat zorgaanbieders wettelijk verplicht zijn om aantoonbaar te voldoen
aan NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg.3 Bij uitval van internet of telecom moeten zorgverleners kunnen terugvallen op vooraf
opgestelde noodprocedures, zoals het werken met papieren dossiers en het communiceren
met externe partijen als telefonie is weggevallen.
Voor tekorten aan geneesmiddelen en medische hulpmiddelen geldt dat leveranciers wettelijk
verplicht zijn een melding te doen van een leveringsonderbreking. Ook laat het kabinet
een extra voorraad aanleggen van kritieke geneesmiddelen. Aanvullend onderzoekt het
kabinet voor verschillende soorten crises welke medische producten nodig zijn, en
hoe deze het beste opgeslagen en verdeeld kunnen worden. Voor hulpmiddelen kan met
de alternatievendatabase van het Zorginkoop Netwerk Nederland snel gezocht worden
naar een vervangend hulpmiddel. De mogelijkheden tot het aanleggen van een voorraad
voor medische hulpmiddelen worden op dit moment geïnventariseerd.
Vraag 6
Is de zorg voldoende voorbereid op grootschalige cyberaanvallen of andere hybride
dreigingen die zorginstellingen of hun toelevering raken?
Antwoord 6
Het risico van cyberaanvallen op zorgaanbieders en actoren in de zorgketen neemt al
jaren toe.4 Daarom is het van belang dat de zorg hierop voorbereid is. Zorgaanbieders zijn hiervoor
in de eerste plaats zelf verantwoordelijk. Informatiebeveiliging en het bepalen van
de risico’s moet een vanzelfsprekend onderdeel van de bedrijfsvoering zijn. De NEN7510,
de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, verplicht zorginstellingen passende
maatregelen te nemen om de vastgestelde risico’s te beheersen. In de Kamerbrief Informatieveiligheid
in de zorg5 is beschreven dat zorgaanbieders en samenwerkingsverbanden ervoor moeten zorgen dat
ze de juiste eisen stellen aan hun leveranciers. Op grond van de binnenkort in werking
tredende Cyberbeveiligingswet (Cbw) moeten organisaties in verschillende sectoren
waaronder de sector zorg, cyberincidenten melden en bij grootschalige cyberincidenten
ondersteuning krijgen. De Cbw is erop gericht om cyberincidenten en de gevolgen hiervan
te monitoren, te beperken en te voorkomen.
Vraag 7
Is er zicht op van welke landen, entiteiten, organisaties en bedrijven de Nederlandse
zorg het meest afhankelijk is en of dat bijvoorbeeld voor bepaalde hulpmiddelen of
geneesmiddelen te veel geconcentreerd is?
Antwoord 7
De productie en distributie van geneesmiddelen bestaat uit veel verschillende stappen.
Dat maakt het moeilijk om voor alle geneesmiddelen inzichtelijk te hebben hoe de productie-
en leveringsketen er precies uitziet en waar afhankelijkheden zitten. In het algemeen
geldt dat veel grond- en hulpstoffen van geneesmiddelen uit een beperkt aantal landen
komen, zoals China en India. Het kabinet is zich daarvan bewust en zet mede daarom
ook in op meer productie in Europa en Nederland, bijvoorbeeld door de Verordening
Kritieke Geneesmiddelen (Critical Medicines Act). Daarmee streeft het kabinet ernaar dat Nederland en de Europese Unie (EU) minder
afhankelijk zijn van derde landen voor de toelevering van kritieke geneesmiddelen.
Recent is een voorlopig politiek akkoord bereikt.6 Maar het kabinet realiseert zich ook dat een bepaalde afhankelijkheid nu eenmaal
blijft bestaan. Daarom investeert het kabinet ook in de samenwerking met grote producerende
landen, zoals India.
Onderzoek uit 2025 van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), apothekersorganisatie
KNMP en Universiteit Utrecht laat zien dat medicijnen met de tien meest gebruikte
werkzame stoffen in Nederland grotendeels binnen Europa worden geproduceerd.7 Ook laat het onderzoek zien dat Nederland voor sommige van de onderzochte medicijnen
met dezelfde werkzame stof sterk afhankelijk is van één fabrikant.
Voor medische hulpmiddelen geldt dat zorgaanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor
de inkoop van de hulpmiddelen. Er is op dit moment geen overzicht van afhankelijkheden
van bepaalde landen, entiteiten of organisaties op dit gebied. In gesprekken die het
kabinet voert met het veld wordt opgeroepen om divers in te kopen om de afhankelijkheid
van één leverancier of land te verminderen. Zo wordt ook bij een tijdelijke leveringsonderbreking
de zorgcontinuïteit gewaarborgd.
Vraag 8
Welke zorg moet tijdens een grote crisis altijd kunnen doorgaan en hoe wordt dat georganiseerd?
Antwoord 8
De continuïteit en beschikbaarheid van (civiele) zorg is cruciaal voor de continuïteit
van de samenleving èn de militaire slagkracht. Om de continuïteit van zorg te waarborgen
in tijden van crisis en conflict moet de civiele zorg klappen kunnen opvangen en in
het ergste geval extreme aantallen patiënten kunnen accommoderen. De opgave voor de
zorg is dan ook om ten tijde van crisis, ontwrichting en conflict de publieke, curatieve
en langdurige gezondheidszorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk
toegankelijk te houden, met een daarbij passende kwaliteit. Daarbij is het in de eerste
plaats aan zorgverleners om te bepalen welke zorg doorgang moet krijgen, ook tijdens
crisis.
Tijdens een crisis zorgen zorgaanbieders samen voor de toegankelijkheid en kwaliteit
van (acute) zorg binnen het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ). De Geneeskundige
Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) neemt deel aan het ROAZ voor de verbinding
met het veiligheidsdomein. De gezondheidszorg is daarnaast een van de sectoren die
onderdeel uitmaakt van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) – die op 15 augustus
2026 in werking is getreden – en ook in de zorg moet bijdragen aan het beschermen
en weerbaarder maken van de levering van essentiële diensten.
Vraag 9
Wie heeft bij een nationale zorgcrisis de regie en hoe is dat georganiseerd?
Antwoord 9
Wie bij een nationale zorgcrisis de regie heeft, hangt allereerst af van de aanleiding
van een crisis en wat onder een nationale zorgcrisis precies wordt verstaan. In het
algemeen geldt dat bij situaties met een landelijk, spoedeisend karakter waarbij de
nationale veiligheid in het geding is, of waarbij sprake is van een grote uitwerking
op de maatschappij, de nationale crisisstructuur geactiveerd zal worden. Hierin kunnen
de verscheidene vakministers deelnemen op hun eigen beleidsterrein, waaronder de Minister
van VWS.8 Hoe regie georganiseerd is, kan gegeven de aanleiding en omvang van een dreiging
verschillen. Zo geldt bijvoorbeeld dat in de Wet publieke gezondheid (Wpg) is opgenomen
dat de Minister van VWS bij een uitbraak van een A-infectieziekte met landelijke impact
(of een dreiging daarvan) leiding geeft aan de bestrijding. In de meeste denkbare
crisissituaties in de zorg zal er veelal sprake zijn van een samenspel van verschillende
partijen die elk hun eigen taken en bevoegdheden hebben. Zo kan elke partij in het
systeem de rol op zich nemen die daar belegd is. In dit kader heeft het kabinet in
de beleidsbrief van 24 april 2026 kenbaar gemaakt in te zetten op sterkere regie en
sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS in de zorg bij extreme omstandigheden.9
Vraag 10
Welke gevolgen heeft een algehele mobilisatie van onze militairen voor de capaciteit
van de zorg, en in hoeverre beperkt de capaciteit van de zorg een algehele mobilisatie
van onze militairen?
Antwoord 10
Een mobilisatie betreft het in staat van paraatheid brengen van de krijgsmacht. De
gevolgen van mobilisatie voor de capaciteit van de civiele zorg zijn zeer beperkt.
Tijdens een mobilisatie, waarbij nog geen sprake is van een gevechtssituatie, is er
geen instroom van gewonden in het civiele zorgsysteem. En andersom geldt ook dat de
zorgcapaciteit geen beperking vormt voor de mobilisatie van militairen. Wel kan het
zijn dat reservisten die werkzaam zijn in de civiele zorg worden opgeroepen en dat
capaciteit die Defensie in vredestijd aan het civiele zorgdomein levert – bijvoorbeeld
chirurgische teams in relatieziekenhuizen – niet meer beschikbaar is.
Uiteraard kan daadwerkelijke inzet van militairen ervoor zorgen dat Defensie in die
situatie noodgedwongen een grotere ondersteuning vanuit de civiele zorgsector nodig
heeft. Het hangt af van mate waarin de krijgsmacht wordt ingezet wat de gevolgen zijn
voor de civiele zorg. Indien er sprake is van een plotselinge toename van militaire
patiënten als gevolg van een conflict kan dit extra druk leggen op het civiele gezondheidszorgsysteem.
De Ministeries van Defensie en VWS werken op dit moment aan een gezamenlijke werkagenda,
waarover de Tweede Kamer in september nader wordt geïnformeerd. Hierbij is naast de
ondersteuning van de krijgsmacht door de civiele zorg, het uitgangspunt dat de zorg
voor niet-militairen in Nederland door moet blijven gaan tijdens crisis en conflict.
Vraag 11
Zijn hiervoor gezamenlijke scenario's en afspraken uitgewerkt door de Minister(ie)s
van VWS en Defensie?
Antwoord 11
De inzet van het kabinet is om Nederland maatschappelijk weerbaar te maken met een
parate en schaalbare krijgsmacht. In de Kamerbrief Weerbaarheid tegen militaire en
hybride dreigingen van 6 december 2024 wordt het scenario geschetst dat als uitgangspunt
dient voor de uitwerking van de weerbaarheidsopgave. In dit scenario moet Nederland
onder andere voldoen aan bondgenootschappelijke verplichtingen en is er mogelijk sprake
van een significante migratie- en/of gewondenstroom.10 Het uitwerken van afspraken tussen de Ministeries van VWS en Defensie is ook onderdeel
van de eerdergenoemde werkagenda die in september met de Kamer wordt gedeeld. Verder
is het oefenen van scenario’s met de militair geneeskundige keten en de aansluiting
van de reguliere zorg daarop, van essentieel belang. Zo sluit het Ministerie van VWS
sinds 2024 aan bij de oefening Casualty Move van de NAVO, waar geoefend wordt met brede militaire medische inzet in een artikel 5-scenario.
Ook waren de Minister van VWS en de Minister van Defensie op 8 juni 2026 in Duitsland
gezamenlijk aanwezig bij de Fighter Lion-oefening van de Koninklijke Landmacht. Hier werd onder meer geoefend met het functioneren
van de (militaire) zorgketen.
Vraag 12
Kan de Nederlandse zorg een grote toestroom van gewonden opvangen, bijvoorbeeld als
Nederland of een bondgenoot betrokken raakt bij een militair conflict of een grote
ramp?
Antwoord 12
De inzet van het kabinet is dat het Nederlandse zorgsysteem in staat is om schokken
op te kunnen vangen, ook bij een grote toestroom van gewonden. Op dit moment wordt
in beeld gebracht wat aanvullend nodig is voor opgeschaalde noodzorg, om daarmee grote
aantallen patiënten op te kunnen vangen. Hierbij wordt ook gekeken naar het specifieke
scenario van grote aantallen gewonden als gevolg van een militair conflict.
Vraag 13
Welke stappen zet u om de weerbaarheid van de zorg de komende jaren te versterken?
Antwoord 13
Het kabinet versterkt de weerbaarheid van de zorg op drie gebieden: (1.) zelf- en
samenredzaamheid, (2.) basisnoodzorg en (3.) opschaalbare noodzorg.
Allereerst versterkt het kabinet de zelf- en samenredzaamheid van de bevolking, zoals
ook is opgenomen in het coalitieakkoord. Dit betreft het vermogen van de bevolking
om zichzelf (met behulp van anderen) gezond en veilig te houden in tijden van nood,
waardoor onder meer het beroep op gespecialiseerde zorg wordt uitgesteld of overbodig
wordt zodat de zorg zo lang mogelijk beschikbaar blijft. Als onderdeel daarvan wordt
momenteel in kaart gebracht11 of aanvullend op lopende initiatieven additionele inzet nodig is, specifiek voor
de kwetsbare groepen in de samenleving.
In de Beleidsbrief volksgezondheid, welzijn en sport is de versterking van de basisnoodzorg
beschreven. Dit betreft bijvoorbeeld de infectieziektebestrijding door het RIVM en
de GGD-en, de landelijke en regionale coördinatie van patiëntenspreiding en het aanleggen
van voorraden van medicijnen en medische hulpmiddelen. Op 27 maart 2026 is de Kamer
geïnformeerd12 over € 177 miljoen die structureel beschikbaar is gesteld op de VWS-begroting om
deze versterkingen van de publieke en curatieve gezondheidszorg én pandemische paraatheid
voort te zetten. Deze versterkingen waren ingezet naar aanleiding van de lessen uit
de COVID-19 pandemie en dragen in bredere zin bij aan het op orde brengen van de basisnoodzorg
in Nederland.
In 2026/2027 werkt het Ministerie van VWS uit welke stappen gezet dienen te worden
voor de versterking van de opschaalbare noodzorg. Ondanks de inzet op een aantal versterkingen
blijft onvermijdelijk dat in tijden van crisis en conflict scherpe keuzes moeten worden
gemaakt die impact hebben op de toegankelijkheid en kwaliteit van de zorg. Onderdeel
hiervan is, zoals in het antwoord op vraag 9 is aangegeven, de inzet om sterkere regie-
en sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS in geval van een crisis.
De Kamer wordt dit najaar door de Minister van VWS nader geïnformeerd over de stand
van zaken van de bredere inzet op weerbare zorg.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede namens
D. Yeşilgöz-Zegerius, minister van Defensie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.