Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Groningen over de beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voor woningbouw, infrastructuur en waterveiligheid
Vragen van het lid Van Groningen (VVD) aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voor woningbouw, infrastructuur en waterveiligheid (ingezonden 5 juni 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Bertram (Infrastructuur en Waterstaat), mede namens
de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (ontvangen 18 augustus 2026). Zie ook
Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2377.
Vraag 1
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland haar ontgrondingenbeleid aanscherpt
en daarbij meer beperkingen stelt aan de winning van primaire bouwgrondstoffen, zoals
zand, grind en klei?1
Antwoord 1
Ik ben ermee bekend dat de provincie Gelderland werkt aan vernieuwing van haar ontgrondingenbeleid.
Ik heb begrepen dat de uitwerking daarvan op dit moment plaatsvindt. Het meest recente
document in die fase is de Notitie Reikwijdte en Detailniveau2. Op basis daarvan is niet vast te stellen welke richting de provincie voor het vernieuwde
beleid gaat kiezen en of er gevolgen zijn voor de toekomstige beschikbaarheid van
primaire bouwgrondstoffen.
Vraag 2
In hoeverre heeft u inzicht in de gevolgen die deze provinciale beleidswijzigingen
kunnen hebben voor de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen ten behoeve
van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en de energietransitie?
Antwoord 2
Zie het antwoord op vraag 1.
Vraag 3
Kunt u aangeven hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen
jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting
2030, 2040 en 2050? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft
ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040
en 2050 heeft de toenmalige Staatssecretaris van IenW met uw Kamer gedeeld per brief
van 23 april 20243. In de twee destijds onderzochte economische scenario’s neemt bij ongewijzigd beleid
tot 2050 de vraag naar grind, steenslag, industriezand en kalkzandsteenzand af, vooral
door de lager geprognosticeerde bevolkingsgroei en nieuwbouw vanaf 2030. In beide
scenario’s is de verwachting dat de vraag naar ophoogzand en klei zal stijgen, vooral
door de behoefte voor de kustverdediging.
Vraag 4
Beschikt het kabinet over actuele ramingen van de benodigde hoeveelheden zand, grind
en klei voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten, waterveiligheidsmaatregelen
en de energietransitie? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Antwoord 4
Zie het antwoord op vraag 3.
Vraag 5
Heeft het Rijk inzicht in de cumulatieve effecten van provinciale beleidskeuzes op
de nationale beschikbaarheid van bouwgrondstoffen? Zo ja, wat zijn daarvan de belangrijkste
bevindingen?
Antwoord 5
Nee. Zulke cumulatieve effecten zijn ook niet vast te stellen. Provincies kunnen te
allen tijde beleidskeuzes maken die meer of minder ruimte geven voor vergunningen
voor de winning van primaire bouwgrondstoffen. Dat betekent overigens niet dat er
een lineaire relatie is tussen provinciale beleidskeuzes en de nationale beschikbaarheid
van primaire bouwgrondstoffen. Er is bijvoorbeeld ook sprake van import en export.
Vraag 6
In hoeverre acht u de huidige en vergunde winningscapaciteit voldoende om in de toekomstige
nationale behoefte aan bouwgrondstoffen te voorzien?
Antwoord 6
In de brief die ik parallel met deze antwoorden aan uw Kamer aanbied, is dit nader
beschreven.4 Suppletiezand is voorlopig voldoende voorhanden maar om de bereikbaarheid ervan voor
de (verdere) toekomst te verzekeren, moeten wellicht vanaf 2037 in bepaalde delen
van de Noordzee meer wingebieden worden gereserveerd. Bij gelijkblijvende winning
kan de Nederlandse productie van industriezand, ophoogzand en klei tot 2050 even groot
zijn als de verwachte nationale vraag. Uit gesprekken met Rijkswaterstaat en de provincies
blijkt dat er voor ophoogzand en industriezand momenteel nog voldoende ruimte is met
betrekking tot de lopende vergunningen (verleend en in aanvraag). Lopende vergunningen
van grote winningen worden, gelet op de maximale looptijd van vijftien jaar, vaak
verlengd en/of uitgebreid. Grind is daarvoor onvoldoende aanwezig en moet, net als
tot dusver, grotendeels worden geïmporteerd. Verder in de toekomst kijken betekent
meer en grotere onzekerheden. Daarom beschrijf ik in de brief maatregelen die erop
gericht zijn om de situatie te monitoren en indien nodig tijdig te kunnen ingrijpen.
Vraag 7
Kunt u aangeven welk percentage zand, grind en andere primaire bouwgrondstoffen momenteel
uit Nederland afkomstig is en welk percentage geïmporteerd wordt van buiten Nederland?
Antwoord 7
Bouwgrondstoffen worden in Nederland geïmporteerd en geëxporteerd. In de bij vraag
6 genoemde brief aan uw Kamer wordt gerefereerd aan onderzoeken waaruit volgt dat
de Nederlandse import en export een omvang heeft van de orde-grootte van enkele tientallen
procenten van de binnenlandse productie.
Vraag 8
Verwacht u dat deze afhankelijkheid de komende jaren zal toenemen, indien de binnenlandse
winningscapaciteit verder onder druk komt te staan? Zo ja, waarom?
Antwoord 8
Bij meer druk op de binnenlandse winningscapaciteit zal de markt op zoek gaan naar
andere oplossingen. De afgelopen decennia werd in voorkomende gevallen vooral meer
geïmporteerd. Daarnaast kan de markt het gebruik van primaire bouwgrondstoffen op
diverse manieren verminderen, bijvoorbeeld door bouwmaterialen te hergebruiken, door
bij locatiekeuzes meer rekening te houden met de benodigde hoeveelheid ophoogzand
en door het aanpassen, en door het renoveren, verduurzamen, optoppen en transformeren
van bestaande gebouwen te stimuleren.
Vraag 9
Op welke manier waarborgt u dat geïmporteerde materialen niet vervuild zijn met bijvoorbeeld
PFAS?
Antwoord 9
Geïmporteerde grond, bagger en bouwstoffen moeten om in Nederland op of in de bodem
te kunnen worden toegepast voorzien zijn van een milieuverklaring bodemkwaliteit,
waarvoor de regels volgen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hier ligt een keuring aan
ten grondslag. Uit de milieuverklaring bodemkwaliteit moet blijken of PFAS in deze
keuring is meegenomen. Geïmporteerd materiaal moet aan dezelfde voorwaarden voldoen
als niet geïmporteerd materiaal.
Vraag 10
Welke risico’s ziet u voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten en waterveiligheidsmaatregelen,
wanneer de binnenlandse winning van bouwgrondstoffen verder afneemt?
Antwoord 10
Op basis van het landelijke beeld, dat is beschreven in de bij vraag 6 genoemde brief
aan uw Kamer, zie ik vooralsnog weinig risico’s voor de woningbouwopgave en infrastructuurprojecten.
Indien de binnenlandse winning van industriezand en ophoogzand afneemt zal de markt
op zoek gaan naar andere oplossingen, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8.
Suppletiezand moet voldoende beschikbaar zijn voor de kustverdediging. Daarom is in
de ontwerp Nota Ruimte opgenomen dat het van belang is op de Noordzee extra ruimte
voor zandwinning te reserveren. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 6 blijf ik de
situatie monitoren om indien nodig tijdig te kunnen ingrijpen.
Vraag 11
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen een nationaal
strategisch belang is, gelet op de grote maatschappelijke opgaven waarvoor Nederland
staat?
Antwoord 11
In het ontwerp van de Nota Ruimte is beschreven dat de reserveringszone voor zandwinning
op de Noordzee is aangewezen als het gebied waarbinnen zandwinning als activiteit
van nationaal belang (voor waterveiligheid en klimaatbestendige inrichting) voorrang
heeft op ander ruimtegebruik.
Vraag 12
Hoe beziet u de verhouding tussen provinciale bevoegdheden ten aanzien van ontgrondingen
enerzijds en de nationale belangen op het gebied van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid
en economische ontwikkeling anderzijds?
Antwoord 12
In het sinds 2003 geldende ontgrondingenbeleid is de tijdige en voldoende voorziening
van primaire bouwgrondstoffen aan de markt overgelaten. Concreet betekent dit dat
het bedrijfsleven verantwoordelijk is voor het indienen van de aanvragen voor omgevingsvergunningen
voor ontgrondingen. Daarbij moet het bedrijfsleven zich richten op kwalitatief goede
en maatschappelijk verantwoorde projecten. De provincies hebben in het huidige ontgrondingenbeleid
de verantwoordelijkheid om een vergunningaanvraag te beoordelen op ruimtelijke en
milieukundige aspecten. De provincies wegen hierbij ook het belang van de primaire
bouwgrondstoffen voor waterveiligheid, infrastructuur en woningbouw mee.
Vraag 13
Deelt u de opvatting dat provincies met winbare voorraden van bouwgrondstoffen, binnen
de randvoorwaarden van natuur- en omgevingsbeleid, een verantwoordelijkheid hebben
om bij te dragen aan de nationale grondstoffenvoorziening?
Antwoord 13
In het sinds 2003 geldende ontgrondingenbeleid is de tijdige en voldoende voorziening
van primaire bouwgrondstoffen aan de markt overgelaten. Concreet betekent dit dat
het bedrijfsleven zich bij aanvragen voor een vergunning moet richten op kwalitatief
goede en maatschappelijk verantwoorde projecten. In het huidige ontgrondingenbeleid
wegen de provincies de winning van primaire bouwgrondstoffen mee bij het opstellen
van regionale ruimtelijke plannen en in vergunningprocedures.5
Vraag 14
Bent u bereid om samen met provincies in kaart te brengen of de toekomstige beschikbaarheid
van bouwgrondstoffen voldoende is om de nationale opgaven op het gebied van woningbouw,
infrastructuur, energietransitie en waterveiligheid te realiseren?
Antwoord 14
In de bij vraag 6 genoemde brief aan uw Kamer beschrijf ik dat ik via monitoring zicht
ga houden op vraag en aanbod en dat ik een structureel overleg zal organiseren om
samen met de provincies en de winbedrijven zicht te houden op het aantal ingediende
vergunningaanvragen, de voortgang van de vergunningverlening en de ruimte onder de
lopende vergunningen.
Vraag 15
Bent u, indien blijkt dat we door provinciale beleidskeuzes te weinig beschikking
hebben over bouwgrondstoffen, bereid hier het gesprek over te voeren en in te grijpen?
Antwoord 15
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 14.
Vraag 16
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele knelpunten in de toekomstige beschikbaarheid
van bouwgrondstoffen en mogelijke maatregelen om deze te voorkomen?
Antwoord 16
Ja. Ik blijf de situatie monitoren om indien nodig tijdig te kunnen ingrijpen. Ik
informeer uw Kamer mocht dit laatste zich voordoen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat -
Mede namens
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.