Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Markuszower, Struijs, Keijzer en Vermeer over de datakluis bij het Ministerie van Financiën
Vragen van de leden Markuszower (Groep Markuszower), Struijs (50PLUS), Keijzer en Vermeer (BBB) aan de Minister-President over de datakluis bij het Ministerie van Financiën (ingezonden 29 juli 2026).
Antwoord van Staatssecretarissen Eerenberg en Palmen (Financiën) (ontvangen 18 augustus
2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Laat Financiën niet wegkomen met dit onderzoek naar
de achtergehouden datakluis» van Pieter Omtzigt en Renske Leijten en met het onderliggende
BDO-rapport voor het Ministerie van Financiën, waaruit blijkt dat sinds 2019 een datakluis
bestaat met 64 miljoen documenten die niet aan het parlement, niet aan toeslagenouders,
niet aan Woo-verzoekers en niet aan de parlementaire enquêtecommissie fraudebestrijding
en dienstverlening zijn verstrekt?1
2
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Sinds wanneer was de politieke en ambtelijke top van het Ministerie van Financiën
op de hoogte van het bestaan van de datakluis en de daarin opgeslagen documenten?
Antwoord 2
De datakluis is in 2019 ontstaan als mitigerende maatregel naar aanleiding van een
advies van de ADR, hierover is de Kamer destijds geïnformeerd3. Ook is de inrichting van de datakluis besproken in het Directieteam Belastingdienst.
Dit blijkt ook uit het BDO-rapport en de geleverde stukken bij de Kamerbrief van 10 juli
2026. Het bestaan van de datakluis is daarmee bekend bij de ambtelijke en politieke
leiding van destijds vanaf het moment van ontstaan. Er is nog geen zicht op de volledige
inhoud van de datakluis.
Vraag 3
Welke bewindspersonen zijn sinds 2019 geïnformeerd over het bestaan van deze datakluis,
en wat waren hun beweegredenen om dit geheim te houden?
Antwoord 3
Voor het antwoord op deze vraag baseren wij ons op de tijdlijn die op 10 juli 2026
aan uw Kamer is verzonden. Daaruit blijkt dat de volgende bewindspersonen op de hoogte
konden zijn of zijn van het bestaan van de datakluis:
– Staatssecretaris van Financiën, de heer Snel, die de brief «Voortgang implementatie
AVG bij Belastingdienst en toesturen rapport ADR»4 op 28 mei 2019 aan uw Kamer aanbood. In deze brief kwam de datakluis aan de orde.
– Staatssecretaris van Financiën, de heer Vijlbrief, die in het schriftelijk overleg
met de vaste commissie voor Financiën de datakluis noemt in zijn inbreng.
– Beide Staatssecretarissen van Financiën, mevrouw Palmen-Schlangen en de heer Van Oostenbruggen,
zijn met een nota van 31 juli 2025 geïnformeerd dat de datakluis mogelijk documenten
bevat die betrekking hebben op de kinderopvangtoeslagaffaire. Voorafgaand aan deze
nota is de Staatssecretaris Herstel en Toeslagen eind juli 2025 telefonisch geïnformeerd
over de situatie, zoals uit het BDO-rapport (pagina 65/66) blijkt.
– Beide Staatssecretarissen van Financiën, mevrouw Palmen-Schlangen en de heer Heijnen,
worden op 17 oktober 2025 met een nota over de datakluis geïnformeerd.
– Staatssecretaris van Financiën, de heer Eerenberg, is met de startnota Belastingdienst
van 27 februari 2026 geïnformeerd over het bestaan van de datakluis en het voornemen
om de Kamer op korte termijn hierover te informeren.
– De Minister van Financiën is op 8 april 2026 met een nota geïnformeerd over de datakluis
en het voornemen de Kamer hierover een brief te sturen. De Minister is vervolgens
per nota geïnformeerd over de vervolgstappen met betrekking tot de datakluis.
Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is
betrokken in eerdere informatievoorziening met als doel om informatie achter te houden.
Wij hebben aangegeven het te betreuren is dat de Belastingdienst niet adequaat heeft
gehandeld toen de datakluis had moeten worden meegenomen in de zoekslag ten behoeve
van de PEFD of andere informatieverzoeken en dat het lang heeft geduurd voordat de
informatie juist, tijdig en volledig mogelijk het kabinet en uw Kamer heeft bereikt.
Vraag 4
Op welke momenten tussen 2019 en 2026 is er met de bewindspersonen en met de topambtenaren
gesproken over de datakluis en de inhoud daarvan, en op welke momenten hebben zij
hierover mondeling of schriftelijk informatie ontvangen? Kunt u daarvan een precies
overzicht geven?
Antwoord 4
De tijdlijn die met onze brief van 10 juli 2026 is meegestuurd geeft inzicht in belangrijke
formeel vastgelegde momenten in de periode 2017 en 2026, waaronder contacten tussen
ambtenaren en bewindspersonen
Vraag 5
Kunt u de volgende stukken die in het BDO-rapport genoemd worden per ommegaande aan
de Kamer doen toekomen: het memo «Juridisch Kader datakluis» (voetnoot 15)5, e-mail 22 juni 2022.pdf (voetnoot 106), e-mail juni 2025 (paragraaf 387 van het
BDO-rapport), alle nota’s die aan de bewindspersonen en/of de (plaatsvervangend) secretaris-generaal
zijn voorgelegd, Nota BD inventarisatie datakluis.pdf (voetnoot 148)?
Antwoord 5
De door u gevraagde documenten zijn reeds openbaar gemaakt als bijlage bij onze Kamerbrief
van 10 juli 2026.
Vraag 6
Zijn de geïsoleerde persoonlijke omgevingen overgedragen aan en/of opgevraagd door
het Openbaar Ministerie? Zo ja, wanneer, en zo nee, waarom niet? Bent u bereid dat
alsnog te doen?
Antwoord 6
Naar aanleiding van de aangifte van het vermoeden van strafbare feiten door de Staatssecretarissen
van Financiën op 19 mei 2020 heeft de Belastingdienst onder meer mailboxen en digitale
omgevingen van organisatieonderdelen en teams die voorkomen in de aangifte in een
afgeschermde omgeving opgeslagen. Afgeschermde omgevingen bestaan naast de datakluis
en zijn in de loop der tijden bij de Belastingdienst ontstaan naar aanleiding van
uiteenlopende verzoeken, waaronder interne verzoeken, strafrechtelijke trajecten en
andere formele opdrachten. Het veiligstellen in deze afgeschermde omgeving was bedoeld
om aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie te voldoen. U leest dit
als zodanig terug in het rapport van BDO. Het is aan het Openbaar Ministerie om een
toelichting te geven op de wijze waarop zij dit onderzoek hebben verricht en welke
informatie daarvoor is opgevraagd of bekeken. Het Openbaar Ministerie stelde vast
dat geen sprake was van een strafrechtelijke verdenking en daarmee zien wij geen aanleiding
– ongevraagd – informatie aan het Openbaar Ministerie te verstrekken.
Vraag 7
Deelt u de opvatting dat het, gezien het feit dat het Ministerie van Financiën en
de Belastingdienst eerder jarenlang 14 wetten hebben overtreden waardoor burgers ernstig
in de problemen zijn gekomen, ongepast is de Belastingdienst nog langer zelf opdrachtgever
te laten zijn van een onderzoek naar zichzelf, nu er mogelijk nieuwe overtredingen
zijn van de Grondwet (Artikel 68, informatierecht), de Wet open overheid en het Wetboek
van Strafrecht (artikel 192b, het niet verschaffen van informatie aan een parlementaire
enquêtecommissie)?
Antwoord 7
Wij delen de opvatting dat het verstandig is om de Belastingdienst niet zelf opdrachtgever
te laten zijn van onderzoek over de datakluis bij de Belastingdienst. Daarom heeft
BDO, een partij die nooit eerder iets voor de Belastingdienst heeft onderzocht, het
onderzoek uitgevoerd en wordt er een onafhankelijke externe commissie ingesteld die
toegang krijgt tot alle informatie die zij noodzakelijk acht voor haar werkzaamheden.
Vraag 8
Bent u bereid ervoor te zorgen dat hiervan aangifte wordt gedaan en dat de Rijksrecherche
en het Openbaar Ministerie onderzoek doen naar alle mogelijke overtredingen c.q. (ambts)misdrijven?
Antwoord 8
Uit het onderzoek van BDO komen geen aanwijzingen naar voren dat opzettelijk gegevens
zijn achtergehouden in de datakluis met als doel voordeel te behalen, bepaalde gegevens
te verbergen of bepaalde belastingplichtigen te benadelen.
Ook als er door of binnen het ministerie of de Belastingdienst fouten zijn gemaakt,
zal dit nog niet betekenen dat sprake is van strafbaar gedrag.
Vraag 9
Kunt u deze vragen zelf en binnen drie weken beantwoorden, aangezien het volstrekt
ongepast is dat de bewindspersonen voor Financiën dit doen?
Antwoord 9
De vragen zijn beantwoord binnen drie weken. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President
door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën -
Mede ondertekenaar
S.T.P.H. Palmen, staatssecretaris van Financiën
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.