Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Westerveld en Piri over de situatie van Afghaanse evacués wat betreft het besluit over verblijfsvergunningen
Vragen van de leden Westerveld en Piri (beiden PRO) aan de Ministers van Asiel en Migratie en van Buitenlandse Zaken over de situatie van Afghaanse evacués wat betreft het besluit over verblijfsvergunningen (ingezonden 3 juli 2026).
Antwoord van Minister Van den Brink (Asiel en Migratie), mede namens de Minister van
Buitenlandse Zaken (ontvangen 17 augustus 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 2605.
Vraag 1
Bent u op de hoogte van de situatie van Afghaanse evacués die voor Nederland hebben
gewerkt in Afghanistan die geen permanente verblijfsvergunning krijgen, zoals bijvoorbeeld
beschreven in het NOS-artikel «Afghaanse tolken vragen uitzonderingspositie na besluit
over verblijfsvergunning»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Vindt u het terecht dat deze mensen, zonder wie Nederlanders in Afghanistan hun werk
niet hadden kunnen doen en zelfs niet veilig waren geweest, nu geen permanente verblijfsvergunning
krijgen terwijl zij veelal bijna vijf jaar hier zijn, aan de eisen voldoen maar nét
buiten de boot vallen?
Antwoord 2
Met de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact is de asielvergunning voor
onbepaalde tijd komen te vervallen. Dat betekent niet dat daarmee geen perspectief
op langdurig en stabiel verblijf meer bestaat. Daarvoor blijven er in beginsel verschillende
wettelijke verblijfsroutes beschikbaar. Welke route van toepassing is, hangt af van
de individuele omstandigheden en het voldoen aan de daarvoor geldende voorwaarden.
Een mogelijke route is bijvoorbeeld doorstroom naar de status van EU-langdurig ingezetene.
Vraag 3
Bent u het eens met de stelling dat het schandalig is dat het deze mensen, zonder
wie het Nederlandse militaire- en diplomatieke werk en politiewerk in Afghanistan
onmogelijk was, zo moeilijk wordt gemaakt een nieuw leven op te bouwen in Nederland?
Antwoord 3
Het kabinet heeft zich ingespannen voor deze groep door hen vrijwel direct na aankomst
in Nederland in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde
tijd. Zij hebben daarmee voorrang gekregen op andere asielzoekers die vaak geruime
tijd hebben moeten wachten op de behandeling van hun asielaanvraag. Door deze versnelde
vergunningverlening konden zij ook eerder uitstromen naar gemeenten en starten met
het opbouwen van een leven in Nederland. Het niet beschikken over de Nederlandse nationaliteit
staat daar evenmin aan in de weg. Met een verblijfsvergunning hebben zij rechtmatig
verblijf in Nederland en kunnen zij deelnemen aan de samenleving, bijvoorbeeld door
te werken, onderwijs te volgen en een toekomst in Nederland op te bouwen.
Vraag 4 en 5
Bent u het eens met de stelling dat er bij deze groep geen sprake was van vluchten,
maar dat deze mensen zijn geëvacueerd door Nederland zelf waardoor voor hen andere
omstandigheden gelden?
Wat vindt u van het feit dat zij in de asielprocedure zijn geplaatst terwijl zij niet
gevlucht zijn, maar door Nederland zijn geëvacueerd als lokaal personeel?
Antwoord 4 en 5
Het kabinet heeft destijds op basis van objectiveerbare criteria besloten tot de overbrenging
van deze afgebakende groep, omdat zij vanwege hun werkzaamheden voor Nederland mogelijk
gevaar liepen op vervolging of ernstige schade door de Taliban. Het betrof een brede
groep met een band met Nederland, waaronder ngo medewerkers van een ten laste van
de BZ/BHOS-begroting gefinancierd project en personen die gewerkt hebben voor Defensie
of een specifieke Nederlandse functionaris van EUPOL in Afghanistan in een voor het
publiek zichtbare functie. Het ging dus niet enkel om lokaal personeel met een met
een arbeidsovereenkomst met Nederland. Op die grond is aan hen een verblijfsvergunning
asiel voor bepaalde tijd verleend. De overbrenging maakt geen verschil voor de geldende
verblijfsrechtelijke procedure. Ook voor deze groep geldt het wettelijke kader dat
van toepassing is op alle personen die in Nederland bescherming aanvragen.
Nederland heeft voor deze groep voorts een bijzondere inspanning verricht door hen
over te brengen naar Nederland. Daarnaast hebben zij, zoals aangegeven in het antwoord
op vraag 3 voorrang gekregen bij de verlening van een asielvergunning.
Vraag 6
Erkent u dat de Nederlandse overheid een verplichting heeft tegenover deze Afghanen
en zij nadrukkelijk de verwachting heeft gewekt dat er na vijf jaar recht zou zijn
op een permanente vergunning?
Antwoord 6
Het kabinet deelt niet de veronderstelling dat na vijf jaar automatisch recht zou
ontstaan op een permanente verblijfsvergunning. Vanwege hun werkzaamheden voor Nederland
en de veiligheidsrisico’s in Afghanistan heeft Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid
op zich genomen voor deze groep. Daarom zijn zij overgebracht en zijn hun asielaanvragen
met voorrang behandeld.
De overbrenging naar Nederland laat echter onverlet dat betrokkenen de reguliere asielprocedure
in Nederland doorlopen. Zoals ook toegelicht in de beantwoording van vraag 4 en vraag
5, is een permanent verblijfsrecht afhankelijk van de daarvoor geldende wettelijke
voorwaarden. Aan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan geen automatisch
recht op permanent verblijf na vijf jaar worden ontleend. Dit betekent echter niet
dat betrokkenen na die periode Nederland moeten verlaten.
Vraag 7 en 8
Kunt u zich voorstellen dat deze groep Afghanen zich onveilig voelt door het feit
dat Nederland gesprekken voert met de Taliban – een regime dat mensenrechten met voeten
treedt en Afghanen die voor NAVO-landen werkten hebben opgepakt, mishandeld en zelfs
vermoord?
Kunt u uitsluiten dat vertegenwoordigers van de Taliban officieel geaccrediteerd worden
in Nederland. Zo nee, hoe weegt u het risico van repressie van en wraak op Afghaanse
diaspora en vluchtelingen in ons land?
Antwoord 7 en 8
Nederland onderhoudt minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten
in Afghanistan. Het normaliseren van de relatie met de Taliban is niet aan de orde.
Nederland erkent de Taliban niet als legitieme vertegenwoordiging van de Afghaanse
bevolking.
Vraag 9
Realiseert u zich dat door een opeenstapeling van vergunningen voor bepaalde tijd
in plaats van een permanente verblijfsvergunning de arbeidsmarktpositie van de Afghanen
onzekerder wordt en het risico op vaste contracten en daarmee inkomenszekerheid uit
zicht raakt? Beseft u zich dat hierdoor het voldoen aan de inkomenseis voor de EU-vergunning
langdurig ingezetene wordt bemoeilijkt?
Antwoord 9
Ik ben mij ervan bewust dat zekerheid over het verblijf in Nederland van belang kan
zijn voor de positie van betrokkenen op de arbeidsmarkt. Met een verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd kan iemand legaal in Nederland werken, een arbeidsovereenkomst
aangaan en een vast contract aangaan.
Voor het verkrijgen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen gelden
wettelijke voorwaarden, waaronder een inkomenseis. Het voldoen aan deze voorwaarden
wordt individueel beoordeeld en is afhankelijk van de persoonlijke situatie van de
aanvrager.
Vraag 10
Bent u bereid voor deze specifieke groep een oplossing te vinden?
Antwoord 10
Het Nederlandse asielstelsel is gebaseerd op het uitgangspunt dat voor iedereen die
bescherming aanvraagt hetzelfde wettelijke kader geldt. Binnen dit kader zijn de asielaanvragen
van deze groep met voorrang behandeld vanwege de bijzondere omstandigheden in Afghanistan
en hun band met Nederland. Verder geldt dat er sprake is van voldoende verblijfs-
en perspectiefmogelijkheden binnen het stelsel. Daarom zie ik zie ik geen aanleiding
om voor deze groep een uitzonderingspositie te creëren.
Vraag 11
Bent u bereid in het wetvoorstel over hoe het verkrijgen van een Nederlandse nationaliteit
in de toekomst vorm wordt gegeven rekening te houden met de specifieke belangen van
deze groep waaraan Nederland een ereschuld heeft? Wanneer kan de Kamer dit wetsvoorstel
verwachten?
Antwoord 11
De verantwoordelijkheid die ten aanzien van betrokkenen is genomen, heeft destijds
geleid tot hun overbrenging naar Nederland en een prioritaire behandeling van hun
asielaanvragen. Voor het nationaliteitsrecht geldt echter als uitgangspunt dat de
voorwaarden voor naturalisatie op gelijke wijze worden toegepast. Een afzonderlijke
uitzondering voor deze groep past niet goed binnen de systematiek van de Rijkswet
op het Nederlanderschap en zou raken aan de rechtsgelijkheid ten opzichte van andere
personen die naturalisatie aanvragen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie -
Mede namens
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.