Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Mededeling Betere Regelgeving (Kamerstuk 22112-4364)
2026D38310 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal fracties de behoefte
vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de Minister van Buitenlandse
Zaken d.d. 5 juni 2026 inzake het Fiche: Mededeling Betere Regelgeving (Kamerstuk
22 112, nr. 4364).
De voorzitter van de commissie,
Van Meetelen
Adjunct-griffier van de commissie,
Moonen
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
II
Reactie van de Minister van Economische Zaken
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het Fiche:
Mededeling Betere Regelgeving. Deze leden zijn positief over het voornemen van de
Europese Commissie om aan de hand van vijf actielijnen maatregelen te nemen die ervoor
moeten zorgen dat de wetgeving van de Europese Unie (EU) eenvoudiger en duidelijker
wordt, gepaard gaat met minder regeldruk voor burgers en ondernemers en beter wordt
geïmplementeerd en gehandhaafd. Zij vinden het van belang te weten hoe de uitwerking
in Nederland er uit gaat zien en hoe Nederland zich gaat inspannen om regeldruk terug
te dringen.
De leden van de VVD-fractie hebben aanleiding gezien tot het stellen van enkele vragen.
Welke samenhang en synergie ziet de Minister met de eigen agenda voor een slagvaardige
overheid en minder regeldruk die in het coalitieakkoord is afgesproken? Voor welke
van de hierin afgesproken voornemens ten aanzien van het terugdringen van regeldruk
en een meer slagvaardige overheid is aanpassing van Europese regelgeving nodig? Kan
de Minister een overzicht verstrekken van welke regelgeving Nederland in dat kader
aangepast zou willen zien in Brussel? Deze leden vragen of naast het grondig doorlichten
van bestaande regelgeving om regeldruk te verminderen en de effectiviteit te verhogen
ook gekeken kan worden naar de efficiëntere en betere inzet van ambtenaren op de uitvoering
en handhaving van regels. Kan de Minister aangeven hoe hiermee wordt omgegaan ten
aanzien van Nederland zelf en of hij bereid is dit ook te bepleiten als onderdeel
van de Europese aanpak? Verwacht de Minister dat ook werkgeversorganisaties onderdeel
uit zullen gaan maken van het «Platform voor vereenvoudiging?» Is de Minister bereid
om voor de deelname van werkgeversorganisaties bij de Europese Commissie te pleiten
indien dit niet het geval is?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister aangeeft kritisch te volgen wanneer
de Europese Commissie iets als «spoedeisend» kwalificeert. In de mededeling noemt
de Commissie daarvoor enkele redenen ter illustratie, waaronder «de politieke context».
Is de Minister bereid om aan de Commissie te vragen hoe het begrip «politieke context»
in het kader van spoedprocedures bij wetgeving zal worden ingekleurd?
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Europese Commissie aangeeft sneller
en vaker gebruik te willen maken van de inbreukprocedure als lidstaten doen aan «gold-plating».
Op grond van artikel 259 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
(VWEU) kunnen naast de Commissie ook EU-lidstaten een inbreukprocedure opstarten.
Is Nederland ook bereid om bij «gold-plating» van andere EU-lidstaten vaker een inbreukprocedure
op te starten, en dan voornamelijk wanneer «gold-plating» leidt tot een concurrentienadeel
van Nederlandse bedrijven? Maakt Nederland op dit moment gebruik van Themis om «gold-plating»
te voorkomen? Zo nee, waarom niet, en is de Minister bereid hier alsnog gebruik van
te maken? Hoe apprecieert de Minister het voornemen van de Commissie om regels inzake
huisvesting te versimpelen, terwijl huisvesting in beginsel een nationale competentie
is? Zal de Minister erop toe zien dat de Commissie in het kader van betere regelgeving
niet bewust of onbewust meer bevoegdheden op het gebied van huisvesting naar zich
toetrekt?
De leden van de VVD-fractie constateren dat in het commissievoorstel een aantal zaken
staan waarvan niet duidelijk blijkt uit het Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen
(BNC)-fiche wat hierover de opvatting van de Minister is. Hoe kijkt de Minister aan
tegen de intentie om vaker gebruik te maken van horizonbepalingen? Hoe kijkt de Minister
aan tegen het risico dat dit kan zorgen voor meer wetgevingstrajecten, omdat ofwel
de Raad ofwel het Europees Parlement zal pleiten voor een verlenging van de horizonbepaling?
Hoe kijkt de Minister aan tegen het voorstel om artificiële intelligentie te gebruiken
bij beleidsvorming? Hoe kan de Europese Commissie hierbij volgens de Minister voorkomen
dat dit gebruik van AI in latere rechtszaken een grond zal vormen om bepaald beleid
terug te draaien? Deze leden vragen of ook meegenomen kan worden welke mogelijkheden
er zijn voor de inzet van AI bij het verhogen van de effectiviteit en dan met name
bij uitvoeringsorganisaties. In hoeverre sluiten de vakantieperioden die voortaan
niet meer zullen meetellen in de totale raadplegingstermijn aan bij de vakantieperioden
in Nederland? Hoeveel inbreukprocedures zijn er in 2025 opgestart tegen Nederland
omdat er sprake was van een onjuiste implementatie van EU-wetgeving, of omdat de handhaving
van EU-wetgeving op een onjuiste manier plaatsvond? Hoe verhoudt dit zich tot het
aantal inbreukprocedures dat tegen andere EU-lidstaten in hetzelfde jaar is opgestart?
De leden van de VVD-fractie vragen zich ten aanzien van bijlage twee af hoe Nederland
presteert qua handhaving op de door de Commissie geïdentificeerde elf aandachtsgebieden.
Kan daarvan een overzicht worden verstrekt?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Fiche: Mededeling
Betere Regelgeving. Hoewel deze leden uiteraard voor betere regelgeving zijn, maken
zij zich zorgen of de aangekondigde maatregelen een verbetering zijn en niet het negeren
van de belangen buiten het bedrijfsleven, zoals de natuur en biodiversiteit. Het doel
lijkt met name gericht te zijn op minder regels, terwijl sommige regels bestaan om
diegene en datgene te beschermen zonder stem en zonder geld, zoals natuur, biodiversiteit
en werknemers in kwetsbare posities.
De leden van de PRO-fractie hebben enkele vragen en opmerkingen bij het Fiche. In
de tweede actielijn die ziet op het gebruik van effectbeoordelingen staat dat effectbeoordelingen
en evaluaties beperkt zullen worden tot de belangrijkste economische, sociale en milieuaspecten
van een voorstel, zo lezen deze leden. Zij zijn van mening dat de effecten op biodiversiteit
en duurzaamheid/sustainability ook meegenomen moeten worden. Op welke manier worden
deze effecten ook gemeten en is de Minister bereid zich in te zetten voor het meenemen
van deze effecten?
De leden van de PRO-fractie merken op dat een trend bij nieuwe regelgeving lijkt te
zijn dat de effecten op het bedrijfsleven centraal staan en de effecten op milieu
en duurzaamheid hierdoor niet langer voldoende worden meegenomen. Vindt de Minister
het wenselijk dat de belangen van datgene zonder stem en geld, zoals natuur, minder
worden meegenomen bij het tot stand komen van regelgeving in de toekomst? Bij de omnibussen
wordt het maatschappelijk middenveld niet betrokken bij de wijzigingsvoorstellen,
het bedrijfsleven nadrukkelijk wel. Dit werkt ook door in Nederlandse wetgeving. Is
de Minister het eens dat juist een grote diversiteit aan stakeholders, ook zij die
opkomen voor de belangen van de natuur, betrokken moeten worden bij het tot stand
komen van regelgeving? Hoe gaat de Minister dit borgen? Hoe zorgt de Minister dat
het bredere maatschappelijke belang gewogen wordt als met name gesproken wordt met
het bedrijfsleven?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche
over de recente mededeling van de Europese Commissie inzake betere regelgeving. Deze
leden waarderen de inzet van de Europese Commissie om te komen tot meer proportionele,
beter uitlegbare en effectievere regelgeving. Ook waarderen deze leden de Nederlandse
inzet om onnodige regeldruk op nationaal en Europees niveau te verminderen. Zij kunnen
zich in grote lijnen vinden in de beoordeling van de Minister. Wel hebben deze leden
nog enkele vragen over het fiche.
De leden van de CDA-fractie achten het onderscheid tussen grote en gerichte voorstellen
op zichzelf niet onlogisch, in het bijzonder wanneer hiermee de doorlooptijden kunnen
worden verkort en meer voorstellen van een effectbeoordeling door de Regulatory Scrutiny
Board (RSB) kunnen worden voorzien. Hoewel de effectbeoordeling bij gerichte voorstellen
minder diepgaand zal zijn dan bij grote voorstellen, zijn deze leden van mening dat
een beperktere effectbeoordeling in beginsel te verkiezen is boven het geheel ontbreken
daarvan, zoals nu nog regelmatig het geval is. Hoe beoordeelt de Minister deze afruil
tussen enerzijds de diepgang van effectbeoordelingen en anderzijds het vergroten van
het aantal voorstellen dat aan een effectbeoordeling wordt onderworpen?
De leden van de CDA-fractie hebben daarnaast vragen over de wijze waarop het onderscheid
tussen gerichte en grote voorstellen in de praktijk zal worden gemaakt. Kan de Minister
nader toelichten welke definities en criteria worden gehanteerd voor de kwalificatie
van een voorstel als «gericht» dan wel «groot»? Wanneer wordt een voorstel aangemerkt
als een groot voorstel waarvoor een diepgaande effectbeoordeling is vereist, inclusief
beoordeling en advisering door de RSB?
Ook vragen de leden van de CDA-fractie welke inzet de Minister pleegt richting de
Europese Commissie ten aanzien van de totstandkoming en toepassing van heldere, objectieve
en transparante criteria voor deze categorisering.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Europese Commissie voornemens is effectbeoordelingen
meer te richten op de kernaspecten, mede op initiatief van Nederland. Deze leden lezen
echter dat de Minister vooralsnog een afwachtende houding inneemt ten aanzien van
de vraag welke elementen als kernaspecten moeten worden aangemerkt. Zij vragen de
Minister daarom welke economische, sociale en milieuaspecten het zelf als onmisbare
onderdelen van een effectbeoordeling beschouwt, mede gelet op de Nederlandse ervaringen
met Europese wetgeving en regeldruk. Is de Minister bereid zich in Europees verband
actiever in te zetten voor een duidelijke afbakening van deze kernaspecten, zodat
essentiële onderdelen van effectbeoordelingen, zoals de Europese mkb-toets (SME Test),
niet buiten beschouwing blijven?
De leden van de CDA-fractie delen de zorgen van de Minister over het gebruik van spoedprocedures.
Deze leden constateren dat «spoed» een relatief begrip is en dat uit het verleden
blijkt dat de Europese Commissie dit begrip soms ruimer hanteert dan naar het oordeel
van deze leden wenselijk is. Zij vragen tegen deze achtergrond welke inzet de Minister
pleegt richting de Europese Commissie ten aanzien van een heldere en afgebakende definitie
van het begrip «spoed». Welke objectieve criteria zouden volgens de Minister moeten
gelden voor het gebruik van een spoedprocedure? Welke mogelijkheden heeft de Minister
om op te treden indien naar het oordeel van de Minister ten onrechte gebruik wordt
gemaakt van een spoedprocedure?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Europese Commissie voornemens is sneller
en strenger te handhaven op de naleving van implementatietermijnen. Deze leden benadrukken
dat zij het van groot belang achten dat Europese wet- en regelgeving tijdig en zorgvuldig
wordt geïmplementeerd. Tegelijkertijd constateren zij dat tijdige implementatie, ook
in Nederland, niet altijd wordt gerealiseerd. Zij vragen tegen deze achtergrond waar
de Minister mogelijkheden ziet om de implementatie van Europese richtlijnen en verordeningen
te versnellen. Welke knelpunten ziet de Minister momenteel als belangrijkste oorzaken
van vertraging bij de implementatie en uitvoering van Europese regelgeving, en welke
concrete maatregelen is de Minister bereid zelf te nemen om deze knelpunten weg te
nemen? In hoeverre ziet de Minister mogelijkheden om in een eerder stadium van het
Europese wetgevingsproces voorbereidingen te treffen voor nationale implementatie
en uitvoering?
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe de Minister het risico voor Nederland
beoordeelt dat de Europese Commissie, als gevolg van een snellere en strengere handhavingspraktijk,
vaker zal overgaan tot het starten van inbreukprocedures. Acht de Minister Nederland
voldoende voorbereid op deze aangescherpte handhaving?
De leden van de CDA-fractie staan in beginsel positief tegenover de oprichting van
een platform voor vereenvoudiging. Wel hebben zij vragen over het mandaat en de positie
van een dergelijk platform. In hoeverre is de Europese Commissie gehouden om op adviezen
van het platform te reageren en inzichtelijk te maken op welke wijze deze adviezen
worden opgevolgd?
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie welke Nederlandse organisaties naar verwachting
bij dit platform zullen aansluiten. Kan de Minister aangeven aan welke organisaties
het hierbij denkt en welke inzet het hierop pleegt? Ziet de Minister bijvoorbeeld
een rol voor het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)?
II. Reactie van de Minister van Economische Zaken
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.F. van Meetelen, voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken -
Mede ondertekenaar
J.H.R. Moonen, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.