Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Houwelingen over het SG-beraad
Vragen van het lid Van Houwelingen (FvD) aan de Minister-President over SG-beraad (ingezonden 20 juli 2026).
Antwoord van Minister-President Jetten (Algemene Zaken) (ontvangen 13 augustus 2026).
Vraag 1
Klopt het dat de secretarissen-generaal (SG) van de ministeries op structurele basis
bijeenkomen in het SG-beraad en dat daar interdepartementale afstemming plaatsvindt
over lopende beleidsdossiers? Zo nee, hoe kwalificeert u de feitelijke werkzaamheden
van dit overleg?
Vraag 2
Hoe vaak vindt het SG-beraad gemiddeld plaats, hoeveel bijeenkomsten waren er het
afgelopen jaar?
Vraag 3
Welke functionaris is eindverantwoordelijk voor het bijeenroepen en structureren van
het SG-beraad en wie stelt de agenda vast?
Vraag 4
Op basis van welke concrete criteria worden onderwerpen wel of niet geagendeerd voor
het SG-beraad en wie kan besluiten een onderwerp eventueel niet te behandelen?
Vraag 5
Kunt u de gebruikelijke volgorde schetsen waarin beleidsdossiers ambtelijk worden
afgestemd – inclusief gremia zoals het SG-beraad – voordat deze aan bewindspersonen
of de ministerraad ter besluitvorming worden voorgelegd?
Vraag 6
Welke rol speelt ambtelijke afstemming, inclusief het SG-beraad, bij het bepalen welke
beleidsopties of varianten uiteindelijk aan bewindspersonen worden voorgelegd?
Vraag 7
In welke vorm worden uitkomsten van het SG-beraad verwerkt in stukken richting bewindspersonen
(bijvoorbeeld via beslisnota’s, annotaties of afgestemde varianten)?
Vraag 8
Kan het SG-beraad, naast een coördinerende en informerende rol, soms ook een besluitvormende
invloed uitoefenen op beleidsdossiers? Zo ja, hoe is deze rol staatsrechtelijk en
bestuursrechtelijk verankerd, mede gelet op de ministeriële verantwoordelijkheid en
het uitgangspunt dat politieke besluitvorming plaatsvindt door bewindspersonen en
de ministerraad?
Vraag 9
Kunt u, bij benadering, aangeven of het aantal dossiers dat jaarlijks via ambtelijke
gremia zoals het SG-beraad wordt afgestemd, enkele tientallen, honderden of het merendeel
van de beleidsdossiers betreft?
Vraag 10
Klopt het dat in het ambtelijke voortraject keuzes worden gemaakt welke beleidsopties
wel en niet worden uitgewerkt of aan bewindspersonen worden voorgelegd? Zo ja, op
basis van welke overwegingen vindt deze selectie plaats? Speelt de Nationaal Coördinator
Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) hierbij nog een rol?
Antwoord 1 t/m 10
Binnen ons staatsrechtelijk bestel functioneren ambtenaren van de Rijksoverheid altijd
onder de ministeriële verantwoordelijkheid van een of meer bewindspersonen. Dit geldt
zowel voor ambtelijke werkzaamheden bij de uitvoering van beleid als voor ambtelijke
werkzaamheden in het kader van het voorbereiden van besluitvorming over toekomstig
beleid, inclusief de keuze voor de wijze waarop de interdepartementale afstemming
plaatsvindt.
Bij de wording van dit principe in de tweede helft van de negentiende eeuw was er
in eerste instantie voornamelijk sprake van individuele verantwoordelijkheid van elke
Minister afzonderlijk. Met het groeien van de taken van de staat, de bijbehorende
noodzaak tot afstemming en de vorming van het parlementaire bestel na de invoering
van het evenredig kiesstelsel, inclusief de voor Nederland zo kenmerkende coalitievorming
die steunde op meerdere politieke fracties in het parlement, kreeg daarnaast ook de
collectieve ministeriële verantwoordelijkheid een steeds belangrijker plaats. Zie
voor een uitgebreidere beschouwing hierover bijvoorbeeld het ongevraagd advies van
de Raad van State over de ministeriële verantwoordelijkheid uit 2020.1
De ministerraad vervult voor de collectieve ministeriële verantwoordelijkheid een
belangrijke rol, omdat daar, in lijn met artikel 45 van de Grondwet en het reglement
van orde voor de ministerraad, beraadslaagd en besloten wordt over het algemeen regeringsbeleid
en de eenheid van beleid wordt bevorderd. De besluitvorming in de ministerraad wordt
zorgvuldig voorbereid. Als er aanleiding toe is, kunnen voorgestelde besluiten worden
geagendeerd in een onderraad of ministeriële commissies voordat ze in de ministerraad
worden geagendeerd. In veel gevallen gaat er ook een zorgvuldige interdepartementale
ambtelijke voorbereiding aan de besluitvorming vooraf in zogenoemde ambtelijke voorportalen.
Daarbij geldt het uitgangspunt dat een bewindspersoon met een door diens ambtenaren
voorbereid stuk moet instemmen met een stuk voordat het in een ambtelijk voorportaal
wordt geagendeerd.
Op grond van het Besluit regeling functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal
is op elk van de ministeries een secretaris-generaal (SG) belast met de ambtelijke
leiding van al hetgeen het desbetreffende ministerie betreft. De secretarissen-generaal
van de ministeries komen in beginsel wekelijks informeel bij elkaar in het zogenaamde
secretarissen-generaal overleg (SGO, of SG-beraad). Het SGO wordt voorgezeten door
de SG van Algemene Zaken, en het Ministerie van Algemene Zaken voorziet ook in een
secretaris. De bijeenkomsten zijn informeel en niet besluitvormend, maar besprekingen
kunnen wel relevant zijn voor besluitvorming. Er wordt wekelijks een agenda voorbereid
door de secretaris, in overleg met de voorzitter en mede op basis van door andere
leden aangeleverde informatie.
Het SGO is voor onderwerpen die de rijksdienst in het bijzonder aangaan een van de
ambtelijke voorportalen voorafgaand aan besluitvorming in een onderraad of de ministerraad.
Daarenboven is het SGO om meerdere redenen een belangrijk gremium binnen de ambtelijke
dienst. Zaken die primair betrekking hebben op de ambtelijke leiding van de ministeries
kunnen binnen het SGO worden gecoördineerd. Daarnaast kunnen in de bijeenkomsten ook
actualiteiten aan de orde komen, waaronder zaken die betrekking hebben op besluitvorming
binnen een kabinet. Zoals ook in de actieagenda slagvaardige overheid, die op 26 juni
jl. aan de Tweede Kamer is gestuurd door de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en
Slagvaardige Overheid, is opgenomen, nemen de secretarissen-generaal steeds vaker
gezamenlijk verantwoordelijkheid voor de manier waarop de rijksdienst werkt en leggen
zij interdepartementale verbindingen bij vraagstukken die meerdere departementen raken.
Zo kunnen zij meer samenhang aanbrengen in de manier waarop het Rijk maatschappelijke
vraagstukken oppakt, kennis en capaciteit organiseert en samenwerkt. En ook op het
gebied van bedrijfsvoering, ICT, informatiehuishouding en de professionele ontwikkeling
van ambtenaren verbinden de secretarissen-generaal zich aan de gezamenlijke veranderagenda’s
die hiervoor worden ontwikkeld.
Naast het SGO bestaat er een veelheid aan interdepartementale overleggremia, waarvan
doel, aard, samenstelling en frequentie van samenkomst afhangen van de specifieke
omstandigheden van het geval. Elke opsomming hiervan zou naar zijn aard hiermee noodzakelijkerwijs
een onvolledig en enigszins toevallig karakter hebben.
Teneinde toch een indruk te geven van de meer structurele interdepartementale overleggen
noem ik in dit verband de Interdepartementale commissie bedrijfsvoering rijk (ICBR),
het Interdepartementaal Overleg voor Wetgeving en Juridische Zaken (IOWJZ), het Interdepartementaal
Overleg Financieel-Economische Zaken (IOFEZ), de Voorlichtingsraad (VoRa), en de Coördinatiecommissie
voor Internationale Aangelegenheden (CoRIA). Binnen deze overleggen worden vaak weer
andere overleggen gevormd. Zo kent het IOWJZ drie vaste subcommissies: het Interdepartementaal
wetgevingsberaad (IWB), de Interdepartementale Commissie Bedrijfsjuridisch Advies
(CBA) en het Interdepartementaal Hoofdenoverleg Juridische Zaken (IHJZ). Het IOFEZ
kan werkgroepen instellen en de samenstelling daarvan bepalen. En ook onder deze overleggen
kunnen mede op basis van specifieke deskundigheid en expertise weer interdepartementale
ambtelijke werkgroepen worden gevormd, bijvoorbeeld op specifieke thema’s binnen het
werkveld van dergelijke overleggen, al dan niet naar aanleiding van een specifiek
geval.
Naast bovengenoemde overleggen met een meer structureel karakter, zijn er vele overleggen
die verbonden zijn aan al dan niet tijdelijke maatschappelijke opgaven. Soms ontstaan
interdepartementale overleggen bovendien min of meer ad hoc, bijvoorbeeld in reactie
op een gebeurtenis of ten behoeve van een evenement. Als hier aanleiding toe bestaat,
zal ook de NCTV deelnemen aan interdepartementale overleggen. De wettelijke taak van
de NCTV is vastgelegd in de Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid
(Wcotnv).
Reeds vanwege het aantal en de veelsoortigheid van ambtelijke overleggen en de wisselingen
in hun onderlinge verhoudingen is het niet mogelijk om een benadering te geven van
het aantal dossiers dat interdepartementaal wordt afgestemd in het SGO of soortgelijke
gremia. Mede om die reden is de precieze invloed van de hiervoor genoemde interdepartementale
afstemming op de uiteindelijke besluitvorming ook niet in abstracto te bepalen. Of
en in welke mate interdepartementale afstemming ook een plaats krijgt in annotaties,
beslisnota’s of andere stukken, is in zijn algemeenheid evenmin te bepalen.
De hiervoor beschreven praktijk is passend bij de ministeriële verantwoordelijkheid:
de ministeriële verantwoordelijkheid krijgt vorm wanneer de ambtelijke dienst actief
aan de slag gaat met de wensen van een bewindspersoon en opties uitwerkt om deze wensen
te realiseren. Oog voor de interdepartementale context is hierbij van belang, enerzijds
omdat maatschappelijke opgaven zich niet laten begrenzen door de organisatorische
grenzen van ministeries, anderzijds om al in een vroeg stadium de eenheid van kabinetsbeleid
te bevorderen. De ambtelijke dienst legt hierover continu en op verschillende wijzen
verantwoording af, ook aan de Minister die het betreft. De Minister kan over het uiteindelijke
besluit en de voorbereiding hiervan vervolgens, eventueel na besluitvorming in de
ministerraad, in het openbaar en in het parlement verantwoording afleggen.
Ondertekenaars
R.A.A. Jetten, minister-president
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.