Schriftelijke vragen : Het gebruikmaken van de brievenadministratie en de aangetroffen fysieke FIOD-dossiers.
Vragen van het lid Ceulemans (JA21) aan de Staatssecretaris van Financiën over het gebruikmaken van de brievenadministratie en de aangetroffen fysieke FIOD-dossiers (ingezonden 13 augustus 2026).
Vraag 1
Waarom geeft u in het antwoord van 10 juli 2026 op schriftelijke vragen over de brievenadministratie
rond het massale uitvraagproces (Kamerstuk 2026Z14866) aan dat om een uitspraak over de mate van gedupeerdheid van ouders aan de hand van
de brievenadministratie te kunnen doen de integrale beoordeling volledig overgedaan
zou moeten worden? Wat zou er bijvoorbeeld in het gesprek met betrekking tot het ouderverhaal
aan de orde gebracht kunnen worden dat niet eerder is besproken?
Vraag 2
Deelt u de conclusie dat er wel degelijk een inschatting van het aantal onterechte
compensatiejaren gemaakt kan worden door in kaart te brengen in welke gecompenseerde
toeslagjaren geen reacties op rappelbrieven zijn ontvangen van als gedupeerde erkende
ouders, die zijn gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen? Zo nee, waarom niet?
Vraag 3
Zo ja, bent u bereid in kaart te brengen voor hoeveel toeslagjaren er is gecompenseerd
vanwege vooringenomen handelen waarbij er tevens niet gereageerd op een rappelbrief,
bij hoeveel ouders dit speelt en bij hoeveel ouders dit alle gecompenseerde toeslagjaren
betreft? Zo nee, waarom vindt u het ook met het oog op de evaluatie van de hersteloperatie
niet van belang om de omvang van (mogelijke) onterechte compensatie in kaart te brengen,
mede gelet op het trekken van lessen voor de toekomst?
Vraag 4
Deelt u de conclusie dat de kans dat de desbetreffende ouders in dezelfde jaren ook
op andere gronden zijn gedupeerd in de praktijk bijzonder klein is, aangezien dergelijke
gronde (fraude/CAF-onderzoeken etc) zijn uitgesloten van de selectie voor het massale
uitvraagproces? Zo nee, waarom niet, welke compensatiegronden kan dit dan betreffen
en hoe vaak zouden deze onder de desbetreffende groep in hetzelfde toeslagjaar voorkomen?
Vraag 5
Waarom heeft u al voorafgaand aan de uitkomsten van het ADR-onderzoek naar de brievenadministratie
uw eigen speelruimte om te handelen inzake de betrokken dossiers publiekelijk zwaar
ingeperkt? Deelt u de conclusie dat u nooit op deze manier een voorschot op dit onderzoek
had moeten nemen, zeker nu de enorme omvang van mogelijke onterechte compensatie duidelijk
is geworden? Zo nee, waarom niet?
Vraag 6
Waarom vindt u het voorkomen van mogelijke onrust, zoals u in antwoord op vraag 2
van dezelfde set Kamervragen aangeeft, belangrijker dan het waarborgen van terechte
besteding van (potentieel) miljarden euro’s aan compensatie?
Vraag 7
Deelt u de conclusie dat in het theoretische geval van een herbeoordeling deze alleen
gevolgen zou hebben voor ouders die blijkens de brievenadministratie ten onrechte
als gedupeerde zijn aangemerkt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u het voorkomen
van onrust onder onterecht gecompenseerde ouders nog altijd belangrijker dan het bewaken
van de geloofwaardigheid van de hersteloperatie?
Vraag 8
Onderschrijft u dat het ouderverhaal bij «non-respons» niet boven beschikbare feitelijke
informatie gaat en dat het ouderverhaal dus «slechts» leidend is bij het ontbreken
van dergelijke informatie? Zo nee, waarom is dit dan nog altijd als zodanig opgenomen
in het handboek voor beoordelingen bij UHT? Zo ja, waarom verklaart u het ouderverhaal
dan alsnog generiek belangrijker dan de aangetroffen brievenadministratie?
Vraag 9
Deelt u de conclusie dat er ver voor de zomer van 2024 bij UHT al interne discussies
liepen over de mogelijke beschikbaarheid van een accurate brievenadministratie?
Vraag 10
Waarom hebben dergelijke discussies niet tot een onderzoek geleid? Als dit wel is
onderzocht, waarom is het bestaan van de administratie hier dan niet uit gebleken,
mede gelet op het feit dat de werkwijze in dit proces nauwelijks tot niet is veranderd
gedurende de jaren?
Vraag 11
Waarom geeft u in de beantwoording aan dat na het signaal over het bestaan van de
administratie in de zomer van 2024 «gelet op de mogelijke impact op ouders» besloten
is tot een onafhankelijk onderzoek door de ADR, aangezien u tegelijkertijd nog lopende
het onderzoek heeft aangegeven dat de ouderverhalen sowieso leidend zouden blijven?
Vraag 12
Waarom heeft u gedurende anderhalf jaar waarin het onderzoek liep de kans laten lopen
om te handelen op basis van de brievenadministratie, terwijl de uitkomsten van het
onderzoek voor u materieel niet van belang waren?
Vraag 13
Zijn er specifieke interne werkinstructies gegeven over de afhandeling van dossiers
gedurende de looptijd van het ADR-onderzoek? Zo ja, welke? Zo nee, waarom kon de financieel
zeer kostbare werkwijze van blind varen op ouderverhalen ongewijzigd doorgang vinden
terwijl er dermate sterke aanwijzingen voor het bestaan van ontkrachtende informatie
waren dat u zich genoodzaakt zag de ADR hier onderzoek naar te laten verrichten?
Vraag 14
Hoe aannemelijk acht u het dat er op dermate grote schaal sprake is geweest van de
uitzonderingssituaties zoals geschetst in antwoord op vraag 8, dat niet meer in algemene
zin te stellen is dat een het versturen van een stopbrief inhoudt dat er niet (tijdig)
is gereageerd op uitvraag- en rappelbrieven?
Vraag 15
Onderschrijft u dat zelfs in de uitzonderingssituaties die u schetst veelal geen sprake
is van verwijtbaarheid van de kant van de Belastingdienst/Toeslagen, zoals in het
geval van pas reageren ná het ontvangen van de stopbrief? Waarom rechtvaardigen ook
dergelijke situaties in uw ogen het oordeel van gedupeerdheid en compensatie?
Vraag 16
Waarom geeft u in antwoord op vraag 12 aan dat de Belastingdienst geen cijfers bijhoudt
over (het risico op) het kwijtraken van post (in vergelijking met andere overheidsorganisaties),
terwijl uit een korte zoektocht al blijkt dat door Capgemini eind 2020 nog onderzoek
is gedaan naar het kwijtraken van fysieke stukken bij Toeslagen? Welke conclusie trekt
u uit de bevindingen uit dat onderzoek ten aanzien van de bruikbaarheid van de brievenadministratie
in het kader van non-respons?
Vraag 17
Hoe rijmt u uw conclusie dat de brievenadministratie geen antwoordt biedt op de vraag
of ouders in de praktijk wel of niet gedupeerd zijn met uw antwoord op vraag 16, waaruit
blijkt dat de werkwijze en administratie inzake het massale aanvraagproces nog altijd
onveranderd zijn aangezien dit proces goed functioneert? Hoe kunt u tegelijkertijd
stellen dat het proces altijd goed heeft gefunctioneerd én dat ouderverhalen over
het vermeende massale disfunctioneren van dit proces leidend blijven?
Vraag 18
Waarom neemt u afstand van het genoemde aantal in NRC Handelsblad van mogelijk 20.000
ouders die ten onrechte zijn gecompenseerd, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat
u op basis van het ADR-onderzoek zelf geen beeld heeft van het aantal achteraf onterecht
als gedupeerd aangemerkte personen?
Vraag 19
Waarom geeft u in antwoord op vraag 12 over de rechterlijke uitspraak (Kamerstuk 2026Z15264) aan dat de vraag bij hoeveel van de 34.000 ouders die in één toeslagjaar als gedupeerde
zijn aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen sprake was van
gedupeerdheid in het kader van het massale uitvraagproces alleen te beantwoorden is
door dossiers handmatig te beoordelen? Waarom kunnen de toeslagenjaren niet gewoon
naast de brievenadministratie worden gelegd en bent u bereid dit te doen in navolging
van vraag 3?
Vraag 20
Erkent u dat standaard werd uitgegaan van institutioneel vooringenomen handelen indien
een ouder aangaf ten onrechte van non-respons beticht te worden? Zo ja, waarom geeft
u dan aan dat «onterechte non-respons» geen zelfstandige gedupeerdheidsgrond is, ook
gelet op het beoordelingskader waarmee gewerkt wordt bij UHT?
Vraag 21
Hoe is de ontdekking van de fysieke dozen met FIOD-dossiers, waarnaar u verwijst in
antwoord op vraag 21 (Kamerstuk 2026Z14866) in zijn werk gegaan?
Vraag 22
Wanneer was sprake van de eerste signalen inzake deze dossiers, hoe is hierop geacteerd
en door welke partijen?
Vraag 23
Wanneer was het bestaan van deze dossiers bij u bekend?
Vraag 24
Betreft het hier dossiers die een (ander) licht (hadden kunnen) werpen op de vraag
of als gedupeerde erkende ouders ook daadwerkelijk gedupeerd zijn? Zo ja, hoe beoordeelt
u het dat deze dossiers kennelijk niet gebruikt zijn voor dit doel en hoe gaan deze
alsnog worden ingezet?
Vraag 25
Welke jaren bestrijken deze dossiers?
Vraag 26
Bestaat de mogelijkheid dat zich onder de aangetroffen fysieke stukken ook stukken
kunnen bevinden, die aan de PEFD verstrekt hadden moeten worden? Zo nee, hoe kunt
u dit uitsluiten?
Vraag 27
Wie is deze dozen met fysieke dossiers momenteel aan het beoordelen? Gebeurt dit door
een externe partij? Zo nee, waarom is met betrekking tot deze informatiebron geen
externe validatie nodig terwijl dit wel moest gebeuren bij de brievenadministratie
door de ADR?
Vraag 28
Garandeert u dat niets van deze fysieke dossiers wordt vernietigd zolang niet onomstotelijk
is vastgesteld dat deze niet gebruikt kunnen worden bij het vaststellen van gedupeerdheid
en voordat de Kamer hierover is geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Vraag 29
Hoe kunt u in antwoord op vraag 5 over de rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie
(Kamerstuk 2026Z15264) stellen dat de rechterlijke uitspraak niet inhoudt dat er sprake is van onterecht
aangemerkte gedupeerdheid, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat uit de rechterlijke
uitspraak blijkt dat er geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid
richting de moeder?
Vraag 30
Hoe aannemelijk acht u het dat er in deze zaak sprake is van andere gronden van gedupeerdheid,
die niet door de verdediging aan de orde zijn gesteld? Deelt u de conclusie dat dit
een puur theoretische redenering is?
Vraag 31
Wat is de status van het onderzoek naar de bruikbaarheid van de brievenadministratie
bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen?
Vraag 32
Betreft dit onder andere de brede ondersteuning en aanvullende schade? Zo nee, wat
dan wel? Kunt u hier een uitputtend antwoord op geven?
Vraag 33
Kunt u tevens aangeven hoe informatie uit de brievenadministratie praktisch zal worden
ingezet, ook gelet op bijvoorbeeld de rol van gemeenten inzake de brede ondersteuning?
Vraag 34
Deelt u het uitgangspunt dat geen cent, vanuit welke regeling in het kader van de
afhandeling van de toeslagenaffaire dan ook, meer mag worden uitgekeerd aan personen,
die voorkomen in de brievenadministratie zonder voorafgaande inhoudelijke check van
deze administratie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven?
Vraag 35
Bent u bereid een meldpunt in te stellen waar (al dan niet voormalige) werknemers
van in ieder geval de Belastingdienst, Toeslagen, CAF en de FIOD zich (indien gewenst
anoniem) kunnen melden wanneer zij kennis hebben over informatie, die van belang kan
zijn met betrekking tot de afhandeling van de toeslagenaffaire en die (mogelijk) nog
niet bekend of gebruikt is? Zo nee, waarom niet en welke mogelijkheden om dergelijke
meldingen te doen zijn er dan wel? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven en wilt u de Kamer
hierover nauwgezet informeren?
Vraag 36
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over de datakluis?
Indieners
-
Gericht aan
S.T.P.H. Palmen, staatssecretaris van Financiën -
Indiener
Simon Ceulemans, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.