Schriftelijke vragen : Het onttrekkingsverbod van het Hoogheemraadschap van Delfland en de gevolgen voor de glastuinbouw.
Vragen van de leden Lohman en Boelsma (beiden CDA) aan de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat en van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het onttrekkingsverbod van het Hoogheemraadschap van Delfland en de gevolgen voor de glastuinbouw (ingezonden 6 augustus 2026).
Vraag 1
Kent u het bericht dat het Hoogheemraadschap van Delfland vanaf woensdag 5 augustus
een volledig verbod instelt op het onttrekken van oppervlaktewater en alle sluizen
in het beheergebied sluit?1
Vraag 2
Deelt u de constatering van Delfland dat dit de meest verstrekkende maatregel is die het waterschap ooit heeft genomen? Hoe beoordeelt u de omvang en urgentie
van deze situatie?
Vraag 3
Klopt het beeld dat de verminderde beschikbaarheid van zoetwater via het Brielse Meer
en de Klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA) wordt veroorzaakt door een combinatie van
aanhoudende droogte, een historisch lage afvoer van de Rijn en toenemende verzilting?
Kunt u toelichten hoe de zoetwateraanvoer naar West-Nederland zich de afgelopen weken
heeft ontwikkeld?
Vraag 4
Hoe kan het dat tot voor kort de verwachting was dat het Brielse Meer voldoende zoetwater kon leveren, terwijl de aanvoer inmiddels is stopgezet? Op welk moment
werd duidelijk dat dit noodzakelijk was? Was deze ontwikkeling, gelet op de al langer
bekende lage Rijnafvoer en toenemende verzilting, eerder te voorzien?
Vraag 5
Zijn de sector en de betrokken ondernemers naar uw oordeel tijdig betrokken en geïnformeerd
over de maatregelen en stappen die worden genomen tijdens periodes van droogte, zoals
we die momenteel kennen, zodat zij hierop adequaat kunnen anticiperen? Worden ook
andere sectoren en ondernemers elders in het land, die te maken krijgen met uitzonderlijke maatregelen, zoals
op het Twentekanaal2, tijdig geïnformeerd en meegenomen, zodat ook zij zich hierop kunnen voorbereiden?
Vraag 6
Op welke wijze worden ondernemers die direct worden geraakt door dergelijke verstrekkende
maatregelen na de inwerkingtreding daarvan betrokken bij de vervolgstappen, zodat zij tijdig duidelijkheid krijgen over het toekomstperspectief
en hun bedrijfsvoering daarop kunnen afstemmen?
Vraag 7
Heeft u, dan wel Rijkswaterstaat, de afgelopen weken actief contact gehad met Delfland
en de andere betrokken waterschappen over de aanvoer van zoetwater? Had het Rijk – bijvoorbeeld
via de Landelijke Commissie Waterverdeling (LCW) – met een andere sturing op het hoofdwatersysteem
deze acute situatie geheel of gedeeltelijk kunnen voorkomen, en welke rol pakt het
Rijk nu?
. Welke onomkeerbare schade ontstaat volgens u wanneer een onttrekkingsverbod slechts
gedeeltelijk wordt ingesteld? Kunt u daarbij aangeven welke schade, naast schade aan
dijken en de waterveiligheid, wordt voorkomen? Hoe verhoudt deze schade zich tot de
gevolgen die een volledig onttrekkingsverbod heeft voor de glastuinbouw?
Vraag 9
Welk beeld heeft u van de gevolgen van het onttrekkingsverbod voor de glastuinbouw?
Hoeveel glastuinbouwbedrijven worden volgens u direct door het verbod geraakt? Bent
u ermee bekend dat ondernemers aangeven dat hun waterbassins deze week droog dreigen
te komen te staan, ondanks de gerealiseerde extra opvangcapaciteit? Zo ja, hoe beoordeelt
u deze situatie?
Vraag 10
Worden er op dit moment noodoplossingen onderzocht om de sector door deze periode
te helpen? Is bijvoorbeeld gezuiverd effluent uit rioolwaterzuiveringen inzetbaar,
of andere alternatieve bronnen? Welke rol kan het Rijk daarbij spelen?
Vraag 11
Wanneer de situatie verbetert en oppervlaktewater weer beschikbaar komt: op welke
wijze wordt bepaald welke sectoren en organisaties als eerste weer water mogen gebruiken?
Deelt u de opvatting dat daarbij gekeken moet worden naar de partijen die de grootste
en meest onomkeerbare schade lijden, zoals teelten, jonge natuur- en groenaanplant
en sportvelden?
Vraag 12
Welke structurele maatregelen neemt u, samen met de waterschappen en de betrokken
sectoren, om de zoetwatervoorziening in Nederland toekomstbestendig te maken en herhaling
van situaties zoals de huidige zo veel mogelijk te voorkomen? Welke aanvullende of
specifieke maatregelen acht u daarbij noodzakelijk voor West-Nederland, gelet op de
kwetsbaarheid van deze regio voor zoetwatertekorten?
Vraag 13
Hoe kan er, in samenwerking met waterschappen en regionale overheden, voor gezorgd
worden dat ondernemers in het Westland, maar ook elders in Nederland die door droogte
of de daaruit voortvloeiende maatregelen kunnen worden geraakt, tijdig worden geïnformeerd
en betrokken, zodat zij zich adequaat kunnen voorbereiden en in hun bedrijfsvoering
kunnen anticiperen op de gevolgen van dergelijke maatregelen?
Vraag 14
Bent u bereid deze vragen, gelet op de urgentie en het acute karakter voor de betrokken
ondernemers, met spoed en bij voorkeur binnen enkele weken te beantwoorden?
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Keijzer (Keijzer),
ingezonden 4 augustus 2026 (vraagnummer 2026Z16665)
Indieners
-
Gericht aan
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat -
Gericht aan
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Indiener
Joris Lohman, Kamerlid -
Medeindiener
Luciënne Boelsma-Hoekstra, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.