Schriftelijke vragen : Lesmethoden op islamitische scholen waarin homoseksualiteit wordt afgewezen
Vragen van het lid Clemminck (JA21) aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over lesmethoden op islamitische scholen waarin homoseksualiteit wordt afgewezen (ingezonden 4 augustus 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur over de rol van de islam bij geweld
en vijandigheid tegen homoseksuelen en met het opinieonderzoek van EenVandaag naar
de ervaringen van lhbti’ers in Nederland?1 2
Vraag 2
Heeft u kennisgenomen van de in de uitzending getoonde islamitische lesmaterialen
waarin kinderen onder meer leren dat Allah een volk vernietigde vanwege homoseksuele
relaties, dieren een lhbti-vlag in het vuur gooien en het homohuwelijk in verband
wordt gebracht met de «ontwrichting van de samenleving» en «ernstige ziektes»? Zo
ja, wat is uw reactie op deze lesmaterialen?
Vraag 3
Acht u het aanvaardbaar dat dergelijke lesmaterialen worden gebruikt op scholen die
door de Nederlandse overheid worden bekostigd? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties
verbindt u hieraan?
Vraag 4
Klopt het dat de Inspectie van het Onderwijs deze specifieke lesmaterialen heeft beoordeeld
en heeft geconcludeerd dat het gebruik hiervan binnen de geldende wettelijke kaders
is toegestaan? Zo ja, op welke wettelijke bepalingen en inhoudelijke afwegingen is
deze conclusie gebaseerd?
Vraag 5
Heeft de Inspectie van het Onderwijs volledig zicht op de lesmethoden, leesboekjes
en aanvullende religieuze leermiddelen die op islamitische scholen worden gebruikt?
Zo nee, hoe kan de Inspectie dan vaststellen of het onderwijs voldoet aan de burgerschapsopdracht
en of sprake is van een sociaal veilige leeromgeving?
Vraag 6
Op welke wijze controleert de Inspectie of religieuze lesmaterialen niet alleen afzonderlijk,
maar ook in hun onderlinge samenhang bijdragen aan een schoolcultuur die in overeenstemming
is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat?
Vraag 7
Is bij u en de Inspectie bekend door welke personen, organisaties, uitgeverijen of
religieuze instellingen de in de uitzending getoonde lesmethoden zijn ontwikkeld en
verspreid? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke partijen hierbij betrokken zijn?
Vraag 8
Is bekend hoe de ontwikkeling, productie, aanschaf en verspreiding van deze lesmaterialen
zijn gefinancierd, waaronder eventuele financiering door Nederlandse overheden, schoolbesturen,
religieuze organisaties of buitenlandse personen, organisaties of overheden? Zo nee,
bent u bereid dit te onderzoeken?
Vraag 9
Worden deze lesmethoden centraal ingekocht of aanbevolen door samenwerkingsverbanden,
koepelorganisaties of andere organisaties binnen het islamitisch onderwijs? Zo ja,
welke organisaties betreft dit en op hoeveel scholen worden deze materialen gebruikt?
Vraag 10
Welke wettelijke taken, bevoegdheden en mogelijkheden hebben gemeenten om toezicht
te houden of in te grijpen wanneer binnen hun gemeente islamitische scholen worden
opgericht of uitgebreid en er zorgen bestaan over de gebruikte lesmaterialen, de invulling
van de burgerschapsopdracht of de sociale veiligheid van leerlingen? Acht u de huidige
positie en het instrumentarium van gemeenten hierbij toereikend? Zo nee, bent u bereid
gemeenten meer mogelijkheden te geven om dergelijke zorgen bij de Inspectie en het
ministerie af te dwingen en opvolging daarvan te verlangen?
Vraag 11
Hoe verhoudt het gebruik van de genoemde lesmaterialen zich volgens u tot de wettelijke
burgerschapsopdracht, waaronder het bevorderen van respect voor de basiswaarden van
de democratische rechtsstaat en het creëren van een schoolcultuur die daarmee in overeenstemming
is?
Vraag 12
Deelt u de opvatting dat de vrijheid van onderwijs geen vrijbrief kan zijn om kinderen
met publiek geld les te geven uit materialen die homoseksuele relaties stigmatiseren
of in verband brengen met ziekte, vernietiging en maatschappelijke ontwrichting?
Vraag 13
Welke mogelijkheden hebben de Inspectie en de Staatssecretaris op dit moment om in
te grijpen wanneer een school dergelijke lesmethoden gebruikt, maar volgens de huidige
uitleg nog niet aantoonbaar de wettelijke ondergrens overschrijdt? Acht u dit instrumentarium
toereikend?
Vraag 14
Kunt u de zogenoemde escalatieladder uiteenzetten waarnaar u in de uitzending van
Goedenavond Nederland van 28 juli 2026 verwees, inclusief de verschillende interventies,
de voorwaarden voor toepassing daarvan en de gemiddelde tijd die verstrijkt voordat
tot een bekostigingssanctie of sluiting kan worden overgegaan?3
Vraag 15
Deelt u de opvatting dat de huidige escalatieladder mogelijk onvoldoende mogelijkheden
biedt om snel en effectief in te grijpen wanneer scholen structureel gebruikmaken
van lesmateriaal dat homoseksuelen en homoseksuele relaties stigmatiseert?
Vraag 16
Bent u bereid de escalatieladder en de onderliggende wet- en regelgeving te herzien,
zodat scholen die structureel dergelijke lesmethoden gebruiken sneller een aanwijzing,
bekostigingssanctie of, als ultimum remedium, sluiting tegemoet kunnen zien?
Vraag 17
Uit onderzoek van het EenVandaag Opiniepanel blijkt dat 70 procent van de ondervraagde
lhbti’ers het als een probleem ervaart om de eigen seksuele oriëntatie of genderidentiteit
in het openbaar te tonen en dat zij weerstand vooral ervaren vanuit religieuze en
extreemrechtse hoek, waarbij met name de islam wordt genoemd.4 Hoe beoordeelt u deze uitkomsten?
Vraag 18
Deelt u de zorg dat onderwijs waarin homoseksualiteit expliciet negatief of bedreigend
wordt voorgesteld, kan bijdragen aan het maatschappelijke klimaat waarin lhbti’ers
aangeven hun gedrag, kleding en uitingen aan te passen uit angst voor negatieve reacties?
Vraag 19
Bent u bereid de Inspectie van het Onderwijs opdracht te geven gericht onderzoek te
doen naar de aard, omvang en inhoud van lesmaterialen over homoseksualiteit, relaties
en het homohuwelijk binnen het islamitisch onderwijs, en de Kamer over de uitkomsten
daarvan te informeren?
Vraag 20
Kunt u vaststellen hoeveel scholen deze lesmethoden gebruiken of in het verleden hebben
gebruikt, gedurende welke periode dit is gebeurd en hoeveel leerlingen naar schatting
reeds met deze materialen in aanraking zijn gekomen?
Vraag 21
Deelt u de opvatting dat leerlingen die onderwijs hebben ontvangen waarin homoseksuele
relaties worden voorgesteld als ziekmakend, maatschappelijk ontwrichtend of aanleiding
voor goddelijke bestraffing, mogelijk onvoldoende onderwijs hebben gekregen in overeenstemming
met de wettelijke burgerschapsopdracht?
Vraag 22
Bent u bereid maatregelen te treffen om eventuele schade bij deze leerlingen te herstellen,
bijvoorbeeld door de betrokken scholen te verplichten aanvullend burgerschapsonderwijs
aan te bieden over gelijkwaardigheid, het discriminatieverbod, seksuele diversiteit
en de grondrechten van lhbti’ers?
Vraag 23
Zo ja, hoe wordt gecontroleerd dat dit aanvullende onderwijs daadwerkelijk wordt aangeboden
en inhoudelijk voldoet aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat? Zo nee,
waarom acht u herstelmaatregelen niet noodzakelijk?
Vraag 24
Bent u tevens bereid om, in afwachting van dat onderzoek, met de betrokken schoolbesturen
in gesprek te gaan over het onmiddellijk uitfaseren van lesmaterialen waarin homoseksuele
relaties in verband worden gebracht met ziekte, goddelijke bestraffing of maatschappelijke
ontwrichting?
Vraag 25
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Indieners
-
Gericht aan
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Indiener
Ranjith Clemminck, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.