Verslag van een wetgevingsoverleg : Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 1 juni 2026, over wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)
36 915 XVI Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)
Nr. 40
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Vastgesteld 28 juli 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 1 juni 2026 overleg
gevoerd met mevrouw Hermans, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en mevrouw
Sterk, Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, over:
− het wetsvoorstel Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)
(Kamerstuk 36 915 XVI);
− de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 19 mei 2026 inzake
CW 3.1.-formulier mutatie (pandemische) paraatheid (Kamerstuk 36 915 XVI, nr. 4).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
De griffier van de commissie, Esmeijer
Voorzitter: Coenradie
Griffier: Heller
Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Bikker, Van Brenk, Bushoff, Coenradie,
Dobbe, Maeijer, Tijmstra, Vervuurt en Wendel,
en mevrouw Hermans, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en mevrouw Sterk,
Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport.
Aanvang 13.00 uur.
De voorzitter:
Welkom, allen, bij het wetgevingsoverleg VWS. Allereerst welkom aan de bewindspersonen,
Minister Sterk en Minister Hermans. Ik zal eventjes in de juiste volgorde de aanwezige
Kamerleden voorstellen. Aan mijn linkerzijde zitten de heer Bushoff van GroenLinks-PvdA,
oftewel PRO – dat moeten we inmiddels zeggen – de heer Vervuurt van D66, mevrouw Wendel
van de VVD, mevrouw Tijmstra van het CDA, mevrouw Van Brenk van 50PLUS, mevrouw Dobbe
van de SP en mevrouw Maeijer van de PVV. We verwachten ook nog een Kamerlid van de
ChristenUnie, dat vast zo zal binnenlopen. Ik zal, ook al ben ik vandaag voorzitter,
zelf een bijdrage leveren namens JA21. Met jullie welbevinden zal ik dat aan het einde
doen. We kunnen dan natuurlijk shuffelen van voorzitter, maar wat we ook kunnen doen,
is dat ik gewoon mijn bijdrage lever zonder voorzitterswissel en dat als er interrupties
zijn of wat dan ook, we dat een beetje organisch doen. Anders wordt het, net als vorige
week, zo’n gegoochel met de microfoon; dat kan Minister Sterk beamen. Ook welkom aan
alle mensen die het debat via de livestream volgen.
We starten met de eerste termijn van de Kamer. Ik wil daartoe de heer Bushoff van
PRO het woord geven.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag bespreken we de suppletoire begroting VWS, Volksgezondheid,
Welzijn en Sport. Dat is een bijstelling van de inkomsten en uitgaven van de begroting
van het lopende jaar, 2026. In die zin gaat het eigenlijk nog om een begroting van
het vorige kabinet. De ene keer is dat spannender dan de andere keer. Ik denk dat
het vandaag niet megaspannend is. Ik heb in ieder geval een viertal punten die ik
graag wil benoemen en nog een korte afsluitende opmerking.
Voorzitter. Ik begin bij mijn eerste punt. Afgelopen najaar stonden Hans en Monique,
de ouders van Maud – zij heeft postcovid – op het Malieveld met een groot spandoek
met daarop de tekst «ik besta, maar leef niet». In Nederland zijn er honderdduizenden
mensen zoals Maud, die vaak de kracht niet hebben om van zich te laten horen. Bijna
onhoorbaar zeggen die zachte stemmen eigenlijk allemaal hetzelfde: politiek, laat
mij niet in de steek.
Voorzitter. Mijn ouders werkten in de gehandicaptenzorg. Van huis uit heb ik dan ook
meegekregen dat je mensen een helpende hand moet toesteken als dat nodig is. De vraag
aan de politiek is dus ook: steken we die helpende hand toe aan mensen die dat nodig
hebben? Kiezen we voor gewone mensen die het misschien wat moeilijker hebben? Staat
de politiek aan de kant van de zachte stem of staat de politiek aan de kant van de
schreeuwers en de allerrijksten? Mijn stellige overtuiging is dat we als politiek
het succes van de samenleving niet kunnen afmeten aan mensen die alles al hebben en
de allerrijksten, maar aan hoe we omgaan met mensen die het juist wat minder hebben.
Precies daarom doe ik vandaag ook een concreet voorstel om mensen zoals Maud te helpen,
te voorkomen dat er bezuinigd wordt op mensen zoals Maud en ervoor te zorgen dat er
zorg en ondersteuning beschikbaar blijft voor mensen zoals Maud en al die andere honderdduizenden
mensen met postcovid. Zij verdienen het namelijk dat de politiek hen niet in de steek
laat.
Voorzitter. Het voorstel dat ik vandaag doe, is tweeledig. Aan de ene kant geeft het
C-support, een organisatie die mensen met bijvoorbeeld postcovid ondersteunt als zij
vastlopen binnen de zorg, binnen het sociaal domein, nog wat extra budget om op een
verantwoorde wijze af te kunnen bouwen. Zo hoeven ze niet al per 1 januari 2027 te
stoppen, terwijl de zorg en ondersteuning voor patiënten met postcovid en andere PAIS
nog niet op orde is. Dat behelst ook gelijk het tweede deel van mijn voorstel. Naast
dat ik er met dit voorstel voor zorg dat C-support verantwoord kan afbouwen, zorg
ik er ook voor dat de zorg en ondersteuning voor de mensen met postcovid in reguliere
systemen op orde wordt gebracht. Ook daarvoor maak ik geld vrij met het voorstel dat
ik vandaag doe.
Voorzitter. Ik hoop van harte op steun van het kabinet en ook van de Kamer, omdat
deze mensen, zoals ik in mijn inleiding al zei, heel vaak niet de kracht hebben om
van zich te laten horen. Er zijn honderdduizenden mensen die, soms letterlijk in het
donker, vergeten dreigen te worden door de politiek. Wij moeten, de politiek moet
er juist zijn voor deze mensen die misschien niet het hardst schreeuwen maar een zachte
stem hebben. Ook zij verdienen het om gehoord te worden door de politiek. Ik probeer
aan hen gehoor te geven met het voorstel dat ik vandaag doe in mijn amendement.
Voorzitter. Dat is mijn eerste punt.
De voorzitter:
Er is een interruptie. Wat ik net vergat in de inleiding te melden, is dat ik in deze
ronde vier interrupties wil toestaan – als dat qua tijd mogelijk is. Dat hangt dus
ook een beetje af van de duur van de interrupties en van de antwoorden. Ik geef nu
het woord aan mevrouw Van Brenk voor een interruptie.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik heb long covid ook in mijn bijdrage staan, omdat ik me daar ook zorgen over maak.
Hoe kijkt PRO aan tegen de oplossing? Bij C-support worden maar een paar mensen gezien,
in de hoop dat er uit het onderzoek een resultaat naar voren komt dat voor iedereen
behulpzaam kan zijn. Heel veel huisartsen kunnen daar echter weinig mee aan. Hoe kunnen
we al die mensen die met dit probleem thuiszitten verder helpen? Ik zou dat dolgraag
willen en ik hoor graag hoe PRO daarover denkt.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Een paar dingen. Eén. De constatering is juist – daarom dien ik vandaag ook een amendement
in – dat heel veel mensen met postcovid, met Q-koortsklachten en andere vormen van
zo’n post-acuut infectiesyndroom op dit moment nog onvoldoende terechtkunnen bij de
reguliere zorg of, in het sociaal domein, voor inkomensondersteuning vanuit de gemeente
of het UWV, omdat er te weinig bekend is over deze aandoening. Daarvoor is nodig –
en dat is mijn tweede punt – dat er meer bekend wordt over deze aandoening. Daarvoor
is onderzoek cruciaal. Ik vind het dus heel belangrijk dat we de komende jaren blijven
investeren in onderzoek naar deze aandoening, in de hoop dat dit resultaten oplevert
waar we binnen de zorg verder mee kunnen. Dat is één. Twee. Tegelijkertijd is het
goed – die roep leeft al langer onder heel veel patiënten – als er een PAIS-brede
aanpak komt, zodat mensen daadwerkelijk worden geholpen binnen het sociaal domein,
net zoals alle andere mensen die geholpen moeten worden, geholpen zouden worden. Daarvoor
maakt het amendement geld vrij. Hierdoor kunnen we met een PAIS-brede aanpak komen,
zodat die grote groep mensen die nu nog niet wordt geholpen binnen de zorg en het
sociaal domein, straks wel geholpen worden op de reguliere plekken.
De voorzitter:
Ik zie geen vervolgvraag, dus kunt u verder met uw betoog, meneer Bushoff.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Dat brengt mij bij mijn tweede punt: de zogenoemde BOSA-regeling,
een subsidieregeling voor amateursportverenigingen om ze te ondersteunen bij verbouwingen
en renovatie. Heel veel amateursportverenigingen in Nederland zijn daar enorm bij
gebaat. Sterker nog, op het moment dat zij geen aanspraak op deze subsidie kunnen
maken, dreigen heel veel amateursportverenigingen om te vallen. Dat moeten wij niet
willen met z’n allen, want amateursportverenigingen vormen het kloppend hart van onze
samenleving. Het is daarom heel goed dat er geld gereserveerd wordt voor hulp aan
deze amateursportverenigingen. We zien alleen wel – daar hoeven we niet tot in detail
bij stil te staan – dat het dit jaar eigenlijk een beetje een rotzooitje is geweest
en heel veel amateursportverenigingen achter het net vissen bij die subsidieregeling
waar ze redelijkerwijs wel op rekenden. De vraag is dan ook wat we gaan doen om deze
amateursportverenigingen te helpen.
Mijn collega Mohammed Mohandis heeft een voorstel gedaan en doet ook een klemmend
beroep op het kabinet om ervoor te zorgen dat al die sportverenigingen die redelijkerwijs
ervan uitgingen dat ze dit jaar nog subsidie zouden ontvangen, ook daadwerkelijk worden
geholpen en straks niet dreigen om te vallen. Ik zou graag een uitvoerige reactie
van de Minister op het ingediende amendement van mijn collega Mohammed Mohandis willen
ontvangen, net als op de vraag wat zij gaat doen om die sportverenigingen waarvan
wij allemaal kunnen begrijpen dat zij er heel redelijkerwijs van uitgingen dat zij
nog dit jaar aanspraak konden maken op die subsidieregeling, nog dit jaar te helpen,
en anders zo snel mogelijk, om in ieder geval te voorkomen dat ze dreigen om te vallen.
Het voorstel dat mijn collega Mohammed Mohandis heeft gedaan, is om geld dat eigenlijk
voor 2027 voor deze regeling is bestemd, ietsjes naar voren te halen, naar 2026, om
de acute nood, die er nu al is, op te lossen. Ik hoor daar graag een reactie op van
de Minister.
Voorzitter. Ik zou graag een derde punt willen maken en dat gaat over het excusestraject
aan jongeren in de gesloten jeugdzorg. Het is heel goed dat daar geld voor gereserveerd
is; dat gaat volgens mij om 12 miljoen. Toch blijft een beetje de vraag hoe dat geld
nou besteed wordt. Wie zijn er betrokken bij het vormgeven van dat excusestraject?
Welke partijen zijn daarbij betrokken en welke jongeren zijn daarbij betrokken? Hoeveel
geld gaat er naar partijen die dat excusestraject vormgeven en hoeveel geld blijft
er uiteindelijk daadwerkelijk over voor die jongeren zelf? Ook daarop graag een reactie
van de Minister.
Voorzitter. Dan tot slot een vierde en laatste punt dat ik graag wil maken. Dat gaat
over de bezuiniging op de gehandicaptenzorg. Vanuit de Kamer is er door mevrouw Bikker,
die net is aangesloten, maar ook door mijn collega Lisa Westerveld meermaals op aangedrongen
om die bezuiniging op de gehandicaptenzorg echt te schrappen. Het is denk ik goed
nieuws dat het kabinet heeft gezegd: dat gaan we doen in 2027. Het is niet voor het
eerst dat het kabinet heeft aangegeven te luisteren naar de wens van de Kamer; volgens
mij is dit eigenlijk al de derde keer dat het kabinet zegt daaraan tegemoet te gaan
komen. Ook nu heeft het kabinet dat na aandringen van de Kamer weer bevestigd.
De vraag blijft echter wel waar die volgens mij ruim 170 miljoen die geschrapt wordt
op de gehandicaptenzorg, dan precies vandaan komt. Uit de brief maken wij op dat dat
gewoon lijkt te kunnen worden opgevangen binnen de reguliere Zorgbegroting, binnen
het Wlz-kader, maar het blijft nog wel een beetje onduidelijk hoe dan precies. Moeten
we rekening houden met onderbesteding? Slaat die bezuiniging dan toch ergens anders
neer? Ik zou graag een nadere duiding door de Minister willen van hoe het kan dat
er blijkbaar toch nog ergens 170 miljoen binnen dat Wlz-kader beschikbaar is om die
bezuiniging op de gehandicaptenzorg te schrappen. Wordt dan niet de facto de ene bezuiniging
geschrapt en door de andere ingevuld? Ik zou de Minister willen vragen of dat risico
er niet is, ook voor de komende jaren.
Voorzitter, tot zover. Een laatste algemene afsluitende opmerking, die ik in het begin
al had aangekondigd. Vandaag gaat het, denk ik, niet om de plannen van dit nieuwe
kabinet voor de zorg en de sociale zekerheid in de toekomst, maar we zien wel dat
er bijna 10 miljard bezuinigd dreigt te worden op de zorg en bijna 6,5 miljard op
de sociale zekerheid, al weten we niet helemaal precies of die 6,5 miljard op de sociale
zekerheid nou wel of niet staat; daar gaan we in de komende week hopelijk meer duidelijkheid
over krijgen. Wat ik daarmee wil zeggen, is het volgende. Als er 16,5 miljard euro
bezuinigd dreigt te worden op de zorg en de sociale zekerheid, en er van mensen met
winst en vermogen in dit coalitieakkoord € 0 extra wordt gevraagd – sterker nog, die
krijgen een verlichting van 400 miljoen euro – dan is de balans wel zoek en hangt
dat als een zwaard van Damocles boven heel veel gewone mensen. Ik denk echt dat die
balans de komende periode hersteld moet worden en dat wilde ik het kabinet nog meegeven.
De voorzitter:
Veel dank voor uw bijdrage. Inmiddels is mevrouw Bikker van de ChristenUnie aangesloten.
Welkom ook. Ik wil graag het woord geven aan D66, aan de heer Vervuurt.
De heer Vervuurt (D66):
Dank u wel, voorzitter. Mensen willen erop kunnen vertrouwen dat de zorg er is wanneer
zij die nodig hebben. Dat vraagt niet alleen om voldoende geld vandaag, maar ook om
keuzes, keuzes die ervoor zorgen dat de zorg in de toekomst toegankelijk, betaalbaar
en van goede kwaliteit blijft.
In de Voorjaarsnota die vandaag voorligt, zien we een aantal hoognodige bijstellingen
en ook een aantal belangrijke stappen vooruit. Ik wil beginnen met een van die stappen,
en dat is pandemische paraatheid. Twee weken geleden bracht ik een bezoek aan de afdeling
virologie van het Erasmus MC. Daar zag ik de onderzoekers die iedere dag werken aan
de infectieziektebestrijding van morgen, aan nieuwe generaties griepvaccins die mogelijk
meerdere varianten tegelijk kunnen aanpakken en aan onderzoek naar het hantavirus
en ebola.
Voorzitter. Wat zij vooral lieten zien, is dat pandemische paraatheid structureel
over de jaren moet worden opgebouwd, zodat die er is op het moment dat er een nieuwe
crisis uitbreekt. Dat gaat om mensen, maar ook om kennis, om laboratoria en om internationale
samenwerking. Juist daarom is mijn partij blij dat er in deze Voorjaarsnota opnieuw
structurele middelen worden vrijgemaakt voor pandemische paraatheid, nadat daar eerder
fors op was bezuinigd. Ik wil dan ook mijn hartelijke dank uitspreken aan verschillende
partijen in deze Kamer die zich daar, onder leiding van mevrouw Bikker, hard voor
hebben gemaakt, want voorbereid zijn op een volgende pandemie betekent uiteindelijk
dat we sneller kunnen ingrijpen, beter kunnen beschermen en grotere schade kunnen
voorkomen.
Voorzitter. Daarnaast heb ik ook een aantal vragen over de plannen rondom passende
zorg. Wat D66 betreft gaat dit uiteindelijk over een simpele vraag.
De voorzitter:
Excuus. Er is een interruptie van mevrouw Bikker van de ChristenUnie. Die heb ik net
even iets te laat gezien. Excuus.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Daardoor kon ik wel lekker mijn armen strekken, voorzitter. Dank u wel daarvoor. Wat
betreft de dankwoorden: geen dank. Volgens mij is pandemische paraatheid voor ons
allen superbelangrijk. Ik ben heel blij dat een grote Kamermeerderheid zei: dit moeten
we aanpakken. Ik ben het dus helemaal eens met collega Vervuurt. Het is ook goed om
na te gaan wat er voor de komende jaren nodig is. Nu zit daar ook wel precies mijn
zorg. Ik ben blij dat we nu als Kamer net op tijd aan de noodrem hebben getrokken
en dat de Minister daar op een heel voortreffelijke manier invulling aan heeft gegeven.
Daar ben ik blij mee. Daarvoor spreek ik ook dankwoorden uit. Maar hebben we nu het
goede gedaan en zijn we op orde? Daarover gaat mijn vraag aan collega Vervuurt en
de andere collega’s. Zouden we niet een soort stresstest moeten doen, of op de een
of andere manier moeten checken of we inderdaad alle noodzakelijkheden voor de pandemische
paraatheid klaar hebben staan of dat dat toch nog een aanvullende inspanning vraagt?
Die geluiden hoor je namelijk wel en het aantal epidemieën zal de komende decennia
zeker niet minder worden, gezien de veranderingen in de wereldpopulatie en het klimaat.
We staan dus voor nogal wat uitdagingen. Hoe kijkt collega Vervuurt daarnaar?
De heer Vervuurt (D66):
Ik begon mijn verhaal door te zeggen dat het inderdaad heel belangrijk is dat wij
de pandemische paraatheid op orde hebben. Ik ben blij dat we daar met deze Voorjaarsnota
weer geld in gaan investeren. Dat is wat mij betreft een heel goed begin, maar zoals
we de afgelopen weken ook hebben kunnen zien, is dat een continue dreiging die natuurlijk
altijd boven ons hoofd hangt. Het is niet de vraag of maar wanneer er weer een pandemie
komt. Voor ons is het zaak dat wij daarop voorbereid zijn. Ik denk dat een stresstest
een interessant idee kan zijn om te toetsen of dat ook zo is.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Vervuurt (D66):
Wat D66 betreft gaat passende zorg ook over de simpele vraag: wat helpt mensen echt
verder? Niet meer zorg als doel op zich, maar mensen helpen op een manier die aansluit
bij het leven van mensen, die hun kwaliteit van leven verbetert en die hulp ook toegankelijk
houdt voor de toekomst. Daar zien we gelukkig vandaag de dag al hele mooie voorbeelden
van. Baby’s met geelzucht die veilig thuis behandeld kunnen worden in plaats van dagenlang
in het ziekenhuis te liggen. Mensen die, waar dat veilig kan, aan beide ogen tegelijk
geopereerd worden aan staar, zodat zij niet meerdere operaties hoeven door te maken.
Ook in de ouderenzorg zien we hele mooie initiatieven ontstaan. Er zijn ouderen die
bijvoorbeeld met een slimme medicijndispenser zelfstandig hun medicijnen kunnen innemen,
zonder steeds te hoeven wachten op wijkverpleging, zodat zij meer regie houden over
hun eigen dagritme. Mijn collega, het lid Synhaeve, bezocht bijvoorbeeld een zorgzame
buurt in Eindhoven. Daar wordt na een operatie niet automatisch gekeken naar een formeel
fysiotraject, maar juist ook naar aansluiting bij bestaande beweegactiviteiten in
de wijk, omdat herstel soms beter, fijner en socialer kan plaatsvinden in het gewone
leven van mensen. Wij geloven echt dat hier de zorg van de toekomst in zit: zorg die
niet alleen houdbaar is, maar ook menselijker, slimmer en prettiger georganiseerd.
Ik lees in de Voorjaarsnota over wat deze plannen financieel gaan opleveren, maar
nog weinig over hoe deze beweging concreet vorm gaat krijgen en op welke manieren
er geïnvesteerd wordt, terwijl dit juist een enorme omslag vraagt in de hele breedte
van de zorg en hier zoveel kansen liggen. Daarom wil ik de Minister vragen hoe ze
deze ontwikkeling echt gaat versnellen. Wanneer kunnen wij de concrete stappenplannen
en maatregelen verwachten? Welke partijen worden hierbij betrokken? Hoe wordt er gestuurd
op implementatie? En vooral ook: hoe wordt bewaakt dat deze beweging daadwerkelijk
leidt tot betere en prettigere zorg voor mensen in plaats van alleen tot financiële
besparing?
Voorzitter. Tot slot wil ik nog kort stilstaan bij het investeringsmodel voor preventie.
D66 ziet daarin een belangrijke kans om preventie een veel stevigere plek te geven
in toekomstige begrotingen, want hoewel er al goede stappen worden gezet, zouden wij
als partij nog veel meer willen investeren in het voorkomen van gezondheidsproblemen.
Vaak weten we eigenlijk wel dat een maatregel gezondheidswinst oplevert, maar lukt
het onvoldoende om die opbrengsten mee te wegen wanneer er vandaag een investeringsbesluit
moet worden genomen. Daarom is het goed dat het kabinet werkt aan een model dat gezondheidseffecten,
maatschappelijke baten en financiële gevolgen beter in beeld brengt. Daarmee kunnen
we preventie uiteindelijk gaan behandelen als een investering in plaats van alleen
als een uitgave.
Coeliakie is daarvan een goed voorbeeld, dat mij ook persoonlijk aangaat. Dat is een
auto-immuunziekte waarbij het lichaam heftig reageert op gluten. In Italië lopen initiatieven
rondom brede screening op coeliakie bij kinderen. Dat zijn ontwikkelingen die ook
voor Nederland veel zouden kunnen opleveren. Het Kamerlid Tielen heeft hierover eerder
een goede motie ingediend. In de beantwoording daarvan werd verwezen naar het preventie-investeringsmodel
als manier om deze investeringen te onderbouwen. Daarin zien wij heel veel potentie.
Daarom vraag ik de Minister wat de actuele stand van zaken is van dit preventie-investeringsmodel.
Welke toepassingen ziet zij bijvoorbeeld op dit moment voor de casus van screening
op coeliakie bij kinderen? En hoe kunnen we dit soort preventieve investeringen in
de toekomst breder een plek geven in onze begroting? Juist zo kunnen we namelijk op
de lange termijn echt het verschil maken voor de gezondheid van Nederland.
Dank u wel.
De voorzitter:
U heeft nog één interruptie van mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank aan de heer Vervuurt voor zijn betoog. Ik hoor de heer Vervuurt praten over bijvoorbeeld
medicijndispensers en zorgzame buurten. Die beweging moeten we maken, zegt hij. Tegelijkertijd
is de partij van de heer Vervuurt bezig met het afbreken van de zorg op de plek waar
de beweging vandaan komt, namelijk de huishoudelijke zorg voor ouderen, waar een half
miljard af moet, en de wijkverpleging, waar een eigen bijdrage voor moet worden betaald.
Daar wordt dus een heleboel afgebroken, maar dan moeten we wel een soort beweging
maken richting medicijndispensers. Heeft de heer Vervuurt, als hij menselijke en passende
zorg voorstaat, enig idee wat dit gaat betekenen voor ouderen, die langer thuis moeten
blijven wonen? En heeft de heer Vervuurt daar ook over gesproken met bijvoorbeeld
huishoudelijk verzorgenden of ouderen?
De heer Vervuurt (D66):
Dank u wel voor de vraag. Ik heb in het verleden in de ouderenzorg gewerkt en ik heb
daar ook hele mooie voorbeelden gezien hiervan. Daar komen deze voorbeelden ook vandaan.
Daarnaast heb ik inderdaad ook een heleboel ouderen gesproken. Zij zeggen tegen mij
dat ze heel blij zijn dat zij op een prettige manier, met goede ondersteuning, oud
kunnen worden in hun eigen omgeving en dat zij geen beroep hoeven doen op zwaardere
vormen van zorg, maar geholpen kunnen worden door bijvoorbeeld een kind dat wat vaker
langskomt of de buurman die boodschappen gaat doen. Dat zijn wat ons betreft hele
mooie vormen waarmee we de zorg beter kunnen organiseren in dit land.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik snap dat het daarover gaat als je in algemene zin met mensen praat over thuis blijven
wonen en over ouderenzorg. Maar mijn vraag was: heeft de heer Vervuurt gepraat met
ouderen en met huishoudelijk medewerkers en huishoudelijk verzorgenden over de plannen
van D66 en dit kabinet, dat de huishoudelijke zorg afbreekt? Ik kan me namelijk niet
voorstellen dat hij van de huishoudelijk verzorgenden heeft gehoord dat dat een goed
idee is, dat het de ouderenzorg goed gaat doen en dat het de ouderen goed gaat doen
om eigen bijdrage in te voeren voor de wijkverpleging. De wijkverplegenden zijn hier
ook geweest en ze hebben ons dat uitgelegd. De huishoudelijk verzorgenden zijn een
petitie gestart. Die komen gewoon in actie tegen de plannen van dit kabinet. Mijn
vraag is: meneer Vervuurt, gaat u zich hierop bezinnen? We kunnen namelijk niet richting
zorgzame buurten gaan en daar allemaal mooie woorden over hebben en tegelijkertijd
aan de achterkant alles afbreken. Ziet de heer Vervuurt dat ook? En is het daarom
geen tijd om echt te stoppen met deze plannen en te zeggen: sorry, we hebben de waarschuwingen
gehoord dus we doen dit niet?
De heer Vervuurt (D66):
Wij hebben het als D66 heel vaak over zorgzame buurten, omdat wij denken dat de zorg
voor de toekomst echt daar georganiseerd kan worden. Wij doen dat ook omdat wij de
uitdagingen zien die op ons af gaan komen. We zien nu al dat een heleboel zorgverleners,
of dat nu in de acute zorg, in de tweede- of derdelijnszorg of in de ouderenzorg is,
kampen met forse personeelstekorten. Wij zien niet voor ons hoe we dat in de toekomst
magisch kunnen gaan oplossen. Wij zien daarin dus de opgave om de zorg echt anders
te gaan organiseren, zodat juist de mensen die het bij wijze van spreken niet direct
in eigen kring kunnen organiseren, alsnog goed geholpen kunnen gaan worden in de toekomst.
Dat is onze inzet en dat is waarom wij denken dat deze plannen ons zullen helpen om
de zorg toekomstbestendig te organiseren.
Mevrouw Dobbe (SP):
Sorry, voorzitter, maar ik ga hierop door. Ik word hier echt boos van. Ik heb in 2015
bij de decentralisatie samen met huishoudelijk verzorgenden actiegevoerd tegen deze
afbraak. Daar was mevrouw Van Brenk trouwens ook nog bij aanwezig. We zaten samen
bij de vakbond. We hebben toen al gehoord en gezien wat het zou betekenen voor ouderen
als je de huishoudelijke zorg bij hen weghaalt. Die kunnen dan niet meer langer thuis
blijven wonen. We hebben toen al gehoord en gezien dat het werk dat huishoudelijk
verzorgenden doen, zo ontzettend wordt onderschat. Dit kabinet zet daar gewoon een
streep doorheen. De heer Vervuurt zet daar gewoon een streep doorheen. Ik heb hier
eerder ook met de collega van de heer Vervuurt over gesproken. Hij zegt dan: we doen
dat om de zorg in de toekomst houdbaar te houden. Maar u zet er nu een streep doorheen.
Het verdwijnt! En nu al verdwijnen ouderen en verschijnen ze verwaarloosd op de eerste
hulp van de ziekenhuizen. Hoe denkt de heer Vervuurt dat dit een goed idee is? Hij
gaat me niet wijsmaken dat hij met huishoudelijk verzorgenden heeft gesproken over
het plan, om dit te doen.
De heer Vervuurt (D66):
Mevrouw Dobbe komt aan met de schrijnende gevallen waarover we natuurlijk allemaal
vaker horen. Elk geval is er een te veel. Daarin vindt u D66 altijd aan uw zijde.
Wij vinden dat we dat soort problemen echt structureel moeten voorkomen. Maar zoals
ik al eerder zei, spreek ik ook ouderen die zeggen dat zij het heel prettig vinden
dat zij, als ze een bepaalde vorm van ondersteuning krijgen, bijvoorbeeld een medicijndispenser
of een apparaat dat hen helpt om zelfstandig steunkousen aan te trekken, dat zelfstandig
kunnen doen en niet afhankelijk zijn van zorg. Ik denk dat daarin een heleboel kansen
liggen die wij op dit moment nog niet benutten. Dit geeft ouderen een heleboel meer
levensplezier en zelfstandigheid. Zij kunnen dan gewoon op de beste manier hun leven
leven. Daarmee kunnen we zorgcapaciteit, zorgverleners die bij mensen thuis moeten
komen, vrijspelen om de mensen te helpen voor wie dit geen oplossing is. We lopen
namelijk tegen enorme arbeidsmarkttekorten aan. Daar zitten we eigenlijk al middenin.
De vraag is dus: hoe gaan we om met dat probleem? Ik denk dat ik net vrij uitgebreid
heb gepraat over waarom we denken dat we dit anders moeten gaan organiseren. Daarom
staat mijn partij er zo in.
De voorzitter:
Ik geef de volgende interruptie aan mevrouw Van Brenk. Ik geef wel de winstwaarschuwing
dat we, als we op deze manier de vragen blijven stellen en de antwoorden blijven geven,
niet aan vier per persoon kunnen komen. Houdt u daar dus alstublieft een beetje rekening
mee.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik zal mijn best doen, voorzitter. Wij zijn groot voorstander van zorgzame buurten
en zorgbuurthuizen. Het is namelijk fantastisch als mensen binnen hun sociale context
naar elkaar omkijken. Maar wij zien – dat zal ook in mijn bijdrage voorbijkomen –
dat er veel gedoe is over financiële schotten. Wie betaalt wat? Het een valt onder
de Wmo, het ander onder de Zorgverzekeringswet en weer iets anders onder de Wlz. Er
is veel gedoe over. Ik doe een voorstel, al denk ik niet dat het meteen opgevolgd
wordt. Zou het mogelijk zijn dat we een deel van die drie budgetten apart zetten voor
initiatieven rondom dit soort zorgbuurthuizen en zorgzame buurten? Zou D66 daarvoor
openstaan?
De heer Vervuurt (D66):
Ook wij zien dagelijks de problemen die het oplevert voor mensen, die vaak in meerdere
bekostigingssystemen moeten manoeuvreren. Vaak zijn dat eigenlijk niet uit te leggen
problemen. Hoe moet je mensen nou gaan uitleggen dat ze voor een deel in de Wlz, een
deel in de Wmo, en een deel … Ik kan dat ook niet uitleggen. Wij hebben er eerder
al voor gepleit om te kijken of we dat systeem niet kunnen versimpelen, juist zodat
mensen beter weten waar ze aan toe zijn. Ik vind het dus een heel mooi voorstel van
mevrouw Van Brenk. Ik zou heel graag nader met haar gaan bekijken of we daar heil
in kunnen zien. Ik ben ook heel benieuwd hoe de Ministers daarnaar kijken.
De voorzitter:
Ik zag net nog een interruptie van mevrouw Maeijer. Klopt dat?
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ja. Ik sloeg een beetje aan op de woorden «schrijnende gevallen». Ik zou graag van
de heer Vervuurt willen weten: denkt u dan niet dat het aantal «schrijnende gevallen»,
zoals u het dan noemt, zal toenemen door het beleid van het kabinet?
De heer Vervuurt (D66):
Nee, dat denk ik juist niet. Zoals ik net ook al zei, denk ik dat we mensen heel wat
meer levensplezier en autonomie kunnen teruggeven op het moment dat we ze kunnen helpen,
bijvoorbeeld met een beetje ondersteuning, of dat nou technische ondersteuning is
of ondersteuning van buren of naasten. Aan de andere kant zijn er de schrijnende gevallen,
de mensen die vaak minder op de radar staan. Daar is meer aandacht voor nodig. Die
hebben meer hulp nodig, maar die hulp kan op dit moment niet geleverd worden omdat
we een beperkt aantal hulpverleners hebben. Mijn voorstel zou zijn – dat is ook wat
D66 voorstaat – om in te zetten op zorgzame buurten en om mensen te helpen en te ondersteunen
waar ze dat nodig hebben, zodat we de zorgcapaciteit die we hebben, kunnen inzetten
waar die nodig is.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Maeijer.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Niemand is natuurlijk tegen het geven van levensplezier of het laten toenemen van
autonomie. De voorbeelden die de heer Vervuurt noemt, zijn natuurlijk mooi, zoals
medicijndispensers en dingen om te helpen met steunkousen. Dat is allemaal mooi, maar
ik kan het antwoord van de heer Vervuurt totaal niet rijmen met de maatregelen die
het kabinet neemt. We zaten hier een aantal maanden terug bij de begrotingsbehandeling.
Toen was er een petitie van V&VN, waarvoor in korte tijd meer dan 30.000 handtekeningen
zijn verzameld. Die ging over het invoeren van een eigen bijdrage in de wijkverpleging.
Toen werden wij gewaarschuwd door onder anderen casemanagers dementie. Zij vrezen
voor grote problemen omdat veel meer mensen zorg zullen gaan uitstellen en mijden.
Ik denk dat dat exact de schrijnende gevallen zijn waarvoor de heer Vervuurt zegt
op te komen. Zij zullen dan alleen maar verder uit beeld raken. Mensen zullen alleen
maar verder in de problemen komen, doordat er niemand meer achter de voordeur komt.
Zij zullen zorg gaan mijden omdat ze die gewoonweg niet meer kunnen betalen. De woorden
die u hier uitspreekt, rijmen niet met de maatregelen die u neemt.
De heer Vervuurt (D66):
Wij zien de verantwoordelijkheid voor ons om de zorg toegankelijk en betaalbaar te
houden voor iedereen. We zien dat we een heleboel mensen die gebruikmaken van wijkverpleging
goed helpen op de manier waarop dat nu gebeurt, maar, zoals ik al zei, we lopen aan
tegen een arbeidsmarkttekort. We moeten dus anders gaan werken. Een van de manieren
die wij voorstellen, is om inderdaad een eigen bijdrage in te voeren voor de wijkverpleging.
We hebben bij de begroting besproken dat de effecten daarvan heel erg afhangen van
hoe je dat vervolgens gaat doen. Wij hebben toen ook gezegd: het is voor ons heel
erg belangrijk dat de toegankelijkheid van de wijkverpleging niet al te erg onder
druk komt te staan. Ik kijk wat dat betreft heel erg uit naar de uitwerking van die
plannen door dit kabinet. Op het moment dat die er ligt, ga ik graag met u in gesprek
over wat wij daar vervolgens van vinden.
De voorzitter:
Ik zie geen andere gegadigden voor interrupties. Dan zou ik graag het woord willen
geven aan de volgende spreker, mevrouw Maeijer van de PVV.
Mevrouw Maeijer (PVV):
O, voorzitter, ik dacht dat we de rij afgingen, maar u doet het natuurlijk op volgorde
van de begroting. Excuus. Daar was ik even niet op voorbereid. Ik moet even landen.
Voorzitter. Misschien bent u bekend met #IkKanNietMeer of met de gelijknamige website.
Dat is een initiatief van Ieder(in) en de Patiëntenfederatie. Zij verzamelen de verhalen
van mensen die door een stapeling van de zorgkosten onmogelijke keuzes moeten maken.
Die mensen maken zich grote zorgen over de plannen van het kabinet. Ik zal u drie
uitspraken voorhouden van mensen die hun verhaal hebben ingezonden. Ik citeer. «Met
drie mensen met problematiek wordt het alleen maar erger. Ik kies er bewust voor om
zorg te mijden. Op mijn kinderen zal ik niet besparen.» «Als het kabinet deze plannen
doorzet, ben ik bang dat wij de kosten niet meer kunnen betalen.» «Als ik nog meer
zorgkosten zelf moet betalen, raken we in de schulden.» Wat vindt de Minister hiervan,
zou ik graag willen horen. Is dit waar zij voor staat? Want mensen maken zich grote
zorgen over de ophanden zijnde verhoging van het eigen risico, het invoeren van de
eigen bijdrage in de wijkverpleging, het afschaffen van de tegemoetkoming voor chronisch
zieken en het uit de Wmo halen van de huishoudelijke hulp. De PVV vraagt u nogmaals:
haal deze bezuinigingen van tafel; leg de rekening niet neer bij de meest kwetsbaren
in de samenleving. Graag een reactie.
Voorzitter. De mensen die gebruikmaken van huishoudelijke hulp, maar ook pgb-budgethouders
verkeren in grote onzekerheid. Dit kabinet wil niet alleen zorg in natura voorliggend
maken op het pgb, waardoor zij vrezen dat hun keuzevrijheid beperkt wordt, maar de
maatregel is ook onderdeel van het bestuurlijk akkoord over de langdurige zorg, dat
deze Minister wil sluiten en dat in zijn totaliteit maar liefst een bezuiniging van
circa 1 miljard moet opleveren. Er is dus dubbele onzekerheid, omdat er ook nog een
bezuiniging aan de maatregel lijkt te hangen. Is dat zo, vraag ik de Minister. Wij
krijgen van Per Saldo signalen dat verstrekkers nu al geen pgb meer willen toekennen,
omdat het straks toch gaat verdwijnen. Herkent de Minister deze signalen? Is dit dan
de bedoeling? En zo nee, kan zij zich daar dan helder over uitspreken en in overleg
gaan met Per Saldo? Graag helderheid van de Minister. Ook graag de bevestiging dat
zij de aangenomen motie van mij en collega Diederik van Dijk van de SGP, over het
niet tornen aan de keuzevrijheid voor het pgb, zal uitvoeren.
Voorzitter. Vandaag spreken we over de eerste suppletoire begrotingswet van het Ministerie
van VWS. Het is de eerste bijstelling van de begroting, met daarin de meevallers,
tegenvallers en beleidswijzigingen. De begroting kent een meevaller van maar liefst
1,2 miljard. Maar op een of andere manier lijkt hij spoorloos verdwenen. Kan de Minister
toelichten wat er nou precies met die 1,2 miljard op de eigen begroting is gebeurd?
In hoeverre is dit ingezet voor tegenvallers of voor verlaging van de premies? Of
is hij gewoon verdwenen in de algemene plaat?
Voorzitter. De Stimuleringsregeling Wonen en Zorg is een relatief kleine subsidieregeling
van zo’n 1,2 miljoen per jaar, met als doel om bewonersinitiatieven en sociale ondernemers
te ondersteunen bij het opzetten van kleinschalige innovatieve woonvormen voor 55-plussers.
Dit zijn woonvormen waar bewoners steun en zorg krijgen of kunnen wonen met een meer
structurele zorgvraag. De Minister heeft die regeling in mei de nek omgedraaid en
stelt voor dit jaar geen geld beschikbaar, met terugwerkende kracht, terwijl veel
Knarrenhofjes en Zorgzame Buurten best een zetje kunnen gebruiken. De Minister trekt
hiermee het ouderenhuisvestingsbeleid nog verder in het slop, aldus hoogleraar Huijsman
in Zorgvisie. Aangezien we in een tijd leven waarin de vraag naar kleinschalige woonvormen
explodeert en ook de 600 miljoen voor ouderenzorg, voor zorg- en verpleegplekken,
verdwenen is, snap ik daar niet zo veel van. De PVV heeft daarom een amendement ingediend
dat deze beslissing terugdraait. Ik zou graag van de Minister een reactie daarop krijgen.
Voorzitter. Ook de zorg voor tienduizenden longcovidpatiënten stopt abrupt, door het
besluit van de Minister om zowel Q- als C-support na dit jaar te stoppen. Hoe denkt
de Minister een zorgvuldige overgang te maken voor al die patiënten? We horen van
meerdere kanten dat de reguliere zorg nog helemaal niet klaar is om dit over te nemen.
Klopt dat volgens de Minister? En zo ja, waarom heeft zij dan besloten om de geldkraan
dicht te draaien? Is het voor al die patiënten niet beter dat de overgang op zorgvuldige
wijze verloopt, in plaats van nu plotsklaps?
Voorzitter. Dan de gehandicaptenzorg. De drie tariefmaatregelen zijn voor volgend
jaar van tafel. Dat is natuurlijk mooi. Maar waar komt dat geld nu eigenlijk precies
vandaan? De aangenomen motie vroeg om meer, namelijk: niet bezuinigen op de gehandicaptenzorg.
Maar de Minister schrijft dat het kabinet voor de jaren 2028 en verder voornemens
is om bovengenoemde tariefmaatregelen te bezien in relatie tot de opgave vanuit het
coalitieakkoord om te komen tot bestuurlijke akkoorden met de sectoren binnen de Wlz.
Ik zou graag helderheid willen van de Minister over het naar de letter uitvoeren van
de motie. Wat is nu eigenlijk het doel van het bestuurlijk akkoord? De bezuinigingsopgave
halen, of werken aan goede zorg?
Dan het onderzoek naar kosten aanhouden eigen vermogen. Als ik het goed begrijp, geeft
de Minister nu geen gevolg aan het NZa-onderzoek, want het is niet meegenomen in de
voorjaarsbesluitvorming. Klopt dat? Om hoeveel geld gaat dit nu eigenlijk? Waarom
is dit niet meegenomen?
Voorzitter. Dan de hervorming van de acute zorg. De Nederlandse Vereniging van Spoedeisende
Hulp Artsen zegt dat zij niet meer mag meepraten over de budgetbekostiging voor de
SEH’s. Klopt dat? En zo ja, waarom is dat? Vindt de Minister niet dat zij essentieel
zijn voor dit traject? Komt er nog extra geld voor SEH’s die dreigen te sluiten? Kan
de Minister reflecteren op de uitspraak van voorzitter Basta? Zij stelt: «De eerste
stap was een systeemaanpassing. Dat was nodig om draagvlak te creëren. De afspraak
was dat we in gezamenlijkheid zouden werken aan het einddoel, namelijk financiële
zekerheid en versteviging van de SEH in de regionale ziekenhuizen.» Kan de Minister
bevestigen dat die afspraak staat?
Voorzitter, tot slot. Vorige week verscheen er een rapport over de maatschappelijke
kosten van dementie. Die zijn gigantisch. We hebben de Minister om een reactie gevraagd,
dus dat houden we nog tegoed. Maar het aantal mensen met dementie stijgt in 2040 naar
zo’n 500.000. Het zijn er nu zo’n 320.000. Daarnaast is het ook nog de ziekte met
de hoogste zorgkosten, aldus Alzheimer Nederland. Toch komt het woord slechts twee
keer terug in deze begroting. Dat geeft te denken. Hoe kijkt de Minister hiernaar?
Voorzitter. Er zijn vele initiatieven rondom dementie, zoals DemenTalent, waar ze
zich ervoor inzetten om mensen met geheugenproblemen actief te laten meedoen in de
samenleving. Zij zijn nu structureel actief in acht regio’s, maar het is nog niet
landelijk uitgerold. Wat kunnen we van de Minister … Kúnnen we iets verwachten van
de Minister om dit mogelijk te maken?
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik zie één interruptie en die is van de heer Bushoff van PRO.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Ik hoorde mevrouw Maeijer van de PVV heel duidelijk zeggen dat er wordt bezuinigd
op C-support, die ondersteuning biedt aan longcovidpatiënten, terwijl we aan de andere
kant zien dat longcovidpatiënten eigenlijk nog niet terechtkunnen in de zorg en binnen
het sociaal domein, waar ze eigenlijk wel terecht zouden moeten kunnen. Zij vroeg:
moet dat niet anders? Zoiets hoorde ik mevrouw Maeijer zeggen. Ik was het daar eigenlijk
volmondig mee eens. Precies om die reden heb ik daar ook een amendement over ingediend.
Ik ben benieuwd hoe zij daarnaar kijkt.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Volgens mij heeft de heer Bushoff net als eerste spreker terechte woorden uitgesproken
over het belang van C-support, over het belang van de zorg voor deze patiënten en
vooral over dat het op een zorgvuldige wijze moet landen. Het amendement bekijk ik
dus op die manier. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat wij het natuurlijk eerst in
de fractie bespreken, voordat ik hier zeg: fantastisch, gaan we doen. Maar gelet op
het eerdere debat dat we hierover hebben gevoerd en de vragen die ik heb gesteld,
kijk ik er zelf zeer positief naar.
De voorzitter:
Er zijn verder geen interrupties. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Wendel van
de VVD.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank, voorzitter. Vandaag bespreken we de suppletoire begroting van VWS, terwijl we
nog geen twee maanden geleden, geloof ik, pas de begroting vastgesteld hebben. De
discussies daarover zitten, in ieder geval bij mij, nog vers in het geheugen.
Tijdens de begrotingsbehandeling hebben we uitgebreid gesproken over pandemische paraatheid.
Ik vind het dan ook goed om te zien dat het kabinet daar structurele middelen voor
vrijmaakt. Dank ook aan de verschillende partijen die zich hier hard voor hebben ingezet.
Met het risico dat mevrouw Bikker naast haar schoenen gaat lopen, heb ook ik een complimentje
voor de ChristenUnie voorbereid vandaag! Bij dezen. Pandemische paraatheid is natuurlijk
heel belangrijk. De VVD steunt dan ook de gewijzigde begroting. We zijn tevreden met
het coalitieakkoord. Dat zorgt ervoor dat ook toekomstige generaties kunnen genieten
van kwalitatief goede zorg. Er is veel werk aan de winkel, gezien het grote personeelstekort.
Het is goed dat we nu naar de zorg op de lange termijn kijken.
Voorzitter. Vandaag wil ik stilstaan bij drie onderwerpen die de VVD heel belangrijk
vindt: een slagvaardige en dienstbare overheid, innovatie in de zorg en agressie in
de zorg.
Zorgbehoevenden en mantelzorgers zijn veel tijd kwijt aan het uitzoeken hoe de verschillende
zorgwetten in elkaar zitten en welke rechten iemand heeft binnen die verschillende
wetten, aan het invullen van formulieren, aan het steeds weer aanvragen van indicaties
enzovoorts, enzovoorts, enzovoorts. We hebben de zorg zo ingewikkeld gemaakt dat het
bijna niet meer te begrijpen is. Mensen zijn veel tijd kwijt aan uitzoeken en regelen,
terwijl ze die tijd juist nodig hebben om beter te kunnen worden, om mee te kunnen
doen in de samenleving of om voor iemand te kunnen zorgen.
De VVD wil dan ook dat we de zorg versimpelen en toegankelijk maken, juist voor de
mensen die dat het hardste nodig hebben. Dit sluit ook aan bij de afspraken in het
coalitieakkoord om toe te werken naar een slagvaardige overheid. De VVD wil één aanspreekpunt
waar mensen terechtkunnen om hun zorg te regelen. Ik wil de Minister vragen welke
mogelijkheden zij ziet. Kan zij met de VNG in gesprek gaan om de mogelijkheden hiertoe
te verkennen?
Daarnaast wil de VVD geen onnodige herindicaties meer voor mensen met een chronische
ziekte. Als we weten dat iemand nooit meer beter wordt dan hij of zij nu is, waarom
moet dan iedere keer weer opnieuw een herindicatie aangevraagd worden? Dit kost de
patiënt of de mantelzorger veel tijd en energie. Ook is het natuurlijk heel vervelend
en confronterend. Tot slot kost het de overheid ook nog eens heel veel capaciteit.
Dat is natuurlijk niet in lijn met de slagvaardige overheid waar we naartoe willen.
Het doorgeslagen indicatiecircus moet dus stoppen. We moeten zorgbehoevenden en mantelzorgers
ontlasten in plaats van opzadelen met stapels van papier en mappen vol Excelsheets.
Dan innovatie. Een op de zes mensen werkt in de zorg. Als we niks doen, wordt dat
een op de vier. Op de lange termijn werkt zelfs een op de drie mensen in de zorg.
Ik zeg «werkt in de zorg», maar ik bedoel natuurlijk dat we dan nodig hebben dat zo
veel mensen in de zorg werken, om er voor iedereen te kunnen zijn. De VVD wil dat
zorgverleners echt de tijd hebben voor patiënten. Dat is een uitdaging, gezien de
hoge zorgvraag. Innovatie moet ervoor helpen zorgen dat zorgverleners echt de tijd
hebben voor de patiënt.
Steeds meer mensen hebben een chronische ziekte. Deze ziektes worden ook steeds ernstiger.
De VVD wil dat deze mensen op een zo fijn mogelijke manier oud kunnen worden. Ze moeten
zo lang mogelijk in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven. Innovatieve, slimme manieren
van zorg kunnen hen daarbij helpen. Dat zorgt voor een hogere tevredenheid bij cliënten.
Daarnaast bespaart het personeel en geld. In de praktijk zien we dat zorginstellingen
door hun bekostigingsmodellen geen prikkel hebben om over te stappen op slimmere vormen
van zorg, bijvoorbeeld omdat ze betaald worden op basis van geleverde zorg in tijd.
Voorzitter. Innovaties komen door de complexe bekostiging vaak niet verder dan de
pilotfase. Vanmorgen las ik een artikel dat gaat over coaching op afstand voor chronische
darmpatiënten. Deze digitale methode verbetert de zorg voor deze patiënten enorm en
bespaart veel kosten. Met de app worden patiënten met een chronische darmziekte digitaal
gemonitord en gecoacht. Zij hoeven dan alleen nog maar naar het ziekenhuis te komen
als dat medisch noodzakelijk is. Het succes van coaching op afstand is allang bewezen.
Het voorkomt onnodige reizen naar het ziekenhuis, vermindert ziekteverzuim en levert
meer vrijheid en kwaliteit van leven op, en dat voor mdl-patiënten, waarbij we weten
dat de wachtlijsten lang zijn. Toch wordt dit niet altijd ingekocht door ziekenhuizen
en zorgverzekeraars.
Dit is weer een voorbeeld dat laat zien dat innovatie in de zorg nog verre van optimaal
benut wordt. Artsen, onderzoekers en ondernemers zijn vaak gepassioneerd bezig om
nieuwe toepassingen te bedenken om de zorg te verbeteren, maar vervolgens komen die
nog te moeilijk van de grond. Een van de redenen daarvoor is dat de partij die investeert,
vaak niet ook de partij is die hiervan profiteert. Daarom heb ik een aantal vragen
aan de Ministers. Wat gaat de Minister doen om een stimulans te bieden om over te
stappen op slimmere vormen van zorg? Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat ondernemers
en zorginstellingen wél gemotiveerd worden om zo veel mogelijk te innoveren? Hoe kunnen
we regels rondom de bekostiging van innovatie versimpelen? Hoe zorgen we ervoor dat
het financieringssysteem niet alleen werkt voor bestaande zorgprocessen, maar ook
voor oplossingen die zorg slimmer organiseren? Hoe kijkt de Minister aan tegen het
idee om zorgverzekeraars meer regelruimte te geven om op eigen inzicht innovatieve
hulpmiddelen te bevorderen?
Voorzitter. Tot slot agressie in de zorg. Steeds meer zorgverleners ervaren tijdens
hun werkzaamheden agressie. Deze mensen zetten zich dag en nacht in voor de samenleving
en krijgen als dank te vaak te maken met agressie en geweld. Dit heeft een stevige
impact. Niet zelden is dit aanleiding om een andere baan te zoeken, terwijl het vinden
van nieuw personeel in de huidige arbeidsmarkt ook niet eenvoudig is. We zijn vaak
terughoudend om hierover met elkaar te spreken, omdat we bang zijn om personeel af
te schrikken, maar ik vind dat we dit juist wel moeten bespreken, want ik wil dat
zorgverleners gewoon nooit meer in aanraking komen met agressie tijdens hun werk.
Meerdere zorginstellingen zijn er inmiddels toe overgegaan om geen naamplaatjes meer
aan medewerkers te geven of hebben zelfs beveiligers op de afdeling. Dat dat nodig
is, vindt mijn partij echt niet oké. Daarom hebben mijn collega’s Michon en Verkuijlen
een initiatiefnota ingediend om geweld tegen mensen met een publieke taak tegen te
gaan. Vooral ambulancemedewerkers hebben met geduld... Geduld? Excuus. «Het gebrek
aan geduld.» Die hebben juist met geweld te maken. Daarom pleit de VVD al langer voor
een taakstrafverbod bij agressie tegen ambulancemedewerkers, waar collega Martens
mee bezig is.
De tijd voor cursussen agressiebeheersing is wat de VVD betreft echt voorbij. Het
is niet normaal dat vele zorgmedewerkers in aanraking komen met agressie. Ik wil de
Minister vragen in welke mate werkgevers in de zorg nu aangifte doen na agressie en
hoe de Minister ervoor kan zorgen dat dit altijd gebeurt, zodat we de daders kunnen
vervolgen. Wat de VVD betreft moet de werkgever altijd aangifte doen. Het is tijd
voor een duidelijke norm: als een zorgverlener agressief benaderd wordt, moeten we
dat niet tolereren en moet er aangifte gedaan worden. Tot slot: wat zijn de plannen
van de Minister om agressie in de zorg tegen te gaan?
De voorzitter:
Ik zie één interruptie, van de heer Bushoff.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij zijn we het er allemaal over eens dat agressie tegen hulpverleners uit
den boze is. Dat moeten we gewoon koste wat kost voorkomen. Mensen die zich daar schuldig
aan maken, moeten zich diep schamen. Ik denk dat mevrouw Wendel een terecht punt aanstipte,
namelijk dat er nog best wel vaak geen aangifte wordt gedaan op het moment dat er
sprake is van agressie tegen zorgverleners. Nou heb ik met een oud-collega van mevrouw
Wendel – volgens mij was het mevrouw Van den Hil – nog een voorstel gedaan om dat
de norm te maken. Mijn vraag is dan ook of mevrouw Wendel nog steeds van mening is
dat inderdaad werkgevers gewoon altijd aangifte moeten doen namens de werknemer op
het moment dat er sprake is van geweld. Als dat blijkbaar nog niet het geval is, kunnen
we dan samen optrekken om toch die norm, waar we eerder samen voor hebben gepleit,
ook echt te bewerkstelligen, zodat dat echt de norm wordt?
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik vind het eigenlijk een hele mooie handreiking die de heer Bushoff hier doet, want
het klopt inderdaad dat dat voorstel is ingediend; daar borduur ik ook op voort. Ik
trek de komende periode graag samen op met GroenLinks-PvdA om daarmee verder te gaan.
De voorzitter:
Ik kijk even wie er als eerste was. Mevrouw Van Brenk? Oké.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik was een beetje teleurgesteld dat de VVD in de bijdrage niets zegt over iets waar
wij ons allebei zorgen over maken, namelijk zorgfraude. In mijn betoog kom ik daar
zeker op terug. De bekostiging van de Wet langdurige zorg varieert. Voor tussen de
60.000 en 190.000 mensen per jaar wordt die indicatie afgegeven. Het is dus zeer interessant
om zo’n cliënt te hebben. Wij zien dat er op die manier ook fraude wordt gepleegd.
Als een indicatie eenmaal is afgegeven, kan die echter nooit meer worden teruggedraaid.
Dat staat namelijk niet in de wet. Dat moet echt worden veranderd, daar zal ik de
Minister ook zeker op bevragen. Het is een foutje in de wet. Hoe kijkt de VVD daarnaar?
Mevrouw Wendel (VVD):
Zorgfraude is iets wat mevrouw Van Brenk en mij duidelijk verbindt. We spreken daar
vaker over, ook over de voorstellen die we kunnen doen om zorgfraude aan te pakken.
Ik ben er vandaag niet op ingegaan omdat ik dacht: u zult mij met mijn gepraat over
zorgfraude wel zat zijn, dus kies ik eens voor een ander onderwerp. Twee maanden geleden
heb ik bij de begrotingsbehandeling immers nog uitgebreid gesproken over zorgfraude.
Dat betekent uiteraard niet dat ik zorgfraude loslaat. Sterker nog, ik ben bezig met
het uitwerken van allerlei voorstellen ter verbetering. Mevrouw Van Brenk geeft aan
dat we Wlz-indicaties niet kunnen terugdraaien als ze eenmaal zijn afgegeven. De VVD
vindt het belangrijk om te stoppen met het indicatiecircus dat ik net schetste, dus
dat mensen met een chronische ziekte keer op keer moeten aantonen dat zij ziek zijn.
Dat is natuurlijk heel wat anders dan een Wlz-indicatie waarvan misbruik wordt gemaakt,
vaak door de aanbieder – dat zeg ik toch nog maar even – maar die toch in stand moet
blijven. Mevrouw Van Brenk vindt mij zeker aan haar zijde als we daarmee aan de slag
gaan.
De voorzitter:
Ik kijk even rond: zijn er nog meer interrupties? Mevrouw Dobbe van de SP.
Mevrouw Dobbe (SP):
We hebben het net ook kort gehad over de bezuinigingen op de gehandicaptenzorg. Die
zijn nu voor het derde jaar op rij weer uitgesteld, omdat de Kamer heeft ingezien
– het initiatief om het uit te stellen komt uit de Kamer – dat de besparingen onder
de bezuinigingen niet doorgaan of dat de bezuinigingen, en daarmee de besparingen,
niet realistisch zijn. De bezuinigingen zijn dus telkens uitgesteld omdat ze niet
goed zijn voor de gehandicaptenzorg. Dat is heel logisch. Ze hangen echter nog steeds
boven de markt na 2027. Is de VVD bereid om, ik denk met heel veel andere partijen
in deze Kamer, die bezuinigingen te schrappen, ook structureel voor de lange termijn,
zodat we niet elk jaar deze discussie hoeven te voeren over bezuinigingen die niemand
wil?
Mevrouw Wendel (VVD):
Dat is een verschil van mening dat mevrouw Dobbe en ik hebben. Mevrouw Dobbe zegt
dat bezuinigingen niet goed zouden zijn voor de gehandicaptenzorg, maar daarover hebben
we echt een verschil van mening. Ik ben ervan overtuigd dat als we ervoor willen zorgen
dat ook mensen met een beperking in de toekomst kwalitatief goede zorg hebben, we
nu maatregelen moeten nemen, juist omdat die zorg er in de toekomst anders niet meer
is voor deze mensen. Ik sta dan ook nog steeds achter het coalitieakkoord. Ik vind
het nog steeds belangrijk dat er een bestuurlijk akkoord wordt gesloten binnen de
Wlz. Dit is geen taboe dat we uit de weg moeten gaan. We hebben in de Kamer de verantwoordelijkheid
met elkaar om ook de toekomstige generaties kwalitatief goede zorg te bieden.
De voorzitter:
Dit was tevens de laatste interruptie van mevrouw Dobbe. Ik zag twee handen. Mevrouw
Bikker, ChristenUnie.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank dat ik dan eerst mag, want ik zou graag op dit punt doorgaan. Dat de zorg toekomstbestendig
moet zijn, delen wij, net als dat de demografie – denk aan de vergrijzing – impact
heeft op de inrichting van de zorg. Ik vind het belangrijk dat de zorg ook dichtbij
blijft, dat je gemeenschappen kunt vormen voor iedereen, met welke zorgbehoefte ook.
Mijn grote onrust zit hier. Keer op keer maak ik mee dat de financiële plaat leidend
is bij de vormgeving van de langdurige zorg. Bij de gehandicaptenzorg hebben we keer
op keer gezien dat dit niet haalbaar is. Die dreiging blijft echter toch hangen, wat
verlammend werkt als je vooruit wilt kijken: wat is in de toekomst goede zorg, ook
voor deze mensen? Onderkent collega Wendel van de VVD dat het sturen op financiën
en het aangeven welke bezuinigingen moeten worden geboekt voor sommige sectoren voelt
als een soort zwaard van Damocles dat verstikkend werkt, terwijl er al zo veel zuurstofgebrek
was in de afgelopen jaren? Ziet u dat? Welke consequenties verbindt de VVD daar dan
aan?
Mevrouw Wendel (VVD):
Mevrouw Bikker stelt dat de bezuinigingen in de gehandicaptenzorg niet haalbaar zijn.
Ik denk dat die conclusie wel erg snel getrokken is, aangezien de bezuinigingen al
van tafel zijn voordat de gesprekken daarover überhaupt gestart zijn. Het nieuwe kabinet
zat een aantal weken toen het al van tafel werd gehaald. Dat is een besluit van de
Kamer. Ik begrijp dat dat zo werkt. De VVD vindt alleen nog steeds dat wij met elkaar
de verantwoordelijkheid hebben om er ook in de toekomst voor mensen te zijn. Dan is
het eerlijke verhaal dat wij keuzes moeten maken en maatregelen moeten nemen, anders
zijn juist de mensen voor wie mevrouw Bikker zich zo hard maakt, in de toekomst de
dupe. Ik vind echt dat ik de verantwoordelijkheid heb om daarvoor te staan.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker voor een vervolgvraag.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja... Ho! Alles nog heel? Er valt een glaasje water om, zeg ik voor de vele kijkers
van dit debat. Er wordt nu heel hard gerend met servetten.
Dan toch mijn vraag. Collega Wendel schetst eigenlijk een soort tegenstelling: alsof
je alleen gezond naar de toekomst kijkt als je openstaat voor bezuinigingen op de
gehandicaptenzorg. Dat weerspreek ik. Want ja, inderdaad kunnen we, ook in de zorg,
echt een omslag voor elkaar krijgen op een aantal punten waar ik de uitgaven steeds
harder zie groeien. We vinden elkaar er zelfs in dat als we een beetje zouden bezuinigingen,
de uitgaven dan minder groeien. Het gaat er alleen om bij welke sectoren en bij wie
je het geld ophaalt.
Ik zeg – met een hele krappe meerderheid van de Kamer, geef ik meteen toe – dat de
tarieven bij de gehandicaptenzorg in de afgelopen jaren onvoldoende zijn geweest.
Dat heeft zijn prijs gehad voor deze sector. Natuurlijk kan je kijken hoe je naar
de toekomst toe kunt vernieuwen. Als dat ooit geld oplevert: fantastisch; tot uw dienst.
Maar het is de omgekeerde volgorde om het op te halen bij deze sector, waarvan we
hebben vastgesteld dat de NZa te lage tarieven heeft gehad. We weten allebei dat er
op andere fronten echt mogelijkheden zijn. Daarover liggen ook allerlei studies voor.
Begin niet bij deze groep meest kwetsbare mensen, zou ik willen zeggen.
Mevrouw Wendel (VVD):
Mevrouw Bikker gaat in op de vraag bij welke sectoren je het geld ophaalt. Dat is
precies mijn punt. We hebben natuurlijk in het coalitieakkoord afgesproken dat we
toewerken naar een bestuurlijk akkoord in de Wlz. De Wlz gaat ook over bijvoorbeeld
de ouderenzorg. De VVD vindt dat we nu dus niet een stap vooruit moeten zetten en
moeten zeggen dat we op deze doelgroep totaal niet bezuinigen. Nee, wij zeggen: we
moeten de Ministers en het veld juist de ruimte bieden om met elkaar in gesprek te
gaan om te kijken waar het slimmer kan. Ik ben er namelijk echt van overtuigd dat
ook in de gehandicaptenzorg zaken slimmer en efficiënter kunnen. Dat zorgt er uiteindelijk
juist voor dat mensen met een beperking betere zorg krijgen. Ik zou dus juist niet
nu bij voorbaat willen zeggen: bij deze doelgroep halen we het van tafel. Ik vind
juist dat we er met open vizier in moeten gaan. We moeten met het veld in gesprek
gaan om tot een akkoord te komen.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker heeft nog een vervolgvraag. Dat is tevens uw laatste interruptie, mevrouw
Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Mijn vervolgvraag is of dit betekent dat de cijfers zoals die in de financiële tabel
bij het regeerakkoord staan, voor de VVD coûte que coûte moeten worden gehaald. Moeten
de Ministers een bestuursakkoord sluiten met een opgave voor wat ze moeten bezuinigen?
Mevrouw Wendel (VVD):
Ook hierover sta ik vandaag dan maar weer voor het impopulaire verhaal. Als je bestuurt,
als je verantwoordelijkheid neemt en als je afspraken maakt met elkaar om te kijken
hoe je de zorg toekomstbestendig kan maken, dan hoort daar ook bij dat je de budgettaire
tabel klaarzet. Ik moet zeggen dat het koud voelt om het op die manier te zeggen.
Zeker in de zorg spreek je niet graag over financiën. Maar de enige manier om die
verantwoordelijkheid te nemen, zodat ook in de toekomst mensen met een beperking goede
zorg kunnen krijgen, is nu hervormen.
De voorzitter:
Ik kijk nog even rond. Ik dacht dat mevrouw Maeijer van de PVV nog een vraag had.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ja, die heb ik. Ik vind dit echt tenenkrommend. Echt ongelofelijk! De gehandicaptensector
is bij uitstek mensenwerk. Ik begrijp dus helemaal niets van dit verhaal. Maar ik
had eigenlijk een andere vraag, over die andere groep mensen waar mevrouw Wendel over
sprak, namelijk de chronisch zieken. Ik begon mijn betoog met een aantal citaten.
Die kwamen van iedereen in de Patiëntenfederatie. Zij komen op voor mensen met een
beperking en mensen met een chronische ziekte, die aanlopen tegen de stapeling van
zorgkosten. Mevrouw Wendel, in uw betoog hoor ik u zeggen dat het zo mooi is dat ook
mensen met een chronische ziekte straks met innovatieve zorg langer thuis kunnen wonen.
Op zich is dat ook mooi. Alleen is het probleem voor de mensen van de citaten die
ik net heb uitgesproken vooral dat ze straks ergens wonen zonder geld. Telt dat ook
nog mee?
Mevrouw Wendel (VVD):
Mevrouw Maeijer stelt terecht, denk ik, dat de gehandicaptenzorg bij uitstek mensenwerk
is. Mevrouw Maeijer koppelt daaraan dat mijn antwoorden tenenkrommend zouden zijn.
Ik zou juist het volgende willen stellen. Als wij het met elkaar eens zijn dat het
werk in de gehandicaptenzorg bij uitstek mensenwerk is, dan moeten we er ook voor
zorgen dat we de gehandicaptenzorg toekomstbestendig maken. Zo kunnen we zorgen dat
mensen met een beperking ook in de toekomst die zorg krijgen.
Of wij het nou leuk vinden of niet: als wij nu geen keuzes maken, weten we gewoon
dat we te weinig mensen hebben om in de toekomst goede zorg te leveren. Ik begrijp
dat mevrouw Maeijer het beeld schetst dat ik hier heel koud zit te zijn en een tenenkrommend
verhaal houd, maar ik sta er als volgt in. Wij zorgen er juist voor dat mensen met
een beperking in de toekomst nog goede zorg krijgen, juist omdat het mensenwerk is.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ik wil er niet mijn laatste interruptie aan besteden, maar mijn vraag was een hele
andere. U geeft antwoord op mijn inleiding. Dat mag op zich ook, maar ik stelde een
vraag over chronische ziektes.
De voorzitter:
Ik zie mevrouw Wendel min of meer kijken alsof dit het antwoord is waar u het mee
heeft te doen. Als u nog een keer de vraag wil stellen, moet ik u wel een interruptie
toewijzen. Maar als mevrouw Wendel bij dit antwoord blijft, dan blijven we in cirkeltjes
draaien. Ik vind het vervelend, maar ja. Ik geef de volgende interruptie aan de heer
Bushoff.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Ik sloeg toch even aan op het punt dat besturen soms ook het moeilijke verhaal vertellen
is. Dat zei mevrouw Wendel van de VVD net. Besturen of regeren is ook vooruitzien.
Het is één als je vooruitkijkt en ziet dat de plannen die je voor de zorg hebt, de
zorg wellicht niet beter maken. Twee is dat er voor de besparingen, die je wel alvast
inboekt, niet per se een meerderheid in beide Kamers is. Zou «besturen slash regeren
is vooruitzien» niet ook betekenen dat je bereid bent om je financiële plaatje en
je financiële tabel aan te passen?
Mevrouw Wendel (VVD):
Regeren is vooruitzien. Daar ben ik het volkomen mee eens. Juist daarom hebben wij
de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat er ook in 2040, 2050 en 2060 kwalitatief
goede zorg is. Laten we wel wezen: er is eigenlijk nergens ter wereld zulke goede
zorg als hier in Nederland. Dat moeten we zien te behouden. Daarom is dit de inzet
van de VVD. Het realistische verhaal is natuurlijk ook dat we als minderheidskabinet
66 zetels hebben. We moeten met elkaar het gesprek aangaan over hoe andere partijen
naar de toekomst van de zorg kijken. Maar voor de VVD blijft overeind dat wij er echt
in geloven dat we nu keuzes moeten maken. Zo kunnen we ervoor zorgen dat we in de
toekomst niet hoeven zeggen: hadden we maar hervormd, want nu kunnen we er niet zijn
voor de mensen die dat juist het hardste nodig hebben. Als wij niet hervormen, is
dat namelijk het geval. Dan zijn juist de mensen die ons het allerhardste nodig hebben,
de dupe. Die verantwoordelijkheid wil ik niet dragen.
De voorzitter:
Ik geef nog een keer het woord aan de heer Bushoff, tevens voor de laatste interruptie.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat vrijwel iedereen in de Kamer de zorg altijd beter wil maken. Ik denk dat
er vrijwel niemand is die ontkent dat de zorg voor uitdagingen staat, zeker als we
naar de toekomst kijken. Tegelijkertijd verschilt de route naar hoe je die zorg beter
maakt, wel sterk in de Kamer. De vraag is dan natuurlijk: begin je met het inboeken
van een besparing die je sowieso moet realiseren, nog zonder dat je weet of de plannen
die je daarvoor hebt, goed uitpakken en de zorg beter maken? Of zeg je: we gaan samen
de zorg beter maken en we zien wel of dat eventueel geld oplevert? Dat is een heel
andere benadering. Ik proef dat er in de Kamer een meerderheid is voor de tweede benadering,
maar dat de VVD vasthoudt aan de eerste benadering. De vraag is uiteindelijk: hoelang
blijft de VVD eraan vasthouden? Hoeveel ruimte geeft zij de coalitiepartners om daarin
eventueel een andere afweging te maken?
Mevrouw Wendel (VVD):
Om bij het eind van het pleidooi van de heer Bushoff te beginnen: hoeveel ruimte geeft
de VVD haar coalitiepartners? Kijk, we zitten met z’n drieën in een minderheidskabinet.
Daarom overleggen we ook met z’n drieën over hoe wij hierin staan. We zijn ook samen
met het CDA en met D66 tot dit akkoord gekomen, omdat wij er alle drie in geloven
dat we de zorg toekomstbestendig moeten maken. Ik ben er ook oprecht trots op dat
deze partijen de ballen tonen om deze hervormingen te nemen. De heer Bushoff zei net
ook al dat verschillende mensen dit vervelend vinden. Op korte termijn is de boodschap:
we moeten dingen veranderen en keuzes maken. Dat is natuurlijk vervelend, maar we
doen dit om er op langere termijn juist voor mensen te kunnen zijn. De VVD is een
partij die volgens mij als geen ander doorheeft dat we iedere euro maar één keer kunnen
uitgeven. Als wij de keuze maken om dit uit te geven aan de langdurige zorg, dan kunnen
wij dit niet uitgeven aan iets anders. Daarom zullen we het op deze manier moeten
doen.
De voorzitter:
Ik kijk nog even of er vervolgvragen zijn. Die zijn er niet. Dan zou ik graag het
woord willen geven aan de volgende spreker: mevrouw Bikker van de ChristenUnie. Voor
de mensen die meekijken, zeg ik het volgende. Iedereen is goed voorbereid. Er lijkt
nu een beetje willekeur qua sprekersvolgorde aanwezig, maar dit is altijd de bedoeling
bij het behandelen van een begroting. Ik zal alvast aangeven dat de spreker hierna
het Kamerlid van het CDA is. Daarna is het woord achtereenvolgend aan de SP en 50PLUS.
Ik zal de eerste termijn van de Kamer afsluiten namens JA21.
Ik geef graag het woord aan mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Ik zeg tegen de luisteraars: er ontbreken een paar partijen,
waardoor je zomaar opschuift in de volgorde. Daarom was ik wat verward. Ik groei enorm!
Maar goed, ik had de andere collega’s er graag bij gehad.
Voorzitter. Tijdens dit WGO wil ik drie onderwerpen aanstippen. Ik begin bij de gehandicaptenzorg
en bij de bezuinigingen die daarvoor op tafel lagen. Ik heb gezien dat er nu, na de
motie van de ChristenUnie om niet te bezuinigen op de gehandicaptenzorg, die net aan
werd aangenomen, een brief van de Minister ligt met een duidelijk gebaar: het balletje
is een jaar vooruit getrapt en de bezuinigingen voor 2027 zijn van de baan. Wat mij
betreft is dat een stap in de goede richting. Toch heb ik natuurlijk ook een aantal
vragen. De brief van de Minister gaat over drie tariefmaatregelen, maar er wordt niet
ingegaan op de bezuinigingen die in het coalitieakkoord genoemd staan. Eerder schreef
de Minister hierover dat ze voor deze maatregel met een alternatieve oplossing zou
komen en de Kamer hier voor de zomer over zou informeren. Is dat nog steeds het plan?
Hoe staat het hiermee? Of gaat deze bezuiniging ook van tafel? Garandeert de Minister
dat deze bezuiniging op de langdurige zorg de gehandicaptenzorg niet meer gaat raken?
Hoe moeten we verder na 2027? Het is duidelijk dat de gehandicaptenzorg de aandacht
van de Minister blijvend nodig heeft, niet in besparende zin, maar in hoe zorg en
kwaliteit voor de cliënten verbeterd kunnen worden. Er is grote personeelskrapte.
De cliënten zijn per definitie kwetsbaar. Zij zijn levenslang afhankelijk van zorg
van anderen. Voor mensen met een zware beperking geldt dat zij zelfs 24 uur per dag
afhankelijk zijn van de zorg van anderen. Daarover vind ik de brief niet duidelijk.
Er gaan gesprekken gevoerd worden met de sector, maar wat is nu het uitgangspunt van
de Minister? Als ik de VVD hoor, dan lijkt het beschikbare budget zoals vastgelegd
in het coalitieakkoord leidend te zijn. Als ik de brief van de Minister goedwillend
en ruimdenkend lees, dan zou het de kwaliteit en toekomstbestendigheid zijn. Gaan
de bezuinigingen van 2028 wel door, al dan niet met andere maatregelen? Is dat de
boodschap van de Minister? Of is er een open houding ten aanzien van de financiën
en het tijdpad? Graag een reactie.
Voorzitter. Mijn tweede punt is long covid. De subsidie voor C-support dreigt te worden
stopgezet na 2026. Dan moeten patiënten geholpen worden door het reguliere veld. Op
lange termijn is dat inderdaad de volstrekt normale en aan te raden weg, dus dat patiënten
een luisterend en deskundig oor vinden wanneer zij huisartsen of specialisten spreken
over hun klachten, maar dit is nu nog absoluut onvoldoende. Dat hoor ik op zo veel
plekken terug. Mensen worden niet gehoord, zitten eenzaam thuis of krijgen het verkeerde
advies. Ja, dan vallen ze terug op C-support. Met de beperkte energie die ze hebben,
vinden ze daar wél een luisterend en deskundig oor. Ik vraag me ook af hoe de Minister
dit besluit rijmt met het advies van de Gezondheidsraad dat er langjarig beleid en
onderzoek moet zijn en dat erkenning nodig is. Hoe ziet de Minister haar besluit in
het licht van dit advies? Wanneer komt er trouwens een reactie van het ministerie
daarop?
Deze bezuinigingen kunnen ertoe leiden dat de bestaande ondersteuning voor patiënten
wegvalt, terwijl de reguliere zorg onvoldoende op niveau is. Dat moet wat mij betreft
voorkomen worden en de onrust bij de patiëntengroep is groot. Ik hoop van harte dat
de Minister het ingediende amendement van collega Bushoff, mijzelf en heel veel leuke
collega’s gaat omarmen.
Voorzitter. Het derde punt is pandemische paraatheid. We hadden het er al over. Door
mijn amendement op de begroting is er geld vrijgemaakt om onomkeerbare schade te voorkomen
en heeft de Minister nu structurele investeringen in de begroting staan om fatsoenlijk
voorbereid te zijn op een grote infectie-uitbraak. Dank voor de inspanningen van de
Minister. Maar heeft de Minister ook laten checken of we nu op orde hebben wat we
op orde moeten hebben? Is de Minister bereid dit te laten checken, bijvoorbeeld door
de OVV of een andere instantie een stresstest uit te laten voeren?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank, mevrouw Bikker, voor uw bijdrage. Dan wil ik graag het woord geven aan de volgende
spreker, en dat is mevrouw Tijmstra van het CDA.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Van ziekte en systemen naar gezondheid, welzijn en gemeenschap.
Niet alleen kijken welke zorg nodig is, maar vooral wat iemand helpt om prettig, zelfstandig
en in verbinding met anderen te leven. Soms is dat professionele zorg, maar vaak begint
het met aandacht, een zinvolle invulling van de dag, met het gevoel om onderdeel uit
te maken van een gemeenschap. Met deze blik kijkt het CDA naar de Voorjaarsnota. Mijn
inbreng bestaat uit twee delen. Eerst zal ik ingaan op de bijstelling 2026 en daarna
op de meerjarendoorkijk.
Over de bijstelling 2026 heb ik een drietal onderwerpen die ik graag wil aanstippen
en waar ik een aantal vragen over wil stellen, om te beginnen over de pandemische
paraatheid. Er wordt 138 miljoen extra uitgetrokken. Dat is heel positief, want dat
draagt echt bij aan het weerbaar maken van de samenleving. Maar we zouden van de Minister
graag horen waar deze middelen precies voor zullen worden ingezet. Klopt het bijvoorbeeld
dat die middelen ook worden ingezet voor het aanleggen van strategische voorraden
van bepaalde goederen en medicijnen? Is dit dan specifiek voor pandemische paraatheid
of breder, bijvoorbeeld ten aanzien van de medicijntekorten die we al jaren zien?
Dan de ggz. Het ibo over de ggz schetst scenario’s voor een toekomstbestendige sector.
In het commissiedebat gaf de Minister nog aan dat een kabinetsreactie op het ibo voor
de zomer niet haalbaar was omdat ze daar zorgvuldig naar wilde kijken. Toch lezen
we nu in de Voorjaarsnota dat lopende ggz-dossiers naar aanleiding van hetzelfde ibo
anders worden ingevuld en dat het budget structureel met 8,4 miljoen wordt verlaagd.
Als de kabinetsreactie pas bij de begroting komt en er nog geen keuzes gemaakt zijn
over het vervolg, wat is er dan inhoudelijk nu al besloten? Waarom wordt er 4,8 miljoen
structureel afgeraamd, terwijl een scenario van investeren vanuit het ibo ook op tafel
ligt? Graag een toelichting hierop van de Minister.
Dan bij de BOSA, de Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties.
We zien dat er in de begroting 3 miljoen structureel wordt weggehaald bij de BOSA,
terwijl het coalitieakkoord juist extra geld vrijmaakt. De positieve impact die sportverenigingen
hebben op de maatschappij is groot. Het zijn plekken van verbinding, ontmoeting en
ze dragen bij aan een gezonder Nederland. Daarom vindt het CDA het belangrijk dat
er niet gekort wordt op de BOSA. Daar zal mijn collega Inge van Dijk een amendement
voor indienen.
Dan kom ik bij het tweede deel: de meerjarendoorkijk. Daaruit zal ik ook drie onderwerpen
aanhalen. In de beleidsbrief hebben we de eerste contouren van de uitwerking van het
coalitieakkoord kunnen zien en hierover hebben we ook een aantal vragen. Ik begin
bij de compensatie van de zorgkosten. In het coalitieakkoord is niet alleen afgesproken
het eigen risico te verhogen, maar ook om daarnaast kwetsbare mensen te compenseren
voor stijgende zorgkosten. Hiervoor is 350 miljoen beschikbaar. Voor het CDA is het
belangrijk dat dit geld daadwerkelijk terechtkomt bij de meest kwetsbare groepen,
zoals chronisch zieken en mensen met een beperking die te maken hebben met een stapeling
van zorgkosten.
Wij missen nog een concrete uitwerking van het kabinet, terwijl het geld al wel vanaf
2027 beschikbaar moet komen. Daarover heb ik de volgende vragen. Kan de Minister aangeven
hoe de tegemoetkoming van 350 miljoen vanaf 2027 vormgegeven wordt en wanneer de Kamer
over het uitgewerkte voorstel geïnformeerd wordt? Hoe zorgt de Minister ervoor dat
deze middelen terechtkomen bij mensen die te maken hebben met een stapeling van zorgkosten
zoals chronisch zieken en mensen met een beperking? Deelt de Minister de opvatting
dat bij de verdeling van deze middelen de daadwerkelijke zorgkosten leidend moeten
zijn en dat er niet uitsluitend gekeken moet worden naar inkomen? Tot slot op dit
punt. Is de Minister bereid om landelijke afspraken te maken over de uitvoering van
deze tegemoetkoming, bijvoorbeeld via een SPUK, zodat gemeenten de middelen doelgericht
en uniform inzetten?
Ik kom bij het tweede punt: scheiden van wonen en zorg. De veranderende behoefte van
ouderen, het tekort aan personeel en de dubbele vergrijzing onderstrepen de noodzaak
van nieuwe woonvormen die ontmoeting en onderlinge hulp mogelijk maken. Daarom zijn
in het coalitieakkoord middelen uitgetrokken voor sterke wijken en buurten en het
gemeenschapsfonds. Wanneer kunnen we een uitwerking hiervan verwachten? Ik noem ook
bewust het gemeenschapsfonds, vanwege de relatie met de zorgzame wijken en buurten.
Als we deze middelen slim koppelen, kunnen we een enorme impuls geven aan alle mooie
initiatieven die nu al ontstaan, zoals bijvoorbeeld het kleine Elsendorp in de Peel,
waar inwoners het heft in eigen hand namen voor een eigen zorgteam. Persoonlijker
en menselijker, maar ook doeltreffender en goedkoper. Graag een reactie van de Minister
op hoe zij dit richting de begrotingsbehandeling wil oppakken.
Tot slot de ondersteuning van mantelzorgers. Als we mensen vragen om meer naar elkaar
om te zien, moeten we mantelzorgers ook goed ondersteunen. In het rapport van het
SCP hebben we kunnen lezen dat het aantal mantelzorgers is gegroeid. Dat is positief.
Maar we lezen ook dat het aantal overbelaste mantelzorgers groeit. Daar moeten we
wel oog voor blijven houden. Tijdens alle werkbezoeken en gesprekken hoor ik steeds
opnieuw hoe groot de behoefte is aan logeerzorg en dat er op dit moment onvoldoende
passend aanbod is van dit soort plekken. Tegelijkertijd staan op sommige locaties
verpleeghuisbedden leeg. Dat is een plek waar op dit moment ook al 24 uurszorg aanwezig
is. Wij zouden heel graag willen kijken of er kansen liggen of mogelijkheden om logeerzorg
daar te organiseren of leegstaande bedden daarvoor in te zetten. Daarvoor zal ik in
de tweede termijn ook een motie indienen. Zo ondersteunen we mantelzorgers die dagelijks
klaarstaan voor een ander, en benutten we ook de kracht en expertise die in onze verpleeghuizen
aanwezig is.
Tot zover mijn inbreng in eerste termijn.
De voorzitter:
Ik zie een interruptie van mevrouw Van Brenk en daarna van mevrouw Maeijer. Ik geef
eerst het woord aan mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Scheiden van wonen en zorg: het is heel mooi dat er mooie voorbeelden naar voren gebracht
worden van initiatieven die inwoners in dorpen zelf nemen, maar ik zie ook voorbeelden
waar de huur € 1.245 euro is en € 100 servicekosten en daarna nog het volledig pakket
thuis, en dat door één aanbieder, die dan zowel de huur als dat bedrag van tussen
de 60.000 en de 90.000 voor de cliënt, afhankelijk van de indicatie. Ik vind dat de
verkeerde kant opgaan, want niet iedereen – als je alleen AOW hebt – kan die € 1.245
betalen. En dan krijg je maar een tegemoetkoming voor sociale huur. Kortom, hoe kijkt
het CDA aan tegen dat soort initiatieven? En hoe zorgen we ervoor dat zorg voor iedereen
toegankelijk is, ook mensen zonder dikke portemonnee?
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Ik denk dat het heel erg belangrijk is dat er een groot divers aanbod aan verschillende
woonvormen in Nederland ontstaat. Daar gebeurt ook al heel erg veel op, ook omdat
de behoeften van ouderen niet allemaal hetzelfde zijn. Het voorbeeld dat mevrouw Van
Brenk aanhaalt: ik ken een voorbeeld van een private-equitypartij, waar ik dan ook
wel twijfels heb of dat met de juiste intentie wordt gedaan, zeg ik daar eerlijkheidshalve
achter. Een verdienmodel verbinden aan het scheiden van wonen en zorg is volgens mij
niet de bedoeling.
Wat wel de bedoeling is, is dat, ook als je ouder wordt of zorg nodig hebt, je heel
graag autonomie wilt houden over de manier waarop je leeft, over de manier waarop
je woont. En daar ziet het CDA vooral de grote kansen. Natuurlijk moet het voor mensen
betaalbaar blijven. Ik denk dat het heel erg belangrijk is dat woningbouwcorporaties
daar een grote rol in spelen. Ik ken ook veel voorbeelden van de combinatie gemeente,
corporatie, zorgaanbieder. Het hoeft dus niet altijd zo te zijn dat alles bij één
aanbieder in één hand is. Volgens mij is het heel belangrijk dat het voor iedereen
mogelijk is, het liefst dicht bij huis, dicht bij je eigen gemeenschap en bij vrienden
en familie, en dat er een grote diversiteit blijft.
De voorzitter:
Dat was tevens de laatste interruptie van mevrouw Van Brenk. Dan kom ik nu bij de
laatste interruptie van mevrouw Maeijer. Ik geef haar graag het woord.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Mevrouw Bikker had net een discussie met mevrouw Wendel over de financiële kaders
van het bestuurlijk akkoord. Zij stelde de VVD toen de vraag of de financiële kaders
van het akkoord ondanks de bij motie aangenomen uitspraak van de Kamer dezelfde blijven.
Ik zou die vraag ook heel graag aan mevrouw Tijmstra voor willen leggen: hoe kijkt
het CDA daarnaar?
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Wij hebben het volgens mij zo met elkaar afgesproken dat er een coalitieakkoord ligt
waarmee het kabinet aan de slag gaat. Op heel veel onderdelen moet daar gewoon een
invulling van komen. Dat geldt ook voor de uitvoering van de wijkverpleging, voor
hulp bij het huishouden en voor die bestuurlijke akkoorden. Wat mij betreft laten
wij het dus echt aan het kabinet over om met een voorstel terug te komen naar de Kamer.
De voorzitter:
Dan zijn we volgens mij aan het einde van de bijdrage van mevrouw Tijmstra. Ja, dat
is het geval. Dan geef ik nu graag het woord aan de volgende spreker. Dat is mevrouw
Dobbe van de SP.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Bezuinigen op de zorg is makkelijk als je dat doet op een
spreadsheet of vanuit «als de budgettaire tabel maar op orde is», zoals ik hier al
heb gehoord in dit debat. Als je gaat schuiven met nummertjes en cijfertjes en een
papieren werkelijkheid, vind ik dat niet ballen tonen of verantwoordelijkheid nemen
maar wegkijken van de gevolgen die het beleid zal hebben.
Dit kabinet wil 10 miljard euro bezuinigen op de zorg. Dat wordt in deze suppletoire
begroting niet hersteld en niet bijgesteld, want op geen enkele manier wordt de goede
richting ingeslagen. Het doel daarvan is niet de beste zorg geven. Het doel is niet
om te zorgen dat mensen menselijke zorg krijgen of om de kwaliteit van de zorg op
orde te houden. Nee, het doel is ook niet om de zorg voor de toekomst beschikbaar
te houden, zoals hier telkens wordt gezegd, want alles wat je nu afschaft en afpakt,
is in de toekomst net zo goed niet meer beschikbaar voor de mensen die het nodig hebben
en is in de toekomst net zo goed onbetaalbaar voor mensen.
Daar heeft al dit kapot bezuinigen van de zorg, dat dit kabinet nu doet, dus gewoon
niks mee te maken. Nee, het doel hiervan is om geld weg te halen bij de zorg, zodat
het Ministerie van Defensie volgestopt kan worden en zodat tientallen miljarden van
ons geld niet naar de zorg maar naar Defensie gaan en dus ook naar de winsten van
de Amerikaanse wapenindustrie. Dat is wat hier gebeurt: Trump pleasen en Rutte pleasen.
Dát is de reden. Dat doet heel veel mensen pijn en brengt ook heel veel mensen in
problemen. Dát is wat D66, het CDA en de VVD hier doen. Erkent deze Minister dat?
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe, u heeft een interruptie. Ik wachtte heel eventjes op een organische
punt, maar ik geef nu het woord aan mevrouw Tijmstra voor haar interruptie.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Ik hoor mevrouw Dobbe vooral inzoomen op de financiële kant, maar gelet op het aantal
beschikbare mensen in Nederland die zorg verlenen, zie ik voor de toekomst met name
dáár de grootste uitdaging en de grootste beperking. Alle brancheverenigingen in Nederland
zeggen ook dat de problemen die er nu al in de zorg zijn, niet meer op te lossen zijn
met meer geld of meer mankracht en dat we het met elkaar op een andere manier zullen
moeten organiseren. Dat betekent dat het volume omlaag moet en dat dan natuurlijk
dus ook de financiën omlaag moeten. Hoe kijkt mevrouw Dobbe daarnaar?
Mevrouw Dobbe (SP):
Nou, mevrouw Dobbe vindt sowieso dat als zorg nodig is, die zorg er moet zijn. Als
mensen zorg nodig hebben, is het geen oplossing om net te doen alsof dat niet zo is,
want die mensen komen uiteindelijk terug met een hogere zorgvraag of met problemen
binnen de samenleving; dat is wat je ziet.
Ik hoor hier telkens de argumenten voor deze kaalslag in de zorg, zoals «we moeten
de zorg toekomstbestendig houden». Dat zijn de woorden van de coalitie: «we moeten
de zorg toekomstbestendig houden». Daarvan heb ik net gezegd dat rücksichtslos stukken
uit de zorg wegsnijden niks met het toekomstbestendig houden van de zorg te maken
heeft, want die zorg verdwijnt voor mensen. Ook in de toekomst kunnen mensen daar
dus geen gebruik meer van maken. Wat het personeelstekort betreft: waar zijn dan de
plannen om die op te lossen? Ik heb het hier al meermaals gezegd: er is een wervingscampagne
voor Defensie. De mensen rammelen aan de poorten, want die wervingscampagne werkt.
Waar is dan die wervingscampagne voor de zorg? Wat doen we dan om dat op te lossen?
Maar dáár wordt niet in geïnvesteerd; dáár wordt niets aan gedaan. De oplossing wordt
ook niet gezocht in het hervormen van de zorg, maar in het wegslaan en het afpakken
van zorg van mensen. Dat vind ik dus onmenselijk, onverstandig en op termijn ook duurder.
De voorzitter:
De volgende interruptie van mevrouw Tijmstra.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Over het wegslaan van de zorg heb ik toch nog een vraag. Ik geef als voorbeeld de
hulp bij het huishouden. Voordat het abonnementstarief werd ingevoerd, regelden heel
veel mensen met een wat hoger inkomen die zorg zelf. Die zorg was er dus wel, maar
mensen regelden het zelf en betaalden het zelf. Toen het abonnementstarief werd ingevoerd,
zag je een enorme stijging van de zorgvraag. Eigenlijk heeft dat ertoe geleid dat
we nu zeggen dat het systeem niet meer houdbaar is. Het drukte enorm op de gemeentebegrotingen,
waardoor je de welzijnskant wegdrukte, hoewel die juist hard nodig was. Als we dit
terugdraaien, betekent dat niet automatisch dat de zorg er niet meer is. Het betekent
dat je aan mensen die dat kunnen vraagt om weer zelf zorg te regelen. Hoe kijkt u
naar dit specifieke voorbeeld?
Mevrouw Dobbe (SP):
Dat is niet wat het CDA doet met deze plannen. Met deze plannen van het kabinet wordt
455 miljoen weggehaald bij de huishoudelijke zorg. We weten allemaal wat er gebeurt
als je de huishoudelijke zorg uit de Wmo haalt. Gemeenten proberen op alle mogelijke
manieren te beknibbelen op de huishoudelijke zorg. Dat doen ze al jaren. Niet vanwege
onwil, maar omdat de gemeenten te weinig geld krijgen om alles te doen wat ze moeten
doen. Hierdoor gaan ze al korten in uren, in indicaties et cetera. Dat is wat er gebeurt.
Het CDA gaat er niet voor zorgen dat mensen die het kunnen betalen zelf zorg gaan
regelen. Nee, de hele huishoudelijke zorg wordt weggehaald. Het gevolg daarvan is
eigenlijk een privatiseringsslag in de zorg, met als gevolg dat alleen de mensen die
geld hebben straks nog huishoudelijke zorg kunnen krijgen. Mensen die geen of minder
geld hebben, vallen straks tussen wal en schip. Dat zal het gevolg zijn van dit beleid
van het CDA.
De voorzitter:
Ik wil u graag erop wijzen dat we ons in de vraagstelling en de beantwoording moeten
houden aan de tijd. Anders komen we in de knel en voorzie ik problemen voor een tweede
termijn, waar misschien ook behoefte aan is. Ik geef nog een keer het woord aan mevrouw
Tijmstra, voor haar derde interruptie.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Er staat heel duidelijk in het coalitieakkoord dat voor de 30% van de mensen die de
huishoudelijke hulp niet kunnen organiseren, de overheid dat blijft doen. Dat vindt
het CDA ook ongelofelijk belangrijk, evenals de compensatie voor de stapeling van
zorgkosten.
Door uw interventie ben ik de vraag kwijt.
De voorzitter:
Dit wordt een heel vreemd gesprek, zo buiten de microfoon. Ik wil u vragen om uw vraag...
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Ik ga mijn vraag opnieuw stellen, excuus. Het gaat erom dat dat vangnet wel in het
coalitieakkoord zit. Mijn vraag is hoe mevrouw Dobbe ernaar kijkt dat we aan de mensen
met de hoogste inkomens een hogere eigen bijdrage vragen op het moment dat zij gebruikmaken
van zorg.
Mevrouw Dobbe (SP):
Om te beginnen: dat vangnet zit er niet in. Het uit de Wmo halen van de huishoudelijke
zorg zal de facto betekenen dat gemeenten gaan doen wat ze al jaren proberen en waarin
ze vaak alleen via rechtszaken et cetera kunnen worden gestopt, namelijk de huishoudelijke
zorg afschalen. Door deze zorg uit de Wmo te halen, waarmee het dus geen verplichting
meer is, zal in een heleboel gemeenten de hele huishoudelijke zorg simpelweg verdwijnen.
Dat zal het gevolg zijn. Het CDA zal daarvoor ook gewaarschuwd zijn, neem ik aan.
De hele coalitie zal daarvoor gewaarschuwd zijn, maar ze besluiten om deze waarschuwing
te negeren. Nu gebeurt het tegenovergestelde van wat het CDA zegt te willen, namelijk
van mensen met een hoger inkomen een grotere bijdrage vragen. In de realiteit zullen
mensen met een hoger inkomen de enigen zijn die huishoudelijke zorg nog kunnen betalen.
De mensen met een lager inkomen krijgen niks meer. Dat is het gevolg.
De voorzitter:
Ik zie dat mevrouw Wendel wil interrumperen, maar ik wil de leden erop wijzen dat
mevrouw Dobbe nog maar net was begonnen met haar bijdrage. Er staat aardig wat tijd
voor haar bijdrage, dus wie weet komen er nog antwoorden op uw vragen. Desondanks
wil mevrouw Wendel interrumperen.
Mevrouw Wendel (VVD):
Jazeker, want ik voorzie dat mijn vraag niet beantwoord wordt in de rest van die bijdrage,
maar wellicht wordt mijn ongelijk bewezen. Ik wil mevrouw Dobbe van de SP uitdagen
om een blik vooruit te geven, om te kijken naar de zorg in – ik zeg iets heel wilds
– 2050/2060. Als mevrouw Dobbe naar de toekomst van de zorg kijkt, is haar ideaalbeeld
dan dat een op de drie mensen in Nederland in de zorg werkt?
Mevrouw Dobbe (SP):
Het ideaalbeeld van mevrouw Dobbe is dat wij een systeem in de zorg hebben dat niet
langer om het systeem draait maar om mensen. Daarmee kun je ontzettend veel geld besparen.
Ik zeg niet dat er niet bespaard kan worden, alleen niet op de manier waarop dit kabinet
het doet, namelijk gewoon hakken in de zorg en ervoor zorgen dat de zorg verdwijnt.
Mijn ideaalbeeld is een zorgsysteem zonder markt, dus zonder bureaucratie, zonder
concurrentie en zonder al dat zorggeld dat verdwijnt naar allerlei plekken maar niet
gaat naar de mensen die het nodig hebben. In mijn ideaalbeeld hebben wij een nationaal
zorgfonds, hebben wij een nationaal geneesmiddelenfonds en loopt de farmaceutische
industrie niet weg met allerlei winsten, want dat is allemaal geld dat wij kunnen
besteden in ons zorgstelsel. In het Nederland van de SP in – wat was het? – 2050 heeft
iedereen toegang tot zorg en niet alleen de mensen die dat kunnen betalen. Dat is
ons ideaalbeeld voor 2050. Door de plannen van dit kabinet zal een deel van de zorg
worden geprivatiseerd, aangezien die zorg wordt afgeschaft en alleen de mensen die
deze zorg nog kunnen betalen, daar straks nog toegang toe hebben.
Mevrouw Wendel (VVD):
Mevrouw Dobbe zegt dat ze niet wil dat het systeem en het geld centraal staan, maar
ik krijg geen antwoord als ik vraag of het ideaalbeeld van mevrouw Dobbe is dat straks
een op de drie mensen in de zorg werkt. Dan krijg ik alleen maar ideeën te horen op
het gebied van het systeem en op het gebied van geld. Ik stel de vraag dus nogmaals
aan mevrouw Dobbe: is het ideaalbeeld van mevrouw Dobbe dat in 2050 of 2060 een op
de drie mensen in de zorg werkt?
Mevrouw Dobbe (SP):
Nee, natuurlijk niet, maar dat is ook helemaal niet aan de orde. Deze plannen van
dit kabinet gaan het ook helemaal niet oplossen als dat het probleem is dat de VVD
hier ziet. Als de VVD zorg belangrijk vindt, schaft ze die zorg niet af. Maar dat
doet de VVD wel. Het enige wat nu leidend is voor de VVD is die budgettaire tabel;
daar zijn we nu wel achter gekomen. Mensen die zorg nodig hebben, komen straks in
de knel, en daar zou de VVD verantwoordelijkheid voor moeten nemen. Verantwoordelijkheid
nemen is namelijk niet: de zorg wegbezuinigen en afpakken van mensen. Verantwoordelijkheid
nemen is: zorgen dat mensen die zorg nodig hebben, die zorg ook krijgen, en dat zorggeld
niet wegvloeit naar allerlei commerciële bureautjes, zoals nu gebeurt, en naar het
systeem. Als personeelstekort het probleem is, moeten we gaan investeren in het werven
van personeel, en dat doet de VVD ook allemaal niet.
Mevrouw Wendel (VVD):
Mevrouw Dobbe staat ervoor dat ze niet wil dat mensen in de knel komen. Wat mij dan
wel teleurstelt, is het volgende. Ik dacht eigenlijk dat we één overeenkomst hadden,
namelijk dat we het er met elkaar over eens zijn dat in de toekomst een op de drie
mensen in de zorg moet werken als we niets veranderen, om de zorg aan te kunnen. Ik
hoor mevrouw Dobbe zelfs zeggen: iedereen moet zorg krijgen. Nou, dan moet misschien
ook iedereen in de zorg gaan werken of zo, want anders zie ik dat niet voor me. Ik
vind het lastig dat ik mevrouw Dobbe vooral heel veel kritiek hoor uiten. Ik hoor
waarom «anderen de zorg afbreken», maar ik hoor tegelijkertijd ook geen enkele oplossing.
Ik hoor alleen maar «we hebben mensen nodig», maar we weten met elkaar dat die mensen
er in de toekomst niet zijn. En welke mensen komen er dan in de knel? Dat zijn juist
de mensen die de zorg het hardst nodig hebben. Ik wil mevrouw Dobbe dus toch vragen
hoe zij er dan voor gaat zorgen dat er in de toekomst voldoende zorgmedewerkers zijn
om te voldoen aan de zorg met de kwaliteit van nu. Als namelijk een op de drie mensen
in de zorg moet werken, is mijn vraag: hoe dan?
Mevrouw Dobbe (SP):
Mevrouw Dobbe heeft hopelijk, en anders corrigeer ik dat bij dezen, niet gezegd dat
iedereen zorg moet krijgen, maar wel dat iedereen die zorg nodig heeft, zorg moet
krijgen. Dat klopt, daar sta ik achter en daar sta ik voor. Het is overigens ook de
goedkoopste en de beste manier om met zorg om te gaan, want als je mensen die zorg
nodig hebben geen zorg geeft, wordt de vraag alleen maar duurder. Die vraag verdwijnt
namelijk niet. De mensen verdwijnen misschien, maar die vraag verdwijnt niet. Volgens
mij heb ik zonet een heel mooi alternatief geschetst waar wij in 2050 naartoe willen.
Ik zou de VVD willen uitdagen, als we het dan toch over uitdagen hebben, om eens te
kijken hoeveel mensen er nu áán de zorg werken in plaats van ín de zorg, onder andere
door het beleid dat de VVD heeft gevoerd en waardoor het zorgsysteem zodanig is uitgedijd
dat er nu zo veel mensen op kantoor zitten. Die mensen verdienen ook meer, hè, wat
een enorme irritatiebron is voor al die verpleeghuismedewerkers en die mensen in de
thuiszorg, die elke dag keihard werken. Daar zitten hele colonnes aan mensen boven,
op kantoor, die ook nog eens een stuk meer verdienen. Volgens mij kan dat een stuk
minder worden als die mensen eens in de zorg gaan werken. Ga eens even mensen werven;
dan komen we al een heel end.
De voorzitter:
Ik stel voor dat we naar het vervolg van uw betoog gaan, mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Voorzitter. Jarenlang heb ik gewerkt met zorgverleners in de verpleeghuizen, maar
ook met huishoudelijk verzorgenden als onderdeel van de thuiszorg. Zij zorgen ervoor
dat ouderen, mensen met een beperking en mensen die ziek zijn en ondersteuning thuis
nodig hebben, op een menswaardige manier thuis kunnen blijven wonen. Zij signaleren
het ook als het niet goed gaat met iemand. Ze zijn echt onmisbaar en mensen gaan in
de knel komen als deze mensen verdwijnen. In 2015, na het desastreuze besluit om de
verzorgingshuizen te sluiten, wilde dat kabinet ook een groot deel van de huishoudelijke
zorg afschaffen. Ouderen konden dus al niet meer naar een verzorgingshuis, maar het
werd ook moeilijk gemaakt om thuis te kunnen blijven wonen.
Samen met thuiszorgmedewerkers kwamen we in actie op verschillende plekken in Nederland;
misschien weet u het nog wel. Dat was in 2015. Ze kwamen in actie bij gemeentehuizen,
ze zochten de media op en ze kwamen naar Den Haag. Ik kan me nog heel goed de strijdbaarheid
herinneren van die huishoudelijkezorgmedewerkers om op te komen voor hun werk, omdat
ze trots zijn op het werk dat ze doen, omdat ze daarmee een verschil kunnen maken
in de levens van mensen. Ze kwamen op voor de mensen voor wie ze werken, die niet
goed op kunnen komen voor zichzelf. Ze kwamen op voor de 600.000 ouderen, mensen met
een beperking en zieken die nu huishoudelijke zorg krijgen. Er werd ook geluisterd
naar hun verzet. Ze wonnen. Een groot deel van de huishoudelijke zorg bleef behouden.
De verzorgingshuizen gingen wel dicht. Achteraf had iedereen daar weer spijt van.
Dat was een fout. Dat werd toegegeven. Die fout werd gemaakt, ondanks alle waarschuwingen.
We zitten nu nog steeds met de gevolgen daarvan.
Er wordt nu weer gewaarschuwd voor de plannen om op de zorg te bezuinigen. Gemeenten,
zorgverzekeraars en zorgkantoren proberen ouderen van de ene wet naar de andere te
duwen om geld te besparen. Dat gebeurt nu ook. Ze proberen de uren te korten. Niemand
neemt verantwoordelijkheid. Ouderen zijn de dupe. Dat is wat er nu gebeurt. Dit zullen
de gevolgen zijn. Er komen nu al wekelijks ouderen verwaarloosd in de ziekenhuizen
terecht. Het is echt heel schrijnend. We horen verhalen over ouderen die naar urine
ruiken, ouderen met vliegjes in hun haar, ouderen die urenlang in hun eigen ontlasting
hebben gezeten, mensen met doorligwonden, mensen met vervuilde nagels. Deze ouderen
kunnen niet altijd meer naar huis, maar er is heel vaak ook geen andere plek voor
deze mensen. Naar schatting een op de vier ouderen op de geriatrieafdelingen in ziekenhuizen
is daar niet omdat ze daar zouden moeten zijn, maar omdat er geen andere plek is.
Ook bij ons eigen meldpunt ouderenzorg komen er verhalen binnen over zorg die niet
meer geleverd kan worden, hoe hard zorgverleners ook hun best doen. Zorgverleners
vertellen ons dat het niet meer om de zorg en de mensen gaat, maar om de centen. Ze
vertellen dat ze het niet volhouden en dat ze huilend naar huis gaan. Ruim een derde
van de mensen die thuiszorg ontvangen, krijgt minder zorg dan nodig is. Bijna een
kwart is het afgelopen jaar gekort op het aantal uren zorg of ondersteuning, of krijgt
daar binnenkort al mee te maken.
Juist op dat moment, terwijl dit allemaal gebeurt, kiest dit kabinet ervoor om nog
meer te bezuinigen. Het geld dat was vrijgemaakt voor een extra investering in de
ouderenzorg is geschrapt. Naast het weghalen van 435 miljoen euro voor de huishoudelijke
zorg wordt er 225 miljoen opgehaald door een eigen bijdrage in de wijkverpleging.
Dat gebeurt ondanks alle waarschuwingen van de huishoudelijk verzorgenden en ondanks
alle waarschuwingen en noodsignalen van de wijkverpleegkundigen, die zeggen: doe dit
niet. Dit kabinet wil de zorg nog verder privatiseren. Dat is wat het is. Mensen die
zorg nodig hebben, zullen dat namelijk zelf moeten gaan regelen via zorgbedrijfjes.
De mensen die dat niet kunnen betalen, worden in de steek gelaten. Dat is wat er gebeurt.
Ik vraag aan dit kabinet en aan het CDA en D66: waarom doen jullie dit? Waarom volgen
jullie dit harde, neoliberale beleid? Waarom laten jullie de ouderen en de zorgverleners
zo in de steek? Waarom luisteren jullie niet naar de waarschuwingen van mensen? Waarom
willen jullie niks leren van wat er is gebeurd in 2015, toen de verzorgingshuizen
werden afgeschaft?
De ouderenzorg is al geprivatiseerd en overgelaten aan de markt, gemeenten en zorgverzekeraars.
Het is al in stukjes gehakt en verdeeld over verschillende potjes en wetten. Niemand
is meer verantwoordelijk voor de ouderen om wie het gaat. Ondertussen vindt iedereen
de zorg te duur. Ja, me dunkt. Weet deze Minister hoeveel geld dat bedoeld is voor
ouderenzorg daar niet voor wordt gebruikt? Hoeveel gaat naar winsten? Hoeveel geld
dat bedoeld is voor de ouderenzorg gaat naar aanbestedingsspecialisten? Hoeveel gaat
naar marktconsultaties, marketing en concurrentie? Hoeveel gaat er naar schimmige
bv-constructies? Als deze Minister dat niet weet, vindt ze dat dan zelf geen probleem
en is ze dan bereid om dat heel snel uit te gaan zoeken? En ja, ik heb het dan ook
over het deel waar de gemeenten verantwoordelijk voor zijn, over het deel in de Zorgverzekeringswet,
maar ook over het deel in de Wet langdurige zorg. De Minister is verantwoordelijk
voor al deze dingen, voor het stelsel. Het budget voor de Wlz wordt in 2026 met ruim
600 miljoen verlaagd, waarvan 250 miljoen structureel wordt weggehaald. Dit wordt
gepresenteerd als een technische correctie, maar het blijft een politieke keuze. Dat
geld kan óók worden gebruikt om niet te bezuinigen, maar om te investeren in langdurige
zorg en om andere bezuinigingen terug te draaien. Waarom doet de Minister dat niet?
Waarom maakt de Minister geen werk van de zorgbuurthuizen? Mevrouw Van Brenk zei het
net ook al: al die verschillende wetten, potjes en stukjes van het systeem maken het
zó ontzettend onnodig ingewikkeld om dat te doen. Los dat op. Want het zorgbuurthuis
is op zichzelf helemaal geen ingewikkeld iets. Het is juist heel erg simpel; het is
heel goed in zijn eenvoud. Het is een prachtig initiatief, ontwikkeld door Lilian
Marijnissen in 2017. Ik weet het nog goed. Dat heeft ze samen met zorgverleners, ouderen,
architecten en zorgbestuurders gedaan. Ondanks het tegenwerken van het zorgsysteem,
na heel veel werk en heel veel moeite, is er in Oss een voorbeeld van. Met het boek
hierover laten zij in alles zien hoe het wel of niet moet en kan. Het voorbeeld ligt
er dus gewoon. Ik heb de Minister dat boek al eerder overhandigd. Wat is er dan nog
nodig om te zorgen dat er meer zorgbuurthuizen komen? Hoe staat het met de aanjager
voor zorgbuurthuizen, waarvoor eerder ons amendement is aangenomen?
Voorzitter. Dan de gehandicaptenzorg. Daar hebben we het ook al over gehad. Dezelfde
bezuinigingen zijn voor de derde keer weer voor een jaar geschrapt, na inzet van zorgverleners
en na ruim twee jaar lang moties, voorstellen en aandringen uit de Kamer, van ons,
van PRO en van de ChristenUnie. Nu worden deze ondoordachte en ongedekte bezuinigingen
voor het komende jaar weer uitgesteld. Dat is heel goed nieuws. Dat is ook heel erg
nodig. Maar is de Minister dan ook bereid om de bezuinigingen op de gehandicaptenzorg
nu definitief van tafel te halen?
Naast een statement van deze coalitie dat de zorg voor de toekomst behouden moet blijven
en daarom nu moet worden afgebroken, wordt er als reden voor de afbraak gezegd dat
er niet genoeg personeel is. Dat hoorden we hier net ook alweer. Maar waar is dan
de aanpak van dat personeelstekort? Het programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt
Zorg en Welzijn, met een budget van 130 miljoen euro per jaar, wordt vanaf 2026 geschrapt.
De loonkloof tussen zorg en andere sectoren blijft bestaan. Een deel van de zorgverleners
verdient nog steeds 6% tot 7% minder dan werknemers in vergelijkbare functies buiten
de zorg. Ondertussen zien we bij Defensie wél een wervingscampagne, met overweldigend
succes. Mensen rammelen aan de poorten en er is een wachtlijst van geïnteresseerden.
De Kamer nam een motie aan om ook een wervingscampagne voor de zorg op te zetten.
Als die niet net zo groot als bij Defensie kan, doe dan in ieder geval iets. Zet een
campagne op. Doe iets! Ik zie geen spotjes, ik hoor geen radioreclames, ik zie niks
online, helemaal niets! Ik vind dat onbegrijpelijk. Als personeelstekorten zó ontzettend
urgent zijn, waarom wordt dan niet alles op alles gezet om mensen voor de zorg te
behouden en om nieuwe mensen aan te trekken? Waarom doet de Minister niets aan werving?
Is de Minister bereid om alsnog deze motie uit te voeren en een wervingscampagne voor
de zorg op te zetten?
Dan het eigen risico. Dat is een boete op ziek zijn. Mensen die ziek zijn, moeten
van dit kabinet per se een hogere boete betalen. De plannen om het eigen risico te
verlagen, worden van tafel geveegd. Er komt volgend jaar een extra verhoging van € 60.
De stop op het automatisch indexeren wordt er ook af gehaald, waardoor het eigen risico
in 2027 stijgt naar € 455. Volgens onderzoek van Nivel van twee weken geleden – dat
is dus een recent onderzoek – zal het aandeel mensen dat noodzakelijke zorg uitstelt
vanwege het stijgen van het eigen risico toenemen van 7% naar 16% van de mensen. Dit
laat zien wat wij al jaren zeggen: financiële drempels houden mensen weg van zorg.
Het hele eigen risico moet worden afgeschaft. Dit kan via een inkomensafhankelijke
zorgpremie. Daarmee kan het eigen risico worden afgeschaft, inclusief het circus van
zorgtoeslagen, waarin zoveel misgaat. Zo’n 80% van de mensen gaat er dan op vooruit
– zij betalen dan minder – terwijl de 20% hoogste inkomens een paar procent inlevert.
Waarom kiest de Minister hier niet voor? Heeft de Minister dit plan voor een inkomensafhankelijke
zorgpremie serieus bekeken? Zo niet, gaat ze dit dan doen? Heeft deze Minister het
plan voor een nationaal zorgfonds zonder eigen risico bekeken? Zo niet, gaat ze dat
dan doen? De zorg beter en eerlijker maken, het kan wél, zou ik tegen dit kabinet
willen zeggen.
Het is ook een oplossing voor het feit dat steeds meer mensen de tandarts mijden vanwege
de kosten. Onder de lage inkomens gaat het inmiddels om ongeveer een op de drie mensen
– een op de drie mensen! – die de tandarts mijdt vanwege de kosten. Mensen lopen rond
met pijn, ontstekingen en ernstige gebitsproblemen, niet omdat behandeling onmogelijk
is, maar omdat behandeling onbetaalbaar voor hen is geworden. Er werden twee moties
aangenomen om jaarlijkse controles vanuit het basispakket te vergoeden. Toch worden
ze niet uitgevoerd. In plaats daarvan krijgen we telkens nieuwe onderzoeken en nieuwe
verkenningen. Waarom eigenlijk? Nog los van dat je de gezondheid en het leven van
mensen enorm kan verbeteren, berekende het Radboudumc dat het meer dan 3 miljard euro
per jaar kan opleveren, doordat productiviteitsverlies door tandziekten wordt tegengegaan.
Laat het kabinet ook deze winst liggen?
Organisaties en tandartsen vragen ook om een noodfonds. We hebben het hier eerder
over gehad. Gupta heeft verschillende opties berekend en een rapport gemaakt. Dat
rapport ligt nu op de plank. We willen dat hier daadwerkelijk wat mee gebeurt en hebben
hier ook een amendement voor. De vraag is niet of het kan, de vraag is waarom het
kabinet hier telkens maar mee blijft wachten.
Ook de positie van mensen die geen zorgverzekering hebben, is belangrijk. Er zijn
meerdere moties van ons aangenomen om samen met straatartsen en maatschappelijke organisaties
een plan te maken om de toegang van onverzekerde mensen tot de zorg te verbeteren
en om de zorg voor kinderen zonder zorgverzekering – hoe schrijnend is dat? – te verbeteren
en te zorgen dat zij ook toegang hebben tot bijvoorbeeld het Rijksvaccinatieprogramma.
Zij worden namelijk vaak vergeten, omdat ze geen huis of vaste verblijfplek hebben.
Er is een motie om de basis te regelen dat iedereen toegang houdt tot medisch noodzakelijke
zorg. Dat lijkt me toch wel het allerminste. Wat gaat de Minister hier nu mee doen?
Mensen blijven tussen wal en schip vallen. Mensen wordt zorg geweigerd. Je wordt bij
de huisarts geweigerd als je geen zorgverzekering hebt. Ik heb zelf gezien dat dat
wordt gedaan. Op de eerste hulp worden mensen weggestuurd. Patiënten worden ontslagen
naar de straat. Wegkijken als de allerkwetsbaarste mensen in de problemen komen en
hopen dat straatartsen het maar blijven oppakken of dat maatschappelijke organisaties
dit gat blijven opvullen, is toch geen oplossing? Is de Minister het daarmee eens?
We hebben allemaal gezien wat een pandemie kan aanrichten. Het vorige kabinet bezuinigde
flink op pandemische paraatheid. We hoorden ook al dat best wel jubelend werd gezegd:
dit kabinet draait een deel van de bezuinigingen terug. Dat is echt heel goed, maar
er blijft nog wel 123 miljoen van de bezuiniging op pandemische paraatheid staan.
Deze bezuiniging betekent bijvoorbeeld ook dat GGD’en veel werk om voorbereid te zijn
op een pandemie, maar ook in de bestrijding van infectieziekten, niet meer kunnen
doen. We zagen de recente uitbraak van het hantavirus, die godzijdank beperkt bleef,
en we zien nu de uitbraak van ebola, door de WHO bestempeld als een internationale
noodsituatie. Vindt de Minister deze bezuinigingen op pandemische paraatheid nog steeds
verantwoord en een goed idee? Is de Minister bereid om ook de resterende bezuinigingen
van tafel te halen? Zo nee, waarom eigenlijk niet?
Veel mensen leven nog steeds met de gevolgen van pandemieën en epidemieën, zoals van
corona en Q-koorts. Bijna iedereen hier kent wel iemand die nog steeds kampt met de
gevolgen van covid of Q-koorts. Ook jongeren hebben door corona hun toekomst totaal
anders zien worden. Ondersteuning voor patiënten met long covid en andere vormen van
PAIS blijft belangrijk. Daarom dienen we samen met PRO en ook een heleboel andere
– hoe noemde jij dat ook alweer? – bevriende, vrolijke woordvoerders daarvoor een
amendement in.
Tot slot de gezondheid van vrouwen. Er is een Nationale Strategie Vrouwengezondheid.
Daar zijn we heel erg blij mee, omdat aandacht voor vrouwengezondheid en investeren
in vrouwengezondheid ontzettend hard nodig zijn. Het is een begin, maar we zijn er
dus nog niet, want er is meer onderzoek nodig, meer aandacht voor medicijnen en bijwerkingen,
meer onderwijs, meer bijscholing, meer erkenning en vooral meer middelen voor de Nationale
Strategie Vrouwengezondheid. Daarom hebben we ook daarvoor een amendement ingediend.
Ik hoop echt dat de collega’s daar serieus naar willen kijken.
Dan borstkankeronderzoek. Een op de zeven vrouwen krijgt ooit borstkanker. Bevolkingsonderzoek
en vroegtijdige opsporing redden levens. Het is goed om te horen dat de Minister serieus
aan de slag gaat met de aangenomen motie om ervoor te zorgen dat vrouwen ook kunnen
weten of zij dicht borstklierweefsel hebben of niet. Daar hebben we het eerder uitgebreid
over gehad. Dat is ontzettend belangrijk. In de brief aan de Kamer schrijft de Minister
dat vrouwen zelf actief moeten aangeven dat zij terugkoppeling willen van of zij dicht
borstklierweefsel hebben. Dat kan ik begrijpen. Maar krijgen zij wel informatie over
de mogelijkheid om dit aan te geven? Krijgen ze die keuze ook actief voorgelegd, of
moeten ze het toevallig weten?
Dan nog twee dingen die volgens mij beter moeten. Begin 2028 zouden vrouwen weten
of ze wel of geen dicht borstklierweefsel hebben, en dus of een MRI nodig is. Dat
MRI-aanbod is dan pas in 2030 beschikbaar. Maar als ik nu – dat heb ik gisteren geprobeerd
– een afspraak wil maken voor een MRI van mijn borsten, kan ik binnen enkele werkdagen
terecht bij talloze klinieken. Dat zijn privéklinieken. Daar ben ik geen fan van –
dat weet deze Minister ook – maar de capaciteit is er wel. Ik moet dat dan inderdaad
zelf betalen. Vrouwen die dit zelf kunnen betalen, doen dat, en vrouwen die dat niet
kunnen, doen dat dus niet.
Ik las in de laatste brief die de Minister hierover stuurde dat zij die zorg ook deelt.
Dat is terecht. Maar zorg er dan, in plaats van deze situatie te laten voortbestaan
waarin er dus wel capaciteit is, maar alleen vrouwen met geld er gebruik van kunnen
maken, in de tussentijd voor dat elke vrouw dat kan. Maak gebruik van de capaciteit
die er wél is, totdat het in 2030 is geregeld zoals de Minister het wil regelen, zodat
in de tussentijd ook de vrouwen die het geld niet hebben, gebruik kunnen maken van
de MRI-capaciteit die er nu al is in die klinieken. Waarom doet de Minister dat niet,
zeker nu er vertraging dreigt te komen in de beschikbaarheid van die MRI’s?
Waarom laat deze Minister locaties voor bevolkingsonderzoek verdwijnen, zoals de borstenbus?
We weten daardoor dat in Zutphen de deelname van vrouwen aan bevolkingsonderzoek met
10% is gedaald. Ik vind het echt onbegrijpelijk. We weten hoe belangrijk bevolkingsonderzoek
is voor de gezondheid van vrouwen. Dan neem je toch geen besluiten die deelname aan
dat onderzoek aantoonbaar slechter maken? Hoe voert u onze aangenomen motie uit om
samen met Bevolkingsonderzoek Nederland in kaart te brengen hoe we op meer plekken
testlocaties kunnen krijgen voor bevolkingsonderzoek naar borstkanker en dit ook echt
gaan doen?
Dan echt tot slot: de kraamzorg. Daar hebben we het eerder uitgebreid over gehad.
Die staat onder druk. Ik zag op haar sociale media dat deze Minister met een kraamverzorgende
heeft meegelopen. Iedereen hier vindt kraamzorg ontzettend belangrijk, en toch dreigt
die te verdwijnen. Er komen vanuit dit kabinet niet heel veel plannen om te zorgen
dat de kraamzorg behouden blijft. Met woorden van waardering redden we het namelijk
niet. Daar merken kraamverzorgenden op dit moment niks van en de gezinnen die kraamzorg
nodig hebben ook niet.
De enige die wat heeft aan de huidige situatie, is private equity. Private equity
heeft inmiddels namelijk 20% tot 25% van de kraamzorg in Nederland in handen. Die
verdient er geld mee. Dat geld is bedoeld voor zorg en gaat naar aandeelhouders en
sprinkhaankapitalisten. Vindt de Minister nu dat ze genoeg doet om de kraamzorg in
Nederland te behouden voor de gezinnen die het nodig hebben? Hoe staat het met de
uitvoering van de aangenomen motie-Dobbe/Van Dijk om in ieder geval maatregelen te
nemen om de schaarste in de kraamzorg te laten verdwijnen?
We krijgen, tot slot, nog steeds signalen dat er door budgetplafonds van zorgverzekeraars
nu behandel- en opnamestops zijn in de ggz. Dat is onbegrijpelijk. Er zijn 100.000
wachtenden. Het is onbegrijpelijk, omdat mensen dat echt heel erg hard nodig hebben
en omdat het dan blijkbaar uitmaakt waar je verzekerd bent. Met de ene verzekering
krijg je het wel, en met de andere verzekering krijg je het niet. Wat gaat de Minister
hier nu aan doen?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Ik zie dat mevrouw Wendel nog één interruptie heeft. Ik wil haar erop wijzen dat dat
haar laatste interruptie is.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ja, dat klopt. Het is mijn laatste, en daarom hoop ik ook dat u alvast in mijn vraag
hoort wat ik ervan vind en wat de VVD ervan vindt. Ik ben benieuwd. De VVD is heel
trots op ons zorgsysteem in Nederland. Het is kwalitatief erg goed. Het is ook nergens
zo solidair als in Nederland. Dat vind ik ook heel belangrijk, omdat zorg beschikbaar
moet zijn voor de mensen die het het hardst nodig hebben. In de bijdrage van mevrouw
Dobbe hoor ik dat zij hier anders naar kijkt. Als de zorg hier dan zo slecht is, niet
goed is, niet deugt en dat soort zaken, kan mevrouw Dobbe dan drie landen noemen waar
het beter is dan hier? Bungelt Nederland in het beeld van mevrouw Dobbe ergens onderaan?
Hoe ziet mevrouw Dobbe dit? Drie landen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Daar gaat het toch helemaal niet om? Dit soort debattrucjes helpen de zorg toch niet?
Het gaat er toch om dat we constateren dat wij heel veel belastinggeld in ons systeem
pompen dat niet terechtkomt bij waar het voor bedoeld is, vanwege het systeem dat
is ingericht naar het ideaalbeeld van de VVD, namelijk dat het is uitverkocht aan
de markt? We zien toch dat het op heel veel punten beter kan? Het debat zou toch moeten
gaan over de mensen die in de knel komen door het systeem, bijvoorbeeld ouderen die
langer thuis moeten blijven wonen, mensen van wie de zorg wordt afgepakt of mensen
die niet de zorg krijgen die ze nodig hebben? Ik ga niet mee in dit soort trucjes.
Daar wordt de zorg niet beter van. Het slaat ook gewoon echt helemaal nergens op.
De VVD zou in moeten gaan op wat dit betekent voor mensen.
De voorzitter:
Graag afronden. Goed. Ik ga naar de volgende spreker. Dat is mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dank, voorzitter. Ik wil dit wetgevingsoverleg gebruiken om aan te tonen dat we echt
zaken moeten verbeteren en dat we op moeten houden met in hokjes of financiële schotten
te denken. Ik geef meteen een schot voor de boeg. Zullen we 5% van het budget van
de Wmo, de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg samenvoegen voor initiatieven
van zorgcoöperaties, zorgzame buurten en zorgbuurthuizen? Deze budgetten lopen daar
door elkaar en er is constant gedoe over geld en mogelijkheden. Het moet echt slimmer,
Minister.
Voorzitter. Vaak horen we schrijnende voorbeelden van mensen die we uit elkaar halen
na vele jaren huwelijk. In ons land is het systeem de baas en verdwijnt de menselijke
maat. Ik geef u een voorbeeld. Een mevrouw van 68 jaar heeft MS. Haar partner is ernstig
ziek en heeft kanker. Hij kan zijn vrouw onvoldoende zorg bieden. Mevrouw is verhuisd
naar een zorgboerderij. Ze woont daar met een indicatie voor de Wet langdurige zorg.
Ze heeft een volledig pakket thuis en betaalt € 1.000 huur. Ze betaalt ook een eigen
bijdrage voor de Wet langdurige zorg. Meneer woont op het bestaande adres. Meneer
mag van de eigenaar van de zorgboerderij bij zijn vrouw wonen, maar moet de woning
verlaten wanneer mevrouw om welke reden dan ook de woonboerderij verlaat. Dat risico
is te groot, want dan wordt hij dakloos. Ik tel twee keer alleenstaande AOW, twee
keer huursubsidie, een keer Wet langdurige zorg, een keer Zorgverzekeringswet en twee
bezette woningen. Kan dat nou niet simpeler? Er zijn namelijk nog vele voorbeelden
zoals dit. De verhoudingen zijn zoek. Ik zou zeggen: laat mensen bij elkaar blijven,
zeker in de laatste levensfase.
Kan het anders? Ja. Het is net al gezegd. In een zorgbuurthuis zoals ’t Hageltje in
Oss kunnen echtparen samenwonen in een sociaal huurappartement, dus zonder huursubsidie.
Interzorg levert de zorg met twee vaste gezichten. De totale kosten zijn drie ton
per jaar. Niemand hoeft het appartement uit als de partner overlijdt. Maar ja, de
bekostiging geeft gedoe. Het past niet in het systeem. Er moet dus overgegaan worden
naar zoveel appartementen maal modulair pakket thuis of volledig pakket thuis. Dat
is vele malen duurder. Populatiebekostiging is dus nodig. ’t Hageltje laat zien hoe
er efficiënt met zorggeld kan worden omgegaan. Alleen trekken de systemen het niet.
Hoe is het mogelijk dat we geld kunnen besparen, maar dat de systemen het niet aankunnen
en we dat schijnbaar met z’n allen een legitieme reden vinden om dan maar een duurdere
en ingewikkeldere optie te nemen? Ik vind dat onbegrijpelijk.
Dan heb ik een ander irritatiepuntje. Het geven van correcte en volledige informatie
is wat ons betreft een noodzakelijke eis. Dat zal ik onderstrepen met een voorbeeld.
Een meneer is somatisch ziek en heeft een traplift en een tillift. Hij slaapt in de
woonkamer in een hoog-laagbed. Hij kan niet douchen. Meneer wil thuis blijven wonen.
Hij gaat twee dagen per week naar dagbesteding in een woonzorgcentrum. Dit is allemaal
betaald vanuit de Wmo. De casemanager meent dat meneer beter kan overstappen naar
de Wet langdurige zorg. Stel namelijk dat er ooit een spoedplaatsing volgt. Dan moet
hij misschien wel naar Groningen, omdat een plekje lastig te vinden is. Is dit nou
bangmakerij? Of stuurt men aan op verschuiving van kosten? Er wordt namelijk niet
verteld – dat zou wat 50PLUS betreft echt moeten – dat als meneer naar de Wet langdurige
zorg overgaat, er een beduidend hogere eigen bijdrage mee gemoeid is dan bij de Wmo.
Wij stellen voor dat Centrum Indicatiestelling Zorg, dat de indicatie verleent, ook
de berekening maakt. Het kan nogal wat schelen.
50PLUS wil dat de eigen bijdrage voor iedere overstap van Wmo of Zorgverzekeringswet
naar de Wet langdurige zorg bij de cliënt bekend is. Het CAK en het CIZ moeten vooraf
zorgen voor een berekening van de eigen bijdrage. Dat is ingewikkeld, omdat je rekening
moet houden met de gezinssamenstelling, eigen vermogen en inkomen. Nu leggen we dit
bij de burger neer. Wat ons betreft doen we dat niet. Wat gaat de Minister hieraan
doen? Als er geen toezegging komt, zullen we hierover een motie indienen.
De antwoorden op mijn schriftelijke vragen over de meldingen van niet-natuurlijke
dood zijn wat ons betreft ronduit teleurstellend. De Minister verschuilt zich achter
het verminderen van administratieve lasten voor zorgverleners. Zij zouden zich vooral
bezig moeten houden met zorg verlenen. Ja, dat is waar, maar je moet toch kunnen controleren
op kwaliteit? Het kan toch niet zo zijn dat een zorginstelling zegt «wij leveren 24
uurszorg», maar niet duidelijk is om wat voor zorg en om hoeveel zorg het gaat? De
kwaliteit van zorg is gebaat bij het afleggen van verantwoording. Graag een reactie.
Het beste zou zijn dat zorginstellingen verplicht zijn om bij intake afspraken te
maken over de inzage van het dossier door anderen, ook na het overlijden van de cliënt,
en om het onderzoeksrapport te delen met nabestaanden. Ik zag dat de SP daar vragen
over gesteld heeft. Ik vond de antwoorden echt onvoldoende. Hierop moet echt actie
worden ondernomen. Ik wil hierop graag een reactie van de Minister.
Voorzitter. Ik noemde het al: er is voor circa 10 miljard aan zorgfraude, maar we
slapen lekker verder. 50PLUS wil actie. Er moet een besef van urgentie zijn. Ik zei
het al, als een Wlz-indicatie eenmaal is toegekend, kan die nooit meer worden teruggedraaid.
Hierover zijn gerechtelijke afspraken. Hiervan kan actief misbruik worden gemaakt
door kwaadwillenden en er kan fraude worden gepleegd. Men doet zich voor als familie,
de indicatie wordt toegekend en de cliënt gaat wonen in de instelling van deze persoon.
Laten we uitgaan van een budget van gemiddeld € 90.000 per jaar: tel uit je winst.
Dit is echt een fout in de wet. De rechter zegt: er staat niet in dat het kan worden
teruggedraaid, dus moet het toegekend blijven. Wij horen dat een correctie hierop
al twee jaar bij het ministerie ligt. Is de Minister hiermee bezig? Terugdraaien bij
fraude moet wat ons betreft kunnen.
Voorzitter. Op 28 mei zijn de resultaten gepresenteerd van de Proeftuin Aanpak Zorgfraude
van de regio’s Twente en Hart van Brabant. Een goede screening middels de Wet Bibob
helpt. Wat kan de Minister vertellen over de lessen die geleerd zijn uit deze proeftuin?
Wat zit er in de toolbox voor alle gemeenten in Nederland om zorgfraude te voorkomen?
Wat gaat de Minister nog meer doen? Denk alleen maar aan de schandalen in de tandartszorg:
de signalen over Dental Care komen nog steeds binnen bij ons. Zit de Minister er wel
bovenop? In hoeverre voorkomen we dat kwaadwillende zorgcriminelen weer een zorgbedrijf
kunnen starten? De Minister is stellig in haar antwoorden op mijn schriftelijke vragen,
maar waarom gaat het dan zo vaak mis? Ik wil echt dat de Minister hier nog een keer
op ingaat, want ik heb er geen vertrouwen in dat de antwoorden van de Minister helemaal
correct zijn en dat de voordeur helemaal dicht is.
Op 20 mei hadden we een rondetafel over vaccinatie. Daar zullen we zeker nog op terugkomen,
maar wat niet kan wachten, is de tender voor het vernieuwde griepvaccin. Is die al
gestart? Zo niet, wanneer wel? Voelt de Minister de urgentie? Gaat de Minister de
Wet BIG aanpassen zodat apothekers, mits goed geschoold, kunnen gaan vaccineren? Kan
er begin 2027 gestart worden met het gordelroosvaccin? Is de opdracht aan de fabrikant
al verstrekt? Het griepvaccin wordt verstrekt aan 70-plussers en aan mensen met een
medische indicatie. Wat vindt de Minister van het idee om een dergelijke constructie
ook te hanteren voor het gordelroosvaccin? Dan gaat het om mensen met een Wlz-indicatie.
We hebben ook vragen gesteld over de gezondheidsrisico’s voor mensen op Bonaire die
te dicht bij afvalverwerker Selibon wonen. Is de Minister bereid om gehoor te geven
aan de oproep van Pro Lagun om de 50 mensen die het dichtstbij wonen te testen op
hun gezondheid en hen de komende paar jaar te blijven volgen om te kijken of zij gezondheidsklachten
hebben? Ik hoor graag een reactie van de Minister.
Het zal u niet verwonderen dat wij absoluut geen voorstander zijn van het invoeren
van een eigen bijdrage voor de wijkverpleging en ook niet van de inkomensafhankelijke
bijdrage voor de Wmo, hoewel wij wel het punt zien dat het CDA heeft gemaakt. Wij
hebben sinds de invoering van het abonnementstarief gezien dat mensen met een hoog
inkomen die eerst een eigen werkster hadden, nu zijn overgestapt. Dat zou inderdaad
niet moeten. Ik ben wel benieuwd hoe de Minister dit gaat uitvoeren met ingang van
2028.
Dan long covid. Inderdaad, hebben we daar wel voldoende oog voor? We hebben het amendement
van PRO medeondertekend omdat het van groot belang is dat we dit blijven volgen en
mensen een perspectief blijven bieden.
Covid-, hanta- of ebola-uitbraken: we kunnen niet wegkijken. Het is goed dat op aandringen
van de Kamer een deel van de pandemische paraatheid is gerealiseerd. Ziet de Minister
inmiddels ook het belang in van instandhouding? Ik vind de opmerking van de ChristenUnie
ten aanzien van een stresstest heel zinvol. Hoe kijkt de Minister daarnaar?
Voorzitter. Er werken fantastische mensen in de zorg, die keer op keer het leven van
mensen een stukje prettiger en beter maken. Zij verdienen een goed werkklimaat en
goede arbeidsomstandigheden. Ook zij willen dat de rotte appels uit de mand worden
gehaald, want ieder schandaal in de zorg raakt ook hun reputatie en goede naam.
Voorzitter. Hiermee rond ik af: geld voor zorg moet naar de zorg.
De voorzitter:
Dank voor de bijdrage. Ik zie geen interrupties. Dan ga ik mezelf als voorzitter het
woord geven voor mijn bijdrage namens JA21, als afsluiter van deze eerste termijn.
Daarna gaan we met elkaar kijken hoe we verdergaan.
We spreken vandaag over miljarden euro’s, tabellen en heel veel cijfertjes. Maar achter
die cijfers zit iets heel concreets: de vraag of mensen straks nog kunnen rekenen
op zorg wanneer het er echt toe doet. Een huisarts die bereikbaar is. Een plek voor
een oudere die niet meer thuis kan wonen. Hulp voor een kind dat vastloopt. Medicijnen
die er gewoon zijn. Maar juist omdat die zorg zo belangrijk is, moeten we ook eerlijk
zijn. Het systeem zoals het nu is, is niet onbeperkt houdbaar. De zorgvraag stijgt.
De personeelstekorten lopen op. De kosten drukken zwaarder op de mensen die dit allemaal
moeten betalen. Dan is het aan de politiek om niet te blijven doen alsof alles altijd
maar kan en alsof er geen grenzen zijn.
JA21 ziet dat hervormingen nodig zijn, maar dat betekent niet dat elke ingreep vanzelf
verstandig is. Zeker als het gaat om ouderen, gehandicapten, mensen in de langdurige
zorg en mensen met zware psychische problemen, kijken wij met grote zorg naar wat
er op tafel ligt. Dit type zorg raakt aan de kern van fatsoen. Hoe wij omgaan met
mensen die afhankelijk zijn van zorg, zegt iets over wie wij zijn als samenleving.
Wij zien graag de invulling van de beoogde bezuiniging naar de Kamer komen, zodat
duidelijk wordt waar de ingrepen landen en wat ze betekenen voor al die patiënten
en zorgverleners. Tegelijkertijd zeggen wij tegen dit kabinet: hervormen is iets anders
dan boekhouden. Hervormen is niet alleen taakstellingen opschrijven, bedragen verschuiven
en hopen dat het later allemaal wel goedkomt. Hervormen betekent concreet: verspilling
en fraude aanpakken, bureaucratie verminderen en de zorg beter organiseren.
Daar begint het eigenlijk al meteen te wringen. Het kabinet schrijft dat VWS structureel
143,8 miljoen euro minder gaat uitgeven door efficiënter te werken en de rijksdienst
te vernieuwen. Op papier klinkt dat goed: minder bureaucratie, minder overheid, meer
doelmatigheid. Daar is JA21 altijd voorstander van. Maar wat blijkt? Het kabinet heeft
nog niet eens ingevuld waar die besparing vandaan moet komen. Voorlopig is het bedrag
gewoon verdeeld over het ministerie, maar welke taken daadwerkelijk verdwijnen, welke
regels er worden geschrapt, en waar de bureaucratie echt minder wordt, blijft compleet
onduidelijk. Ondertussen stijgen de apparaatskosten in 2026 met ruim 21,2 miljoen
euro. Vooral de externe inhuur springt eruit. Die stijgt met 22,8 miljoen euro. Dat
is toch lastig uit te leggen. Het kabinet zegt geld te willen besparen door efficiënter
te werken, maar huurt tegelijk meer consultants in. Ik vraag de Minister daarom heel
concreet: hoe wordt deze besparing nou echt ingevuld? Kan zij reflecteren op deze
discrepantie?
Ook wat betreft de ziekenhuiszorg moeten we eerlijk kijken naar de prikkels in het
systeem. Nederland heeft goede ziekenhuizen, maar het systeem beloont nog te vaak
productie en schaal. Er is te weinig oog voor wat de patiënt echt nodig heeft. JA21
is niet tegen concentratie an sich. Voor hoogcomplexe zorg is dat zelfs noodzakelijk,
maar voor veelvoorkomende zorg zijn bereikbaarheid en spreiding juist essentieel.
Streekziekenhuizen kunnen door bijvoorbeeld minder overhead die zorg vaak doelmatiger
en dus goedkoper leveren. Daar wringt het. Concentratie gaat door, terwijl spreiding
achterblijft. Zorg verschuift naar bijvoorbeeld de umc’s, terwijl streekziekenhuizen
kennis verliezen en onnodig financieel verzwakken. In het vorige VWS-debat heb ik
dit ook aangekaart. De Minister verwees toen maar weer eens naar de IZA-afspraken
en de goede gesprekken die nog steeds lopen hierover. Dit is zo ontzettend vrijblijvend
allemaal. Men heeft niets aan overlegtafels als ondertussen de zorg verdwijnt. Dus
wanneer liggen die spreidingsafspraken er? Welke regio’s lopen achter? En het belangrijkste:
welke doorzettingsmacht heeft de Minister als partijen maar blijven praten en niet
leveren?
Ook in de zorginkoop komen die machtsverhoudingen scherp naar voren. Kleinere ziekenhuizen
en kleinschalige zorgaanbieders staan vaak zwak tegenover zorgverzekeraars. Tegelijk
kunnen grote umc’s en grote ziekenhuisorganisaties door hun schaal juist een machtspositie
hebben tegenover zorgverzekeraars. Dat is precies het probleem. Het stelsel is op
papier een markt, maar in de praktijk vaak een machtsveld. Wij betwijfelen of de patiënt
en de zorgverlener daarin nog wel voldoende centraal staan.
Als we praten over houdbare zorg, moeten we ook praten over geld dat niet naar zorg
gaat. De antwoorden van de Minister op de feitelijke vragen over zorgfraude zijn allerminst
geruststellend. De NZa houdt niet specifiek bij hoeveel onderzoeken naar zorgfraude
zijn uitgevoerd. Er bestaat geen totaaloverzicht van maatregelen uitgesplitst naar
zorgfraude of zorgwinsten. Voor spookzorg, dus gedeclareerde maar niet geleverde zorg,
heeft de NZa momenteel nog geen handhavingsbevoegdheid. Dat is toch ongelofelijk?
We weten dat publiek geld weglekt. We weten dat malafide aanbieders kwetsbare mensen
als verdienmodel kunnen gebruiken. Maar ondertussen ontbreekt nog steeds het basale
overzicht en ontbreken bij spookzorg nog steeds de juiste bevoegdheden.
Daar komt bij dat de aanpak van zorgfraude versnipperd is over allerlei partijen:
de NZa, de IGJ, het IKZ, zorgverzekeraars, gemeenten, zorgkantoren, de Arbeidsinspectie,
het strafrecht. Ik kan nog wel even doorgaan, want er komt geen einde aan. Iedereen
heeft een stukje. Daarom wil ik de Minister vragen of zij echt denkt dat deze versnippering
dé oplossing is voor de aanpak van zorgfraude. Of vindt zij ook dat er iets moet veranderen
en dat daarmee de regie ergens geconcentreerd moet worden? Op welke termijn gaat de
Minister ervoor zorgen dat de NZa de handhavingsbevoegdheid voor spookzorg krijgt?
Dit is ook nauw verweven met de regelingen voor medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden
en onverzekerbare vreemdelingen, de zogeheten SOV en OVV. In de Voorjaarsnota lezen
we dat de kosten flink stijgen. De Minister geeft zelf aan dat het bij de regeling
voor onverzekerbare vreemdelingen met name gaat om vreemdelingen van wie de asielaanvraag
is afgewezen en die op straat zijn beland. Met andere woorden: uitgeprocedeerde asielzoekers.
Natuurlijk laten we in Nederland niemand creperen. Acute medisch noodzakelijke zorg
moet beschikbaar zijn. Maar het kan niet zo zijn dat mensen zonder verblijfsrecht
jarenlang in Nederland blijven en buiten het normale systeem vallen, en dat de Nederlandse
belastingbetaler vervolgens deze steeds hogere zorgkosten mag blijven ophoesten. De
kernoplossing is dan niet alleen een zorgregeling aanpassen. De kernoplossing is dat
mensen die hier niet mogen blijven, ook daadwerkelijk vertrekken. Anders bouwen we
een parallel systeem waarin illegaliteit bestuurlijk en financieel wordt gefaciliteerd.
Daarbovenop is er ook fraude vastgesteld bij deze regelingen, ongeveer 4% bij de SOV
en 5% bij de OVV. Het gaat om in totaal 16 miljoen euro. Toch wordt voor 2027 voor
slechts 5 miljoen aan fraudebestrijding ingeboekt, terwijl er een doelstelling van
40 miljoen ligt. De rest wordt niet gehaald en maar weer eens doorgeschoven. Uitstel
lijkt op afstel. Mijn vraag aan de Minister is welke extra maatregelen zij neemt om
fraude binnen de SOV en OVV sneller en harder aan te pakken dan nu al gebeurt. Is
zij bereid om de toegang tot deze regelingen scherper af te bakenen? Zo blijven de
kosten niet jaar op jaar oplopen zonder duidelijke grens.
Voorzitter. Ook in de jeugdzorg moeten we het eerlijke gesprek voeren. Het systeem
is uit zijn voegen gegroeid. Tegelijkertijd zien we een enorme versnippering. In sommige
gezinnen komen talloze instanties over de vloer, allemaal met hun eigen deelopdracht,
hun eigen dossier en hun eigen blik op het probleem. Daarom vraag ik wie er momenteel
integraal naar het gezin kijkt. Wie zet het kind echt centraal? Hoe kan dit beter
geborgd worden?
We moeten ook kritisch kijken naar de prikkels voor lichte jeugdzorg. Als lichte hulp
te breed, te gemakkelijk en te lucratief wordt georganiseerd, groeit de consumptie
vanzelf. Dan eindigen we in een systeem waarin een op de zeven kinderen jeugdzorg
krijgt. Dat is simpelweg onhoudbaar. Dan trekken we kinderen een zorgsysteem in, terwijl
zij misschien vooral duidelijkheid, grenzen of steun thuis nodig hebben. Dan blijft
er dus minder capaciteit over voor kinderen die zware, specialistische hulp nodig
hebben. Daarom vraag ik de Minister of zij bereid is om fundamenteel te kijken hoe
indicaties tot stand komen en welke financiële prikkels aanbieders hebben. Kan ze
dit ook herzien? Zo krijgen zware problematiek, veiligheid en bescherming weer echt
voorrang.
Ook in de ggz zien we dat het systeem kraakt. In een vorig debat heb ik de Minister
gevraagd naar mensen met verward of onbegrepen gedrag, die nu tussen de straat, ggz
en strafrechtketen vallen. Twee moties van ons werden aangenomen. Inmiddels zijn we
weer een tijd verder. Ik zou graag van de Minister willen horen wat er sindsdien concreet
gebeurd is. Hoe geeft ze uitvoering aan deze moties? Kan ze een tijdspad schetsen?
Voorzitter. Tot slot Filomena. Ik breng dit inmiddels voor de ik-weet-niet-hoeveelste
keer bij de Minister onder de aandacht. De Minister is zelf met mij op werkbezoek
geweest. Het belang is haar dus meer dan duidelijk. Het werkveld vraagt al langer
om landelijke regie en structurele financiering. De Minister blijft echter verwijzen
naar gemeenten. Daarmee doet zij feitelijk niets met de oproep uit het veld. Dat begrijp
ik gewoon echt niet. Hoe vaak moet de keten nog zeggen dat landelijke regie nodig
is, voordat de Minister in beweging komt? Waar een wil is, is een weg. Dit kan echt
– als de Minister het politiek zou willen. Daarom vraag ik haar of ze bereid is om
te stoppen met wijzen en voor het herfstreces uit te werken hoe Filomena landelijk
kan worden geborgd.
Daar komt bij dat de Kamer mijn motie heeft aangenomen over de vraag of een eigen
wettelijke grondslag nodig is voor gegevensdeling tussen Filomena en soortgelijke
organisaties, het OM en de rechtspraak. Dat is cruciaal. Bescherming faalt namelijk
als zorg, veiligheid en justitie langs elkaar heen werken. Daarom vraag ik de Minister
concreet het volgende. Welke stappen zijn er sinds het aannemen van die motie gezet?
Wanneer ontvangt de Kamer de verkenning? Gaat ze dit nu eindelijk niet meer laten
verzanden in simpelweg verwijzen naar gemeenten?
Tot zover.
Ik hoor een lid zeggen dat ze naar de wc moet. Ik moet ook naar de wc! Dat moet ik
al een hele tijd. We gaan inderdaad naar de wc. Maar voordat we dat gaan doen, wil
ik nog iets bespreken. Ik heb al even kort overleg gehad. Een halfuur schorsing is
de wens vanuit de Ministers. Daar wil ik wel even het volgende aan toevoegen. Dit
debat duurt tot 17.00 uur. Ik heb als voorzitter ook echt enkel de tijd tot 17.00
uur. Nou, dat hangt niet op vijf minuten, maar heel veel meer heb ik niet.
Mijn voorstel zou dus zijn om de Ministers, gezien de hoeveelheid vragen, te vragen
om een schifting te maken. Wat kan er eventueel aan technische vragen deze week nog
schriftelijk beantwoord worden? Ik kijk eventjes naar de Kamer. Is dat goed? Zo kunnen
we uiterlijk 16.30 uur naar de tweede termijn. Daarin kunnen moties uitgesproken en
appreciaties gedaan worden. Ik kijk ook naar de Minister met de vraag om de appreciaties
van de amendementen gelijk in de eerste termijn te doen. Ik kijk even rond. Is dat
voor iedereen akkoord? Ik zie een non-verbale twijfel bij mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja. Ik vind het sowieso fijn dat u meedenkt over hoe we 17.00 uur gaan halen. Ik waardeer
ook de bereidheid van de ministeries. De zorg zit ’m natuurlijk in datgene wat technisch
beantwoord wordt. Je tweede termijn gaat daarvoor al in. Je weet dan alleen wat je
al weet. Daar zit dus even de zoektocht. Laten we dan wel afspreken dat we een beetje
coulance hebben in het aanpassen en wijzigen van moties indien nodig. Dat kan dan
namelijk het gevolg zijn. Maar als we dat van elkaar weten, dan zijn we een end.
De voorzitter:
Ik denk eerlijk gezegd dat dat prima is. Alles heeft ook te maken met het stemmen
volgende week. Zodoende zit er even vaart achter. Laten we even allemaal meedenken,
meewerken en de klok goed in de gaten houden. Om 15.45 uur zie ik iedereen hier weer
terug. Dan kan iedereen naar de wc!
De vergadering wordt van 15.15 uur tot 15.46 uur geschorst.
De voorzitter:
Oké, gelet op de tijd gaan wij verder met de eerste termijn van beide Ministers. Ik
kijk even de Kamer rond. Gegeven het feit dat er echt beperkt de tijd is, stel ik
voor om geen ruimte te geven voor interrupties. Er zijn uitgebreid interrupties geweest
in de eerste termijn – ik heb er toen ook vier per persoon toegekend – maar er is
gewoon geen ruimte voor interrupties als de twee Ministers ook nog eens de amendementen
moeten appreciëren en wij om 16.30 uur moeten overgaan tot het indienen van de moties,
of in ieder geval tot de tweede termijn.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, ik vind u altijd fantastisch, maar dat vind ik dit voorstel niet. Volgens
mij controleren wij het kabinet, dus er moet gewoon ruimte zijn voor interrupties.
Als dat niet past in de tijd, moeten we onze afspraken maar herzien of op een later
moment deze week weer bijeenkomen of dit plenair afronden. Ik sta open voor alle opties,
maar geen interrupties plegen vind ik niet passen bij de verhoudingen.
De voorzitter:
Ik begrijp dat en ik voel dat ongemak ook een beetje. Er is geen garantie dat het
deze week verder nog ingepland kan worden, begreep ik net van de griffier. En of het
deze week nog plenair ingepland kan worden, is überhaupt nog de vraag. We kunnen kijken
wat we kunnen doen, maar deze toezegging kan in ieder geval niet gedaan worden gedurende
dit overleg. En als we nu nog allemaal een interruptie gaan doen, wordt het sowieso
heel snel 16.30 uur.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Maar, voorzitter, kunnen we niet kijken hoever we komen tot 16.30 uur?
De voorzitter:
We kunnen hard werken, hoor ik mevrouw Bikker zeggen. Dat klopt, maar regeren is vooruitzien.
Dat was een wijze opmerking vandaag. Ik deed dit voorstel om te voorkomen dat we om
16.30 uur of om 17.00 uur denken: o ja, we hadden misschien iets anders kunnen doen.
Ik snap dat dat ongemakkelijk voelt, maar als iedereen dan toch weer die ruimte pakt
om te interrumperen en dat vrij uitgebreid te doen, zoals we in eerste termijn hebben
kunnen zien, en de beantwoording dan ook uitgebreid is … Er is gewoon niet meer tijd
dan er is. Technische vragen worden dus deze week nog inhoudelijk beantwoord. Ik kijk
beide Ministers nu aan voor de beantwoording, waarbij ik zou willen vragen om aan
het begin even de appreciatie van de amendementen te doen en om de antwoorden zo kort
en bondig mogelijk te houden. Dan komen we er hopelijk uit.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, een punt van orde. Mag ik proberen om één voorstel te doen waar u gelukkig
van wordt, maar waar de rest van de Kamer ook iets gelukkiger van wordt? Als we de
Minister nou laten antwoorden en dan een rondje doen, dan hebben we in ieder geval
iets terug kunnen geven.
De voorzitter:
We gaan proberen of we dat gaan redden. Inmiddels is het 15.50 uur. We gaan starten
met de eerste Minister.
Minister Sterk:
Voorzitter, er is donderdag ook nog een commissiedebat Ouderenzorg. Daarin kunnen
een aantal van de vragen ook gewoon beantwoord worden.
De voorzitter:
Ja, dat geldt voor heel veel vragen die vandaag gesteld zijn, is mij opgevallen. Maar
goed. We gaan nu in ieder geval over naar Minister Hermans, denk ik. Of Minister Sterk?
Nee, we gaan naar Minister Hermans, voor haar eerste termijn. En graag rust in de
ruimte.
Minister Hermans:
Voorzitter. Op uw verzoek begin ik met de amendementen.
Ik begin met het amendement op stuk nr. 7, van de heer Bushoff en een aantal anderen, zoals ik zojuist begreep uit de inbreng,
over PAIS en C-support. In mijn oordeel over dit amendement zal ik ook de beantwoording
meenemen van een aantal gestelde vragen. Ik denk dat de heer Bushoff het heel treffend,
pijnlijk treffend, verwoordde. Eigenlijk citeerde hij wat er op het spandoek stond
van de ouders van Maud, als ik het me goed herinner uit zijn inbreng: «ik besta, maar
ik leef niet». Ik denk dan aan de honderdduizenden PAIS-patiënten die wij in Nederland
hebben. Eerst kenden we ze natuurlijk van de Q-koorts en toen van ME/CVS, en inmiddels
is daar door postcovid een hele grote groep bij gekomen. Ik geloof dat een aantal
van u ook zei: we weten dat dit vraagstuk voor deze patiënten niet zomaar opgelost
is, want een effectieve, werkende behandeling is er nog niet; daar zal de komende
jaren veel onderzoek en tijd in geïnvesteerd moeten worden, maar tot die tijd moeten
we alles doen wat we kunnen doen om hun leven zo dragelijk mogelijk te maken. De stille
stem waar de heer Bushoff het over had, moet niet leiden tot lijden in stilte. Wij
moeten daar in het volle licht alles aan doen wat wij daaraan kunnen doen.
Dat gezegd hebbende begrijp ik het amendement van de heer Bushoff en een aantal van
zijn collega’s heel goed. Ik hecht er wel aan – mevrouw Bikker zei dat ook terecht
– om op te merken dat we ooit gezegd hebben dit tijdelijk te doen via deze constructie
met Q- en C-support, maar dat de zorg en ondersteuning op termijn echt in de reguliere
zorg hun plek moeten vinden. Dat is immers hoe ons zorgstelsel werkt. Zo wil je mensen
helpen. Maar dat lukt in heel veel gevallen nog niet of nog onvoldoende. Dat zie ik
ook. Aan de kennisoverdracht, waarover mevrouw Maeijer vroeg hoe het daarmee staat,
wordt hard gewerkt. Maar ik snap ook dat bij patiënten en bij ouders van patiënten
de zorg bestaat of dit allemaal aan het einde van dit jaar is overgedragen. Dat gezegd
hebbende snap ik het amendement goed. Ik wil het dus ook graag oordeel Kamer geven,
maar wel met de opmerking dat ik graag even goed zou willen kijken – die ruimte zie
ik ook in het amendement – hoe we ervoor kunnen zorgen dat we dit geld zo goed mogelijk
inzetten, juist om duurzaam beleid voor de groep patiënten met PAIS vorm te kunnen
geven. Ook in het licht van de opmerking van de heer Bushoff: het zit echt in onderzoek,
in kennisvergaring, dus de vraag is hoe we dat op de goede manier doen. Daarmee geef
ik het amendement oordeel Kamer. Als ik het goed zeg, is dat het amendement op stuk
nr. 5. Nee, sorry, dat zeg ik niet goed: het is het amendement op stuk nr. 7.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 7: oordeel Kamer.
Minister Hermans:
Er is nog een ander amendement op mijn terrein. Dat is het amendement van mevrouw
Dobbe over het noodfonds mondzorg. Ik spring even naar dit onderwerp. Ik heb hier
al vaker met mevrouw Dobbe over gedebatteerd, dus ik begrijp heel goed waar dit vandaan
komt. Ik heb ook de verschillende onderzoeken gezien. Het eerlijke antwoord is dat
er op dit moment geen geld is. Daarom maken we dus ook niet de keuze om de mondzorg
onderdeel te maken van het basispakket. Dit is ook niet wat het amendement vraagt;
het vraagt om een noodfonds. Toch ga ik dit amendement ontraden om financiële redenen.
Dat is niet mijn hoofdreden. De belangrijkste reden is dat we gezien het bedrag dat
mevrouw Dobbe aanhaalt en het probleem dat zij schetst, die groep met de gemeentepolissen
heel gericht kunnen helpen en kunnen ondersteunen in het toegang vinden en krijgen
tot de mondzorg. Dat vraagt wel dat die mensen de gemeentepolissen vinden en de steun
daaruit krijgen. Daar is echt nog wel werk in te verzetten, maar dit amendement op
stuk nr. 7 ontraad ik.
De voorzitter:
Dit is het amendement op stuk nr. 8. Dat wordt ontraden.
Minister Hermans:
Ja, het amendement op stuk nr. 7 had ik net oordeel Kamer gegeven. Excuus.
Dan PAIS en Q- en C-support. Ik hoop dat ik met de reactie op het amendement een deel
van de zorgen die doorklonken in de vragen heb kunnen adresseren. Ik zeg daarbij toe
dat ik voor de zomer nog kom met een brief over wat er allemaal speelt rondom PAIS
en waarmee we bezig zijn. Daarbij zal ook de reactie op het Gezondheidsraadadvies
worden betrokken dat ik vorige week of twee weken geleden van de Gezondheidsraad in
ontvangst heb genomen.
Voorzitter. Dan kom ik bij de pandemische paraatheid. Er zijn al veel complimenten
in de richting van mevrouw Bikker gegaan. Dat zal ik ook nog een keer doen. Ik denk
dat dit een goed voorbeeld is van goede samenwerking tussen Kamer en kabinet op een
onderwerp waar we elkaar opgezocht hebben en juist versterkt in plaats van de verschillen
uitgemeten. Ik denk dat dit van heel groot belang is op zo’n onderwerp.
Mevrouw Tijmstra vroeg mij naar de 138 miljoen: hoe hebben we die precies ingezet?
Heel, heel kortheidshalve kan ik verwijzen naar de brief die we op de dag van de Voorjaarsnota
aan de Kamer hebben gestuurd. Daarin staat dit uitgewerkt. Wel belangrijk om te vermelden
is dat die 138 miljoen naar een aantal posten gaat van zorgcapaciteit, patiëntenspreiding
en landelijke functieopschaling infectieziektebestrijding. Dat zijn een aantal functies
bij GGD’en en RIVM. Daar komen nog middelen bij – daarom gaat het ook vaak over 177
miljoen structureel – die we eerder al hadden vrijgemaakt voor de informatie-uitwisseling
en de uitbreiding van de medische teams.
Voorzitter. Mevrouw Tijmstra vroeg mij ook nog: klopt het nou dat een deel van het
geld ook wordt ingezet voor strategische voorraden van bepaalde goederen en medicijnen?
Ja. Kort en goed is dat het antwoord. Dat zijn de zogenaamde weerbaarheidsvoorraden
van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen. We brengen op dit moment in kaart welke
geneesmiddelen nou precies nodig zijn voor die weerbaarheidsvoorraden. Dat is wat
anders dan de voorraden waar we mee bezig zijn voor de reguliere geneesmiddelentekorten.
Daar vroeg mevrouw Tijmstra ook naar. Daarbij werken we aan een extra voorraad kritieke
geneesmiddelen, zoals pijnstilling en antibiotica.
Voorzitter. Mevrouw Bikker vroeg of wij een stresstest hebben laten doen. Misschien
mag ik in het verlengde van die vraag ook de vraag van mevrouw Dobbe meenemen. Zij
zei: er wordt nu wel 177 miljoen structureel geïnvesteerd, maar dat is minder dan
wat er oorspronkelijk structureel in de boeken stond. Er werd 300 miljoen aan bezuinigingen
ingeboekt in Schoof I. Dit kabinet liet die overeind. Daar kwam – terecht – nogal
wat kritiek op. Wij hebben dus in kaart gebracht: wat moet er nou overeind blijven
om die structuren overeind te houden of om de surveillance, de monitoring, van bijvoorbeeld
rioolwater te kunnen blijven doen? Zo hebben we een aantal essentiële elementen in
de aanpak van pandemische paraatheid. «Weerbare zorg» moet ik eigenlijk zeggen, want
we kunnen deze kennis en deze structuren ook gebruiken in geval van andersoortige
crises. Daar is dit bedrag uit gekomen en ook de besteding zoals ik die in de brief
van eind april uiteen heb gezet.
De afgelopen weken heeft de uitbraak van het hantavirus – mevrouw Dobbe refereerde
daaraan – laten zien dat we de lessen die we in coronatijd geleerd hebben, ook in
de praktijk hebben kunnen toepassen. Het heeft ook laten zien hoe belangrijk een aantal
van de investeringen is die we hebben kunnen doorzetten, bijvoorbeeld in het uitwisselen
van gegevens en kennis tussen GGD’en en überhaupt het snel kunnen schakelen tussen
GGD’en.
Dat klinkt vaak een beetje saai. Ik hoorde vandaag ook weer het woord «overlegtafels»
en hoorde dat we die niet te veel zouden moeten hebben. Dat begrijp ik vanuit een
bepaalde invalshoek. Aan de andere kant is het op dit soort momenten cruciaal dat
Directeuren Publieke Gezondheid elkaar, het RIVM, het ministerie en ook de link met
het Europese RIVM, het ECDC, weten te vinden. Dat heeft bij het hantavirus heel goed
gewerkt. Dat is dus ook, zou je kunnen zeggen, een onderdeel van de stresstest die
we in de afgelopen periode gedaan.
Dan in reactie op de vraag van mevrouw Bikker. Er hebben meerdere checks plaatsgevonden.
Vorig jaar heeft er een uitgebreide evaluatie plaatsgevonden door de WHO en het ECDC,
dus het Europese RIVM. Dat heeft eigenlijk een heel doorwrocht beeld opgeleverd van
hoe we ervoor staan. Daar is ook een aantal verbeterpunten uit gekomen. Die evaluatie
wordt elke drie jaar herhaald. Dan oefenen we. Vorig jaar heeft er een grootschalige
oefening plaatsgevonden.
De hantacasus wordt nu natuurlijk ook weer geëvalueerd. Zo wordt er dus op heel veel
plekken geëvalueerd. Ik weet niet of ik hier op die manier het woord «stresstest»
op mag plekken, maar er zit wel een constant leren en evalueren in. Daarom is mijn
gevoel niet dat er nu een aanvullende stresstest gedaan moet worden. Indien daar behoefte
aan is, wil ik best nog een keer de inzichten uit de gedane evaluaties en de oefening
van vorig jaar op een rijtje zetten om te laten zien waar we staan, wat we nu weten
en wat het doorgaande leerproces is.
Voorzitter. Dat is het wat betreft de pandemische paraatheid. Ik denk dat daar zo
nog wel een vraag over komt van mevrouw Bikker.
Dan de passende zorg en de vragen die in dat kader gesteld zijn. De heer Vervuurt
stelde een aantal vragen. Ik wil beginnen met zijn laatste vraag: hoe zorgen we nou
dat die beweging leidt tot betere en prettigere zorg voor mensen, in plaats van dat
het sec een financiële besparing is? Daar zit de crux, want passende zorg is in de
kern zorg die zichtbaar en bewezen effectief leidt tot een verbetering van de kwaliteit
van leven, waar de patiënt samen met de arts over beslist. Juist in dat samen beslissen
zit natuurlijk het gevoel zelf de regie te hebben. Dat moet bijdragen aan die betere
en prettigere zorg. Dat is de kern, de inhoudelijke overtuiging van waarom we gaan
doen wat we willen doen of afgesproken hebben te doen in het coalitieakkoord.
Je ziet al een heleboel gebeuren en plaatsvinden in de praktijk – dat heb ik de afgelopen
weken gezien bij een heel aantal werkbezoeken – maar nog niet overal is iedereen even
ver. Wij willen – dat staat ook in het coalitieakkoord – dat die passende zorg altijd
en overal de norm wordt. Daarom werken de Minister van Langdurige Zorg en ik aan een
aantal wetsvoorstellen om dat in de wet te verankeren, om de voorlopers een duwtje
in de rug te geven en de achterlopers verder te stimuleren. Dat zullen we doen op
verschillende plekken in wetgeving. Dat hebben we ook in de beleidsbrief aangekondigd.
Later dit jaar, voordat het hele wetstraject in 2027 van start zal gaan, zal ik nog
verder inhoudelijk ingaan op vragen als hoe we dat passendezorglandschap gaan organiseren
en hoe we dat verder in wet- en regelgeving gaan vormgeven.
Voorzitter. Ik zei al iets over het zorglandschap. In dat kader ga ik in op de vraag
van mevrouw Maeijer over de spoedeisende hulp en de budgetbekostiging. Werken we nou
in gezamenlijkheid aan het einddoel? Laat ik ermee beginnen dat er op hele, hele,
hele korte termijn een brief naar de Kamer komt – die had ik namelijk toegezegd in
een eerder debat – over hoe het proces er verder uitziet. Daar kunnen we sowieso volgende
week in het debat over de Zorgverzekeringswet nog uitgebreid op doorgaan. Er is al
een artikel verschenen. Naar aanleiding daarvan stelde mevrouw Maeijer mij, vermoed
ik zo, die vraag. Wij geven dit proces in gezamenlijkheid vorm. Ik vind het ook belangrijk
dat partijen erbij betrokken zijn. Via de medisch specialisten zijn natuurlijk ook
de spoedeisendehulpartsen aangehaakt. Als het gevoel bestaat dat dat onvoldoende is,
ga ik er natuurlijk naar kijken of we daar nog iets aan kunnen of moeten doen. Het
doel hiervan is het ondersteunen van de passende acute zorg in de regio en die op
een goede manier organiseren.
Voorzitter. Dan de spreidingsafspraken over de ziekenhuiszorg. Dat was een vraag van
mevrouw Coenradie. De deadline was in de akkoorden gesteld op 1 december 2026, maar
inmiddels hebben we afgesproken dat sommige regio’s wat meer tijd krijgen, omdat het
echt wat meer tijd nodig heeft. Het zijn namelijk afspraken die direct gevolgen hebben
voor het aanbod, de toegankelijkheid, de capaciteit en de patiëntenstromen. Dat vraagt
echt wel een zorgvuldige analyse en onderbouwing, dus we hebben daar wat meer tijd
voor gegeven. In het najaar zal ik de stand van zaken met de Kamer delen.
Voorzitter. Mevrouw Coenradie vroeg mij nog specifiek welke regio’s achterlopen. Laat
ik het zo zeggen: de regio West heeft de samenwerkingsafspraken klaar of gereed. De
overige regio’s zijn met elkaar in gesprek om tot definitieve afspraken te komen.
Nogmaals, in het najaar zal ik daarop terugkomen.
Voorzitter. Dan nog een vraag over de doorzettingsmacht. Die is ook van mevrouw Coenradie.
Welke doorzettingsmacht heb je als partijen blijven praten en niet leveren? We hebben
in het IZA die afspraken gemaakt. Volumenormen zijn bindend. Je hoopt natuurlijk –
daarom maken we die bestuurlijke afspraken – dat je daar in vrijwilligheid en in goed
overleg samen uit komt. Dat wij in het regeerakkoord hebben gezegd dat wij die passende
zorg tot norm gaan maken, daar zit het volgende achter: uiteindelijk wil je wel een
«stok achter de deur» hebben. Dat klinkt gelijk zo onvriendelijk, maar als die vrijwilligheid
ertoe leidt dat het niet overal de norm is, dan zullen we moeten ingrijpen. Hoe dat
er precies uitziet, dat zijn die wetstrajecten waar we in de beleidsbrief ook naar
verwijzen. In elk geval wat het zorglandschap betreft zal ik daar nog dit jaar verdere
invulling aan geven.
Voorzitter. In het verlengde hiervan een vraag van mevrouw Dobbe en mevrouw Maeijer
over de bezuinigingen. Ik vat de vraag even vrij kort samen: komen mensen hierdoor
in de problemen? Mevrouw Maeijer vroeg mij om het eigen risico en een aantal andere
maatregelen niet te stapelen en om die bezuinigingen van tafel te halen. Dat laatste
ga ik niet doen, maar laat ik wel een paar woorden zeggen over waarom wij maatregelen
nemen, aan de kant van de eigen bijdrage, maar ook op het gebied van de zorgplicht,
het afschaffen van de ongecontracteerde zorg.
We zien dat de toegankelijkheid en de kwaliteit van onze zorg onder druk staat. Ja,
ik ben trots op de zorg die wij in Nederland hebben, maar we moeten een aantal ingrepen
doen om dat in de toekomst te behouden. De solidariteit in ons stelsel is een ongelofelijk
groot goed en die wil ik ook overeind houden. In die context, in dat kader, nemen
wij een aantal maatregelen. Daarom sta ik achter die maatregelen en ook die bezuinigingen,
waarvan ik me ook realiseer dat ze pijnlijk zijn, maar ik sta er wel achter, juist
voor die toekomst.
Voorzitter. Dan kom ik bij een aantal overige vragen. De eerste vraag, over het investeringsmodel
voor preventie, is van de heer Vervuurt. Er is een belangrijke stap gezet met de publicatie
van de richtlijn passend bewijs, want de onderbouwing van dat passende bewijs is heel
hard nodig om dat investeringsmodel te kunnen maken, te kunnen concretiseren. We hebben
in het AZWA ook afspraken gemaakt om kansrijke interventies met betrekking tot medische
preventie verder te onderzoeken. Een van de maatregelen is de screening, waar de heer
Vervuurt naar verweest in zijn bijdrage.
In het najaar zal ik een update geven van hoe het gaat met de ontwikkeling van dat
investeringsmodel. Ik denk wel dat het eerlijk is om daarbij te zeggen dat dat wel
iets is dat een langere adem gaat vragen, want het is echt een ingewikkeld vraagstuk.
Dat willen we goed doen, juist omdat het potentie heeft. Maar dat vraagt echt om een
goede vormgeving van dat model, samen met RIVM en de collega’s van Financiën.
Dan een vraag van mevrouw Tijmstra over de ggz: de kabinetsreactie moet nog komen,
maar in de suppletoire begroting op de Voorjaarsnota lijkt het alsof er al met geld
geschoven is en er geld wordt weggehaald bij de ggz. Het klopt dat de beleidsreactie
op het ibo nog moet komen. Ik heb die toegezegd voor de komende begrotingsbehandeling.
Volgens mij is dat een toezegging aan mevrouw Dobbe bij de begrotingsbehandeling van
2026. Daarin zal ik ook ingaan op twee van de hervormingsmodellen. De schuif in middelen,
waar mevrouw Tijmstra op doelt, is niet dat we ergens iets hebben weggehaald. We hebben
het alleen op andere artikelen gezet, omdat het daar dan tot besteding kan komen.
Als ik de vraag goed begrijp en wij het over dezelfde middelen hebben, dan is er geen
geld weggehaald.
Voorzitter. Mevrouw Coenradie had het over verward en onbegrepen gedrag en vroeg wat
de stand van zaken is van een tweetal moties. Ik begin met de motie waar wij het al
vaker over hebben gehad, over een plan van aanpak voor de pilots met lichte ggz-interventies.
Zoals toegezegd heeft dat gesprek inmiddels plaatsgevonden met de gemeente Rotterdam
en ZonMw over hoe de pilot het beste kan worden ingeregeld. Dat kan ook binnen de
bestaande subsidie van ZonMw. Nu moet er gezocht worden naar een goede locatie voor
de time-outvoorziening. Er komt nog een ggz-brief voor het zomerreces en daarin zal
ik de allerlaatste stand opnemen.
Dat geldt ook voor de motie van de heer Eerdmans en mevrouw Mutluer over hoe de ggz
een vaste plek kan krijgen in de meldkamers van de politie. Daar hebben we ook al
eerder informatie over gegeven, dat we bij een aantal experimenten hebben gezien dat
het altijd iemand in de meldkamer hebben met een ggz-achtergrond eigenlijk niet de
beste inzet is van de schaarse capaciteit, maar dat we nu wel heel precies met een
aantal proeven kijken hoe je de zorgcoördinatie zo kan inrichten dat er wel altijd
een directe lijn met de ggz is. Ik begrijp namelijk de onderliggende vraag heel goed.
Ook op de allerlaatste stand daarvan zal ik in dezelfde brief terugkomen.
Voorzitter. Dan nog een paar vragen over de begroting 2026 en de suppletoire begroting.
De voorzitter:
Zijn dat de laatste vragen?
Minister Hermans:
Dat zijn de laatste vragen. Nou, ik heb nog een paar vragen over borstkankeronderzoek,
een over de gordelroosvaccinatie en de antwoorden daarop komen nu binnen, of ik ga
de beantwoording uit mijn hoofd doen. Maar ik begin met de vragen over de besparing
van 143 miljoen op VWS door efficiënter werken, hoe we dat concreet gaan invullen.
Die vraag was van mevrouw Coenradie. We zijn daar op dit moment mee bezig en dat wordt
in de ontwerpbegroting van 2027 concreet ingevuld. Dan ziet de Kamer hoe we die keuzes
maken.
Dan mevrouw Maeijer over de meevaller van 1,2 miljard. Wat is daar precies mee gebeurd?
Zoals mevrouw Maeijer weet, zijn de begrotingsregels dat je meevallers op je eigen
begroting mag gebruiken om tegenvallers op te vangen. Dat is gebeurd, bijvoorbeeld
bij VWS, bijvoorbeeld door een deel van de middelen in te zetten om het uitstel van
de onafhankelijke indicatiestelling in de Wmo te dekken. Los van deze tegenvaller
viel het overallbeeld aan tegenvallers bij VWS mee. Dan is de regel of de afspraak
dat wij die middelen inzetten voor het algemene beeld, omdat er op andere plekken
op de rijksbegroting wel sprake was van tegenvallers.
Ik zei Wmo, maar dat was de eigen bijdrage, om heel precies te zijn. Met dank aan
de ondersteuning.
Mevrouw Coenradie vroeg naar de bezuiniging op efficiëntie en tegelijkertijd stijgende
apparaatskosten en externe inhuur. Misschien even heel precies op die externe inhuur,
want die was zichtbaar in de eerste suppletoire begroting. Dit is een incidentele
verhoging voor middelen die naar de begroting van VWS zijn overgeheveld en die bedoeld
zijn voor gegevensuitwisseling in de zorg. Als mevrouw Coenradie daar nog preciezer
meer over wil weten, ben ik altijd bereid daarop in te gaan, maar dit is de achtergrond
van die verhoging. De voortgang van de taakstelling, ook de eerdere taakstelling,
monitoren we natuurlijk. Als we daarop moeten bijsturen, dan gebeurt dat uiteraard.
Voorzitter. Dan de vragen over borstkanker, de borstdensiteit. Daar heb ik inderdaad
vorige week een brief over gestuurd naar aanleiding van de aangenomen motie. Een van
de elementen waar nu aan gewerkt wordt, is hoe de informatievoorziening en de voorlichting
aan de deelnemende vrouwen eruitziet. Over de mogelijkheid om zelf aan te geven of
je wel of niet wilt meedoen, worden vrouwen dus actief geïnformeerd. Dat hoeven ze
dus niet zelf ergens op te duikelen, om het maar even zo te zeggen. De keuze of je
daarover wilt worden geïnformeerd, is dus aan de vrouwen zelf.
Voorzitter. Mevrouw Dobbe schetste de ruimte voor MRI’s in zelfstandige behandelcentra
of privéklinieken. Dat is precies de reden waarom ik geschetst heb wat de consequenties
zijn als we dit gaan doen en waarom wij in eerste instantie hebben gezegd: dat gaan
we vanaf 2030 doen. Dan kun je er namelijk ook gelijk handelingsperspectief bij bieden
en een MRI aanbieden. De route die mevrouw Dobbe schetst met «maak nu die ruimte vrij»
is precies wat ik nu niet kan doen en waar ik nu niet de mogelijkheden voor heb. Daarom
ik heb geschetst hoe we het kunnen doen en wat de consequenties zijn. Ik onderschrijf
en sta volledig achter de inzet en de insteek van de motie, zoals ook nog een keer
is benadrukt in de brief. De Gezondheidsraad brengt nu opnieuw een advies uit. Dat
wordt een belangrijk moment om een vervolgstap te zetten. De voorbereiding gaat ondertussen
natuurlijk gewoon door.
Voorzitter. Dan nog het bevolkingsonderzoek borstkanker, het verdwijnen van de bus
en de daling van de participatie. Mevrouw Dobbe verwees naar Zutphen. Volgens mij
heb ik daar online ook een bericht over voorbij zien komen. Ik deel dat het niet fijn
is dat, onder andere door het personeelstekort, BVO Nederland moet besluiten om minder
bussen in te zetten. Het is natuurlijk een laagdrempelige vorm om dat onderzoek te
kunnen doen. Bevolkingsonderzoek Nederland kijkt steeds hoe het die mobiele units,
die bussen, zo effectief mogelijk kan inzetten om de toegankelijkheid zo groot mogelijk
te houden. Ik ga niet over het inzetten van die bussen, maar mevrouw Dobbe vroeg mij
of dat niet teruggedraaid kan worden en of die bussen weer ingezet kunnen worden.
Ik wil daar echt heel terughoudend in zijn, juist omdat BVO-NL zo precies kijkt hoe
het dat op een zo goed mogelijke manier kan doen om de toegankelijkheid zo goed mogelijk
te borgen.
Ik deel wel de zorg over de teruglopende deelname aan het onderzoek. Dat heeft meerdere
oorzaken. Dat houden we heel goed in de gaten. Ik zal uiteraard een bijdrage leveren
aan wat we daaraan kunnen doen. Dat is in ieder geval bij herhaling blijven benadrukken
hoe belangrijk het is om deel te nemen aan die bevolkingsonderzoeken, dus dat doe
ik nu ook heel graag.
De voorzitter:
Dank voor de beantwoording. Ik kijk even naar de tijd. We hebben nog tien minuten
over voor Minister Sterk. Ik kijk even kritisch de Kamer rond of er nog vragen zijn
die nu gesteld moeten worden. Eén vraag van mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik had een aantal punten over vaccineren en wanneer iets start, enzovoort. Als die
schriftelijk beantwoord kunnen worden, is dat ook goed.
De voorzitter:
Als dat schriftelijk kan, dan heel graag, ook gelet op de tijd.
Minister Hermans:
Dat is goed.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ik vroeg naar de meevaller van 1,2 miljard. De Minister geeft in haar antwoord aan
dat daarvan geld is gebruikt voor het met één jaar verder uitstellen van de wet over
de invoering van het inkomensafhankelijk maken van het abonnementstarief. Uit mijn
hoofd gaat dat om 225 miljoen. Dan blijft er nog een heel groot bedrag over dat is
verdwenen. Is dat ingezet voor premieverlaging? Waar is dat aan uitgegeven?
Minister Hermans:
Dat geld is natuurlijk niet verdwenen. Daar ben ik heel duidelijk over. Ik gaf dit
als voorbeeld. Er is onder andere geld gegaan naar de eigen bijdrage in de Wmo. Er
is ook geld gegaan naar covidvaccinaties voor volgend jaar, voor 2027. Ja, daarmee
is nog niet 1,2 miljard uitgegeven, maar dat is, conform de begrotingsregels, ingezet
voor tegenvallers in het algemene uitgavenbeeld.
De voorzitter:
Goed. Dan ga ik nu naar Minister Sterk, met de vriendelijke doch dringende opdracht
om het binnen ongeveer tien minuten te doen. Ik weet het, ja; dat hebben we ook een
beetje aan onszelf te danken. Dit kan helaas echt niet anders. Ik kijk de Minister
aan.
Minister Sterk:
Laten we dan beginnen bij de amendementen. Dat is belangrijk, denk ik.
Mevrouw Dobbe heeft een amendement ingediend voor een wervingscampagne. Ik ben het
op zich met haar eens dat het natuurlijk belangrijk is om zo veel mogelijk mensen
in de zorg aan het werk te krijgen, want het personeelstekort is een groot probleem.
Een wervingsactie zoals u die voorstelt, als je het vergelijkt met hoe Defensie dat
heeft gedaan, vraagt echter tientallen miljoenen euro’s en kost minstens acht tot
twaalf maanden voorbereidingstijd. Met 1 miljoen kom je echt nergens.
Bovendien denk ik dat het overbodig is, want we werken op dit moment met de sector
aan een alternatief instrument dat juist ook bijdraagt aan de instroom, namelijk het
landelijk loopbaanplatform Zowi. Dit najaar volgt daarvan de officiële lancering,
met ook allemaal publieksgerichte communicatie voor de verschillende doelgroepen die
we willen beïnvloeden in hun studiekeuze en om te komen werken in de zorg. Ik wil
dat amendement dus ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 5: ontraden.
Minister Sterk:
Dan was er een amendement op stuk nr. 9 en een amendement... Is dit ingediend of niet? Ik heb even wat onduidelijkheid. Dat
is dan het amendement op stuk nr. 11, klopt dat?
De voorzitter:
Ja, het amendement-Dobbe op stuk nr. 11 is net toegevoegd.
Minister Sterk:
Oké. Er is door het lid Mohandis een amendement ingediend op stuk nr. 9, over de BOSA-regeling. Dat herken ik als een amendement dat volgens mij al eerder
bij de begroting is ingediend, met de vraag om een kasschuif. Ik vind het supervervelend
wat er is gebeurd bij de BOSA, dus dat dat systeem is geklapt en we nu toe moeten
naar een loting, en dat dat heel veel onduidelijkheid geeft in de sector. Tegelijkertijd
ga ik dit amendement ontraden om de reden die ik eerder ook al heb gegeven.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 9: ontraden.
Minister Sterk:
Het is geen oplossing, want je schuift het geld van komend jaar, 2027, naar dit jaar
en bovendien mag dit eigenlijk ook niet volgens de financiële spelregels die we met
elkaar hebben afgesproken.
De voorzitter:
Graag de toelichting toch korter.
Minister Sterk:
Dan het amendement-Maeijer op stuk nr. 10. Dat ga ik ook ontraden, omdat dit gewoon een uitvoering is van de taakstellingen
van het vorige kabinet. Ik ga volgend jaar kijken of ik daar iets aan kan doen.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 10: ontraden.
Minister Sterk:
Dan is er nog het amendement-Dobbe op stuk nr. 11. Dat ga ik ook ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 11: ontraden.
Minister Sterk:
Dat gaat in tegen de lijn die wij als kabinet nu juist willen volgen, namelijk dat
mensen langer thuis kunnen blijven wonen. Dat willen we ook faciliteren. Bovendien
is de manier waarop u dit amendement dekt, ook ondeugdelijk. Volgens de begrotingsregels
waar wij ons in ieder geval aan houden, kan je een meevaller enkel benutten voor tegenvallers
elders op de begroting. Dat is niet wat u met dit amendement doet.
De voorzitter:
Dan hebben we nog één amendement over en dat is het amendement op stuk nr. 6.
Minister Hermans:
Ja, ik was net aan het kijken. Ik ben namelijk een amendement vergeten, van mevrouw
Dobbe, over vrouwengezondheid. Ook hier hebben wij al eerder over van gedachten gewisseld.
Ik deel uw mening over het belang van aandacht voor vrouwengezondheid en ik vind het
ook heel goed dat de strategie er nu ligt. We zijn druk bezig met de werkagenda en
die komt nog voor de zomer. Daar zit ook geld aan gekoppeld. Als ik het goed zeg,
uit mijn hoofd, is dat 15 miljoen. We moeten nog beginnen met het uitgeven daarvan.
Ik zeg helemaal niet dat dat voor altijd en eeuwig het bedrag is, maar ik vind geld
erbij doen voor ik überhaupt begonnen ben echt te voorbarig, dus daarom ontraad ik
het amendement. Ik zou het dan dit jaar nog moeten uitgeven, en ik weet even niet
waaraan.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 6: ontraden. Dan geef ik nu weer het woord aan Minister Sterk.
Minister Sterk:
Dan is er nog een conceptamendement, begrijp ik, van mevrouw Van Dijk? Nee? Dan is
er geen amendement van mevrouw Van Dijk over de BOSA.
Dan gaan we naar de gehandicaptenzorg. Daar waren een aantal vragen over van mevrouw
Maeijer, mevrouw Bikker, de heer Bushoff en mevrouw Dobbe. Wat gebeurt hier nou eigenlijk
precies? Er komt een dekking voor de motie uit een reservering die wij als kabinet
bij de Voorjaarsnota hebben gedaan vanaf 2027 binnen de Wlz. Die reservering hangt
samen met mogelijk hogere uitgaven op grond van de lopende kostenonderzoeken die de
NZa uitvoert. Die reservering volgde uit een meevaller op grond van de februaribrief
van de NZa. Op basis daarvan hebben we die reservering gedaan. Die reservering dekt
nu het eenmalig opschorten van de bezuinigingen en daarmee is de dekking dus geen
bezuiniging. Het betekent dus niet dat we ergens anders nog weer moeten gaan bezuinigen,
maar het is een inzet van de reserve die we hadden opgenomen voor dat onderzoek.
Dan was er nog een vraag van mevrouw Bikker: wat is precies het doel van wat ik ga
doen met de gehandicaptensector? Volgens mij heb ik dat ook al bij het WGO aangegeven.
Ik wil heel graag vanuit de inhoud het gesprek gaan voeren. Overigens doen we dat
voor een deel ook al wel, hoor. We praten natuurlijk met de gehandicaptensector, maar
nu juist ook met het oog op een akkoord. Het gaat er dan om dat we het belangrijk
vinden dat de zorg ook op de lange duur toegankelijk, betaalbaar en van goede kwaliteit
blijft. Ik noemde eerder bij het WGO al dat het ook niet moet gaan leiden tot langere
wachtlijsten en dat we het personeel natuurlijk zo veel mogelijk moeten kunnen behouden.
Tegelijkertijd zijn we geconfronteerd met een krapte in het aantal arbeidskrachten
en oplopende kosten. Daar zullen we toch ook naar moeten kijken met elkaar. In die
zin staat de opgave voor volgend jaar nog wel gewoon voor 2028 in de begroting. Ik
zeg daarbij ook dat de motie die u heeft ingediend natuurlijk ook geen dekking gaf
voor mij om te kijken waar we dat geld vandaan zouden kunnen halen. Ik wil nu in ieder
geval rust en kalmte met elkaar voor aankomend jaar, zodat we nu inhoudelijk het gesprek
met elkaar kunnen gaan voeren over de toekomst van de gehandicaptensector. Daaruit
volgt wat we dan met de andere kaders gaan doen.
Dan ga ik door naar het kopje zorgfraude. Mevrouw Coenradie vroeg op welke termijn
de NZa de handhavingsbevoegdheid voor de spookzorg krijgt. In de tweede helft van
het jaar sturen wij het wetsvoorstel Modernisering Wmg in internetconsultatie. Een
onderdeel van dat wetsvoorstel is de bevoegdheid van de NZa om bestuursrechtelijk
op te treden tegen spookzorg. We hopen dat het wetsvoorstel in 2027 bij de Tweede
Kamer kan worden ingediend.
Mevrouw Coenradie had ook de vraag welke extra maatregelen de Minister neemt om fraude
binnen de SOV en de OVV sneller en harder aan te pakken. We hebben een werkgroep die
een aantal analyses en aanbevelingen heeft gedaan. Dat heeft inmiddels al geleid tot
extra controles en verificatieverplichtingen in de uitvoering bij het CAK. Daarnaast
worden de SOV en de OVV per 1 juli van dit jaar gewijzigd, waardoor het CAK extra
bewijsstukken mag opvragen bij nieuwe zorgaanbieders. Voor de langere termijn werken
we aan een uitbreiding van contractering van zorg, het inregelen van toezicht en het
mogelijk maken van materiële controles.
Omwille van de tijd ga ik een aantal vragen even afdoen door ernaar te verwijzen dat
er zeer binnenkort een zorgfraudebrief naar de Kamer komt, waarin een aantal van uw
vragen zal worden beantwoord.
Dan ga ik door naar het kopje innovatie. Mevrouw Wendel had daarover een aantal vragen
gesteld. De eerste was wat ik ga doen om een stimulans te bieden aan zorgaanbieders
om over te stappen op slimmere vormen van zorg. Vanuit het IZA en het AZWA hebben
we daarvoor een aantal instrumenten dat die overstap kan ondersteunen, bijvoorbeeld
digizo.nu, maar ook de Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg.
We hebben een coalitie Digivaardig in de zorg. Daarnaast moet je natuurlijk aan de
opleidingen werken, want je wilt ook dat de zorg- en welzijnsmedewerkers op dat gebied
voldoende onderlegd worden om die slimmere vormen te gebruiken en te kunnen hanteren.
We zijn ook – dat is het derde – bezig met een missiegedreven innovatiebeleid, specifiek
met het thema gezondheid en zorg. Daarmee is ook het bedrijfsleven gebonden aan onze
opgaves. Daarbij zet ik met name heel erg in op het thema arbeidsbesparing, want het
zou enorm helpen als daar innovaties zouden kunnen worden ingezet.
U vroeg ook hoe de Minister ervoor gaat zorgen dat ondernemers en zorginstellingen
gemotiveerd worden om te investeren in innovatie. Ik denk dat het superbelangrijk
is dat we, zoals u ook zegt, de innovaties goed gaan gebruiken, juist met het oog
op de krapte. De centrale missie is dat we in 2040 alle mensen in Nederland ten minste
vijf jaar langer in goede gezondheid willen hebben leven en dat de gezondheidsverschillen
afnemen met 30%. Daarom is het ook zo belangrijk dat we inzetten op het innovatiebeleid
dat ik net noemde. We proberen ook om de publiek-private samenwerking binnen dit beleid
te stimuleren, onder andere door aan te sluiten bij de prioriteiten die het kabinet
stelt via de Nationale Technologiestrategie. Ik noemde net al de Stimuleringsregeling
Technologie in Ondersteuning en Zorg. Die helpt zorginstellingen om in hun organisaties
ook daadwerkelijk over te gaan tot implementatie en opschaling van waardevolle innovaties.
U vroeg op dit punt ook nog hoe we regels rondom bekostiging van innovaties kunnen
versimpelen en hoe we ervoor kunnen zorgen dat het financieringssysteem niet alleen
werkt voor bestaande zorgprocessen. Die bekostiging is natuurlijk een van de belangrijke
factoren om innovaties verder op te kunnen schalen en onderdeel te maken van de reguliere
zorgprocessen. Vanuit het IZA en AZWA wordt er ook gewerkt aan het wegnemen van onnodige
belemmeringen die dat in de weg staan. We werken ook aan een intensiveringsagenda
digitale en hybride zorg. Daarin zitten een aantal acties die gericht zijn op financiële
prikkels vanuit bekostiging, contractering en financiering. Ten slotte hebben we ook
nog de doorbraakmiddelen vanuit het AZWA, die een extra impuls moeten geven aan specifieke
toepassingsgebieden, met passende inzet van AI, digitale zorg en technologie. Dat
helpt om te komen tot een landelijke opschaling van concrete en bewezen innovaties.
Dan kom ik bij het kopje jeugd.
De voorzitter:
Hoeveel mapjes heeft u nog?
Minister Sterk:
Een, twee, drie, vier... Vier mapjes nog, waarvan de laatste twee over langdurige
zorg en ouderenzorg gaan. Ik deed zonet al de suggestie om die in het commissiedebat
terug te laten komen.
De voorzitter:
Oké. Ik zie ook een paar mensen die geen tweede termijn hebben. Om maar weer even
vooruit te lopen, stel ik voor dat de moties die zijn ingediend eventueel schriftelijk
van een appreciatie worden voorzien deze week. Ja? Dan gaan we nu verder met de beantwoording.
Minister Sterk:
Het kopje jeugd. De heer Bushoff had een vraag over het excuustraject. Ik ben op dit
moment in overleg met jongeren, ervaringsdeskundigen, de andere departementen die
hierbij betrokken zijn, VNG en de jeugdzorg. Er is voor de komende vier jaar een incidenteel
budget van in totaal 12 miljoen beschikbaar, gericht op herstelactiviteiten. Daarvan
zegt u terecht – ik weet niet zeker of u dat nou zei – dat dat niet moet verdwijnen
in de managementlagen, maar natuurlijk vooral ten gunste moet komen van de jongeren.
Het is ook bedoeld voor activiteiten voor erkenning en herstel en voor het bieden
van steun aan deze jongeren en jongvolwassenen. Daarover voeren we dus ook het gesprek
met hen. De precieze invulling loopt nu. We streven ernaar te starten met het meerjarige
erkennings- en hersteltraject vanaf het najaar van 2026.
Mevrouw Coenradie had een vraag over hoe we – ik vat ’m even samen – integraal gaan
kijken naar de problemen in de jeugdzorg, waarbij we dus het hele gezin erbij pakken.
Volgens mij is dat precies waar we mee bezig zijn. We proberen de stevige lokale teams
daarin natuurlijk een heel belangrijke plek te geven. Dat heb ik nu met de VNG in
een convenant afgesproken. Daar willen we ook meer voorwaarden aan gaan stellen, zodat
daar eigenlijk al met een integrale blik wordt gekeken. We willen ook – dat debat
had ik vorige week met u – voorkomen dat elk pakketje als een soort estafettestokje
wordt doorgegeven en iedereen er weer opnieuw naar gaat kijken. We willen juist aan
de voorkant zorgen dat alle partijen daarin goed met elkaar dezelfde analyse maken,
zodat goed kan worden ingegrepen als dat nodig is. Daarnaast ben ik natuurlijk ook
bezig met de Reikwijdte Jeugdwet, die ook moet helpen om … Daar gingen andere vragen
van u volgens mij over: hoe geven we nou die indicaties in de jeugdzorg en hoe zorgen
we nou dat de financiële prikkels goed zijn, zodat we echt alleen maar die jongeren
in de jeugdzorg krijgen die daar ook horen en die niet op een andere manier geholpen
zouden moeten worden? Daar werk ik hard aan op dit moment.
Mevrouw Coenradie had ook nog een vraag over de wettelijke grondslag voor de gegevensdeling
met Filomena. Zij vroeg ook wanneer de Kamer die verkenning ontvangt. Ik werk daar
op dit moment hard aan. Ik wil u de verkenning daarvan eigenlijk eind dit jaar doen
toekomen. Daarbij kijken we ook welke oplossingsrichtingen er bestaan voor de gegevensdeling.
U had volgens mij ook de vraag: hoe gaan we zorgen dat Filomena over het hele land
wordt uitgerold? U weet dat ik op zich heel erg fan ben van de manier waarop zij werken;
dat heb ik ook gezien. Ik heb in het vorige debat ook aangegeven dat het zich natuurlijk
slecht verhoudt tot de Wmo als ik nu ga zeggen dat het overal moet komen. Maar ik
wil me wel inzetten om te kijken in hoeverre we het kunnen inzetten, om het zo veel
mogelijk uit te rollen. Ik heb wel gezien dat er ook regio’s zijn die het eigenlijk
niet willen of waar het gewoon niet zo passend is. Volgens mij heeft het dan niet
zo veel zin om het daar uit te rollen. Daarom wil ik vooral ook heel goed kijken wat
er nu zo goed werkt bij Filomena en hoe we die gegevensdeling op orde krijgen, dus
daar wil ik me ook echt voor inzetten de komende tijd.
Mevrouw Wendel stelde een vraag over agressie in de zorg. Laat ik beginnen met te
zeggen dat ik die echt zorgelijk vind. Ik ben natuurlijk veel op werkbezoek. Dit is
ook altijd een onderwerp dat daarbij aan de orde komt. Dat kan soms onderling zijn,
maar heel vaak natuurlijk ook van bewoners of van mensen die bij de bewoners horen.
Dat moeten we natuurlijk gewoon niet willen met elkaar. Er is geen zicht op de mate
waarin werkgevers in zorg en welzijn aangifte doen na agressie-incidenten. Dat registreren
we niet, maar het is natuurlijk wel van belang dat het gebeurt. In eerste instantie
zijn werkgevers natuurlijk zelf ook verantwoordelijk, ten eerste om te voorkomen dat
er agressie kan ontstaan, maar ook om als ze er dan is, aangifte te doen en zorg te
dragen voor een goede nazorg. Daarbij wil ik ook de werkgevers ondersteunen. Daarom
hebben wij KNMG een subsidie gegeven om samen met andere beroepsverenigingen een soort
handelingskader te ontwikkelen voor wat iemand kan doen als er sprake is van agressie.
Dat handelingskader wordt voor de zomer gepubliceerd. Ik help natuurlijk verder met
relevante informatie.
U vroeg ook: zou het niet kunnen helpen om een bezoekverbod op te leggen voor alle
zorginstellingen als bezoekers agressief zijn? Ik vind het op zich een hele interessante
gedachte, alleen verhoudt de AVG zich daar heel slecht toe. Je moet namelijk wel echt
een hele ernstige agressieve daad hebben gepleegd om die zwaarder te laten wegen dan
de privacy van betrokkene. Om hem overal een verbod op te leggen, moet je dus ook
wel weten om wie het gaat. Dat maakt het ingewikkeld om een overall bezoekverbod op
te leggen.
Ik ga toch best snel, voorzitter, want dit was het blokje agressie in de zorg.
Dan had ik een kort blokje ouderenzorg en nog een lang blokje langdurige zorg.
De voorzitter:
Kan ouderenzorg eventueel nog naar donderdag?
Minister Sterk:
Ja, dat vind ik prima. Ik heb het een paar keer voorgesteld, maar ik kreeg daar geen
instemmende reacties op.
De voorzitter:
Oké. Als dat zou kunnen, dan is dat heel erg fijn. Dan het laatste blokje.
Minister Sterk:
Dan zal ik de vragen die daar misschien ook nog enigszins aan relateren, eruit trekken.
Ik wil wel zeggen dat ik er echt aan hecht om een misverstand weg te nemen. Mevrouw
Maeijer zei: het lijkt erop dat het pgb afgeschaft gaat worden door dit kabinet. Dat
is absoluut niet het geval. Het pgb wordt niet afgeschaft. We hebben alleen wel gezegd
dat we willen kijken naar de voorliggendheid. Maar de bewuste keuze voor eigen regie
blijft gewoon vooropstaan en daarmee dus ook de uitwerking van de motie die is ingediend
over keuzevrijheid voor het pgb. We hebben overigens binnenkort een debat over het
pgb. Voor dat debat komt er ook nog een brief uw kant op.
Mevrouw Tijmstra stelde de vraag of ik kan aangeven hoe ik de regeling Compensatie
Zorgkosten wil gaan vormgeven. Er is door mijn collega net, denk ik, ook al iets gezegd
over de stapeling, waar we mee bezig zijn. Ik kan in ieder geval zeggen dat wij inderdaad
… Er is een envelop van 350 miljoen euro structureel gereserveerd om chronisch zieken
tegemoet te komen in hun zorgkosten. Deze middelen worden beschikbaar gesteld aan
gemeentes. Dat staat in het coalitieakkoord staat en van daaruit zullen wij kijken
hoe we het kunnen inzetten in de stapeling van de kosten die worden gemaakt.
U vroeg ook nog of wij ernaar zouden kunnen kijken om het met een specifieke uitkering
via gemeentes te organiseren. Dat staat eigenlijk een beetje haaks op de beweging
die we juist aan het maken zijn om niet meer zo veel van die specifieke uitkeringen
te doen aan gemeentes. Er is best wel een grote diversiteit in al die SPUK’s ontstaan.
We willen kijken hoe we dat nou beter en effectiever kunnen gaan doen. De specifieke
uitkering lijkt daarmee op voorhand niet het meest aangewezen instrument, maar de
keuze voor het uiteindelijke financieringsinstrument wordt natuurlijk bepaald aan
de hand van de uitkomsten van de inhoudelijke analyses en gesprekken met stakeholders
en, zou ik zeggen, ook van de uitkomsten van het onderzoek dat er nu is naar de stapeling.
Mevrouw Wendel zei: geen onnodige herindicaties voor mensen met een chronische ziekte.
Volgens mij is dat ook de opdracht die ik heb meegekregen vanuit het coalitieakkoord,
dus daar werken we ook aan op dit moment. Overigens biedt de Wmo gewoon alle ruimte
om langdurige indicaties af te geven – dat lijkt soms wat onduidelijk – alleen doen
gemeentes dit niet altijd. De ruimte is er dus al wel om dat te doen. Als ze dat vaker
zouden doen, dan zou dat mogelijk ook minder bureaucratie opleveren voor de afnemers
daarvan. Ik ben het ook met u eens dat het niet nodig zou moeten zijn om als je een
chronische ziekte of beperking hebt, dat elke keer weer te moeten bewijzen, dus ik
ben daar nu ook over in gesprek met de VNG. We kijken daarbij ook hoe we dan een langere
beschikkingsduur voor de Wmo en de Jeugdwet waar passend kunnen stimuleren.
Mevrouw Tijmstra had een vraag over het gemeenschapsfonds en wanneer we de uitwerking
daarvan verwachten. Ik werk daar op dit moment aan. Samen met mijn collega van BZK
ben ik aan het kijken of we die in elkaar kunnen schuiven. We beogen zorgzame buurten
en wijken. We zijn aan het kijken of we de financiering daarvan mee kunnen nemen in
de aanvullende HLO-afspraken. Dat loopt op dit moment. Daar kan ik ook nog niet heel
veel meer over zeggen, maar uw link naar BZK maken wij ook.
Mevrouw Wendel van de VVD wil graag één aanspreekpunt voor mensen om hun zorg te regelen.
Op dit moment werken we met het Ministerie van BZK en andere betrokken partijen aan
de uitbreiding van overheidsbrede loketten, zodat mensen in één keer goed geholpen
zijn. Ook werk ik aan een digitaal informatiepunt, waar mensen betrouwbare informatie
kunnen vinden over de zorg en de ondersteuning die zij nodig hebben.
Ik heb hier nog een heel mapje gekregen, ook met vragen die misschien nu nog niet
beantwoord zijn. Ik zal de vragen over de langdurige zorg er even bij pakken. Daarna
stop ik ermee, hoor.
De voorzitter:
Nou ja, nu eigenlijk. We gaan het echt gewoon schriftelijk doen. Ik kijk eventjes
naar de Kamer voor een tweede termijn. Het is helaas niet anders dan op deze kort-door-de-bochtmanier.
Meneer Bushoff van GroenLinks-PvdA, moet ik nog steeds zeggen.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Aan welke kant staat de politiek? Is dat aan de kant van de
zachte stem en gewone mensen, of aan de kant van schreeuwers en de allerrijksten?
PRO maakt zich consequent sterk voor die zachte stem en kiest altijd de kant van gewone
mensen. Precies daarom heb ik vandaag dat concrete voorstel ingediend om te voorkomen
dat er bezuinigd wordt op mensen zoals Maud en om ervoor te zorgen dat er juist zorg
en extra ondersteuning beschikbaar is voor gewone mensen die te maken krijgen met
een tegenslag. Je kunt het succes van onze samenleving namelijk niet afmeten aan hoe
we omgaan met die allerrijksten en mensen die alles al hebben, maar juist aan hoe
we omgaan met gewone mensen die een tegenslag hebben, mensen zoals Maud.
Voorzitter. Ik dank de Minister dat zij dit voorstel heeft omarmd en ik reken op mijn
collega’s.
De voorzitter:
Ik kijk nog even verder rond. Mevrouw Tijmstra.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb één vraag en één motie. In de beantwoording van de
Minister heb ik niet gehoord wanneer de Kamer geïnformeerd wordt over een uitgewerkt
voorstel voor de compensatie van 350 miljoen voor chronisch zieken en kwetsbare mensen
die te maken hebben met de stapeling van zorgkosten. Als dat kan worden meegenomen
in de schriftelijke beantwoording, heel graag.
Eén motie, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat steeds meer mensen met een zorgvraag langer thuis wonen en dit vraagt
om een samenleving waarin mensen meer naar elkaar omzien en voor elkaar zorgen;
overwegende dat het recente rapport van het SCP aangeeft dat het aantal mantelzorgers
gestegen is, maar daarmee ook het aantal overbelaste mantelzorgers stijgt;
overwegende dat logeerzorg een belangrijke respijtzorgvoorziening is die overbelasting
helpt voorkomen en helpt met het volhouden van de zorg voor een naaste;
overwegende dat alle partijen in het veld aangeven dat het aantal logeerplekken te
laag is op dit moment;
overwegende dat op verschillende plekken in verpleeghuizen bedden leegstaan en deze
plekken mogelijk goed benut kunnen worden voor logeerzorg, omdat hier al 24 uurszorg
aanwezig is;
constaterende dat zorgkantoren op dit moment geen bekostiging kunnen geven voor de
beschikbaarheid van een logeerbed in een verpleeghuis, omdat bekostiging via de indicatie
op de persoon verloopt;
verzoekt de regering de mogelijkheden in beeld te brengen om leegstaande bedden in
verpleeghuizen in te zetten voor logeerzorg ter ondersteuning en het ontlasten van
mantelzorgers, en de Kamer hierover gelijktijdig met de resultaten van het lopende
onderzoek over leegstand bij verpleeghuizen te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Tijmstra, Van Brenk, Wendel en Vervuurt.
Zij krijgt nr. 12 (36 915 XVI).
Mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat gordelroos een aandoening is met zeer pijnlijke restverschijnselen,
niet in de laatste plaats voor kwetsbare ouderen;
overwegende het feit dat de Minister besloten heeft alleen 60-jarigen in 2027 te laten
vaccineren;
overwegende de besmettelijke aard van het gordelroosvirus;
verzoekt de regering te onderzoeken hoe het mogelijk gemaakt kan worden dat verpleeghuisbewoners
met hun Wlz-indicatie aanspraak maken op een gordelroosvaccinatie op basis van een
medische indicatie, analoog aan de griepvaccinatie, die ook beschikbaar is voor mensen
met een medische indicatie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Brenk en Bushoff.
Zij krijgt nr. 13 (36 915 XVI).
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de eigen bijdrage in de Wlz substantieel hoger is dan die in de Wmo
of de Zorgverzekeringswet;
overwegende het feit dat mensen dat vaak niet weten en dat dat rondom de indicatiestelling
niet altijd expliciet vermeld wordt;
verzoekt de regering in samenspraak met CIZ en CAK te bewerkstelligen dat mensen,
voordat zij een Wlz-indicatie aanvragen, weten hoe hoog de eigen bijdrage is die zij
moeten betalen zodra zij een Wlz-indicatie hebben,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Brenk.
Zij krijgt nr. 14 (36 915 XVI).
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat een Wlz-indicatie onherroepelijk is;
overwegende dat het CIZ, dat de indicaties stelt, aangeeft dat er gevallen bekend
zijn waarin een Wlz-indicatie op valse gronden wordt aangevraagd, bijvoorbeeld wanneer
een kwaadwillende zich voordoet als familie;
verzoekt de regering het mogelijk te maken dat een Wlz-indicatie wordt ingetrokken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Brenk.
Zij krijgt nr. 15 (36 915 XVI).
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter. Dit debat voelt niet heel plezierig omdat we met z’n allen echt heel krap
in de tijd zitten, maar ik wil echt heel graag een reactie hebben – dat mag schriftelijk;
het maakt me niet uit – op het punt dat het verplicht wordt dat een rapport na een
onderzoek naar een niet-natuurlijke dood beschikbaar moet zijn voor nabestaanden.
Ik hoop dat dat in ieder geval wel meegenomen wordt.
De voorzitter:
Voorzitter … Nee, nou raak ik zelf in de war. Ik geef het woord graag aan mevrouw
Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een aantal moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het eigen risico zonder wijziging van de Zorgverzekeringswet automatisch
wordt verhoogd per 2027;
constaterende dat de kosten voor mensen enorm zijn gestegen en een extra verhoging
van kosten, zeker voor mensen die zorg nodig hebben, onwenselijk is;
verzoekt de regering de automatische verhoging van het eigen risico per 2027 niet
door te laten gaan en overeenkomstig met een wetswijziging te komen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 16 (36 915 XVI).
Mevrouw Dobbe (SP):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er nog altijd veel zorggeld verloren gaat aan onder andere winstuitkeringen,
aanbestedingsprocedures en ontwijking van het winstverbod via bv-constructies;
van mening dat geld dat bedoeld is voor de zorg naar de zorg moet gaan;
verzoekt de regering om te onderzoeken hoeveel zorggeld er jaarlijks wordt uitgegeven
aan andere doeleinden dan het leveren van zorg,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 17 (36 915 XVI).
Mevrouw Dobbe (SP):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er dit jaar 602 miljoen minder wordt uitgegeven aan de Wlz dan begroot;
constaterende dat de afgelopen jaren regelmatig gedurende het jaar geld wordt weggehaald
bij de Wlz;
overwegende dat er ondertussen ook forse bezuinigingen worden doorgevoerd op de Wlz,
terwijl de druk op zorgverleners en mantelzorgers toeneemt;
verzoekt de regering om voortaan niet standaard geld weg te halen uit het Wlz-budget
als blijkt dat er geld overblijft, maar dit eerst in te zetten om bezuinigingen op
de Wlz te verzachten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 18 (36 915 XVI).
Mevrouw Dobbe (SP):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet de bezuinigingen op de gehandicaptenzorg en de langdurige
ggz die waren gekoppeld aan de maatregelen «Wlz-behandeling», «Opschaling digitale
zorg» en «Meerjarig contracteren en budgetafspraken» heeft geschrapt voor 2027 en
dat deze daarvoor al meerdere keren zijn uitgesteld;
overwegende dat deze bezuinigingen voor de jaren daarna nog steeds staan ingeboekt,
waardoor deze als een zwaard van Damocles boven de sector blijven hangen;
verzoekt de regering om deze bezuinigingen definitief te schrappen, ook voor de jaren
na 2027, en hiervoor een voorstel te doen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 19 (36 915 XVI).
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik ben er bijna, hoor.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet verwacht dat vrouwen met dicht borstweefsel vanaf 2030
een MRI-scan kunnen krijgen vanuit het bevolkingsonderzoek;
constaterende dat vrouwen in aanloop daarnaartoe al geïnformeerd zullen worden over
de vraag of zij dicht borstweefsel hebben, naar aanleiding van de motie-Paulusma c.s.
(31 765, nr. 970);
overwegende dat het kabinet zelf wijst op het risico op gezondheidsverschillen, omdat
sommige vrouwen tijdens deze tussenfase wel op eigen kosten een MRI kunnen ondergaan
en dit voor sommige andere vrouwen geen mogelijkheid is;
verzoekt de regering om tijdens deze fase ervoor te zorgen dat vrouwen met dicht borstweefsel
ondersteund worden om een MRI te ondergaan wanneer zij dat niet zelf kunnen betalen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 20 (36 915 XVI).
Mevrouw Dobbe (SP):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het personeelstekort in de thuiszorg en de verpleeghuiszorg dreigt
op te lopen naar 127.000 in 2035;
overwegende dat het salaris van zorgverleners nog altijd 6% tot 7% achterloopt op
de rest van de economie;
verzoekt de regering om extra budget vrij te maken voor het verkleinen van de loonkloof
tussen de vvt en de rest van de economie, zodat dit gebruikt kan worden voor het sluiten
van een nieuwe cao,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 21 (36 915 XVI).
Mevrouw Dobbe (SP):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er voor 300 miljoen aan bezuinigingen waren ingeboekt door het vorige
kabinet op pandemische paraatheid;
overwegende dat het huidige kabinet die bezuiniging met 177 miljoen vermindert, maar
dat er daardoor nog steeds 123 miljoen wordt bezuinigd op pandemische paraatheid;
verzoekt de regering om de volledige bezuiniging op pandemische paraatheid te schrappen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 22 (36 915 XVI).
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel.
De voorzitter:
Mevrouw Maeijer.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Dank u, voorzitter. Dank ook aan de Ministers. Het is zo een beetje een vreemd einde
van het debat, maar goed, dat is niet anders. We moeten het beter plannen in het vervolg,
denk ik.
Meerdere van mijn vragen staan nog open, maar één punt wil ik nu wel naar voren brengen.
Dat heeft betrekking op het pgb. Dank aan de Minister voor de uitspraak dat het pgb
niet verdwijnt. Het was niet mijn quote, maar het betrof signalen die Per Saldo in
ieder geval bij ons te berde brengt. Ik vroeg de Minister ook of zij opheldering kan
geven over de bezuiniging en de rol die het pgb heeft in het bestuurlijk akkoord.
Het pgb wordt namelijk geplaatst onder het bestuurlijk akkoord. Daar wordt het ook
genoemd in de Voorjaarsnota. Het bestuurlijk akkoord moet een bezuiniging opleveren
van 1 miljard. Er leeft nu onzekerheid bij de budgethouders of er voor het pgb ook
een of andere bezuiniging in zit. Misschien kan de Minister daar helderheid over geven
in de brief die zij nog voor het commissiedebat naar de Kamer stuurt en kan zij eventueel
daarover in overleg treden met Per Saldo.
Voorzitter. Ik heb twee moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt het kabinet om de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen als
volwaardig gesprekspartner aan te laten sluiten bij de gesprekken over de budgetbekostiging
SEH en het vervolg daarvan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Maeijer.
Zij krijgt nr. 23 (36 915 XVI).
Mevrouw Maeijer (PVV):
Tot slot.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt het kabinet om DemenTalent extra te ondersteunen om te komen tot een landelijke
uitrol,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Maeijer.
Zij krijgt nr. 24 (36 915 XVI).
Mevrouw Maeijer (PVV):
Dank u wel.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Laten we bij de strategische procedurevergadering evalueren
hoe we dit beter kunnen doen. Excuses aan alle ambtenaren die keihard hebben gewerkt
aan antwoorden. Die gaan we echt heel goed tot ons nemen als zij schriftelijk tot
ons komen, zeg ik er maar bij.
Voorzitter. Ik kon niet goed hierop doorvragen bij de Minister, dus ik dien een motie
in met de wetenschap dat we misschien nog even moeten gaan puzzelen hoe we dit beter
kunnen doen. Maar u raadt het al: het gaat over de pandemische paraatheid.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de eerdere bezuinigingen op de pandemische paraatheid in betekenisvolle
mate zijn teruggedraaid en er met deze Voorjaarsnota geïnvesteerd wordt in de voorbereiding
op toekomstige pandemieën;
overwegende dat het van groot belang is om tijdig te toetsen of de huidige investeringen,
maatregelen en ondersteuning van betrokken partijen voldoende zijn om Nederland voldoende
weerbaar te maken tegen toekomstige grootschalige infectie-uitbraken;
verzoekt de regering de Onderzoeksraad voor Veiligheid, of zo nodig een ander geschikt
onafhankelijk publiek instituut, te verzoeken een onafhankelijke beoordeling uit te
voeren van de Nederlandse pandemische paraatheid, waaronder in ieder geval de vraag
of het kabinet voldoende maatregelen treft om de pandemische paraatheid te versterken
en of betrokken partijen, waaronder veiligheidsregio’s, zorginstellingen en uitvoeringsorganisaties,
voldoende worden ondersteund om hun taken uit te voeren, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Bushoff, Van Brenk, Coenradie en Dobbe.
Zij krijgt nr. 25 (36 915 XVI).
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Over de andere punten die we hebben gewisseld, zullen we op een later
moment vervolgen.
De voorzitter:
Ik draag het voorzitterschap tijdelijk over.
Voorzitter: Bushoff
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik heb drie moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet meer regie wil nemen op spreiding en concentratie van
zorg, terwijl bereikbaarheid, regionale spreiding en continuïteit van streekziekenhuizen
van groot belang blijven;
overwegende dat concentratie van ziekenhuiszorg vaak wordt onderbouwd met verwachte
doelmatigheids-, personeels- en kwaliteitswinst, terwijl daarbij nog altijd wordt
verwezen naar onder meer het IPSE-onderzoek naar schaal- en synergie-effecten bij
de spoedeisende hulp uit 2013;
overwegende dat aannames over de financiële, personele en kwalitatieve effecten van
concentratie actueel, toetsbaar, domeinoverstijgend en niet-vrijblijvend moeten zijn;
verzoekt de regering om uit te werken hoe de Minister meer regie neemt op spreiding
en concentratie van ziekenhuiszorg, welke bestuurlijke of wettelijke instrumenten
daarvoor nodig zijn, en daarbij concreet, cijfermatig en actueel te onderbouwen of
en in hoeverre concentratie daadwerkelijk leidt tot lagere kosten, personeelswinst
en betere kwaliteit van zorg,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 26 (36 915 XVI).
Mevrouw Coenradie (JA21):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat VWS structureel 143,8 miljoen euro wil besparen door efficiënter
te werken, terwijl nog onduidelijk is hoe deze besparing concreet wordt ingevuld;
constaterende dat de apparaatskosten van VWS in 2026 stijgen en met name de externe
inhuur fors toeneemt;
overwegende dat structurele afhankelijkheid van externe consultants kan leiden tot
hogere kosten en verlies van kennis binnen het ministerie;
verzoekt de regering vóór het herfstreces een concreet afbouwpad voor externe inhuur
binnen VWS aan de Kamer te sturen, inclusief een plan om structurele kennis binnen
de eigen organisatie op te bouwen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 27 (36 915 XVI).
Mevrouw Coenradie (JA21):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de kosten van de OVV oplopen, dat binnen deze regeling fraude is
vastgesteld en dat het hierbij voornamelijk gaat om uitgeprocedeerde vreemdelingen;
overwegende dat acute medisch noodzakelijke zorg beschikbaar moet blijven, maar zorggeld
niet mag weglekken door fraude, oneigenlijk gebruik of langdurige afhankelijkheid
van de regeling;
overwegende dat de OVV niet mag uitgroeien tot een structureel parallel systeem voor
mensen zonder verblijfsrecht;
verzoekt de regering om met behoud van toegang tot acute medisch noodzakelijke zorg
de OVV scherper af te bakenen en maatregelen uit te werken om fraude, oneigenlijk
gebruik en langdurige afhankelijkheid van de regeling tegen te gaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 28 (36 915 XVI).
Voorzitter: Coenradie
De voorzitter:
Goed. Over de orde van de dag gesproken. Met veel excuses, inderdaad, richting de
ambtenaren maar ook richting de Ministers voor het moeten afraffelen, terwijl er gewoon
ontiegelijk veel vragen zijn gesteld. Dit vraagt zeker om een héél goede evaluatie
en ik denk ook ontzettend veel reflectie op ons als Kamer en als Kamercommissie en
op mijn rol als voorzitter zoals ik die vandaag heb willen bekleden. Laat ik het daar
maar eventjes op houden.
Er zijn ook toezeggingen gedaan. Ik kijk even naar de griffie. Voor de zomer komt
er een brede brief over PAIS. In het najaar komt er meer informatie over … Ik begrijp
nu van de griffier dat er een brief komt met alle toezeggingen. De vragen die nog
niet beantwoord zijn, worden deze week beantwoord. Ook worden deze week de moties
geapprecieerd. Zo weten we in ieder geval aankomende dinsdag hoe het ervoor staat
en kunnen we dan gaan stemmen als Kamer.
Dat was ’m. Niet klokslag 17.00 uur, maar we hebben het gered. Ik wens iedereen een
heel prettige avond.
Sluiting 16.55 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M.E. Esmeijer, griffier