Schriftelijke vragen : Het interview van Ilja Leonard Pfeijffer met Frans Timmermans
Vragen van het lid Markuszower (Groep Markuszower) aan de Minister-President over het interview van Ilja Leonard Pfeijffer met Frans Timmermans (ingezonden 28 juli 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met dit bericht/artikel?1
Vraag 2
Kunt u uitleggen waarom u het in uw hoofd heeft gehaald om zo'n controversiële antisemiet
te benoemen tot Minister van staat? Bent u, indien u niet bereid bent deze benoeming
terug te draaien, bereid de heer Timmermans in plaats daarvan een andere, bij zijn
optreden passende eretitel te verlenen – bijvoorbeeld «ereminister van de antisemieten
en controverses» – zodat voor het publiek duidelijk is waar het kabinet werkelijk
voor kiest? Zo nee, waarom niet?
Vraag 3
Klopt het dat de heer Timmermans in dit interview letterlijk stelt: «In het Midden-Oosten
wordt momenteel een heel volk uitgeroeid. We kijken ernaar en we zwijgen, terwijl
de Palestijnen letterlijk in zee worden gedreven – en erger»? Kunt u bevestigen dat
hij in hetzelfde interview stelt dat de regeringspartijen in Israël van mening zijn
dat Israël «alleen maar kan overleven als de Palestijnen weg zijn», en dat hij deze
redenering vergelijkt met de redenering van de nazi's ten aanzien van het «Arische
ras»?2
Vraag 4
Deelt u de opvatting dat het gelijkstellen van het beleid van de democratisch gekozen
regering van de enige Joodse staat ter wereld aan de nazi-ideologie van de Endlösung
een klassieke vorm van antisemitisme is, zoals ook wordt omschreven in de werkdefinitie
van antisemitisme van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA), die
vergelijkingen tussen hedendaags Israëlisch beleid en het nationaalsocialisme expliciet
als voorbeeld van antisemitisme aanmerkt? Zo nee, waarom niet?
Vraag 5
Deelt u de opvatting dat er, anders dan de heer Timmermans stelt, in het geheel geen
sprake is van genocide of uitroeiing van het Palestijnse volk, en dat het gebruik
van deze term dan ook feitelijk onjuist is?
Vraag 6
Deelt u de opvatting dat het woord «uitgeroeid» in combinatie met een expliciete verwijzing
naar de Holocaust en het «Arische ras» niet zomaar kritiek op Israëlisch beleid is,
maar een vergaande relativering van de Holocaust en een vorm van Israël-demonisering,
beide kernelementen van antisemitisme volgens de IHRA-definitie? Zo nee, waarom niet?
Vraag 7
Deelt u de opvatting dat uitspraken van een Minister van staat een groter gezag en
een grotere maatschappelijke uitstraling hebben dan die van een gewone burger of oud-politicus,
juist omdat aan deze eretitel de aanspreekvorm «excellentie» is verbonden en de titel
wordt toegekend wegens bijzondere verdiensten voor het openbaar bestuur? Zo nee, waarom
niet?
Vraag 8
Is het kabinet, gelet op die bijzondere positie, bereid om formeel te (laten) beoordelen
of de in vraag 3 t/m 6 genoemde uitspraken van de heer Timmermans zich verdragen met
het aanzien van de titel Minister van staat? Zo nee, waarom niet en op basis van welke
afweging niet?
Vraag 9
Heeft u, of een van uw ambtsvoorgangers dan wel bewindspersonen, sinds het interview
contact gehad met de heer Timmermans over deze uitspraken? Zo ja, wat was de uitkomst
van dat contact? Zo nee, bent u daartoe alsnog bereid?
Vraag 10
Deelt u de constatering dat andere levende Ministers van staat in hun publieke optredens
doorgaans een terughoudende, beschouwende en niet-partijpolitieke toon aanhouden,
gericht op staatsrechtelijke reflectie of bestuurlijke ervaring, en zich doorgaans
onthouden van uitgesproken, ideologisch gekleurde stellingnames over actuele, verdelende
politieke twistpunten?
Vraag 11
Kunt u aangeven of er in de afgelopen tien jaar precedenten zijn van een zittende
Minister van staat die een vergelijkbaar breed uitgesponnen, sterk gekleurd en op
de actualiteit toegespitst interview heeft gegeven, met expliciete politieke stellingnames
over onder meer het Midden-Oosten-conflict, Europese verkiezingen, individuele politici
en partijen?
Vraag 12
Deelt u de opvatting dat het geven van een dergelijk interview, waarin de heer Timmermans
zich niet beperkt tot reflectie of advies maar actief en scherp politiek stelling
neemt – onder meer door zijn eigen opvolgers en politieke tegenstanders te typeren
en partijpolitieke aanbevelingen te doen – zich moeizaam verhoudt tot de aard van
de eretitel Minister van staat, die immers wordt geacht boven de dagelijkse partijpolitieke
strijd te staan? Zo nee, waarom niet, en kunt u dit onderbouwen met voorbeelden van
vergelijkbaar optreden van andere Ministers van staat?
Vraag 13
Bent u bekend met de uitspraak die de heer Timmermans in 2014 als Minister van Buitenlandse
Zaken deed in het televisieprogramma Pauw, dat er bij een slachtoffer van vlucht MH17
een zuurstofmasker over de mond was aangetroffen, met de toevoeging «die heeft dus
de tijd gehad om dat te doen»?3
Vraag 14
Kunt u bevestigen dat het Openbaar Ministerie destijds heeft moeten vaststellen dat
deze uitspraak feitelijk onjuist was, omdat het masker bij het slachtoffer om de nek
zat en niet over de mond, en dat de heer Timmermans naar aanleiding hiervan publiekelijk
excuses heeft moeten aanbieden aan de nabestaanden?4
Vraag 15
Deelt u de opvatting dat het doen van feitelijk onjuiste, emotioneel zeer beladen
uitspraken over de laatste momenten van slachtoffers van een vliegramp, richting hun
nabestaanden, een ernstige zaak is die zwaar dient mee te wegen bij de beoordeling
van iemands geschiktheid voor een eretitel?
Vraag 16
Bent u bekend met de verklaring van oud-minister Ronald Plasterk (PvdA), die in de
Volkskrant van 27 december 2016 en nadien herhaaldelijk heeft gesteld dat de heer
Timmermans na zijn terugkeer in de Tweede Kamer in 2010 gedurende ongeveer een half
jaar feitelijk geen fractiewerk heeft verricht, omdat hem niet meteen de portefeuille
Buitenlandse Zaken werd toegekend?5
Vraag 17
Kunt u bevestigen dat Plasterk hierover het volledige verhaal als volgt heeft weergegeven:
«Hij speelde het snoeihard. Timmermans zei eenmaal terug in de Kamer: «Ik wil de buitenlandportefeuille.»»
Toen de partijleiding dat weigerde, zei Timmermans: «Nou, dan doe ik gewoon niks»,
waarna Plasterk concludeert: «Echt, die heeft een half jaar niks gedaan. Ik vond het
een rare vertoning»?6
Vraag 18
Deelt u de opvatting dat een volksvertegenwoordiger die willens en wetens weigert
zijn werk te doen omdat hij een bepaalde portefeuille niet krijgt, terwijl hij gewoon
zijn volledige Kamervergoeding bleef ontvangen, zich niet gedraagt zoals van een dienaar
van het algemeen belang mag worden verwacht?
Vraag 19
Bent u bekend met de bredere kwalificatie die Ronald Plasterk in november 2024 publiekelijk
aan de heer Timmermans heeft gegeven, onder verwijzing naar in elk geval de volgende
voorbeelden:
a) over de ministerraad-kwestie schreef Plasterk: «Hij verklaarde dat racistische uitspraken
die in de ministerraad zijn gedaan de samenleving verdelen, en sprak daar schande
van.» Kunt u bevestigen dat de vertrokken Staatssecretaris Achahbar dit vervolgens
heeft weersproken met de woorden: «Ik ben niet weggegaan vanwege racisme»?
b) over de Poetin-klimaatbewering schreef Plasterk dat de heer Timmermans als vicevoorzitter
van de Europese Commissie op 25 januari 2022 stelde dat Poetin Oekraïne zou zijn binnengevallen
om de aandacht af te leiden van «zijn klimaatprobleem», en concludeert Plasterk daarover:
«Ook dat was een verzonnen stelling waar nooit meer iets over is gehoord»;
c) de MH17-kwestie zoals beschreven in vraag 13 t/m 15?7
Vraag 20
Bent u voorts bekend met:
a) de uitspraak van de heer Timmermans dat Israël «moedwillig op vrouwen en kinderen»
zou schieten, een uitspraak die commentatoren hebben vergeleken met een eeuwenoud
«bloedsprookje»;
b) de maatschappelijke ophef over zijn recente uitlatingen naar aanleiding van de moord
op de Amerikaanse activist Charlie Kirk;
c) de kritiek dat de heer Timmermans zich ten onrechte zou hebben gepresenteerd als «architect»
van de EU-Turkijedeal uit 2016?8
Vraag 21
Deelt u de opvatting dat dit patroon van feitelijk onjuiste en tegenstrijdige beweringen,
herkend en benoemd door zowel partijgenoten als buitenstaanders, een probleem van
geloofwaardigheid en betrouwbaarheid raakt dat zwaarder weegt dan een incidentele
misstap?
Vraag 22
Bent u bekend met de berichtgeving, onder meer van de Duitse krant Die Welt en het
Nederlandse Wynia's Week, dat de Europese Commissie onder verantwoordelijkheid van
de heer Timmermans als uitvoerend vicevoorzitter voor de Green Deal, contracten is
aangegaan met klimaat-ngo's waarbij financiering afhankelijk werd gesteld van lobbyactiviteiten
van die ngo's bij het Europees Parlement en tegen bijvoorbeeld kolencentrales, ten
gunste van zijn eigen Green Deal-beleid?9
Vraag 23
Kunt u bevestigen dat het zou gaan om een bedrag van ten minste 750 miljoen euro tot
mogelijk 7 miljard euro, afhankelijk van de bron en de onderzochte periode?
Vraag 24
Kunt u bevestigen dat de Europese Rekenkamer in 2025 scherpe kritiek heeft geuit op
het gebrek aan transparantie en toezicht bij de financiering van deze ngo's, en dat
de Taxpayers Association of Europe naar aanleiding hiervan een strafklacht heeft ingediend?
Vraag 25
Klopt het dat een meerderheid in het Europees Parlement (D66, CDA, VVD) een voorstel
voor een onafhankelijke audit naar deze kwestie heeft weggestemd?
Vraag 26
Deelt u de opvatting dat, ongeacht de uiteindelijke juridische uitkomst, het gebrek
aan transparantie rond miljarden aan publiek geld tijdens het bewind van Timmermans
op zijn minst een ernstige smet werpt op zijn bestuurlijke nalatenschap?
Vraag 27
Deelt u de constatering dat de Green Deal, waarvoor de heer Timmermans als «vader»
en architect wordt gezien, mede aan de basis heeft gelegen van een verslechterde Europese
concurrentiepositie, zoals beschreven in het rapport «The future of European competitiveness»
van Mario Draghi (september 2024), waarin wordt gewezen op regeldruk en hoge energiekosten
als knelpunten voor de Europese industrie?10
Vraag 28
Kunt u bevestigen dat Europese energieprijzen structureel circa drie keer hoger liggen
dan in de Verenigde Staten, dat de Nederlandse boerensector langdurig heeft geprotesteerd
tegen de Europese stikstof- en natuurdoelen die uit dit beleid voortvloeiden, en dat
ook de heer Timmermans zelf in het interview waarnaar in vraag 1 wordt verwezen erkent
dat «energieprijzen bij ons tot drie keer hoger liggen dan in de Verenigde Staten»?
Vraag 29
Deelt u de opvatting dat het feit dat de architect van dit beleid zelf, jaren later,
in het openbaar erkent dat de kosten voor de Europese industrie en voor gewone huishoudens
torenhoog zijn opgelopen, een relevant gegeven is bij het beoordelen of hij zich «bijzonder
verdienstelijk» heeft gemaakt voor het openbaar bestuur?
Vraag 30
Deelt u de opvatting dat de optelsom van de in vraag 3 t/m 29 genoemde kwesties – een
vergelijking van Israëlisch beleid met het nazisme, herhaaldelijk gesignaleerde onwaarheden
(ook door partijgenoten), een lobbyschandaal met miljarden aan publiek geld, en een
beleidsnalatenschap die de Europese economie fors heeft geschaad – bij elkaar genomen
zwaarder wegen dan wanneer het om een enkel incident zou gaan, en dat dit relevant
is voor de beoordeling of iemand nog wordt geacht zich «buitengewoon verdienstelijk»
te hebben gemaakt voor het openbaar bestuur, de maatstaf die het kabinet zelf hanteert
bij de toekenning van de titel Minister van staat? Zo nee, waarom niet?
Vraag 31
Kunt u toelichten hoe de benoeming van de heer Timmermans tot Minister van staat tot
stand is gekomen?
Vraag 32
Klopt het dat deze benoeming, samen met die van de heren Remkes en De Graaf, op 10 juli
2026 plaatsvond bij koninklijk besluit, op voordracht van de ministerraad en op voorstel
van u als Minister-President?
Vraag 33
Kunt u bevestigen dat de heer Timmermans op 29 oktober 2025 is teruggetreden als partijleider
en Kamerlid, en dat hij dus nog geen negen maanden uit de actieve, dagelijkse partijpolitiek
was op het moment van zijn benoeming tot Minister van staat?
Vraag 34
Kunt u dit afzetten tegen andere recente benoemingen tot Minister van staat, waaronder:
a) Jan Peter Balkenende, die in 2010 de actieve politiek verliet en pas in oktober 2022
– twaalf jaar later – Minister van staat werd;
b) Piet Hein Donner, die in 2018 Minister van staat werd na zijn aftreden als Vice-President
van de Raad van State, een onafhankelijk staatsrechtelijk adviesorgaan zonder partijpolitieke
functie;
c) Herman Tjeenk Willink, die tot 1 februari 2012 Vice-President van de Raad van State
was en pas op 21 december van dat jaar – ruim tien maanden later – Minister van staat
werd, eveneens vanuit een onafhankelijke, niet-partijpolitieke functie;
d) Frits Korthals Altes, die weliswaar direct na zijn aftreden als voorzitter van de
Eerste Kamer in 2001 Minister van staat werd, maar dan vanuit het bij uitstek boven
de partijen staande ambt van Kamervoorzitter, en niet vanuit een actief partijleiderschap;
e) Johan Remkes, wiens laatste actieve politieke rol (informateur, voorzitter Staatscommissie
Parlementair Stelsel) enkele jaren vóór zijn benoeming in 2026 eindigde?11
Vraag 35
Deelt u de opvatting dat de heer Timmermans, in vergelijking met al deze precedenten,
de enige is die vanuit een actief, uitgesproken en verdelend partijleiderschap – en
niet vanuit een onafhankelijke, boven de partijen staande functie zoals de Raad van
State of het Kamervoorzitterschap – in een ongekend kort tijdsbestek tot Minister
van staat is benoemd, en dat dit haaks staat op de gebruikelijke praktijk waarbij
deze eretitel wordt toegekend aan personen die al geruime tijd uit de actieve, dagpolitieke
arena zijn getreden?
Vraag 36
Welke overweging heeft het kabinet gemaakt om van deze gebruikelijke praktijk af te
wijken, en is daarbij meegewogen dat de heer Timmermans, ook ná zijn aftreden als
Kamerlid, actief politiek en maatschappelijk commentaar is blijven leveren, onder
meer in het interview waarnaar in vraag 1 wordt verwezen?
Vraag 37
Is het juist dat de titel Minister van staat geen wettelijke basis kent, geen vastomlijnde
toekenningscriteria heeft, en volledig ter discretie van de ministerraad wordt toegekend?12
Vraag 38
Deelt u, indien vraag 37 bevestigend wordt beantwoord, de opvatting dat dit tevens
betekent dat het kabinet een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om alleen personen
voor te dragen wier optreden onomstreden verenigbaar is met de waardigheid van deze
eretitel, en dat deze verantwoordelijkheid extra zwaar weegt wanneer, zoals hier,
wordt afgeweken van de gebruikelijke termijn tussen aftreden en benoeming?
Vraag 39
Is het kabinet bekend met het feit dat de titel Minister van staat in de Nederlandse
geschiedenis tweemaal is ingetrokken: in 1819 bij Gijsbert Karel van Hogendorp, wegens
zijn kritiek op het financiële beleid van Koning Willem I, en in 1947 bij Dirk Jan
de Geer, wegens diens houding tijdens de Duitse bezetting?13
Vraag 40
Deelt u de opvatting dat deze precedenten aantonen dat het intrekken van de titel
een bestaand en niet louter theoretisch instrument is, dat het kabinet ter beschikking
staat wanneer het optreden van een Minister van staat niet langer verenigbaar wordt
geacht met de eretitel?
Vraag 41
Kunt u bevestigen dat het intrekken van de titel Minister van staat, net als de toekenning
ervan, zou plaatsvinden bij koninklijk besluit, op voordracht van de ministerraad?
Vraag 42
Is het kabinet bereid een dergelijk besluit voor te bereiden ten aanzien van de heer
Timmermans, gelet op de in deze vragen genoemde uitspraken en kwesties? Zo nee, waarom
niet?
Vraag 43
Bent u bereid deze vragen op de meest spoedige termijn en één voor één te beantwoorden?
Indieners
-
Gericht aan
R.A.A. Jetten, minister-president -
Indiener
Gidi Markuszower, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.