Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Van Oosterhout en Tseggai over de klimaatzaak Bonaire
Vragen van de leden Van Oosterhout en Tseggai (beiden GroenLinks-PvdA) aan Minister van Klimaat en Groene Groei over de klimaatzaak Bonaire (ingezonden 26 mei 2026).
Antwoord van Minister Van Veldhoven-van der Meer (Klimaat en Groene Groei) en van
Minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat), mede namens de Staatssecretaris
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (ontvangen 24 juli 2026). Zie ook Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2304.
Vraag 1
Zijn de verschillende verantwoordelijke ministeries reeds in gesprek met de eisers
in de Klimaatzaak Bonaire, zijnde Greenpeace Nederland en de acht inwoners van Bonaire?
Zijn alle verantwoordelijke ministeries van plan dit te doen in het geval dit nog
niet is gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 1
Ja. Vanaf de eerste sommatie Greenpeace op 11 mei 2023 tot op heden zijn er gesprekken
geweest met Greenpeace en/of met een afvaardiging van de acht inwoners van Bonaire.
De primair betrokken ministeries – het Ministerie van EZK, het Ministerie van IenW
en het Ministerie van BZK – zijn aanwezig geweest bij deze gesprekken.
Vraag 2
Wat zijn de consequenties van het vonnis voor het huidige doel voor 55% reductie van
broeikasgasemissies in 2030 uit de nationale Klimaatwet?
Antwoord 2
De rechtbank heeft de Staat bevolen om binnen achttien maanden bindende emissiereductiedoelen
voor de gehele economie in nationale regelgeving op te nemen, waaronder tussentijdse
doelstellingen en trajecten voor de gehele periode tot 2050. De uitspraak van de rechtbank
is uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat het kabinet de bevelen uit het vonnis
direct moet uitvoeren, ook als hoger beroep wordt ingesteld. Vanzelfsprekend houdt
het kabinet zich aan gerechtelijke uitspraken en werkt zij aan de uitvoering daarvan.
In het vonnis stelt de rechtbank een aantal eisen, maar laat de rechtbank ook ruimte
voor invulling voor hoe het vonnis uitgewerkt moet worden. Momenteel wordt bezien
op welke wijze uitvoering kan worden gegeven aan dit mitigatiebevel. Het kabinet heeft
aangegeven uw Kamer uiterlijk met Prinsjesdag 2026 hierover nader te informeren, en
zal dat doen in de Klimaat- en Energienota.
Vraag 3
Gezien het feit dat de rechtbank oordeelt dat de Staat heeft nagelaten om te kwantificeren
hoeveel emissieruimte Nederland nog heeft als eerlijk deel van het mondiale emissiebudget
dat resteert om de opwarming tot 1,5 °C te beperken, hoe gaat u dit nu alsnog kwantificeren
zodat het klimaatbeleid en de klimaatdoelen in lijn komen met dit resterende budget?
Antwoord 3
Onderdeel van het mitigatiebevel is dat inzichtelijk gemaakt moet worden wat de (resterende)
emissieruimte voor Nederland is. Het kabinet neemt dit mee in de uitwerking van het
vonnis. Het kabinet heeft aangegeven uw Kamer uiterlijk met Prinsjesdag 2026 nader
te informeren over de wijze waarop aan het vonnis uitvoering wordt gegeven, en zal
dat doen in de Klimaat- en Energienota.
Vraag 4
Bent u bekend met de kwantificering van de emissieruimte door het Ministerie van Financiën
in het «Blauwe Boekje 2023–2024», waar de rechtbank in het vonnis naar verwijst? Zo
ja, kunt u overwegen om de Minister van Financiën te vragen om een actualisatie van
deze berekening? Hoe zorgt u dat er bij deze kwantificering en het vaststellen van
nieuwe klimaatdoelen ruimte is voor inspraak en publieksconsultatie en dat dit proces
gebaseerd is op de meest recente inzichten van de klimaatwetenschap?
Antwoord 4
Ja. Deze kwantificering combineert data van de mondiale emissieruimte op basis van
het IPCC AR6 rapport (2023) om de opwarming van de aarde tot 1,5°C te beperken met
data van het Planbureau voor de Leefomgeving, om inzichtelijk te maken welke bijdrage
Nederland kan leveren aan het beperken van de klimaatverandering. Daarbij worden verschillende
aannames gehanteerd om tot de becijferde emissieruimte te komen. Omdat het gaat om
ramingen voor de toekomst, moet de berekening uitgaan van een bepaalde kans waarmee
een scenario zich voordoet. Hierbij is gekozen voor een emissieruimte die correspondeert
met een kans van 50% om het temperatuurdoel van 1,5°C te halen. Daarnaast bevat de
berekening de aanname dat Nederland naar verhouding van zijn bevolkingsomvang ten
opzichte van de wereldbevolking een bijdrage levert aan het tegengaan van klimaatverandering.
Historische emissies zijn daarbij buiten beschouwing gelaten.
Het kabinet zal uitvoering geven aan het rechterlijk bevel om de (resterende) emissieruimte
voor Nederland inzichtelijk te maken. Hierbij zal het begrip emissieruimte en de manieren
waarop dit kan worden berekend, worden betrokken. Het kabinet zal bezien of een berekening
op basis van bovengenoemde aannames de meest navolgbare en robuuste manier is om de
emissieruimte inzichtelijk te maken. Voor het vaststellen van beleid wordt gebruik
gemaakt van de meest recente wetenschappelijke inzichten. Bij de voorbereiding van
regelgeving ter uitvoering van het vonnis wordt voorzien in een internetconsultatie,
zodat er ruimte is voor inspraak.
Vraag 5
Welke concrete stappen neemt u nu, gezien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is,
om uitvoering te geven aan de veroordeling van de rechtbank om uiterlijk binnen 18 maanden,
dus 28 juli 2027 nieuwe, bindende en economie-brede klimaatdoelen in de Klimaatwet
vast te leggen?
Antwoord 5
Het kabinet treft de nodige voorbereidingen om aan de uitspraak van de rechtbank te
voldoen. Hiervoor wordt een wetsvoorstel tot wijziging van de Klimaatwet voorbereid
en daarvoor worden verschillende opties in kaart gebracht. Het kabinet heeft aangegeven
uw Kamer uiterlijk met Prinsjesdag 2026 nader te informeren over de wijze waarop aan
het vonnis uitvoering wordt gegeven, en zal dat doen in de Klimaat- en Energienota.
Vraag 6
Hoe interpreteert u de vaststelling van de rechtbank dat het onrechtmatig is dat er
geen bindende nationale klimaatdoelstellingen zijn om de emissies van internationale
lucht- en scheepvaart terug te dringen?
Antwoord 6
In de Kamerbrief van 10 april jl. heeft het kabinet aangegeven dat de overweging van
de rechtbank dat emissies van internationale lucht- en zeevaart bij het vaststellen
van de nationale emissiereductiedoelen moeten worden meegenomen, naar de overtuiging
van het kabinet niet aansluit bij de internationale aanpak, waarin deze emissies worden
gereguleerd via gespecialiseerde VN-organisaties (ICAO en IMO). Dit vormt dan ook
één van de gronden die in hoger beroep wordt aangevoerd.
Vraag 7
Wat betekent het vonnis in de Bonaire Klimaatzaak voor het CO2-plafond voor de internationale lucht- en scheepvaart dat is voorgenomen in het coalitieakkoord?
En hoe verhoudt het openen van Lelystad Airport zich tot de uitspraak?
Antwoord 7
In het coalitieakkoord is afgesproken dat de totale CO2-uitstoot van de burgerluchtvaart op Schiphol en Lelystad Airport in 2030 lager moet
zijn dan de uitstoot op Schiphol in 2024. Aan de uitwerking van deze afspraak wordt
momenteel gewerkt. Daarbij wordt ook bezien wat de gevolgen van het vonnis in de Klimaatzaak
Bonaire zijn voor deze afspraak. De komende maanden wordt nader uitgewerkt op welke
wijze de afspraak kan worden geborgd. Uw Kamer wordt hierover rond de zomer geïnformeerd
via een beleidsbrief luchtvaart.
Vraag 8
Bent u bekend met het rapport «Effectinschatting klimaatmaatregelen Coalitieakkoord»
van onderzoeksbureau Kalavasta, waaruit volgt dat er een gat van tenminste 6 megaton
is tussen het huidige Nederlandse klimaatbeleid en het 2030-doel van 55% reductie?
Welke maatregelen, zowel normerend als beprijzend, gaat u nemen om dit gat te dichten
en uitstootreductie te versnellen, inclusief voor lucht- en scheepvaart?
Antwoord 8
Het kabinet is bekend met dit rapport. In het coalitieakkoord heeft het kabinet afgesproken
om in het voorjaar van 2027, indien nodig, nationaal geborgde maatregelen te treffen
om het doel van 2040 te halen. Het kabinet zal dit rapport bestuderen en meenemen
in de voorbereiding voor het voorjaar van 2027.
Vraag 9
Kunt u aangeven wat de consequentie van het klimaatzaakvonnis is voor methaan en andere
broeikasgasemissies in de landbouw en hoe dit zich verhoudt tot het eerdere vonnis
van de rechtbank Den Haag in de rechtszaak van Greenpeace tegen de Staat over stikstofdepositie?
Antwoord 9
Het bevel van de rechtbank is om absolute emissiereductiedoelen voor de gehele economie
in nationale regelgeving op te nemen, dus inclusief landbouw.
Ten aanzien van de uitspraak van de rechtbank Den Haag in de bodemprocedure van Greenpeace
over de maatregelen die de Staat treft om de stikstofbelasting op de meest kwetsbare
natuur te verminderen, heeft voormalig Minister van LVVN uw Kamer op 11 april 2025
geïnformeerd dat het kabinet heeft besloten om hoger beroep bij het gerechtshof in
te stellen1. De uitkomst van dit hoger beroep is nog niet bekend. Aangezien ook dit vonnis uitvoerbaar
bij voorraad is, worden – in lijn met het kabinetsbeleid – maatregelen genomen om
de stikstofbelasting op de meest kwetsbare natuur te verminderen. Een aantal van deze
maatregelen heeft ook een effect op de reductie van broeikasgasemissies in de landbouw.
Vraag 10
Klopt het dat de Verenigde Staten en/of Amerikaanse bedrijven gas en/of olie willen
winnen voor de kust van de BES-eilanden en de CAS-eilanden? Kunt u een overzicht bezorgen
van alle fossiele winningsprojecten op de eilanden, in de territoriale wateren en
in de nabijheid van de territoriale wateren van de BES- en CAS-eilanden?
Antwoord 10
Er zijn geen actieve winningsprojecten in de territoriale wateren van de BES- en CAS-eilanden.
Voor Aruba heeft Compania Arubano di Petroleo N.V. (CAP) in 2024 een overeenkomst
gesloten met Armstrong Oil & Gas Exploration (een Amerikaanse onderneming) om exploratieonderzoek
uit te voeren in de territoriale wateren van Aruba. Volgens de huidige stand van zaken
betreft dit nog uitsluitend studies en exploratieactiviteiten. Er vindt geen commerciële
winning plaats. Het verdere verloop hangt af van de resultaten van technische evaluaties
en de besluitvorming door de Arubaanse regering.
Vraag 11
Welke instantie beslist of dergelijke winningsprojecten al dan niet mogen doorgaan?
Vallen dergelijke winningsprojecten onder de Nederlandse Mijnbouwwet?
Antwoord 11
De Nederlandse Mijnbouwwet is niet van kracht in de Caribische delen van het Koninkrijk.
Specifiek op de Saba Bank is de Petroleumwet Saba Bank BES van kracht. Hier heeft
Saba Bank Resources N.V. een vergunning voor exploratie. Voor de CAS-eilanden geldt
dat zij als autonome landen binnen het Koninkrijk zelf bevoegd zijn voor besluitvorming
over eventuele opsporings- en winningsactiviteiten in hun territoriale wateren.
Vraag 12
Bent u het ermee eens dat dergelijke fossiele winningsprojecten door een niet-Europese
mogendheid tot een geopolitiek onwenselijke ontwikkeling kan leiden?
Antwoord 12
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om te veronderstellen dat eventuele
winning van olie of gas in de Caribische delen van het Koninkrijk zou leiden tot een
significante positie op de internationale olie- of gasmarkt. Eventuele aanvragen voor
exploratie- of winningsactiviteiten worden beoordeeld op basis van de geldende wet-
en regelgeving en een integrale afweging van alle relevante belangen. Daarbij moet
een bedrijf voldoen aan de geldende milieu-, veiligheids- en andere vereisten. Ook
worden economische, veiligheids- en geopolitieke aspecten betrokken, waarbij rekening
wordt gehouden met bredere strategische belangen en afhankelijkheden.
Vraag 13
Waarom zijn adaptatiemaatregelen op Bonaire systematisch later opgepakt dan in Europees
Nederland, en hoe gaat u deze achterstand inhalen? Zal een dergelijke inhaalbeweging
voldoende zijn om de mensen op Bonaire effectief te beschermen tegen schade ten gevolge
van klimaatrampen?
Antwoord 13
Sinds Bonaire onderdeel werd van het land Nederland in 2010 zijn er substantiële investeringen
geweest op het eiland. Aanvankelijk richtte dit zich op het op orde brengen van de
basisvoorzieningen. Er is veel geïnvesteerd in verschillende domeinen, waaronder in
zaken die bijdragen aan het verminderen van kwetsbaarheden van kleine eilanden zoals
weerwaarschuwingssystemen, drink- en afvalwatersystemen, natuurbeheer. Al deze zaken
dragen bij aan klimaatadaptatie.
Verder is recent het klimaatplan Bonaire aangeboden aan het Bestuurscollege Bonaire.
Dit plan is lokaal opgesteld door de Klimaattafel Bonaire, in opdracht van het openbaar
lichaam Bonaire en met ondersteuning vanuit het Rijk. In dit plan zijn verschillende
maatregelen voor klimaatadaptatie opgenomen die zijn opgesteld met participatie van
inwoners en organisaties op de verschillende eilanden. Dit proces is zorgvuldig opgebouwd,
onder meer met als doel om een breed draagvlak te creëren.
Daarnaast is het streven dit jaar de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) vast
te stellen. De NAS omvat ook Caribisch Nederland. In de NAS geeft het Rijk aan wat
de nationale ambitie is voor klimaatadaptatie, welke concrete doelen daarbij horen
en hoe we ons als Rijk de komende jaren zullen inspannen om deze ambitie en doelen
te halen. Recent is de ontwerp-NAS vastgesteld. Dit ontwerp ligt nu in consultatie.
Het streven is om samen met de definitieve NAS ook een uitvoeringsprogramma vast te
stellen waarin ook voor Caribisch Nederland concreet wordt gemaakt hoe deze inspanningen
tot uitvoer zullen komen. Bij de totstandkoming van het uitvoeringsprogramma zal ook
het Klimaatplan Bonaire worden meegenomen.
Vraag 14
Wat betekent het vonnis voor Saba en Sint-Eustatius, en in hoeverre wordt hier nu
opvolging aan gegeven, inclusief preventieve maatregelen om alle inwoners van de BES-eilanden
te beschermen tegen klimaatrampen en daarbij de gelijkwaardigheid van inwoners te
borgen?
Antwoord 14
Het vonnis van de rechtbank gaat over Bonaire. Het kabinet is er echter van doordrongen
dat het net zo goed de taak heeft om de inwoners van Saba en Sint Eustatius voldoende
te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Het kabinet neemt die taak
serieus en geeft daar invulling aan, onder meer door te werken aan de NAS en het uitvoeringsprogramma
die ook Saba en Sint Eustatius beslaan. Het streven is om beide dit jaar vast te stellen.
Zie hierover het antwoord op vraag 13.
Verder wordt op Saba en Sint Eustatius gewerkt aan klimaatplannen. Op Sint Eustatius
is het klimaatplan vastgesteld door het Bestuurscollege. Op Saba bevindt dit plan
zich in een afrondende fase. Bij de totstandkoming van het uitvoeringsprogramma zullen
naast het Klimaatplan Bonaire ook de klimaatplannen van Saba en Sint Eustatius worden
meegenomen.
Vraag 15
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de rechtbank Den Haag stelt dat het huidige
adaptatiebeleid voor Bonaire onvoldoende en zelfs discriminatoir is? Welke conclusies
trekt u uit de erkenning dat het Nederlandse beleid discriminatoir is?
Antwoord 15
De rechtbank oordeelt dat de inwoners van Bonaire bij het nemen van adaptatiemaatregelen
anders zijn behandeld dan de inwoners van Europees Nederland, zonder goede redenen
waaruit volgt dat die afwijkende behandeling passend, noodzakelijk en evenredig is.
De rechtbank erkent wel dat er sinds 2023 goede stappen zijn genomen om tot passende
maatregelen te komen. Het kabinet zal deze inspanningen doorzetten en samen met het
Openbaar Lichaam Bonaire doen wat voor de inwoners van Bonaire nodig is.
Vraag 16
Hoe gaat u om die discriminatie tegen te gaan het «gelijkwaardig beschermingsniveau»
voor de BES-eilanden wettelijk verankeren? Is er voor Bonaire, Saba en Sint-Eustatius
reeds een analyse gebeurd, waarbij voor ieder eiland afzonderlijk een inschatting
is gemaakt van de kwetsbaarheid voor toenemende klimaatrampen alsook van hun financiële
en andere capaciteit om adequaat op rampen te reageren? Krijgen de eilanden dezelfde
veiligheidsnormen (overstromingskansen) als de Nederlandse kust?
Antwoord 16
Er zijn verschillende gevolgen van klimaatverandering. Mede als gevolg van de geografische
en klimatologische omstandigheden op deze eilanden zullen deze gevolgen zich op verschillende
wijze manifesteren op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES). In 2016 is een onderzoek
naar de gevolgen door overstromingen uit zee en hevige neerslag uitgevoerd in opdracht
van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Dit onderzoek is in 2024 geactualiseerd
aan de hand van de KNMI’23 klimaatscenario’s. Voor andere gevolgen van klimaatverandering
worden soortgelijke analyses voorbereid in het kader van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie
(NAS). De situatie tussen Europees Nederland en de BES-eilanden en tussen de BES-eilanden
onderling verschilt. Daardoor is het niet mogelijk en niet wenselijk om overal dezelfde
veiligheidsnormen te hanteren en is er reden voor maatwerk. Er wordt dan ook per eiland
een inschatting gemaakt van de relevante risico’s en hierop wordt het beleid afgestemd.
Hierbij geldt het grondwettelijk verankerde gelijkheidsbeginsel als uitgangspunt.
Vraag 17
Bent u bereid om per direct dezelfde overstromingskansnormen wettelijk te verankeren
voor Bonaire als voor Europees Nederland of, indien deze overstromingskansnormen onvoldoende
zijn om alle inwoners van Bonaire afdoende te beschermen, bent u bereid striktere
normen voor Bonaire wettelijk te verankeren? Zo nee, welke normen zullen dan worden
toegepast om te voldoen aan het discriminatieverbod?
Antwoord 17
Bij de verdere uitwerking van het waterveiligheidsbeleid voor Bonaire zal het discriminatieverbod
worden betrokken. Het kabinet gaat daarbij voor de BES-eilanden uit van een beschermingsniveau
dat, rekening houdend met de lokale omstandigheden, vergelijkbaar is met dat van Europees
Nederland. Van belang is dat de aard en gevolgen van overstromingen op Bonaire wezenlijk
verschillen van die in Europees Nederland, dat wordt gekenmerkt door de ligging in
een laaggelegen delta met polders, rivieren en primaire waterkeringen. Bonaire daarentegen,
is grotendeels boven de zeespiegel gelegen en heeft vooral te maken met tropische
stormen en daardoor veroorzaakte stormvloeden en de effecten van hevige neerslag die
met name samenhangen met onvoldoende afwatering. Het handelingsperspectief op Bonaire
richt zich dan ook op het tijdig waarschuwen, inzet van de crisisorganisatie en ruimtelijke
ordening.
Overigens wordt in Europees Nederland voor waterveiligheid gewerkt met het principe
van meerlaagsveiligheid. Dit houdt in dat we overstromingsrisico’s aanpakken via drie
pijlers: preventie (dijken en keringen), ruimtelijke inrichting en rampenbeheersing.
Een vergelijkbare benadering ligt ook voor Bonaire in de rede. Verder is relevant
dat er momenteel geen wettelijke grondslag is voor het vastleggen van waterveiligheidsnormen
voor de BES-eilanden.
Vraag 18
Hoe garandeert u dat de geëiste kustbescherming op Bonaire uiterlijk in 2030 volledig
geïmplementeerd is, en welk budgettair pad is hiervoor nu reeds vastgelegd om te voorkomen
dat plannen slechts bij ambities blijven?
Antwoord 18
In het ontwerp van de Nationale Adaptatiestrategie (NAS) worden de doelen en inspanningen
genoemd die nodig zijn om Caribisch Nederland weerbaarder te maken tegen de gevolgen
van klimaatverandering. De verdere uitwerking van deze doelen vindt plaats in de uitvoeringsstrategie,
die naar verwachting eind 2026 gelijktijdig met definitieve NAS wordt vastgesteld.
In het kader van de Klimaattafel Bonaire is de afgelopen jaren gewerkt aan voorstellen
om de weerbaarheid van Bonaire tegen onder meer zeespiegelstijging, oceaanopwarming
en kusterosie te vergroten. Naar verwachting zullen de aanbevelingen van de Klimaattafel,
waaronder die ten aanzien van kustbescherming, worden betrokken bij de verdere uitwerking
van het uitvoeringsprogramma om zo tijdig maatregelen te treffen die bijdragen aan
het verminderen van klimaat gerelateerde risico’s.
Vraag 19
Waarom is de waterveiligheid van Bonaire nog niet structureel gekoppeld aan het Deltafonds?
In hoeverre kan en zal het Deltafonds worden opengesteld voor de BES-eilanden? Zal
de regering ervoor zorgen dat er voldoende budget in het fonds is voor de adaptatienoden
van zowel Europees als Caraïbisch Nederland? Wat is hiervoor nodig?
Antwoord 19
De bepalingen over het Deltafonds zijn onderdeel van de Waterwet. De reikwijdte van
de Waterwet is beperkt tot Europees Nederland. Hierdoor maken de BES-eilanden (Caribisch
Nederland) geen onderdeel uit van de scope van het Deltafonds. Het kabinet is bereid
om te verkennen, in lijn met de inhoudelijke analyse die wordt gemaakt, hoe de financiering
voor de bescherming van de BES-eilanden structureel geborgd kan worden en wat daarvoor
nodig is. Voor de BES-eilanden geldt dat financiering van infrastructuur, klimaatadaptatie
en waterbeheer momenteel via andere instrumenten verloopt, zoals bijzondere uitkeringen,
het BES-fonds en aanvullende, thematische programma’s.
Vraag 20
Bent u bereid om aanvullend een meerjarig Klimaatadaptatiefonds Caribisch Nederland
op te richten zodat naast de benodigde en omvangrijke investeringen in adaptatiemaatregelen
ten aanzien van waterveiligheid, ook maatregelen in het kader van bijvoorbeeld hitte,
gezondheid en natuur tijdig kunnen worden gefinancierd? Of middels welke fondsen zal
u zorgen voor een equivalent beschermingsniveau tegen klimaatverandering op Bonaire?
Antwoord 20
Het kabinet is bereid om te verkennen, in lijn met de inhoudelijke analyse die wordt
gemaakt, hoe de financiering voor de bescherming van de BES-eilanden structureel geborgd
kan worden en wat daarvoor nodig is. Er is op dit moment niet voorzien om aanvullend
een meerjarig Klimaatadaptatiefonds Caribisch Nederland op te richten. De inspanningen
en maatregelen die nodig zijn om de weerbaarheid van Caribisch Nederland te vergroten
tegen de verschillende gevolgen van klimaatverandering zullen gefinancierd worden
vanuit de begrotingen van de daarvoor verantwoordelijke departementen.
Vraag 21
Tot welke Europese fondsen hebben de BES-eiland toegang voor de financiering van adaptatie-
en mitigatiemaatregelen? Hebben ze gelijke toegang tot alle fondsen die de lidstaten
ter beschikking staan als gemeenten in continentaal Europa of worden ze hiervan uitgesloten?
Hebben ze toegang tot Europese fondsen voor internationale klimaatadaptatie?
Antwoord 21
Niet alle EU fondsen zijn toegankelijk voor de BES-eilanden, sommige programma’s echter
wel zoals BESTLIFE 2030 en Life IP. De Kamer is in 2023 geïnformeerd over de fondsen
waarvoor de LGO in aanmerking komen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 410 IV, nr. 35). Daarnaast is het ook niet altijd makkelijk om vanuit de BES-eilanden een succesvol
aanvraag in te dienen. Om het identificeren van geschikte fondsen en het succesvol
indienen van aanvragen te bevorderen, heeft Nederland in 2023 een speciaal gezant
voor Caribisch Nederland voor EU-fondsen benoemd., De speciaal gezant zet zich in
voor betere benutting van fondsen van de EU voor de BES-eilanden.
Vraag 22
Is de toegang van BES- en CAS-eilanden tot Europese financiering gelijkwaardig aan
de toegang van de Franse overzeese departementen en gebieden, zoals het Franse gedeelte
van Sint-Maarten?
Antwoord 22
Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint-Maarten hebben binnen de Europese
Unie (EU) allen de status van landen en gebieden overzee (LGO). De geoormerkte financiële
middelen voor de LGO zijn per Meerjarig Financieel Kader (MFK)-periode geregeld in
het LGO-besluit. Het Franse Saint Martin heeft echter de status van ultraperifeer
gebied (UPG) en is daarom, in tegenstelling tot de LGO, onderdeel van de interne markt
van de EU. Dit gaat samen met de toegang tot Europese structuurfondsen, zoals het
Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Daartegenover staat dat de UPG’s
alle interne marktregels moeten toepassen, met uitzondering van enkele uitzonderingen.
Voor de horizontale/thematische, niet geoormerkte, fondsen geldt dat de Europese Commissie
in de huidige MFK-periode (2021–2027) de toegang tot de verschillende fondsen voor
de LGO heeft verbeterd. Deze ambitie wordt voortgezet in het voorstel voor het nieuwe
LGO-besluit, waarbij wordt ingezet op het verbeteren van de aansluiting van de LGO
op de brede EU-financieringsarchitectuur. Er bestaan echter wel verschillen tussen
de LGO en UPG ten aanzien van EU financiering. In het verslag van EU-rapporteurs Roelien
Kamminga (VVD) en Jorien Wuite (D66) uit 2023 wordt gedetailleerd weergegeven om welke
fondsen het gaat.2
Vraag 23
Hoe kan het dat na orkaan Irma het Franse deel van Sint-Maarten beter beschermd was
en/of sneller kon heropbouwen dan het deel binnen het Koninkrijk der Nederlanden?
Wat zijn de oorzaken hiervan? Welke verschillen zaten er in de toegang tot Europese
financiering? En hoe verschilde de financiering voor zowel preventieve maatregelen
als voor wederopbouw vanuit Den Haag met de financiering vanuit Parijs?
Antwoord 23
De verschillen in herstel tussen het Franse Saint-Martin en het Nederlandse Sint Maarten
na orkaan Irma (2017) komen voornamelijk door verschillen in politieke structuren,
toegang tot EU-middelen, financieringsstructuren en bestuurscapaciteit. Saint-Martin
is Frans gebied, terwijl Sint-Maarten een autonoom land is binnen het Koninkrijk der
Nederlanden. Saint-Martin had hierdoor de voordelen van snelle toewijzing van EU-gelden
zoals Noodfondsen, centrale coördinatie door Parijs, en integratie in Franse noodplannen.
Frankrijk zegde direct € 1,2 miljard toe voor alle Franse Caribische eilanden. Nederland
stelde € 550 miljoen beschikbaar aan Sint-Maarten, waarmee snelle noodhulp is geboden
voor de acute gevolgen van de orkaan en vervolgens steun is geleverd via het Trustfonds
wederopbouw Sint Maarten van de Wereldbank, waarvan de projecten voorspoedig verlopen.
Vraag 24
Wat zijn de risico's voor de CAS- en BES-eilanden van de aangekondigde Super El Niño?
Wat is de huidige staat van paraatheid van de verschillende eilanden? Wat doet u om
de eilanden te ondersteunen in hun weerbaarheid tegen dit fenomeen? Welke extra stappen
worden er gezet?
Antwoord 24
Er is inderdaad een grote kans op een El Niño3, en ook dat het een relatief zware El Niño kan worden. El Niño zorgt in de regio
van de CAS en BES eilanden doorgaans voor een kleinere kans op orkanen, hogere temperaturen
en minder neerslag. In termen van risico betekent het dus een lagere kans op orkanen
(maar de kans op een orkaan blijft natuurlijk altijd bestaan tijdens het orkaanseizoen),
een hogere kans op droogte en daarbij horende impacts waaronder gezondheidsrisico's
gerelateerd aan droogte en hitte, en gevolgen voor biodiversiteit en landbouw. In
het kader van weerbaarheid worden met alle eilanden kennis en planvorming op gebied
van crisisbeheersing uitgewisseld, onder andere tijdens de Week van de crisisbeheersing
Caribische delen van het Koninkrijk. Crisisbeheersing is verder een landsaangelegenheid.
Vraag 25
Welke extra expertise en uitvoeringskracht acht het Rijk voor het Openbaar Lichaam
Bonaire nodig om ervoor te zorgen dat er voldoende lokale capaciteit is om de plannen
uit te voeren?
Antwoord 25
Het gebrek aan uitvoeringskracht en specialistische expertise is een terugkerende
uitdaging. Het Rijk werkt met het Openbaar Lichaam Bonaire aan structurele verbetering
hierin. Daarnaast zal bij de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) en het bijbehorende
uitvoeringsprogramma bezien worden of er aanvullende inspanningen nodig zijn om deze
klimaatplannen uit te voeren.
Vraag 26
Welke bijkomende maatregelen gaat u nemen opdat de BES-eilanden op korte termijn volledig
overgaan op duurzame energie, zodat de eilanden minder afhankelijk worden van fossiele
import?
Antwoord 26
Het kabinet zet zich samen met de eilandelijke overheden en energiebedrijven in voor
de verdere verduurzaming van de energievoorziening op de BES-eilanden. De afgelopen
jaren zijn vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat middelen beschikbaar
gesteld voor de uitbreiding van duurzame energie op Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
De uitvoering van deze projecten beslaat meerdere jaren en draagt eraan bij dat de
eilanden minder afhankelijk worden van fossiele import. Op Saba en Sint Eustatius
verlopen de verduurzamingsprojecten voorspoedig. Er zijn plannen voor 90% duurzame
energie op Saba (huidig 38%) en 85% op Sint Eustatius (huidig 55%)4. De elektriciteitsproducent van Bonaire beschikt over middelen en geheel uitgewerkte
plannen voor de verdere verduurzaming met zonne- en windenergie tot 70% duurzame elektriciteit.
Een uitdaging bij de realisatie is de vergunningverlening door het openbaar lichaam
Bonaire.
Eventuele bijkomende maatregelen worden in nauwe samenwerking met de betrokken stakeholders
op de eilanden uitgewerkt. Daarbij wordt gekeken naar welke aanvullende stappen technisch,
financieel en bestuurlijk haalbaar zijn om de verduurzaming van de energievoorziening
verder te versnellen, rekening houdend met de lokale omstandigheden en de betrouwbaarheid
en betaalbaarheid van de energievoorziening. Het Ministerie van Economische Zaken
en Klimaat blijft hierover in gesprek met de openbare lichamen, energiebedrijven en
andere betrokken partijen en zal waar nodig ondersteuning bieden in de vorm van expertise,
facilitering en financiering.
Vraag 27
Hoe kunt u ervoor zorgen dat energie betaalbaar is voor inwoners van Bonaire, ook
gezien de toenemende noodzaak van energieverbruik voor airconditioning als gevolg
van de opwarming van de aarde?
Antwoord 27
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat verstrekt structurele subsidies om
de kosten voor netbeheer van elektriciteit op Bonaire te verlagen. Hierdoor zijn deze
kosten de afgelopen jaren teruggebracht tot een niveau dat vergelijkbaar is met dat
in Europees Nederland. Daarnaast investeert het kabinet in de uitbreiding van duurzame
energie op het eiland. Door het vergroten van het aandeel duurzame energie wordt de
afhankelijkheid van invoer van fossiele brandstof verminderd, wat bijdraagt aan lagere
energiekosten voor inwoners. Zie hierover het antwoord op vraag 26.
Vraag 28
Kunt u aangeven welke maatregelen u treft tegen de gevolgen van de toenemende hitte
en extreme neerslag op Bonaire? Welke aanvullende stappen zijn noodzakelijk en wat
is de investeringsopgave hiervan?
Antwoord 28
Voor de toenemende hitte ondersteunt het kabinet de publieke gezondheid via de openbare
lichamen, waarbij ook aandacht is voor hittestress, Zo verkent de GGD Bonaire wat
er nodig is om een hitteplan op te stellen. Het kabinet verkent ook hoe kennis te
ontwikkelen over wateroverlast door extreme neerslag binnen de verschillende lagen
van meerlaagsveiligheid. Dit betreft zowel het modelleren van de gevolgen van extreme
neerslag als het opzetten van een regenwaterbeheerplan. Deze verkenningen zullen ook
leiden tot betere inzichten over aanvullende stappen en de benodigde financiering
hiervan.
Vraag 29
Welke maatregelen kan het kabinet nemen tegen de onder andere door klimaatverandering
veroorzaakte sargassumcrisis, die de economie van Caraïbisch Nederland ernstig schaadt,
met name in toerisme en visserij?
Antwoord 29
Aangespoelde sargassum kan verwijderd worden op plaatsen waar het hinder veroorzaakt
langs de kust. In de eerste fase van het Natuur en Milieu Beleidsplan zijn daarom
door het kabinet middelen ter beschikking gesteld voor Bonaire voor de aanschaf van
apparatuur en materialen om sargassum langs de kust op te ruimen. Indien er in Caribisch
Nederland grote problemen ontstaan met aangespoeld sargassum zal het kabinet in gesprek
gaan over een gepaste oplossing.
Vraag 30
Hoe beoordeelt u de relevantie van de rechtsoverwegingen in het Bonaire-vonnis voor
de overige landen binnen het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten), gezien de
gedeelde verantwoordelijkheid voor de waarborging van mensenrechten (artikel 43 Statuut)?
Erkent u dat de Staat der Nederlanden een coördinerende en faciliterende verantwoordelijkheid
heeft om te waarborgen dat ook de inwoners van de CAS-eilanden een gelijkwaardig niveau
van mensenrechtelijke bescherming tegen klimaatgevaren genieten, met in ogenschouw
nemend het vereiste respect voor de autonome status van deze landen?
Antwoord 30
Het vonnis gaat over Bonaire. Bonaire maakt deel uit van het land Nederland. Curaçao,
Aruba en Sint Maarten (CAS-landen) maken geen deel uit van het land Nederland maar
zijn autonome landen binnen het Koninkrijk. Dat staatkundige verschil maakt dat de
rechtsoverwegingen uit het vonnis niet 1-op-1 van toepassing zijn voor de CAS-landen.
In artikel 43 Statuut is opgenomen dat elk land zorgdraagt voor de verwezenlijking
van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden. Daarmee is het primair een taak
van de landen om ervoor te zorgen dat de mensenrechten gerealiseerd en beschermd worden.
In het geval dat niet lukt of kan, kan het Koninkrijk via de waarborgfunctie ingrijpen.
De vier landen van het Koninkrijk zijn het erover eens dat dit een ultimum remedium
is.
Vraag 31
Bent u bereid om, in de geest van het vonnis, proactief met de regeringen van de CAS-eilanden
in gesprek te gaan over een Koninkrijksbreed Klimaatfonds, zodat ook daar de noodzakelijke
adaptatiemaatregelen om mensen(rechten) te beschermen in de klimaatcrisis gefinancierd
kunnen worden die de lokale draagkracht te boven gaan?
Antwoord 31
Op dit moment is niet voorzien om een meerjarig Koninkrijksbreed Klimaatfonds op te
richten. De CAS-eilanden zijn zelf verantwoordelijk voor het financieren van inspanningen
en maatregelen die nodig zijn om de weerbaarheid van de CAS-eilanden te vergroten
tegen de gevolgen van klimaatverandering. Wel is actieve ondersteuning mogelijk via
kennisuitwisseling als bijdrage aan de klimaatadaptatie strategie op de eilanden.
Vraag 32
Bent u het ermee eens dat, aangezien het Koninkrijk der Nederlanden de officiële verdragspartij
is bij de UNFCCC, de belangen van de CAS-landen en BES-eilanden integraal onderdeel
moeten zijn van de Nederlandse en dus ook Europese inzet in internationale klimaatonderhandelingen?
Kunt u toelichten hoe de structurele consultatie met de regeringen en lokale besturen
van deze eilanden is vormgegeven in de aanloop naar de jaarlijkse COPs?
Antwoord 32
Het Koninkrijk der Nederlanden is als geheel verdragspartij bij het VN Raamverdrag
inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de Overeenkomst van Parijs. De Overeenkomst
van Parijs is op internationaal niveau alleen voor Europees Nederland aanvaard. Dit
betekent dat de territoriale gelding van de Overeenkomst van Parijs beperkt is tot
het Europese deel van het Koninkrijk. De uit de verdragen voortvloeiende verplichtingen
zijn dan ook alleen van toepassing op het Europese deel van het Koninkrijk. Ook de
dataverzameling van broeikasgasemissies en de rapportage aan de UNFCCC en aan de Europese
Commissie hebben alleen betrekking op het Europese deel van het Koninkrijk.
Het gehele jaar door vindt er op ambtelijk niveau overleg plaats met het Caribisch
deel van het Koninkrijk, met een intensivering richting de COP. Alle zes de eilanden
in het Caribisch deel van het Koninkrijk worden gevraagd om een gezamenlijke inzet
te formuleren voor de COP, die wordt opgenomen in de Koninkrijksinstructie. Deze inzet
wordt op het hoogste niveau (ministerieel voor de landen en met de gezaghebber op
de eilanden) afgestemd en geaccordeerd op de CAS-eilanden, de BES-eilanden en uiteindelijk
in de Rijksministerraad. De zes Caribische delen van het Koninkrijk worden ook in
de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan de COP. Tijdens COP28 heeft bijvoorbeeld
de MP van Curaçao deelgenomen en tijdens COP29 hebben de BES-gezant en ambtelijke
vertegenwoordiging van Curaçao deelgenomen. Tijdens COP25 en COP26 is er ministeriële
deelname geweest van respectievelijk Curaçao en Aruba. Tijdens COP21 is er op politiek
niveau deelname geweest van alle drie de CAS-landen.
Vraag 33
Erkent u dat «effectieve bescherming», zoals geëist in het vonnis, onmogelijk is zonder
een structurele meerjarige financiering die direct aansluit op de lokale behoeften
die aan de Klimaattafel zijn geformuleerd? Hoeveel extra middelen zijn er volgens
u nodig, en hoeveel middelen zal het Rijk beschikbaar stellen en wanneer besluit u
hierover?
Antwoord 33
Zoals in vraag 18 is toegelicht zullen de benodigde inspanningen genoemd die nodig
zijn om Caribisch Nederland weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering
verder uitgewerkt worden in het uitvoeringsprogramma bij de NAS. In dit proces worden
ook de klimaatplannen van alle drie de BES eilanden betrokken.
Het uitvoeringsprogramma zal ook een financiële paragraaf bevatten waarin duidelijk
wordt gemaakt wat de benodigde financiering is om dit uit te voeren. Zoals in antwoord
20 is toegelicht zullen de inspanningen gefinancierd worden vanuit de begrotingen
van de daarvoor verantwoordelijke departementen. Afhankelijk van de type inspanning
zal gekeken worden of hier structureel meerjarig financiering voor nodig is.
Vraag 34
Op welke wijze beschermt het kabinet het cultureel erfgoed op de zuidpunt van Bonaire
(zoals de slavenhuisjes) dat door de zeespiegelstijging reeds in 2050 dreigt te verdwijnen?
Antwoord 34
De Monumentenwet Bes vormt het kader voor beheer en behoud van cultureel erfgoed op
Bonaire. Dit wordt nader ingevuld door de monumenteneilandsverordeningen. Binnen deze
kaders is het de taak van het Openbare Lichaam Bonaire (OLB) om het cultureel erfgoed
te beschermen, bijvoorbeeld door aanwijzing als monument en door ruimtelijke bescherming.
Het Rijk ondersteunt daarbij. De huisjes van slaafgemaakten zijn door het OLB aangewezen
als monument.
Onderzoek toont aan dat de huisjes van tot slaafgemaakten in 2050 dreigen te verdwijnen
door zeespiegelstijging indien er geen maatregelen worden getroffen. De effecten van
klimaatverandering op cultureel erfgoed zijn relatief nieuw en hangen sterk samen
met andere opgaven zoals kustbescherming en natuur. Er zal daarom integraal verkend
moeten worden wat passende maatregelen zijn en hoe dit in het klimaatbeleid van Bonaire
past, zoals opgenomen in de ontwerp-NAS’26. Het Rijk ondersteunt het OLB hier bij.
Vraag 35
Hoe waarborgt u dat inwoners van Bonaire en de Klimaattafel Bonaire een doorslaggevende
stem krijgen in het nationale adaptatieplan dat uiterlijk in 2030 geïmplementeerd
moet zijn?
Antwoord 35
De ontwerp NAS is momenteel ter inzage gelegd. De hoofdstukken over CN zijn vertaald
naar het Engels en Papiaments, om de inspraak toegankelijk te maken voor de inwoners
van Caribisch Nederland. Bonaire heeft een klimaatplan opgesteld waarbij veel aandacht
is besteed aan de consultatie van de inwoners van het eiland. Dit klimaatplan vormt
de basis voor de uitwerking naar prioriteiten en uitwerking.
Vraag 36
Hoe zult u garanderen dat adaptatieprocessen op de BES-eilanden lokaal geleid kunnen
worden?
Antwoord 36
Het ligt voor de hand dat maatregelen die lokaal genomen kunnen worden ook lokaal
geleid zullen worden. Het opstellen van de eilandelijke klimaatplannen is dan ook
in opdracht van de openbare lichamen gebeurd, met ondersteuning vanuit het Rijk. In
die processen is ruime aandacht besteed aan lokale participatie. Daar waar er sprake
is van grotere processen waar het Rijk in grotere mate bij betrokken is, zal dat altijd
in nauwe afstemming zijn met de openbare lichamen.
Vraag 37
Bent u bekend met de motie van de Eilandsraad van Bonaire, waarin het Bestuurscollege
wordt opgeroepen om de Nederlandse Staat te houden aan de rechtskracht van het vonnis?
Welke aspecten van deze motie gaat u uitvoeren? En kunt u toezeggen dat alle aanbevelingen
die voortvloeien uit de motie van de Eilandsraad integraal onderdeel worden van de
Nederlandse inzet tijdens de komende Klimaattop (COP), om Bonaire als internationaal
voorbeeld van «Small Island Justice» te positioneren? Hoe beoordeelt u de passage
in de motie die spreekt over de «historische schuld» en de plicht van Nederland om
de kwetsbaarste delen van het Koninkrijk prioritair te beschermen?
Antwoord 37
Het kabinet is bekend met deze motie aan het Bestuurscollege. Bij de voorbereiding
van het hoger beroep beziet het kabinet over welke onderdelen van de uitspraak er
grieven worden ingediend. Voor de VN-klimaattop hanteren we de aanpak zoals beschreven
in het antwoord op vraag 32. De CAS en BES formuleren hierbij hun inzet voor de COP,
als onderdeel van de Koninkrijksinstructie. Op deze wijze nemen we de belangen van
de Caribische delen van het Koninkrijk, en dus ook Bonaire, mee tijdens de COP.
Vraag 38
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het plenaire
debat over het vonnis inzake de Bonaire Klimaatzaak?
Antwoord 38
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Mede namens
E. van der Burg, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties -
Mede ondertekenaar
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.