Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Koorevaar over het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf kippenboerderijen
Vragen van het lid Koorevaar (CDA) aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf kippenboerderijen (ingezonden 20 juli 2026).
Antwoord van Minister Van Essen (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) (ontvangen
21 juli 2026).
Vraag 1
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Provincie wil vergunningen van vijf kippenboeren
intrekken», waarbij de provincie Noord-Brabant de natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven
wil intrekken?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Bent u bekend met de voorgenomen intrekking van natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven
in Noord-Brabant naar aanleiding van de Mobilisation for the Environment (MOB)-procedure?
Hoe beoordeelt de Minister deze ontwikkeling?
Antwoord 2
Dit voornemen is mij bekend. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de
betreffende ondernemingen. De provincie Noord-Brabant heeft zich als gevolg van een
rechterlijke uitspraak tot dit voornemen genoodzaakt gezien.
Anders dan de beeldvorming die vrijdag mogelijk uit de berichtgeving2 is ontstaan, ben ik van mening dat het stikstofpakket zoals gepresenteerd in de brief
van 26 juni jl. in beginsel, ook in toekomstige situaties in Noord-Brabant, voldoende
basis biedt om gemotiveerd handhavingsverzoeken af te wijzen. Alle betrokken partijen
moeten, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet, alles op alles
zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals. Ook
vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het
pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Dit is waarom ik vol blijf inzetten op het zo snel mogelijk ook juridisch verankeren
van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd,
en waarom ik onder andere in oktober een spoedwet en een concept-programma met maatregelen
aan uw Kamer zal voorleggen waarmee handhavings- en intrekkingsverzoeken kunnen worden
voorkomen. Met dit pakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen kan verslechtering
van de natuur aantoonbaar worden voorkomen. Ook duidelijke instructieregels nabij
Natura 2000-gebieden in het kader van de zoneringsaanpak leveren een belangrijke bijdrage
aan het voorkomen van intrekkings- en handhavingsverzoeken.
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat het ongewenst is om zonder doorlopend gesprek in een proces
over een reductieplan van de veehouders over te gaan tot het voornemen een vergunning
in te trekken? Is er sprake van behoorlijk bestuur? Is de provincie voldoende toegerust
om dit proces te begeleiden?
Antwoord 3
Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote
mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd.
Gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant hebben een voornemen aangekondigd
om uiterlijk 1 oktober vijf ontwerpbesluiten te nemen waarin dit voornemen op bedrijfsniveau
zal worden uitgewerkt en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Alternatieve
plannen voor stikstofreductie zullen en moeten dan nog in de belangenafweging die
gedeputeerde staten dienen te maken, worden meegenomen. De betreffende ondernemingen
worden in dit proces ook in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Het
besluit van gedeputeerde staten zal uiteindelijk door de rechter moeten worden getoetst.
In dat kader zal dan ook worden beoordeeld of de provincie zich daarbij heeft gehouden
aan de juridische kaders, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het
is uiteindelijk aan de provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een
intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij
om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel vind ik het uitermate
van belang dat de lijnen zoals beschreven in mijn Kamerbrief, namelijk mogelijkheden
voor gebiedsprocessen waarin ondersteuning vanuit het trappetje van Remkes worden
geboden, worden gevolgd. Te weten ondersteuning voor omschakelen, verplaatsen of vrijwillig
beëindigen. Zo ook in Noord-Brabant.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u situaties waarin ondernemers aangeven een gezamenlijk stikstofreductieplan
te hebben ingediend, maar men desondanks wordt geconfronteerd met een voorgenomen
vergunningintrekking? Welke eisen stelt het Rijk aan een zorgvuldige beoordeling van
dergelijke plannen?
Antwoord 4
Naast de casuïstiek in Noord-Brabant (vraag 3), is er mij momenteel geen andere situatie
bekend waarbij er een gezamenlijk stikstofreductieplan is ingediend en waar men vervolgens
met een voorgenomen vergunningenintrekking geconfronteerd is.
Vraag 5
Kunt u toelichten wat hij concreet verstaat onder «perspectief voor jonge boeren»
en hoe dat perspectief zich verhoudt tot situaties waarin jonge ondernemers, ondanks
het indienen van een stikstofreductieplan, worden geconfronteerd met het vooruitzicht
hun bedrijf te moeten beëindigen?
Antwoord 5
Ik vind het erg belangrijk dat er een duurzaam perspectief is voor de agrarische sector
in Nederland. Dat is juist van belang voor jonge agrariërs. Dat is ook waar het pakket
van maatregelen dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd ten volste op inzet.
Ondersteuning van en voor de sector maakt daar terecht een essentieel onderdeel van
uit.
Vraag 6
Hoe verhoudt de beschreven situatie zich tot een gebiedsgerichte aanpak, waarin innovatie,
extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging worden gecombineerd
ten einde de doelen voor een gebied te halen?
Antwoord 6
De aanpak die het kabinet heeft gepresenteerd, zet nadrukkelijk in op meerdere sporen.
Ondersteuning gericht op innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging
zijn essentiële onderdelen van het maatregelenpakket. De tijd die het stikstofpakket
ondernemers biedt om om te schakelen, te innoveren, te verplaatsen of te beëindigen
is daarbij ook van groot belang. Voor de zoneringsaanpak zet het kabinet ook in op
specifiek flankerend beleid om boeren te ondersteunen om de beweging naar extensivering
te kunnen maken. Voor de zoneringsaanpak zijn de lopende gebiedsprocessen van groot
belang. Ik kijk bij de uitwerking van deze aanpak ook naar de aansluiting op lopende
processen.
Vraag 7
Bent u van mening dat reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging
binnen een gebied voldoende moet worden meegewogen bij de beoordeling van aanvullende
maatregelen voor de resterende bedrijven? Zo ja, hoe wordt dit geborgd?
Antwoord 7
Ja, reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging moet
– ook vanuit proportionaliteitsoogpunt – worden meegewogen. Dit gebeurt ook al in
de huidige praktijk. Binnen de context van intrekkingsverzoeken is dit geborgd doordat
het juridische instrument van intrekking vanwege stikstofoverbelasting alleen mag
(en blijkens jurisprudentie, in specifieke situaties, moet) worden toegepast wanneer
sprake is van dreigende of geconstateerde verslechtering van de voor stikstof gevoelige
natuurwaarden. Wanneer door vrijwillige bedrijfsbeëindiging of andere aanvullende
maatregelen daar geen sprake meer van is, kunnen intrekkingsverzoeken ook gemotiveerd
worden afgewezen. Het pakket aan maatregelen zoals gepresenteerd door het kabinet
op 26 juni jl. is erop gericht om dat te bewerkstelligen.
Vraag 8
Ziet u aanleiding om samen met provincies te bezien hoe juridische procedures kunnen
worden gecombineerd met gebiedsprocessen, zodat ondernemers, natuurorganisaties en
overheden gezamenlijk tot duurzame oplossingen kunnen komen?
Antwoord 8
Ik deel dat het van grote waarde is dat ondernemers, natuurorganisaties en overheden
samen tot oplossingen komen en deze op breed draagvlak kunnen rekenen. Dit staat ook
centraal bij de wijze waarop de samenhangende aanpak is vormgegeven en zal ook een
belangrijk onderdeel blijven van de verdere uitwerking daarvan. De gebiedsprocessen
bieden daar een waardevolle basis voor. Daarbij is het wel van belang dat de oplossingsrichtingen
en voorziene maatregelen passen bij hetgeen nodig is, juist om in de toekomst zoveel
mogelijke juridische procedures te voorkomen.
Ik vind het belangrijk dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook
waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent
mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en
intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het Interprovinciaal Overleg
(IPO), maar ook met de provincie in Noord-Brabant in overleg treden, om zo met elkaar
de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd
te kunnen afwijzen.
Omdat ik een van de betroffen boeren heb bezocht in een van mijn eerste werkbezoeken,
zal ik me ook bij hen in hun gebied verder laten informeren over hoe onze kabinetsaanpak
past bij de aanpak die nu in het gebied plaatsvindt.
Ondertekenaars
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.