Schriftelijke vragen : De positie van alleenverdieners met een uitkering bij het extra bedrag aan kinderbijslag (AKW+)
Vragen van de leden Flach (SGP) en Patijn (PRO) aan de Minister van Werk en Participatie over de positie van alleenverdieners met een uitkering bij het extra bedrag aan kinderbijslag (AKW+) (ingezonden 20 juli 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juni 2023 over
de uitleg van het begrip arbeidsinkomen voor de toepassing van de AKW+1 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2025 over de toepassing
van de inkomenseis bij paren waarvan één van de partners volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
is?2
Vraag 2
Wat vindt u van het feit dat ouders als gevolg van de uitspraak uit 2023 onverwacht
geconfronteerd werden met het wegvallen van een aanzienlijk bedrag aan extra kinderbijslag?
Vraag 3
Hoe beoordeelt u de inconsistentie dat partners met een uitkering als gevolg van de
uitspraak uit 2023 in beginsel geen recht meer hebben op AKW+, terwijl alleenstaande
ouders met een uitkering dat recht behouden, en dat de Centrale Raad van Beroep voor
bepaalde IVA-gevallen inmiddels een uitzondering noodzakelijk heeft geacht? Welke
consequenties verbindt u hieraan?
Vraag 4
Wat was de exacte uitvoeringspraktijk tot aan de genoemde rechterlijke uitspraken
ten aanzien van uitkering van AKW+ aan alleenverdieners met een bijstands-, WIA-,
WW- of Wajong-uitkering? Welke wijzigingen in de uitvoeringspraktijk hebben plaatsgevonden
naar aanleiding van genoemde uitspraken, en per wanneer zijn deze ingegaan? Aan welke
ouders keert de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de AKW+ momenteel wel uit en aan welke
niet?
Vraag 5
Wat was de betrokkenheid van het ministerie bij de wijzigingen in de uitvoeringspraktijk,
en wie heeft hieraan goedkeuring verleend?
Vraag 6
Klopt het dat de gevolgen van de uitspraak uit 2025 in de uitvoering vooralsnog worden
beperkt tot situaties waarin sprake is van een IVA-uitkering en dat SVB op haar website3 aangeeft dat IVA-uitkeringsgerechtigden recht hebben op AKW+ en dat dat niet geldt
voor WGA-uitkeringsgerechtigden? Zo ja, kunt u uitleggen waarom hiervoor is gekozen?
Vraag 7
Acht u een onderscheid tussen IVA- en WGA-gerechtigden gerechtvaardigd indien de feitelijke
gezins- en zorgsituatie vergelijkbaar is? Zo ja, op welke juridische gronden? Zo nee,
welke consequenties verbindt u daaraan?
Vraag 8
Onderschrijft u dat de Centrale Raad van Beroep zijn oordeel mede heeft gebaseerd
op de feitelijke gezins- en zorgsituatie en niet uitsluitend op de omstandigheid dat
betrokkene een IVA-uitkering ontving? Zo nee, waarom niet?
Vraag 9
Deelt u het standpunt dat op basis van deze uitspraak niet de conclusie kan worden
getrokken dat uitsluitend IVA-uitkeringsgerechtigden aanspraak moeten kunnen maken
op AKW+? Zo ja, bent u bereid de uitvoeringspraktijk hierop aan te passen?
Vraag 10
Deelt u de mening dat ouders die ervoor kiezen of genoodzaakt zijn de zorg voor een
kind met een intensieve zorgvraag grotendeels zelf op zich te nemen, daarvoor niet
financieel benadeeld zouden moeten worden? En hoe beoordeelt u het feit dat gezinnen
die ervoor kiezen of genoodzaakt zijn de intensieve zorg zelf te organiseren hierdoor
juist financieel worden benadeeld?
Vraag 11
Deelt u de opvatting dat het voor de draagkracht van een gezin weinig verschil maakt
of het inkomen afkomstig is uit arbeid of uit een socialezekerheidsuitkering, wanneer
dat inkomen het gezinsinkomen vormt en de andere ouder vanwege de intensieve zorg
voor een kind geen betaalde arbeid verricht?
Vraag 12
Erkent u dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2025 laat zien dat de
arbeidsinkomenseis in bepaalde gevallen op gespannen voet kan komen te staan met het
doel van de regeling om gezinnen met een zorgintensief kind te ondersteunen? Welke
conclusies verbindt u daaraan?
Vraag 13
Deelt u de mening dat de regeling ten aanzien van AKW+ primair zou moeten aansluiten
bij de zorgbehoefte van het kind en de feitelijke draagkracht van het gezin? Zo nee,
waarom niet? Zo ja, bent u bereid te bezien of de wetgeving op dit punt aanpassing
behoeft?
Vraag 14
Kunt u per categorie aangeven hoeveel huishoudens als gevolg van genoemde uitspraken4 het recht op AKW+ verloren,5 voor een aanvraag zijn afgewezen of6 alsnog AKW+ kregen toegekend? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen alleenverdieners
en overige huishoudens?
Vraag 15
Wat zijn de verwachte budgettaire effecten van eventuele uitbreiding van de doelgroep
van AKW+ naar andere uitkeringsgerechtigden, uitgesplitst naar WIA, WW, Wajong en
Participatiewet?
Vraag 16
Klopt het dat naar aanleiding van deze uitspraken een verkenning plaatsvindt naar
de gevolgen voor de uitvoering en de doelgroep van de regeling en dat die verkenning
al geruime tijd loopt? Wat is de stand van zaken van deze verkenning en bent u bereid
de Kamer hierover op korte termijn te informeren, met als doel duidelijkheid te bieden
aan deze ouders?
Vraag 17
Nu de Centrale Raad van Beroep in zijn beoordeling uitdrukkelijk betekenis heeft toegekend
aan de feitelijke gezins- en zorgsituatie, bent u bereid expliciet te onderzoeken
of ook andere alleenverdienersgezinnen, waaronder alleenverdieners met een WGA-uitkering,
in een vergelijkbare feitelijke positie ten onrechte van AKW+ zijn uitgesloten? Zo
nee, waarom niet?
Vraag 18
Wordt in de lopende verkenning expliciet onderzocht of de uitspraak van de Centrale
Raad van Beroep ook gevolgen heeft voor andere uitkeringsgerechtigden die zich in
een vergelijkbare feitelijke situatie bevinden? Zo nee, waarom niet?
Vraag 19
Bent u bereid daarbij ook in te gaan op de gevolgen voor de rechtsgelijkheid tussen
verschillende groepen alleenverdieners en de mogelijke noodzaak van aanpassing van
wet- en regelgeving? Zo nee, waarom niet?
Vraag 20
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Indieners
-
Gericht aan
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie -
Indiener
André Flach, Kamerlid -
Medeindiener
Mariëtte Patijn, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.