Schriftelijke vragen : De ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders
Vragen van het lid Westerveld (PRO) aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over de ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders (ingezonden 16 juli 2026).
Vraag 1
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat uit de factsheet van Jeugdzorg Nederland1 blijkt dat het aantal pleegouders sinds 2015 aan het dalen is en ook het aantal belangstellenden
dat informatie opvraagt afgelopen jaar flink is gedaald?
Vraag 2
Hoeveel kinderen staan er momenteel op de wachtlijst voor pleegzorg? Hoe lang moeten
zij gemiddeld wachten?
Vraag 3
In de afgelopen jaren zijn verschillende wervingsacties opgezet, door jeugd- en pleegzorgorganisaties
en door het ministerie, is duidelijk wat deze campagnes hebben opgeleverd? Worden
de resultaten gebruikt om de jeugd- en pleegzorgorganisaties verder te helpen in het
werven van nieuwe pleegouders, en vooral ook met het behouden van huidige pleegouders?
Vraag 4
Herkent u het beeld uit de factsheet waarbij wordt gesteld dat de ondersteuning van
pleeggezinnen niet altijd aansluit bij wat nodig is, zoals vergoedingen voor kosten
en inzet van passende hulp en ondersteuning bij complexe opvoedsituaties? Zo ja, hoe
kan het dat deze redenen bij ongeveer ieder onderzoek naar voren komt en er ogenschijnlijk
te weinig gebeurt om dit soort praktische belemmeringen weg te nemen?
Vraag 5
Bent u bekend met signalen van pleegouders die aangeven dat er vaak een wisseling
van jeugdbeschermers is, maar ook gedoe en onduidelijkheid over onder meer ondersteuningsplannen
in het onderwijs en de financiering daarvan? Deelt u de mening dat dit voor pleegouders
demotiverend werkt? Wat kunt u doen om pleegouders hiermee te helpen? Welke gemeente
is, wie is binnen gemeenten, verantwoordelijk als het bijvoorbeeld gaat over het financieren
van een ondersteuningsplan? Wie helpt pleegouders die er tegenaan lopen dat gemeenten
naar elkaar wijzen?
Vraag 6
Hoe kunt u pleegouders ondersteunen in het (herstellen van) contact met de biologische
ouders indien deze in beeld zijn? Herkent u het beeld dat dit soms moeizaam gaat en
zowel biologische ouders als pleegouders soms gebaat zijn bij extra ondersteuning,
en waar nodig een reiskostenvergoeding? Wie is daarvoor verantwoordelijk?
Vraag 7
Kunt u aangeven hoe de op 7 december 2021 breed gesteunde motie Westerveld cs is uitgevoerd,
die de regering verzoekt om met pleegzorgorganisaties en de VNG afspraken te maken
over de bijzondere kosten en de naleving ervan «en hierin verder te gaan dan een handreiking
en samen richtlijnen op te stellen, en daarin te expliciteren welke zaken betaald
moeten worden uit de pleegvergoeding en welke zaken en bedragen vallen onder de toeslag
en de vergoeding voor bijzondere kosten, met behoud van de mogelijkheid tot maatwerk.»?
Heeft dit voldoende opgeleverd of bent u het met ons eens dat een verdere aanscherping
kan helpen om meer pleegouders te behouden?
Vraag 8
Herkent u ook het door de VNG geschetste beeld2 over de onduidelijkheid die er bij veel gemeenten is als het gaat over de uitvoering
van de regeling voor de compensatie van pleegouders bij kinderopvang?
Vraag 9
Klopt het dat het bedrag van 10,7 miljoen euro niet geoormerkt is? Zo ja, is dit bedrag
besteedt aan het beoogde doel?
Vraag 10
Ziet u een manier om dit makkelijker te regelen, zoals het direct compenseren van
de kosten van pleegkinderen door het Rijk of de gemeente? Deelt u de mening dat dit
een manier kan zijn om pleegouders te ontzien en bureaucratie te verminderen, en zou
u dit daarom willen onderzoeken?
Vraag 11
Kunt u de actuele stand van zaken schetsen van de uitvoering van de motie Westerveld-Van
Nispen waarin wordt gevraagd om een wettelijke verankering van het recht op samenplaatsing
bij uithuisplaatsing? Wat is de voorgenomen ingangsdatum van de wet waarin dit wordt
geregeld? Op welke manier worden pleegouders en gezinshuisouders ondersteund zodat
zij in staat zijn om kinderen uit één gezin gezamenlijk op te vangen? Wordt daarin
ook voorzien in deze wet?
Vraag 12
Welke aanvullende hulp is er voor pleegouders wanneer een kind een beperking of ziekte
heeft? Wie is er dan verantwoordelijk voor de levensonderhoud van een kind, of de
noodzakelijke hulpmiddelen of aanpassingen aan een huis? Hoe is dit geregeld als het
gaat over deeltijd pleegzorg? Bent u bereid om met gemeenten en pleegzorgorganisaties
de afspraak te maken dat ook bij deeltijdpleegzorg de aanvullende kosten die noodzakelijk
zijn voor een pleegkind met een beperking, niet bij de pleegouders terecht komen?
Vraag 13
Wat gebeurt er als een kind in een wlz-instelling of een PGB-gefinancierde woonvorm
gaat wonen? Kunnen pleegouders (die zich vaak verantwoordelijk zullen blijven voelen)
de kosten voor persoonlijke spullen en andere benodigdheden en vrijetijdsbesteding
dan ergens declareren? Zo nee, deelt u de mening dat hiermee zowel pleegouders als
pleegkind te kort worden gedaan?
Vraag 14
Is het mogelijk om pleegouders en gezinshuisouders te ondersteunen bij jongeren die
21 worden en voor wie de vergoeding vervalt, wanneer zij geen andere plek hebben of
woning kunnen vinden? Zo ja, op welke manier? Hoe kunnen pleegouders en gezinshuisouders
deze ondersteuning aanvragen?
Vraag 15
Klopt het dat er voor gezinshuizen geen duidelijk wettelijk kader en zij slechts beperkt
worden genoemd in de Jeugdwet, waardoor er regelmatig onduidelijkheid bestaat tussen
het verschil tussen vrijheidsbeperkende maatregelen en pedagogische opvoedtaken, zoals
bijvoorbeeld bedtijden of het gebruik van mobiele telefoons? Herkent u signalen van
gezinshuisouders die hier tegenaan lopen?
Vraag 16
Deelt u de mening dat de landelijke Kwaliteitscriteria Gezinshuizen3 zoals opgesteld door het Nederlands Jeugdinstituut (NJI), deskundigen en belangenorganisatie,
weliswaar duidelijke veldnormen bevatten, maar logischerwijs niet ingaan op veel praktische
situaties waar gezinshuisouders tegenaan lopen, die vergelijkbaar zijn met situaties
in reguliere gezinnen en waarbij soms ook professionele normen op gespannen voet kunnen
staan met pedagogisch handelen zoals gebruikelijk in een ouder-kind situatie?
Vraag 17
Waar kunnen gezinshuisouders naartoe als hierover onduidelijkheid bestaat?
Vraag 18
Wat kunt u verder nog doen om jeugd- en pleegzorgorganisaties te helpen in de ondersteuning
van pleegouders?
Indieners
-
Gericht aan
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport -
Indiener
Lisa Westerveld, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.