Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg inzake de Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 13 juli 2026 (Kamerstuk 21501-32-1823)
21 501-32 Landbouw- en Visserijraad
Nr. 1826
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 13 juli 2026
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van 2 juli 2025 over de geannoteerde
agenda Landbouw- en Visserijraad 13 juli 2026 (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1823)
De vragen en opmerkingen zijn op 6 juli 2026 aan de Minister en Staatssecretaris van
Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van 13 juli 2026
zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Steen
Adjunct-griffier van de commissie, Bosman
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersonen
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda. Deze
leden constateren dat de Sociaal-Economische Raad (SER) op 26 juni een kritisch briefadvies
heeft uitgebracht over de kwaliteit van de omnibusvoorstellen van de Europese Commissie
(EC) (SER, 26 juni 2026, «SER vraagt aandacht voor kwaliteit van Europese wetgeving»
(https://www.ser.nl/nl/publicaties/kwaliteit-europese-wetgeving). De SER wijst erop dat een onderbouwing in de vorm van een impactassessment ontbreekt,
dat de voorstellen eenzijdig op lastenreductie zijn gericht en dat oog voor de effecten
op de brede welvaart tekortschiet. Deze leden constateren dat de SER daarmee niet
alleen staat: ook de Europese Ombudsman kwam in november 2025 tot het oordeel dat
de Commissie zich bij de omnibusreeks niet aan haar eigen Better Regulation-maatstaven
houdt. Hoe weegt het kabinet deze opeenvolgende kritische adviezen en deelt het kabinet
de zorg dat het uitblijven van impactassessments de voorspelbaarheid, kwaliteit en
legitimiteit van Europese wetgeving ondermijnt? De SER roept het kabinet concreet
op zich in Brussel actiever in te zetten voor wetgevingskwaliteit en proceswaarborgen,
zoals impactanalyses, brede consultatie en transparantie. Is het kabinet bereid deze
oproep over te nemen en zich hier in Raadsverband hard voor te maken? Deze leden hechten
er tegelijk aan te benadrukken dat vereenvoudiging en wetgevingskwaliteit geen tegenstelling
hoeven te vormen. Zij vragen het kabinet hoe het zich ervoor inzet dat de omnibus
daadwerkelijk leidt tot betere, evidence-based regelgeving en niet uitsluitend tot
minder regelgeving.
Het kabinet is het met de Sociaal-Economische Raad (SER) eens dat Europese regelgeving
het concurrentievermogen ten goede kan komen indien deze zorgvuldig, uitvoerbaar,
voorspelbaar en goed onderbouwd is. Dat geldt ook voor voorstellen die gericht zijn
op vereenvoudiging en vermindering van regeldruk. Het kabinet vindt het belangrijk
onnodige regeldruk te verminderen en regelgeving waar nodig aan te passen. Tegelijkertijd
moet vereenvoudiging zorgvuldig gebeuren, op basis van goede effectbeoordelingen en
consultatie, met oog voor het belang van rechtszekerheid en voorspelbaarheid en de
beleidsdoelstellingen die met regelgeving worden gediend. Daarom pleit het kabinet
ervoor dat bij ieder voorstel een impact assessment door de commissie wordt uitgevoerd.
Het kabinet komt nog met een reactie op de SER-brief.
De leden van de D66-fractie zijn voorts bezorgd over het gelekte conceptrapport van
de rapporteurs van het Europees Parlement (EP), dat op onderdelen nog verder gaat
in het versoepelen van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen dan de EC zelf voorstelt.
Hoe beoordeelt het kabinet dit conceptrapport en is het kabinet bereid zich ervoor
in te spannen dat een hoog niveau van bescherming van mens, dier en milieu geborgd
blijft?
Nederland zet zich binnen de onderhandelingen over de Omnibus veiligheid van voedsel
en diervoeder in om, conform de eerder met de Kamer gedeelde Nederlandse inzet (Kamerstuk
22 112, nr. 4261), het huidige beschermingsniveau voor mens, dier en milieu te handhaven. Wanneer
een compromistekst ter instemming aan de lidstaten wordt voorgelegd zal de Staatssecretaris
de Kamer over dit voorstel en het kabinetsstandpunt informeren. Wanneer de Raad een
mandaat van de lidstaten heeft gekregen, zullen de onderhandelingen met het Europees
Parlement (EP) starten. Aangezien het hier om een gelekt conceptrapport gaat, dat
onderdeel is van een eigenstandig proces, kan de Staatssecretaris hier niet op ingaan.
De leden van de D66-fractie maken van dit overleg gebruik om aandacht te vragen voor
de positie van voedselinnovatie in Europa. Deze leden herinneren de Minister aan de
eerder aangenomen motie-Tjeerd de Groot waarin de regering werd verzocht zich ervoor
in te zetten dat kweekvlees op de werkagenda van de Europese Commissie zou worden
geplaatst (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 84). Deze leden vragen het kabinet naar de stand van zaken: op welke wijze en met welk
resultaat is aan deze motie uitvoering gegeven? Deze leden constateren met zorg dat
Europa dreigt achterop te raken bij de Verenigde Staten en andere landen als het gaat
om de markttoelating van producten uit kweekvlees, precisiefermentatie en natuurlijke
fermentatie, terwijl Nederland juist internationaal koploper is in voedselinnovatie.
De huidige Novel Food-verordening wordt door veel bedrijven ervaren als traag en beknellend.
Kan het kabinet aangeven hoeveel tijd een gemiddelde markttoelatingsprocedure onder
de Novel Food-verordening thans in beslag neemt en hoe zich dit verhoudt tot de doorlooptijden
in de Verenigde Staten en Singapore?
In de Biotech Act I stelt de Europese Commissie (hierna: Commissie) wijzigingen voor
in de Algemene levensmiddelenverordening (Verordening (EG) nr. 178/2002) om de risicobeoordelingsprocedures
voor biotechnologie te vereenvoudigen en doorlooptijden te verkorten. Het kabinet
steunt deze voorstellen, omdat ze aansluiten bij de ambitie van het kabinet voor doelmatige
en voorspelbare toelatingsprocedures, zoals uitgesproken in de Kabinetsvisie op biotechnologie
2025–2040 (2025D16515).
In de huidige procedure komt de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA),
volgens de wettelijke doorlooptijd, binnen negen maanden na ontvangst van een geldige
aanvraag van de Commissie met haar opinie. Binnen zeven maanden na de publicatie van
de EFSA-opinie dient de Commissie een ontwerp-uitvoeringsverordening in bij het Permanent
Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, voor toelating van het
nieuwe levensmiddel tot de markt. De werkelijke doorlooptijd kan langer zijn, omdat
er door EFSA om aanvullende informatie kan worden gevraagd.
Singapore kent een vergelijkbare procedure, met een gemiddelde doorlooptijd van 9
tot 12 maanden, met mogelijke verlenging door verzoeken om aanvullende informatie.
De VS kent een ander systeem met een formele en niet-formele procedure en is daarmee
onvergelijkbaar met de situatie in Europa.
De leden van de D66-fractie vragen het kabinet voorts of de Omnibus Food and Feed,
of enig ander aangekondigd voorstel, elementen bevat die de toelating van deze innovatieve
producten kunnen versnellen of vereenvoudigen. Zo ja, welke? Zo nee, is het kabinet
bereid zich er in Raadsverband voor in te zetten dat een versnelling en vereenvoudiging
van de Novel Food-toelating alsnog op de Europese agenda komt?
In de Omnibus veiligheid van voedsel en diervoeder staan deze voorstellen niet. Zoals
eerder aangegeven, stelt de Commissie in de Biotech Act I wijzigingen voor in de Algemene
levensmiddelenverordening om de risicobeoordelingsprocedures voor biotechnologie te
vereenvoudigen en doorlooptijden te verkorten. Deze voorstellen worden door het kabinet
gesteund.
De onderhandelingen over (een ander gedeelte van) de Biotech Act I zijn inmiddels
gestart; de eerste Raadswerkgroep heeft recent plaatsgevonden. De verwachting is indicatief
dat de Raad in de loop van volgend jaar tot een compromisvoorstel zal komen. Daarna
starten de trilogen tussen de Raad, het parlement en de Commissie.
Ten slotte maken deze leden zich zorgen over het vestigingsklimaat voor deze sector.
Innovatieve voedselbedrijven verlaten Europa vanwege de knellende regelgeving en de
trage toelatingsprocedures van deze voedselinnovaties- en producten. Deelt het kabinet
de opvatting dat dit een verlies zou betekenen voor de Europese en Nederlandse strategische
autonomie op eiwitgebied, temeer daar het gelekte Proteïneplan juist inzet op diversificatie
van eiwitbronnen? Welke stappen zet het kabinet, in Brussel en nationaal, om te voorkomen
dat deze koploperspositie verloren gaat en bedrijven vertrekken?
Het vertrek van bedrijven op het gebied van voedselinnovaties betekent een verlies
voor de strategische autonomie en voor het concurrentievermogen van Nederland en Europa.
Mede daarom kondigde het kabinet recent de Agrifood Innovatieagenda aan (Kamerstuk
33 009, nr. 179), waarin ook aandacht zal zijn voor innovatieve en alternatieve bronnen voor eiwitten.
Nederland zet daarnaast met de € 60 mln. uit de Groeifondsmiddelen nationaal in op
het versterken van het ecosysteem voor cellulaire agricultuur door te investeren in
het juiste personeel (onderwijs), de ontwikkeling van de technologie en maatschappelijke
acceptatie (onderzoek) en het realiseren van twee open access opschalingsfaciliteiten
(opschaling). Ook heeft het kabinet recentelijk geïnvesteerd in de uitbreiding van
een eerste proefboerderij voor kweekvleesproductie in Europa, om zo de kansen van
deze innovatie voor boeren beter zichtbaar te maken. Ten slotte zet het kabinet in
op publiek-private samenwerking op het gebied van de eiwittransitie, binnen de Kennis-
en Innovatieagenda Landbouw, water, voedsel.
Met deze inzet investeert het kabinet gericht in het versterken van het vestigingsklimaat
voor innovatieve bedrijven gericht op alternatieve eiwitten. Het kabinet zal de Kamer
kort na het zomerreces middels een BNC-fiche informeren over de kabinetspositie ten
aanzien van het Actieplan voor het EU-eiwittensysteem, inclusief een appreciatie van
het voorstel.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 13 juli 2026 en de onderliggende stukken.
Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
Strategie voor de veehouderij en de EU-Eiwitstrategie
De leden van de VVD-fractie lezen dat de EC tijdens deze Raad de Strategie voor de
Veehouderij en de EU-Eiwitstrategie zal presenteren. Deze leden onderschrijven het
belang van een sterke, innovatieve en economisch renderende Europese landbouw- en
veehouderijsector. Kan de Minister aangeven welke concrete uitgangspunten Nederland
tijdens deze eerste gedachtewisseling zal inbrengen? Kan hij bevestigen dat Nederland
zich zal inzetten voor een strategie die de concurrentiekracht van de Europese landbouw
versterkt, ruimte laat voor innovatie en ondernemerschap en niet leidt tot nieuwe
productiebeperkingen of disproportionele administratieve lasten voor boeren?
Wij verwelkomen de publicatie van het Actieplan voor het EU-eiwittensysteem en de
Europese Strategie voor de veehouderij. Deze strategieën kunnen een belangrijke bijdrage
leveren aan duurzaamheid, concurrentievermogen, verdienvermogen, weerbaarheid en de
open strategische autonomie van het Europese voedselsysteem. Het is van belang dat
de strategieën een integrale aanpak hebben en een geloofwaardige routekaart bieden
voor een veehouderijsector die economisch levensvatbaar, diervriendelijk, klimaatbestendig,
weerbaar en in evenwicht met de leefomgeving is. Tegelijkertijd moeten de strategieën
het potentieel van alternatieve eiwitbronnen en circulaire voersystemen activeren
voor zowel dierlijke als humane consumptie. Het kabinet zal de Kamer kort na het zomerreces
middels een BNC-fiche informeren over de appreciatie van beide strategieën en de Nederlandse
inzet.
De leden van de VVD-fractie vragen de Minister voorts hoe hij voorkomt dat de Europese
eiwitstrategie leidt tot sturing op één specifiek productiesysteem.
Het is van belang dat het Actieplan voor het EU-eiwittensysteem een integrale aanpak
heeft. Het kabinet zal de Kamer kort na het zomerreces middels een BNC-fiche informeren
over de kabinetspositie ten aanzien van het Actieplan voor het EU-eiwittensysteem,
inclusief de appreciatie van het voorstel.
Actieplan Meststoffen
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche over het Europese
Actieplan Meststoffen. Deze leden onderschrijven het belang van strategische autonomie,
maar benadrukken dat verduurzaming alleen kans van slagen heeft wanneer deze uitvoerbaar
blijft voor ondernemers. Zij lezen dat het kabinet kritisch is op onderdelen van de
voorgestelde Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)-crisisregeling vanwege de uitvoerbaarheid
daarvan. Kan de Minister nader toelichten welke onderdelen volgens het kabinet tot
de grootste uitvoeringsproblemen leiden? Welke concrete wijzigingen zal Nederland
tijdens de onderhandelingen bepleiten om de regeling eenvoudiger, sneller uitvoerbaar
en minder administratief belastend te maken?
Vanwege de urgentie is de procedure voor het steunpakket versneld doorlopen. Het voorstel
is zowel door de Raad als het EP unaniem aangenomen. Ook Nederland heeft ingestemd.
Daarbij heeft Nederland wel aandacht gevraagd voor de uitvoerbaarheid van het voorstel
en de administratieve lasten voor boeren.
De leden van de VVD-fractie lezen tevens dat de EC inzet op versterking van de Europese
productie van meststoffen en circulaire alternatieven. Kan de Minister aangeven welke
concrete maatregelen Nederland hierbij ondersteunt? Op welke wijze zet Nederland zich
in voor een verdere toelating en toepassing van RENURE en andere circulaire meststoffen,
zodat de afhankelijkheid van import uit derde landen daadwerkelijk wordt verminderd?
Het kabinet heeft in het BNC-fiche over het Europese Actieplan Meststoffen (Kamerstuk
22 112, nr. 4394) onderkend dat ondersteuning van de Europese productie van meststoffen en circulaire
alternatieven van belang is, aangezien deze een kritieke rol vervult in de Europese
voedselzekerheid. Het kabinet ondersteunt de (kunst)mestindustrie als strategische
sector. Hiermee wordt onder andere binnen de industriële innovatieprogramma’s ingezet
op opschaling van circulaire en biobased meststoffen. Ook wordt in het BNC-fiche toegelicht
op welke wijze de Commissie inzet op het beschermen van de (duurzame) kunstmestproductie
in de Europese Unie (EU), waarbij instrumenten als het Emissions Trading System (ETS) en het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) dienen ter bescherming van de Europese (kunst)meststoffenproductie. Het kabinet
zet zich in voor een sterk en effectief ETS en CBAM.
Ook is de inzet op verdere toelating en toepassing van RENURE en andere circulaire
meststoffen een mogelijkheid om de Europese productie van meststoffen te verhogen.
Het kabinet is verheugd dat de Commissie in het Actieplan Meststoffen heeft aangekondigd
de reikwijdte van RENURE te willen verbreden naar bepaalde vormen van digestaat, maar
vindt het van belang dat dit niet tot nadelige milieueffecten leidt, met name ammoniakemissies
naar de lucht en uit- en afspoeling van stikstof en fosfaat naar grond- en oppervlaktewater.
Toelating van vormen van digestaat in de RENURE-ruimte kan op relatief korte termijn
verlichting van de mestmarkt bieden en de vraag naar stikstofkunstmest verminderen.
De Commissie heeft aangekondigd voorbereidingen hiertoe te treffen met als voornemen
dat de toelating van een vorm van digestaat in het volgend uitrijdseizoen mogelijk
wordt. De Minister wacht het voorstel van de Commissie af en zal, nadat de Europese
toelating bekend is, zo spoedig mogelijk zorgen dat nationale regelgeving ter implementatie
van de Europese regelgeving gereed is.
De leden van de VVD-fractie vragen de Minister tevens hoe hij voorkomt dat de verduurzamingsambities
uit het actieplan leiden tot een verslechtering van de internationale concurrentiepositie
van de Nederlandse agrarische sector en de Europese kunstmestindustrie. Kan hij bevestigen
dat Nederland zich zal blijven verzetten tegen voorstellen die leiden tot extra administratieve
lasten of nationale koppen bovenop Europese regelgeving?
De verduurzamingsambities uit het Actieplan Meststoffen hoeven niet per definitie
te leiden tot een verslechtering van de internationale concurrentiepositie van de
Nederlandse agrarische sector en de Europese kunstmestindustrie. Positief is dat de
Commissie inzet op harmonisatie en vereenvoudiging van regels voor alternatieve en
circulaire meststoffen. Met het Actieplan worden Europese afspraken gemaakt en is
geen sprake van nationale koppen bovenop Europese regelgeving.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de EC verschillende tijdelijke crisismaatregelen
voorstelt. Kan de Minister bevestigen dat deze maatregelen daadwerkelijk tijdelijk
blijven en niet via toekomstige wetgeving alsnog structureel onderdeel worden van
het GLB?
Voor de crisisinterventie die wordt voorgesteld zijn specifieke voorwaarden opgenomen
die expliciet gaan over de stijging van de kosten voor meststoffen. Dit maakt het
zeer onwaarschijnlijk dat de maatregel kan worden ingezet voor een nieuwe crisis zonder
een nieuw wijzigingsvoorstel voor de verordening vanuit de Commissie.
Handelsgerelateerde landbouwvraagstukken
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van open internationale handelsstromen.
Deze leden vragen de Minister welke handelsdossiers tijdens deze Raad voor Nederland
de hoogste prioriteit hebben. Hoe zet Nederland zich ervoor in dat nieuwe handelsafspraken
daadwerkelijk leiden tot een gelijk speelveld, waarbij geïmporteerde landbouwproducten
aan vergelijkbare eisen voldoen als Europese producten? Is de Minister bereid zich
te blijven inzetten voor ambitieuze handelsakkoorden die bijdragen aan de concurrentiekracht
van de Nederlandse land- en tuinbouw?
In het Coalitieakkoord is opgenomen dat het kabinet inzet op een actief en ambitieus
EU-handelsbeleid, waarin handelsakkoorden een belangrijk instrument zijn. Tijdens
de Raad zullen we daarom het belang benadrukken van goede handelsafspraken met belangrijke
handelspartners voor de economische weerbaarheid van de Europese landbouwsector, zowel
in geopolitiek rustige als onrustige tijden, en van het open houden van handelsstromen.
Daarbij zullen we aangeven uit te kijken naar de behandeling in de Raad van het akkoord
tussen de EU en Indonesië, dat op 29 juni jl. door de Commissie is aangeboden. Zoals
bekend, beoordeelt het kabinet ieder nieuw akkoord op zijn merites voorafgaand aan
besluitvorming, met als uitgangspunt dat deze akkoorden moeten bijdragen aan het versterken
van de Nederlandse economie, waaronder de Nederlandse land- en tuinbouw. Alvorens
een standpunt in de Raad in te nemen zal een kabinetsappreciatie worden opgesteld
en aan de Kamer worden gestuurd.
Alle geïmporteerde producten moeten voldoen aan de EU-eisen ten aanzien van plant-
en diergezondheid, voedselveiligheid (sanitaire en fytosanitaire maatregelen) en etikettering.
Met betrekking tot productiestandaarden zet het kabinet zowel multilateraal (zoals
bij de Wereldhandelsorganisatie) als bilateraal in op het verhogen van die standaarden
(Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 85). Zo zijn in handelsakkoorden duurzaamheidsafspraken opgenomen, zoals over het tegengaan
van ontbossing. Tijdens de Raad zullen we aandacht vragen voor de implementatie daarvan.
Ook bieden handelsakkoorden een kader voor reguliere dialogen, waarbij gesproken kan
worden over het verder gelijk trekken van standaarden, evenals het maken van afspraken
over arbeids- en milieustandaarden. Daarbij geldt wel dat productiestandaarden door
ieder land zelf worden bepaald, op basis van lokale omstandigheden, zoals infrastructuur,
geografische ligging, sociaaleconomische situatie, klimaat en milieu. Ook kan de EU
een ander land niet zomaar dezelfde eisen opleggen voor productie zoals die gelden
binnen de EU. De EU zou het opleggen van productiestandaarden door derde landen ook
niet accepteren.
Vrouwen in de landbouw
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de gedachtewisseling over vrouwen
in de landbouw. Deze leden onderschrijven dat talent en ondernemerschap in de agrarische
sector optimaal benut moeten worden. Kan de Minister aangeven welke concrete belemmeringen
vrouwelijke agrarische ondernemers volgens het kabinet in de praktijk nog ervaren
en op welke wijze Europese samenwerking daarbij daadwerkelijk meerwaarde kan bieden?
Kan de Minister tevens bevestigen dat de Nederlandse inzet erop gericht blijft dat
eventuele Europese initiatieven zich richten op het wegnemen van feitelijke belemmeringen
en het delen van goede voorbeelden, en niet leiden tot nieuwe administratieve verplichtingen
of rapportageverplichtingen voor agrarische ondernemers?
De rol van vrouwen in de landbouw staat toenemend in de belangstelling. Vrouwen leveren
op verschillende wijzen een bijdrage aan de agrarische sector, als bedrijfshoofd en/of
(mede-)eigenaar van een bedrijf, een ondernemer in een nevenactiviteit aanvullend
op het agrarische bedrijf, inkomen vanuit een andere sector, of als partner. In elk
van deze rollen leven er andere behoeften of belemmeringen. Wij zien dat de grootste
uitdagingen voor vrouwen in de Nederlandse landbouw in de cultuur besloten liggen,
waarin vrouwen vaak nog niet logischerwijs worden gezien als bedrijfsopvolger of als
bedrijfshoofd. Het aanbod van cursussen of netwerken sluit niet altijd voldoende aan
op de behoefte van vrouwelijke agrarische ondernemers. Mooi voorbeeld is een ondernemerschapscursus
waar vrouwen zich niet voor inschreven, totdat deze cursus met precies dezelfde inhoud
werd aangeboden als ondernemerschapscursus voor vrouwen in de landbouw. Daarnaast
is de juridische positie van vrouwen en mannen op het erf niet altijd goed geregeld,
waardoor vrouwen na een echtscheiding of overlijden van hun partner soms in de problemen
komen.
Structuurproblemen zoals gebrek aan infrastructuur, opvang en economische kansen zien
wij als een minder urgent probleem in ons dichtbevolkte land dan in landen waar rurale
gebieden minder goed bereikbaar zijn.
De Verenigde Naties heeft dit jaar uitgeroepen tot het jaar van de vrouwelijke boer.
Ook het Ministerie van LVVN besteed hier aandacht aan door evenementen van vrouwenorganisaties
in de landbouw te ondersteunen en sectorpartijen uit te dagen hun bijdrage te leveren.
Door bewust in te zetten op het belang van de rol van vrouwen in de landbouw, door
rolmodellen te tonen, en te zoeken naar voldoende diversiteit in gesprekspartners,
kan het potentieel van vrouwen in de landbouw worden vergroot. Europese samenwerking
is relevant voor het versterken van kennis over de bijdrage van vrouwen in de landbouw
en het verzamelen en analyseren van beschikbare data. De inzet is niet gericht op
nieuwe rapportageverplichtingen of het doen toenemen van administratieve lasten.
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid
De leden van de VVD-fractie lezen dat de onderhandelingen over het GLB na 2027 voortgaan.
Deze leden zijn van mening dat het toekomstige GLB eenvoudiger en minder bureaucratisch
moet worden. Kan de Minister aangeven welke concrete vereenvoudigingen Nederland momenteel
actief bepleit tijdens de onderhandelingen? Welke administratieve verplichtingen voor
agrariërs zouden volgens het kabinet als eerste moeten verdwijnen? Kan de Minister
daarnaast aangeven met welke lidstaten Nederland momenteel optrekt om te komen tot
een eenvoudiger en concurrerender GLB? Ziet de Minister ruimte om samen met gelijkgezinde
lidstaten verdere stappen te zetten op het terrein van regeldrukvermindering en vereenvoudiging?
Vereenvoudiging blijft een zeer belangrijk streven voor het toekomstige Gemeenschappelijk
Landbouwbeleid (GLB). In de praktijk betekent dat dat lidstaten meer ruimte krijgen
om zelf keuzes te kunnen maken hoe systemen en individuele regelingen precies in te
richten, zodat ze beter kunnen aansluiten op de landbouwpraktijk in Nederland. De
Minister zet zich in voor gezamenlijke Europese ambitie op het niveau van de doelen,
maar met voldoende ruimte om de juiste maatregelen te kiezen om die doelen te behalen.
Door meer ruimte in de verordening te krijgen, bijvoorbeeld door het schrappen van
bepaalde verplichte interventies en voorwaarden die Nederland nu niet toepast, wil
de Minister meer juridische ruimte krijgen om de beste mix van GLB-instrumenten samen
te stellen, zodat de instrumenten werkbaar zijn op het boerenerf. De Minister zoekt
naar de juiste balans tussen vereenvoudiging op het boerenerf, uitvoerbaarheid en
ook doelbereik van het volgende GLB.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de stukken voor de Landbouw-
en Visserijraad van 13 juli. Deze leden zullen hun opmerkingen, suggesties en vragen
per onderwerp uiteenzetten.
Iers voorzitterschap
De leden van de PRO-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat het Iers voorzitterschap
haar prioriteiten presenteert voor het komende halfjaar. Deze leden zijn benieuwd
welke accenten de Ieren leggen. Met name vragen zij zich af welke onderwerpen onder
het voorzitterschap deze zomer zullen worden geagendeerd, onderhandeld of besproken.
Brengt het kabinet in deze bespreking ook zelf aandachtspunten naar voren? Zo ja,
welke zijn dit?
Het Iers voorzitterschap, dat op 1 juli is begonnen, zal bij de aankomende Raad zijn
werkprogramma en prioriteiten op het gebied van landbouw en visserij voor het komende
half jaar presenteren. Onderdeel hiervan is een gemeenschappelijk kader voor een concurrerende
en duurzame landbouw, waaronder de onderhandelingen over het GLB en de Omnibus veiligheid
van voedsel en diervoeder, de rol van veehouderij in de Europese landbouw, zoals de
nieuwe Veehouderijstrategie, en de handel- en marktstabiliteit in een veranderende
mondiale context, inclusief het Actieplan Meststoffen. Daarnaast benoemt het Iers
voorzitterschap generatievernieuwing en participatie in de landbouw en de visserij,
met speciale aandacht voor het thema «vrouwen in de landbouw», innovatie, waardecreatie,
de bioeconomie, en een duurzame en veerkrachtige toekomst voor de visserij en de aquacultuur,
inclusief de onderhandelingen over visvangstmogelijkheden. Nederland zal de presentatie
aanhoren, aangezien tijdens dit agendapunt geen inhoudelijke discussie is voorzien.
De leden van de PRO-fractie merken op dat, wegens het zomerreces, de Kamer zeer beperkt
in staat is om zich uit te spreken over nieuwe ontwikkelingen. Het meest prangende
onderwerp is wat deze leden betreft de Omnibus Food and Feed. Zij vragen het kabinet
dan ook om aan te geven tijdens de Raad dat het parlement heeft gevraagd om nauwe
betrokkenheid en om verder terughoudend te zijn in het doen van toezeggingen over
politiek gevoelige kwesties. Is het kabinet bereid dit voorbehoud te maken? Hoe voert
het kabinet tijdens het reces de motie-Bromet c.s. (Kamerstuk 22 112, nr. 4335), die vraagt om voorafgaand aan stemmingen over de Omnibus Food and Feed de Kamer
in staat te stellen om zich uit te spreken, uit?
Omnibus
De leden van de PRO-fractie zijn zeer ontstemd over de wijze waarop de Omnibus Food
and Feed tot dusver is behandeld in Europees verband. Deze leden hebben ernstige bezwaren
tegen de handelwijze van het Cypriotisch voorzitterschap, de onnodige bloedspoed en
de ondoorzichtigheid van het hele proces. Het is van het grootste belang dat de Kamer
is verzekerd dat aan de door haar en het kabinet gestelde randvoorwaarden wordt voldaan.
Dit is enkel toetsbaar met een wetenschappelijke onderbouwing, al helemaal omdat een
Europese impactassessment ontbreekt. Hoe heeft het kabinet haar bezwaren over het
proces aan het voorzitterschap duidelijk gemaakt? Is het kabinet bereid deze zorgen
ook luid en duidelijk kenbaar te maken bij het Iers voorzitterschap? Deze leden verzoeken
met klem om de fouten die door het Cypriotisch voorzitterschap zijn gemaakt te voorkomen
onder het Iers voorzitterschap.
De leden van de PRO-fractie zijn daarnaast benieuwd wat de tijdlijn is voor de onderhandelingen
over de Omnibus Food and Feed in de komende periode. Verwacht het kabinet dat er deze
zomer een nieuw compromisvoorstel wordt gepresenteerd? Wat doet het kabinet om ervoor
te zorgen dat er een zorgvuldige en onderbouwde afweging gemaakt kan worden over dit
voorstel? Onder welke voorwaarden stemt het kabinet voor een nieuw compromisvoorstel,
onder welke voorwaarden maakt zij een voorbehoud of stemt het tegen? Hoe houdt het
kabinet rekening met de aangenomen Kamermoties die extra voorwaarden stellen aan het
voorstel? Zou het kabinet een nieuw compromisvoorstel steunen, ook als het een stap
terug is voor de Nederlandse inzet ten opzichte van het Cypriotisch voorstel van 12 juni
2026? Op basis van welke wetenschappelijke onderbouwing maakt het kabinet deze afweging?
Welke specifieke bronnen raadpleegt het kabinet om haar afweging te maken? Kan het
kabinet een lijst aanleveren van de relevante onderzoeken? Deze leden vragen dit zo
concreet mogelijk te maken.
Onder het Iers voorzitterschap zijn de onderhandelingen over de Omnibus veiligheid
van voedsel en diervoeder weer opgestart om tot een compromisvoorstel te komen dat
op voldoende steun van lidstaten kan rekenen. Daarbij zal Nederland zich uiteraard
actief inzetten voor verdere verbetering van het voorstel, conform de eerder met de
Kamer gedeelde Nederlandse inzet (Kamerstuk 22 112, nr. 4261). Bij de voorbereiding van deze onderhandelingen wordt gebruik gemaakt van de inhoudelijke
expertise van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden
(Ctgb). Het is aan het voorzitterschap om het moment te bepalen wanneer een nieuw
compromisvoorstel aan de lidstaten wordt voorgelegd voor een mandaat om de onderhandelingen
met het EP te starten, het triloog. Het voorzitterschap heeft momenteel nog niet aangegeven
wanneer dit zal plaatsvinden. De Staatssecretaris heeft binnen Europa wel expliciet
het belang van zorgvuldige en tijdige procedures benadrukt (Kamerstuk 27 858, nr. 767) en zal dit blijven doen. Wanneer een nieuw compromisvoorstel aan de lidstaten wordt
voorgelegd, zal de Staatssecretaris zich wederom laten adviseren door het Ctgb. Vervolgens
zal het kabinet een standpunt bepalen op basis van een inhoudelijke afweging waarbij
tevens de aangenomen Kamermoties en toezeggingen van de Kamer worden meegewogen. De
Staatssecretaris zal de Kamer daar wederom zo snel mogelijk over informeren.
Welk vervolg geeft het kabinet op de kritische reactie van de SER over de Omnibuswetgeving
als geheel (SER, 26 juni 2026, « SER vraagt aandacht voor kwaliteit van Europese wetgeving»)
(https://www.ser.nl/nl/publicaties/kwaliteit-europese-wetgeving)? Deelt het kabinet de kritiek van de SER?
Het kabinet is het met de SER eens dat Europese regelgeving het concurrentievermogen
ten goede kan komen indien dit zorgvuldig, uitvoerbaar, voorspelbaar en goed onderbouwd
is. Dat geldt ook voor voorstellen die gericht zijn op vereenvoudiging en vermindering
van regeldruk. Het kabinet vindt het belangrijk onnodige regeldruk te verminderen
en regelgeving waar nodig aan te passen. Tegelijkertijd moet vereenvoudiging zorgvuldig
gebeuren, op basis van goede effectbeoordelingen en consultatie, met oog voor het
belang van rechtszekerheid en voorspelbaarheid en de beleidsdoelstellingen die met
regelgeving worden gediend. Daarom pleit het kabinet ervoor dat bij ieder voorstel
een impact assesment door de commissie wordt uitgevoerd. Het kabinet komt nog met
een reactie op de SER-brief.
EU-Actieplan Meststoffen
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van het EU-Actieplan Meststoffen.
Deze leden zijn kritisch op het voorstel om vanuit toekomstige GLB-middelen korte
termijn generieke steunmaatregelen te financieren voor boeren en makers van kunstmest.
Publieke middelen moeten altijd publieke doelen dienen. In dit geval vinden deze leden
onvoldoende onderbouwd dat dit voorstel de belangen van de natuur en de groene transitie
van de landbouw dient. Zij vragen het kabinet om duidelijk te maken hoe zulke steunmaatregelen
worden betaald, om hoeveel geld dit gaat en ten koste van welke doelen dit komt. Kan
het kabinet onderbouwen dat dit geen afbreuk doet aan groene ambities? Is het kabinet
bereid voor te stellen om het uitkeren van geld aan getroffen boeren te combineren
met duurzaamheidsambities? Ziet het kabinet hiertoe mogelijkheden?
De voorwaarden die zijn opgenomen in de verordening om steun te verstrekken, bieden
geen ruimte om andere ambities te stimuleren naast de compensatie voor meerkosten
van meststoffen die door de agrariër gemaakt zijn. Er wordt wel ruimte gegeven om
agrariërs die zich al inzetten op nutriënten efficiëntie, onder voorwaarden, een hoger
steunpercentage toe te kennen. De financiering hoeft niet ten koste te gaan van de
groene ambities. Lidstaten kunnen zelf besluiten of en waar zij budgettaire ruimte
vinden in hun Nationaal Strategisch Plan om de steun te financieren. Daarbij blijft
de minimale besteding (ringfencing) van milieumaatregelen echter onverkort gehandhaafd.
De leden van de PRO-fractie zijn ernstig bezorgd over de staat van de Nederlandse
natuur en het behalen van de stikstofdoelen. Deze leden lezen dat het kabinet ook
twijfels heeft over de onderdelen van het voorstel die de stikstofopgave in Nederland
vergroten en de doelen verder uit beeld brengen. Het ligt dan voor de hand dat het
kabinet niet in zal stemmen met het Actieplan zolang dit zal leiden tot een toename
van de stikstofuitstoot, met oog op het recent aangekondigde stikstofplan en de ambitie
om Nederland van het slot te halen. Kunnen deze leden erop rekenen dat het kabinet
het voorstel als geheel afwijst, als het zou leiden tot meer stikstofuitstoot? Verwacht
het kabinet nog deze zomer stemmingen over (delen uit) het Actieplan? Zo ja, is het
kabinet bereid om alle onderdelen die de stikstofuitstoot verhogen af te wijzen?
Het kabinet heeft in het BNC-fiche zijn appreciatie ten aanzien van het Actieplan
Meststoffen aan de Kamer toegezonden (Kamerstuk 22 112, nr. 4394). Daarin benoemt het kabinet aandacht te zullen hebben voor de milieueffecten van
dit voorstel, waaronder de effecten op de stikstofproblematiek. Een belangrijk spoor
in het Actieplan betreft het versnellen van de verduurzaming van (kunst)meststoffenproductie.
Een van de mogelijkheden om de ammoniakemissies terug te brengen is het verantwoord
hergebruiken van dierlijke mest. De Commissie heeft aangekondigd een bepaalde vorm
van digestaat te willen toevoegen aan de reeds toegestane mogelijkheden voor RENURE.
Nederland zal bij de toetsing van het voorstel voor het toevoegen van een vorm van
digestaat aan de RENURE-opties aandacht hebben voor de criteria waaraan dit wordt
getoetst. Wat betreft het kabinet zijn daarbij de RENURE-criteria, zoals in 2020 opgesteld
door het Joint Research Centre, leidend. In de criteria voor toelating zal ook aandacht
moeten zijn voor het mitigeren van de ammoniakemissie bij aanwending van RENURE-meststoffen
afkomstig van een vorm van digestaat.
Het Actieplan is een mededeling van de Commissie. Over het gehele Actieplan worden
zodoende geen stemmingen verwacht. Op afzonderlijke onderdelen, zoals bijvoorbeeld
de toelating van bepaalde vormen van digestaat, zal een voorstel volgen van de Commissie.
Dergelijke voorstellen zullen volgens de gebruikelijke trajecten worden behandeld.
In de Annex van het Actieplan staat aangegeven welke tijdlijn de Commissie voor ogen
heeft wat betreft de verdere uitwerking (COM (2026) 310 final).
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid
De leden van de PRO-fractie zijn blij met de voortvarende uitvoering van de motie-Bromet/Podt
(Kamerstuk 21 501–32, nr. 1780) en de nadere uitleg hierover in het verslag van een eerder schriftelijk overleg
(Kamerstuk 21 501–32, nr. 1812). Deze leden vragen om concreet te maken met welke lidstaten het kabinet optrekt
om de motie verder uit te voeren en welke verdere stappen het hiertoe tijdens het
zomerreces zal zetten.
De algemene afspraak van het kabinet is dat er niet wordt gerapporteerd over samenwerking
met individuele lidstaten, om ook de vertrouwelijkheid van het Europese onderhandelproces
in de Raad en posities van andere lidstaten te beschermen. De Minister zet zich in
om de motie Bromet/Podt (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1780) uit te voeren en naar alle mogelijke coalities te zoeken, ook tijdens het zomerreces.
De leden van de PRO-fractie vinden dat publieke middelen ten goede moeten komen van
publieke doelen. Daarom pleiten deze leden voor het oormerken van GLB-middelen voor
groenblauwe diensten, die veel boeren bereid zijn te leveren tegen een marktconforme
prijs. Ziet het kabinet mogelijkheden om hier in de onderhandelingen voor te pleiten,
zodat GLB-middelen direct bijdragen aan bewezen effectieve maatregelen die de natuur
verbeteren en bijdragen aan het verdienmodel van boeren? Helaas kunnen deze leden
wegens het zomerreces geen Kameruitspraak op dit punt organiseren. Echter vragen zij
het kabinet om toe te zeggen zich in te zetten om een deel van het GLB voor groenblauwe
diensten te oormerken.
Het kabinet is geen voorstander van verdere oormerking van budgetten voor specifieke
doeleinden binnen de Nationale en regionale partnerschapsplannen (NRPP), zoals de
Minister ook schreef in de beantwoording van het schriftelijk overleg over de LVVN-inzet
in de EU (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1812). Specifiek binnen de GLB-enveloppe zal de Minister zich in Europees verband inzetten
voor gerichte oormerking van groene interventies, zoals de eco-regeling en het agrarisch
natuur- en landschapsbeheer. Herintroductie van een dergelijk principe zou kunnen
bijdragen aan meer gezamenlijke ambitie voor de groene doelen van het GLB en een gelijk
speelveld op Europees niveau. Nederland heeft hier al expliciet voor gepleit tijdens
de vorige Raad en ook tijdens het zomerreces blijft de Minister zich hiervoor inzetten.
Daarnaast onderzoekt de Minister ook andere oplossingen om negatieve prikkels uit
de Europese wetsvoorstellen weg te nemen die het moeilijker maken voor lidstaten om
deze interventies te kiezen. Door deze maatregelen kunnen agrariërs beter worden beloond
voor de publieke diensten die zij leveren om de natuur en het milieu te versterken
in het toekomstige GLB.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Landbouw- en Visserijraad van 13 juli 2026. Deze leden hechten er grote waarde aan
dat de Nederlandse agrarische sector gewaarborgd blijft, roepen op tot het beschermen
van onze boeren tegen Brusselse regeldruk en hebben met betrekking tot de voorliggende
stukken nog enkele kritische opmerkingen en vragen.
Veeteeltplan en Proteïneplan
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat er concepten zijn uitgelekt van het
Veeteeltplan en Proteïneplan van de EC. Uit cijfers van Eurostat blijkt dat de veesector
in de EU de afgelopen tien jaar ongekend fors is gekrompen, waaronder een daling van
8,9 procent van het aantal varkens en 9,8 procent van het aantal koeien. Deze leden
van de PVV-fractie vragen hoe de krimp in Nederland zich verhoudt tot de krimp in
de EU, graag in percentage en concrete aantallen. Zij vragen hoe het verloop van deze
krimp in Europa en in Nederland zich verhoudt over toen de krimp begonnen is. Graag
ontvangen zij een reactie van de Minister over tenminste de afgelopen 25 jaar. Zij
vragen of de Minister een reactie kan geven op deze desastreuze krimp in het licht
van onze nationale voedselzekerheid en het verdienvermogen van de Nederlandse boer.
Het is niet mogelijk om de ontwikkeling van dieraantallen in de EU sinds 2000 weer
te geven en met de ontwikkeling in Nederland te vergelijken. Dit komt door de verandering
in het aantal EU-lidstaten dat na 2000 heeft plaatsgevonden. Daardoor zijn statistische
reeksen steeds onderbroken. Eurostat biedt wel cijfers voor melkkoeien en varkens
voor de EU-27 vanaf 2010 (huidige lidstaten). Zie hiervoor de onderstaande tabel.
Voor kippen biedt Eurostat geen cijfers op EU-niveau of op het niveau van individuele
lidstaten (hiermee is Eurostat pas in 2025 gestart), alleen op het niveau van regio’s
(NUTS-2 gebieden). Bovendien is onzeker of de door Eurostat gehanteerde indeling in
verschillende pluimveecategorieën (leghennen, vleeskuikens, etc.) overeenkomt met
de Nederlandse indeling. Voor kippen is het daarom niet mogelijk om op korte termijn
cijfers te geven over de ontwikkeling van het aantal kippen in de EU en deze te vergelijken
met de ontwikkeling in Nederland.
EU-27
2010
2025
toe-/afname 2010–2025
Melkkoeien
21.466.920
19.015.370
-11,4%
Varkens
139.393.760
131.458.440
-5,7%
NL
2010
2025
toe-/afname 2010–2025
Melkoeien
1.478.635
1.526.837
+3,3%
Varkens
12.254.972
9.765.589
-20,3%
Het Nederlandse aanbod van producten uit de veehouderij, zoals vlees, zuivel en eieren,
bestaat niet enkel uit producten die in Nederland geproduceerd zijn. Zowel de producten
uit Nederland als het voedsel dat is geïmporteerd dragen bij aan onze voedselzekerheid.
Daarnaast is een aanzienlijk deel van de Nederlandse productie van dierlijke producten
bedoeld voor export. Daarnaast produceert de Nederlandse en Europese landbouwsector
ook plantaardige producten. Een geleidelijke afname van het aantal dieren betekent
dan ook niet dat onze voedselzekerheid onder druk komt te staan.
Het kabinet merkt op dat het verdienvermogen van agrarische ondernemers van meer factoren
afhangt dan van de omvang van de veestapel. Het verdienvermogen wordt beïnvloed door
een breed scala aan factoren, waaronder marktprijzen, productiekosten, arbeidsproductiviteit,
exportmogelijkheden, de positie van de boer in de keten, de ruimte om te ondernemen
en de marktomstandigheden. De ontwikkeling van de omvang van de veestapel is daarom
op zichzelf geen goede indicator voor het verdienvermogen van de Nederlandse boer.
Een afname van het aantal dieren of bedrijven kan, afhankelijk van de marktomstandigheden,
ertoe leiden dat de overblijvende bedrijven een groter marktaandeel krijgen of profiteren
van gunstigere prijsontwikkelingen.
Het kabinet blijft zich inzetten voor een toekomstbestendige landbouwsector die een
duurzame bijdrage levert aan voedselzekerheid in Nederland en elders, ook op de langere
termijn.
De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast dat de EC in het Veeteeltplan met nieuwe,
strenge dierenwelzijnsregels wil komen, wat tot grote kosten in de hele keten leidt.
Deze leden verzoeken om de Nederlandse veehouderij maximaal te beschermen tegen nieuwe,
onhaalbare Europese regeldruk die de concurrentiepositie van onze boeren verder kapotmaakt.
Daarbij herinneren zij de Minister aan de motie-Lohman (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1767) over de visie op de eiwitketen en vragen zij hoe de Minister de belangen van de
Nederlandse agrarische sector hierin voorop gaat stellen.
Het is van belang dat het Actieplan voor het EU-eiwittensysteem en de Europese Strategie
voor de veehouderij een integrale aanpak heeft.
Het kabinet zal de Kamer kort na het zomerreces middels een BNC-fiche informeren over
de beide strategieën en de Nederlandse inzet bij de behandeling van de verschillende
voorstellen.
Gewasbeschermingsmiddelen en Omnibuswetgeving
De leden van de PVV-fractie delen de forse en terechte kritiek van de SER op de omnibuswetgeving
van de EC. De SER hekelt dat fundamentele impact assessments ontbreken en wijst op
de gebrekkige kwaliteit en voorspelbaarheid van de wetgeving.
De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris of hij de mening deelt dat
Europese regelgeving zonder een gedegen impactanalyse onacceptabel is voor de agrarische
sector.
Het kabinet is het met de SER eens dat Europese regelgeving het concurrentievermogen
ten goede kan komen indien dit zorgvuldig, uitvoerbaar, voorspelbaar en goed onderbouwd
is. Dat geldt ook voor voorstellen die gericht zijn op vereenvoudiging en vermindering
van regeldruk. Het kabinet vindt het belangrijk onnodige regeldruk te verminderen
en regelgeving waar nodig aan te passen. Tegelijkertijd moet vereenvoudiging zorgvuldig
gebeuren, op basis van goede effectbeoordelingen en consultatie, met oog voor het
belang van rechtszekerheid en voorspelbaarheid en de beleidsdoelstellingen die met
regelgeving worden gediend. Daarom pleit het kabinet ervoor dat bij ieder voorstel
een impact assesment door de Commissie wordt uitgevoerd. Het kabinet komt nog met
een reactie op de SER-brief.
De leden van de PVV-fractie steunen daarnaast het initiatief vanuit het EP om de goedkeuring
voor bepaalde gewasbeschermingsmiddelen te verlengen naar 15 jaar in plaats van de
door de EC voorgestelde 7 jaar, zodat we onze boeren het benodigde gereedschap en
toekomstperspectief bieden. Deze leden verzoeken om dit initiatief in de Raad volmondig
te steunen. Voorafgaand aan het overleg van het Standing Committee on Plants, Animals,
Food and Feed (SCoPAFF) adviseerde het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
en biociden (Ctgb) al positief over de tijdelijke verlenging van 21 werkzame stoffen,
omdat de besluitvorming door de EC te traag verloopt.
De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet om zich in de EU snoeihard te maken
voor vlottere besluitvorming, zodat Nederlandse boeren niet de dupe worden van een
falende Brusselse toelatingsprocedure.
Nederland steunt het doel van de Omnibus veiligheid van voedsel en diervoeder om gewasbeschermingsmiddelen
met een lager risico sneller op de markt te krijgen, zodat dit kan bijdragen aan het
benodigde gereedschap en toekomstperspectief voor boeren. Dit is ook onderdeel van
de eerder met de Kamer gedeelde inzet van dit kabinet voor de onderhandelingen (Kamerstuk
22 112, nr. 4261).
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) post-2027
De leden van de PVV-fractie constateren dat zich breuklijnen vormen binnen Europa
over het toekomstige GLB. De EC wil in het concept-compromisvoorstel een maximum van
100.000 euro aan directe inkomenssteun per bedrijf invoeren. In de stukken is te lezen
dat dit direct samenhangt met een eventuele toetreding van Oekraïne tot de EU, omdat
zonder een plafond de immense Oekraïense landbouwbedrijven een gigantisch deel van
de GLB-middelen zouden opslokken.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister kan toelichten hoe hij gaat voorkomen
dat een toetreding van Oekraïne ten koste gaat van het GLB-budget voor onze eigen
Nederlandse boeren.
De leden van de PVV-fractie verzoeken om het landbouwbudget voor de nationale agrarische
sector koste wat kost te waarborgen.
Zoals beschreven in het BNC-fiche over het nieuwe GLB na 2027 (Kamerstuk 22 112, nr. 4147), is Nederland voorstander van plafonnering en degressiviteit in het GLB-voorstel,
aangezien dit kan bijdragen aan het gelijke speelveld en dit het GLB kan voorbereiden
op eventuele toekomstige verdere Europese uitbreiding. De impact van plafonnering
is in Nederland beperkt, aangezien het merendeel van de bedrijven kleiner is en de
inkomenssteun in Nederland gelijkmatiger is verdeeld dan gemiddeld op Europees niveau.
EU-Actieplan Meststoffen
De leden van de PVV-fractie hebben de kabinetsappreciatie van het EU-Actieplan Meststoffen
met bovengemiddelde interesse gelezen. Het is cruciaal voor de sector dat bewerkte
vormen van dierlijke mest (RENURE) breder mogen worden ingezet boven de huidige gebruiksnorm
voor dierlijke mest, als een volwaardige kunstmestvervanger. Het kabinet merkt in
haar appreciatie echter op dat dit mogelijk tot ammoniakemissies leidt en dat de huidige
strenge RENURE-criteria leidend moeten blijven.
De leden van de PVV-fractie verzoeken om direct te stoppen met het opwerpen van aanhoudende
milieu-obstakels en de Nitraatrichtlijn zodanig te interpreteren dat de broodnodige
introductie van RENURE niet onmogelijk wordt gemaakt.
De Minister ondersteunt het voornemen van de Commissie om andere vormen van RENURE-meststoffen
toe te laten. Mocht dit op korte termijn worden toegelaten in de RENURE-ruimte, dan
kan dit in Nederland een verlichting op de mestmarkt bieden en kan dit mogelijke milieuvoordelen
bieden door vermindering van de vraag naar stikstofkunstmest en bijdragen aan de ambitie
om via monomestvergisting in te zetten op mestverwerking en groengasproductie.
Voor de productie van de RENURE-meststoffen blijft het wel van belang dat deze niet
tot nadelige milieueffecten leidt. Daarom is het van belang dat ook voor de productie
en aanwending van bepaalde vormen van digestaat als kunstmestvervanger criteria worden
gesteld, die ervoor zorgen dat de ammoniakemissies naar de lucht en uit- en afspoeling
van stikstof en fosfaat naar het grond- en oppervlaktewater niet nadelig worden beïnvloed.
Tot slot zien deze leden dat er voor de voorgestelde liquiditeitssteun aan boeren
een strategische wijziging in het Nationaal Strategisch Plan (NSP) benodigd is, wat
weer gepaard gaat met onwerkbare voorwaarden zoals verplichte voorlichting.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister kan garanderen dat financiële steun
de agrarische ondernemers daadwerkelijk en tijdig bereikt, zonder dat zij bedolven
worden onder ingewikkelde klimaat- of milieuvoorwaarden.
Het steunpakket bevat geen aanvullende klimaat- of milieuvoorwaarden waar de agrariër
aan moet voldoen om in aanmerking te komen voor steun.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
Landbouw- en Visserijraad van 13 juli. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen
en opmerkingen. Zij vragen de Minister en de Staatssecretaris alle vragen één voor
één en volledig te beantwoorden, omdat deze leden in het verleden hebben gezien dat
sommige vragen worden overgeslagen.
Omnibus food and feed simplification
De leden van de PvdD-fractie hebben de brief van de Staatssecretaris over de ScoPAFF-vergadering
gelezen en zijn benieuwd naar de meest recente ontwikkelingen in de onderhandelingen
met betrekking tot het compromisvoorstel van het Omnibus Food and Feed.
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van geluiden uit Europa die melden
dat bij elk volgend raadsoverleg vlak van tevoren een nieuw compromisvoorstel van
het Omnibuspakket op de agenda gezet kan worden. Zo zou er sprake van zijn dat dit
voor een overleg op 9 juli gebeurt. Deze leden vragen de Staatssecretaris of hij dit
kan bevestigen. Zo ja, kan hij delen hoe dit proces is verlopen en wat er tijdens
deze vergadering is besloten over mogelijke vervolgstappen in het proces? Zo ja, heeft
hij het conceptvoorstel tot zijn beschikking en op welke wijze en wanneer gaat hij
dit met de Kamer, het Ctgb en de wetenschappers van de EU-wetenschapstoets delen?
Hoe wordt geborgd dat dit keer de wetenschappers van de EU-wetenschapstoets wel proactief
en meteen worden betrokken in het proces, zodat ze zoveel mogelijk tijd krijgen om
te reageren op wat er uiteindelijk op tafel ligt (deze vraag geldt ook als de besluitvorming
in Brussel pas veel later plaatsvindt)?
De onderhandelingen over de Omnibus veiligheid van voedsel en diervoeder zijn inderdaad
onder het Iers voorzitterschap weer opgestart. Op 9 juli staat een ambtelijk overleg
gepland waarbij gesproken wordt over verschillende onderdelen van het voorstel. Nederland
zal zich bij deze gesprekken actief inzetten voor verdere verbetering van het voorstel,
conform de eerder met de Kamer gedeelde Nederlandse inzet (Kamerstuk 22 112, nr. 4261). Wanneer een nieuw compromisvoorstel aan de lidstaten wordt voorgelegd om in te
stemmen met een mandaat om de onderhandelingen met het EP te starten, zal de Staatssecretaris
zich laten adviseren door het Ctgb. Het Ctgb zal in dit advies de bevindingen van
de wetenschapstoets meenemen. Vervolgens zal het kabinet een standpunt bepalen op
basis van een inhoudelijke afweging, waarbij tevens de aangenomen Kamermoties en toezeggingen
aan de Kamer worden meegewogen. De Staatssecretaris zal de Kamer daar zo snel mogelijk
over informeren.
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is om voor een ordentelijk
democratisch proces te pleiten en zich te blijven houden aan de aangenomen motie-Bromet
c.s. (Kamerstuk
22 112, nr. 4335
) die vraagt de Kamer zich eerst te laten uitspreken over wat er voorligt voordat
de Staatssecretaris een standpunt zal innemen in verdere ontwikkelingen? Is de Staatssecretaris
van plan het Ctgb en wetenschappers het commissievoorstel te laten beoordelen voordat
hij een standpunt gaat innemen? Welke scenario’s heeft de Staatssecretaris hiervoor
klaarliggen om aan deze motie te voldoen, ook wanneer het proces in een versnelling
terechtkomt?
De Staatssecretaris vindt het belangrijk dat bij de onderhandelingen over de Omnibus
veiligheid van voedsel en diervoeder voldoende gelegenheid is om te reageren op voorstellen
en om de Kamer in het proces mee te nemen. Daarom heeft de Staatssecretaris het belang
van zorgvuldige en tijdige procedures expliciet benadrukt in Europa (Kamerstuk 27 858, nr. 767) en hij zal dit blijven doen. Wanneer een nieuw compromisvoorstel aan de lidstaten
wordt voorgelegd, zal de Staatssecretaris zich laten adviseren door het Ctgb. Vervolgens
zal de Kamer voorafgaand aan de Europese besluitvorming worden geïnformeerd over het
kabinetsstandpunt.
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris zich zal houden aan zijn
meerdere toezeggingen en de aangenomen motie-Kostić (Kamerstuk 22 112, nr. 4328) die vragen hem niet in te stemmen met een voorstel dat leidt tot verslechtering
van het huidige beschermingsniveau van mens, dier en milieu en zich in de beoordeling
te laten bijstaan door adviezen van betrokken wetenschappers van Universiteit Leiden,
Wageningen University & Research en het Ctgb, en hierover aan de Kamer te rapporteren.
Nederland zet zich binnen de onderhandelingen over de Omnibus veiligheid van voedsel
en diervoeder in om het huidige beschermingsniveau voor mens, dier en milieu minimaal
te handhaven. Wanneer een nieuwe compromistekst ter instemming aan de lidstaten wordt
voorgelegd, zal de Staatssecretaris het Ctgb om een advies vragen waarbij de inbreng
van de wetenschapstoets wordt meegenomen. Vervolgens zal het kabinet een standpunt
bepalen waarbij tevens de aangenomen Kamermoties en toezeggingen aan de Kamer worden
meegewogen. De Staatssecretaris zal de Kamer voorafgaand aan de Europese besluitvorming
informeren.
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris kennis heeft genomen van
een wetenschappelijk artikel in het belangrijke wetenschappelijke journal Science
getiteld «EU Omnibus proposal increases pesticide risks. More efficient environmental
risk assessment and stronger protection are achievable» (Wintermantel et al., 18 juni
2026, « EU Omnibus proposal increases pesticide risks» (https://www.science.org/doi/10.1126/science.aeg8744?__cf_chl_f_tk=ELuRb…))? Kan de Staatssecretaris reageren op het feit dat deze wetenschappers concluderen
dat het omnibuspakketvoorstel van de EC leidt tot vergroting van het gezondheidsrisico
van mens, dier en milieu? Is hij het met deze leden eens dat dit voorstel dus, tegen
de wens van de Kamer en kabinet in, in ieder geval geen behoud van het huidige beschermingsniveau
betekent? Is de Staatssecretaris het met de wetenschappers eens dat het een verslechtering
betekent van de gezondheid van mens, dier en milieu? Hoe gaat hij bewijzen dat een
compromisvoorstel leidt tot een verbetering? Is de Staatssecretaris het met hen eens
dat zo een kritisch artikel nogmaals aantoont dat er een impact assessment moet komen
op de omnibuswetgeving? Gaat hij daarvoor pleiten? Kan de Staatssecretaris reageren
op de «shortcomings of the current approach» en per tekortkoming of hij het hiermee
eens is, of met wetenschappelijke argumenten anders denkt? Kan hij aangeven en onderbouwen
hoe hij ziet dat deze tekortkomingen verholpen zijn in het compromisvoorstel? Is de
Staatssecretaris van plan om op Europees niveau te pleiten voor de veiligere alternatieven
die worden aangereikt in dit wetenschappelijke artikel? Welke gevolgen hebben deze
belangrijke wetenschappelijke inzichten voor de positie en oordeelsvorming van het
kabinet als het gaat om het Omnibuspakket? Neemt hij dit wetenschappelijke onderzoek
mee in zijn «gecalculeerde inschatting»? Zo ja, op welke wijze? Kan de Staatssecretaris
toezeggen de lijn van de wetenschappers te volgen, en tegen dit pakket te stemmen
als er niets fundamenteels aan verandert, in lijn met motie-Kostic (Kamerstuk
22 112, nr. 4328
)?
De Nederlandse inzet bij de onderhandelingen over de Omnibus veiligheid van voedsel
en diervoeder is om het huidige beschermingsniveau voor mens, dier en milieu minimaal
te handhaven, conform de eerder met de Kamer gedeelde Nederlandse inzet (Kamerstuk
22 112, nr. 4261). Het genoemde artikel betreft een analyse van een eerdere versie van het Omnibusvoorstel
met hierbij een kritische blik op onderdelen van het huidige toetsingskader. Inmiddels
zijn onder het Iers voorzitterschap de Europese onderhandelingen weer opgestart om
tot een nieuw compromisvoorstel te komen waarbij de inbreng van alle lidstaten wordt
meegenomen. Wanneer een nieuw compromisvoorstel aan de lidstaten wordt voorgelegd,
zal de Staatssecretaris het Ctgb om een advies vragen. Vervolgens zal het kabinet
een inhoudelijke afweging maken waarbij tevens de aangenomen Kamermoties en toezeggingen
aan de Kamer worden meegewogen. De Staatssecretaris zal de Kamer voorafgaand aan de
Europese besluitvorming informeren.
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris kennis heeft genomen van
de brief geschreven door Europarlementariërs Tilly Metz en Anna Strolenberg aan Ursula
von der Leyen, President van de EC (Contexte, 1 juli 2026, (https://www.contexte.com/fr/actualite/agro/omnibus-securite-alimentaire…)). Zo ja, deelt de Staatssecretaris de bevindingen van deze rapporteurs? Zo nee, kan
de Staatssecretaris toelichten met welke onderdelen van deze brief hij het niet eens
is en kan hij dat met verwijzing naar actuele wetenschappelijke conclusies onderbouwen?
In de betreffende brief uiten twee schaduwrapporteurs hun zorgen over het Omnibusvoorstel
veiligheid van voedsel en diervoeder. De inzet bij de onderhandelingen is om het huidige
beschermingsniveau voor mens, dier en milieu minimaal te handhaven. Dit is ook conform
het BNC-fiche dat eerder naar de Kamer is gestuurd (Kamerstuk 22 112, nr. 4261). Het kabinet zal inhoudelijke voorstellen van het voorzitterschap hieraan toetsen.
Wanneer een nieuw compromisvoorstel aan de lidstaten wordt voorgelegd, zal het kabinet
een inhoudelijke afweging maken waarbij tevens de aangenomen Kamermoties en toezeggingen
aan de Kamer worden meegewogen. De Staatssecretaris zal de Kamer hier vervolgens zo
snel als mogelijk over informeren.
De leden van de PvdD-fractie zijn aanvullend op deze brief ook benieuwd naar wat de
Staatssecretaris vindt van het feit dat Foodwatch een klacht heeft ingediend bij de
Europese Ombudsvrouw betreffende de handelwijze van de Europese Commissie. Is hij
het met de klacht eens? Zo nee, waarom niet?
Dit betreft een lopende klacht van Foodwatch bij de Europese Ombudsvrouw. Het is niet
aan de Staatssecretaris om hier een inhoudelijk oordeel over te geven.
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris ervan op de hoogte is dat
de Europese Ombudsvrouw van mening is dat de toezeggingen van de EC onvoldoende duidelijk
en concreet zijn om een transparant, inclusief en op bewijs gebaseerd wetgevingsproces
te waarborgen, als het gaat om de omnibuswetgeving (European Ombudsman (
https://www.ombudsman.Europa.eu/en/decision/en/228151)
). Is de Staatssecretaris van plan om op Europees niveau te pleiten voor een zorgvuldiger
wetgevingsproces? Hoe gaat hij dat precies borgen? Is de Staatssecretaris het ermee
eens dat deze handelwijze van de EC laakbaar is en het democratisch gehalte en zorgvuldigheid
van deze wetgeving onder druk zet?
Ja, de Staatssecretaris is hiervan op de hoogte. Het kabinet vindt het belangrijk
onnodige regeldruk te verminderen en regelgeving, waar nodig, aan te passen. Het kabinet
pleit er op Europees niveau voor dat vereenvoudiging zorgvuldig gebeurt, op basis
van impact assessments en consultatie, met oog voor het belang van rechtszekerheid
en de beleidsdoelstellingen die met regelgeving worden gediend. De Commissie heeft
in haar onlangs verschenen mededeling over Betere Regelgeving elf belangrijke stappen
aangekondigd om de kwaliteit van regelgeving te verbeteren. Op 5 juni 2026 heeft de
Kamer over deze mededeling een BNC-fiche ontvangen (Kamerstuk 22 112, nr. 4364). De Commissie kondigt in de mededeling onder andere aan meer te gaan inzetten op
een goed ontwerp van regelgeving, goede consultatie van belanghebbenden en het vaker
uitvoeren van impact assessments. Het is positief te zien dat in het vervolg op de
gepubliceerde mededeling, de Commissie bij recente voorstellen wel impact assessments
heeft opgesteld.
De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris kennis heeft genomen van
de bezorgde brief van de SER over de kwaliteit van het Europese wetgevingsproces,
waarvan het Omnibuspakket de directe aanleiding is (SER, 26 juni 2026, « SER vraagt
aandacht voor kwaliteit van Europese wetgeving» (
https://www.ser.nl/nl/publicaties/kwaliteit-europese-wetgeving
)? Hoe reflecteert de Staatssecretaris erop dat de SER zich genoodzaakt voelt om deze
brief te sturen? Kan de Staatssecretaris ingaan op de aanbevelingen van de SER en
per aanbeveling aangeven of en op welke wijze hij van plan is eraan uitvoering te
geven? Is de Staatssecretaris van plan de SER in de komende week uit te nodigen voor
een verdere toelichting? Welke gevolgen heeft het advies van SER voor de positie en
standpunt van het kabinet als het gaat om het Omnibuspakket?
Het kabinet komt nog met een reactie op de SER-brief. Het kabinet is het met de SER
eens dat Europese regelgeving het concurrentievermogen ten goede kan komen indien
dit zorgvuldig, uitvoerbaar, voorspelbaar en goed onderbouwd is. Dat geldt ook voor
voorstellen die gericht zijn op vereenvoudiging en vermindering van regeldruk. Het
kabinet vindt het belangrijk onnodige regeldruk te verminderen en regelgeving, waar
nodig, aan te passen. Tegelijkertijd moet vereenvoudiging zorgvuldig gebeuren, op
basis van goede effectbeoordelingen en consultatie, met oog voor het belang van rechtszekerheid
en voorspelbaarheid en de beleidsdoelstellingen die met regelgeving worden gediend.
Daarom pleit het kabinet ervoor dat bij ieder voorstel een impact assessment door
de Commissie wordt uitgevoerd.
Veeteeltplan en Proteïneplan
De leden van de PvdD-fractie hebben met betrekking tot het veeteeltplan en het proteïneplan
nog een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de PvdD-fractie vragen welke stappen het kabinet gaat zetten om de markt
en de consument te stimuleren om conform het proteïneplan meer in te zetten op plantaardige
alternatieven voor menselijke consumptie. Deze leden vragen hoe de Staatssecretaris
invulling gaat geven aan aangenomen motie-Dassen (Kamerstuk 35 334, nr. 464) en of de Staatssecretaris ruimte ziet om duidelijk te borgen dat er wordt ingezet
op een andere voedselstrategie die toekomst biedt voor de landbouw, en tegelijkertijd
emissies reduceert.
Het kabinet streeft ernaar dat meer mensen eten volgens de Schijf van Vijf en heeft
de ambitie om in 2030 een gebalanceerde gemiddelde eiwitconsumptie te bereiken, bestaand
uit 50% dierlijke eiwitten en 50% plantaardige eiwitten.
Om deze transitie mogelijk te maken, is er niet alleen een verandering van eetgewoonten
nodig, maar ook een aanpassing van de voedselomgeving. Een breder en aantrekkelijker
aanbod van plantaardige alternatieven speelt daarin een belangrijke rol. Hier zet
de Minister zich dan ook voor in. Momenteel werkt het kabinet aan de benodigde maatregelen
om de transitie verder te versnellen. In het najaar wordt de Kamer geïnformeerd over
de integrale beleidsinzet op het gebied van duurzaam voedsel.
Daarnaast acht het kabinet het van belang om ook andere vormen van eiwitproductie
te stimuleren waarbij gebruik wordt gemaakt van biotechnologie, zoals kweekvlees en
-vis op basis van celkweek en eiwitproductie via precisiefermentatie. Deze innovaties
maken onderdeel uit van de Agrofood Innovatieagenda, waarvan de contouren recentelijk
aan de Kamer zijn toegezonden (Kamerstuk 33 009, nr. 179).
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Landbouw- en Visserijraad. Deze leden hebben daarover zowel vragen
als opmerkingen.
De leden van de BBB-fractie begrijpen dat de EC agrariërs wil ondersteunen nu de kunstmestprijzen
als gevolg van de geopolitieke ontwikkelingen sterk zijn gestegen. Deze leden zijn
heel blij met het feit dat de EC in de huidige geopolitieke omstandigheden maatregelen
wil treffen om agrariërs te ondersteunen. Zij waarderen dat de EC oog heeft voor de
forse stijging van de kunstmestprijzen en de gevolgen daarvan voor de agrarische sector.
Betaalbare en beschikbare meststoffen zijn immers van groot belang voor de voedselproductie
en daarmee uiteindelijk ook voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van voedsel
voor Europese consumenten. Juist daarom vragen deze leden of de voorgestelde steunmaatregel
wel de meest doelmatige en toekomstbestendige oplossing is.
Met het Actieplan Meststoffen heeft de Commissie een plan voorgesteld waarin zij een
aantal acties voorstelt die zich richten op het vergroten van de beschikbaarheid,
betaalbaarheid op de korte termijn en de strategische autonomie ten aanzien van productie
van meststoffen. Daarnaast wordt een transitie naar duurzame en circulaire meststoffen
versneld. De appreciatie van het kabinet van het Actieplan, zoals neergelegd in het
BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 4394), is over het algemeen positief.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de EC honderden miljoenen euro's uittrekt
om de gevolgen van hoge kunstmestprijzen te verzachten, terwijl de Europese regelgeving
tegelijkertijd landbouwers ertoe verplicht voor een deel van hun stikstofvoorziening
afhankelijk te blijven van kunstmest.
De leden van de BBB-fractie merken op dat de totale hoeveelheid stikstof die een gewas
mag ontvangen, wordt bepaald door de geldende gebruiksnormen, die zijn afgestemd op
de behoefte van het gewas en de omstandigheden waaronder het wordt geteeld. De Nitraatrichtlijn
beperkt echter afzonderlijk de hoeveelheid stikstof die afkomstig mag zijn uit dierlijke
mest tot maximaal 170 kilogram stikstof per hectare. Voor landbouwers die meer stikstof
nodig hebben dan deze 170 kilogram betekent dit dat zij, ook wanneer voldoende dierlijke
mest beschikbaar is, voor het resterende deel zijn aangewezen op kunstmest.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat uit onderzoek van Wageningen Livestock
Research (De Boer, Van Mullekom en Smolders, december 2023, «Lower nitrate leaching
from dairy cattle slurry compared to synthetic fertilizer calcium ammonium nitrate
applied to grassland», (https://www.researchgate.net/publication/376243719_Lower_nitrate_leachi…)) naar voren komt dat vervanging van dierlijke mest door kunstmest niet zonder meer
leidt tot een betere waterkwaliteit en onder bepaalde omstandigheden juist tot meer
nitraatuitspoeling kan leiden. Hoe weegt de Minister deze inzichten bij zijn beoordeling
van het voorliggende steunpakket, dat de afhankelijkheid van kunstmest juist in stand
lijkt te houden? Kan de Minister bevestigen dat deze systematiek ertoe leidt dat landbouwers
voor een deel van hun stikstofvoorziening afhankelijk blijven van kunstmest, terwijl
zij binnen de totale gebruiksnorm in veel gevallen over voldoende dierlijke mest zouden
beschikken? Hoe beoordeelt de Minister het feit dat de EC enerzijds een steunpakket
van honderden miljoenen voorstelt om de gevolgen van hoge kunstmestprijzen op te vangen,
terwijl anderzijds de Europese regelgeving juist de afhankelijkheid van kunstmest
in stand houdt? Is de Minister het met deze leden eens dat het logischer, goedkoper
en mogelijk ook milieukundig gunstiger zou zijn om te bezien of binnen de bestaande
totale stikstofgebruiksnorm een groter aandeel stikstof uit dierlijke mest kan worden
benut, in plaats van publieke middelen in te zetten om de aankoop van kunstmest te
ondersteunen? Kan de Minister toelichten hoe het subsidiëren van kunstmestgebruik
bijdraagt aan de strategische autonomie van de Europese landbouw, terwijl een grotere
benutting van in Europa beschikbare dierlijke mest die afhankelijkheid juist structureel
zou kunnen verminderen? Heeft de Minister dit alternatief onder de aandacht gebracht
of is hij bereid dit tijdens de Landbouw- en Visserijraad onder de aandacht te brengen?
Is de Minister bereid de EC op te roepen te onderzoeken of de bepalingen uit de Nitraatrichtlijn
die het aandeel stikstof uit dierlijke mest begrenzen, meer ruimte kunnen bieden voor
een gebieds- en grondsoortspecifieke benadering, zodat beschikbare nutriënten beter
kunnen worden benut en de afhankelijkheid van kunstmest structureel kan worden verminderd?
De Minister is bekend met het door de leden van de BBB-fractie genoemde rapport. In
de afgelopen jaren is een aantal studies uitgevoerd naar de uitspoeling van dierlijke
mest ten opzichte van kunstmest in de Nederlandse omstandigheden. Uit geen van deze
studies is onomstotelijk gebleken dat stikstof uit dierlijke mest meer af- en uitspoelt
naar het water dan stikstofkunstmest of vice versa.
Vanaf 2026 is de derogatie definitief van de baan. Dit betekent dat Nederland is gehouden
aan de Europese norm voor de aanwending van dierlijke mest van 170 kg stikstof per
hectare per jaar. De Minister ziet geen ruimte om hiervan af te wijken. De Minister
ziet wel ruimte voor het mogen gebruiken van RENURE-meststoffen boven de gebruiksruimte
voor dierlijke mest (80 kg stikstof per hectare per jaar). De Minister is blij dat
de Commissie zich heeft ingezet voor het mogelijk maken van enkele RENURE-meststoffen
en dat er voorbereidingen worden getroffen om bepaalde vormen van digestaat toe te
voegen. Hiermee worden op circulaire wijze alternatieven voor kunstmest ontwikkeld
en kan dierlijke mest worden verwerkt tot een volwaardige kunstmestvervanger die voldoet
aan criteria die bijdragen aan vermindering van de milieuopgaven.
De leden van de BBB-fractie wijzen op de beantwoording van de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (VWS) van de schriftelijke vragen over voedselveiligheid (Kamerstuk
26 991, nr. 597). Daarin geeft de Minister van VWS aan dat geïmporteerde producten aan dezelfde hoge
eisen moeten voldoen als producten die binnen de EU worden geproduceerd en dat hierop
actief wordt toegezien door audits van de EC in derde landen, controles aan de buitengrens
van de EU en toezicht door onder andere de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
(NVWA). Deze leden onderschrijven het belang van een gelijk speelveld en het uitgangspunt
dat producten die op de Europese markt worden gebracht aan dezelfde hoge standaarden
moeten voldoen, ongeacht het land van herkomst. Juist daarom vragen deze leden hoe
het toezicht van de EC op derde landen precies is geborgd. Kan de Minister aangeven
welke objectieve criteria de EC hanteert voor de frequentie waarmee derde landen worden
geaudit? Bestaan hiervoor minimumfrequenties, benchmarks of andere toetsbare handhavingsnormen?
Kan de Minister tevens aangeven of hij bereid is de EC te verzoeken vergelijkbare
informatie beschikbaar te maken bij andere ernstige voedselveiligheidsincidenten met
importproducten uit derde landen, zodat beter inzichtelijk wordt in hoeverre dergelijke
incidenten zich voordoen ondanks recente audits of juist samenhangen met een langere
periode zonder inspecties?
De leden van de BBB-fractie constateren dat Verordening (EU) 2017/625 lidstaten verplicht
om officiële controles risicogebaseerd uit te voeren, meerjarige nationale controleplannen
op te stellen en jaarlijks over de uitvoering daarvan te rapporteren. Deze leden constateren
tevens dat de bepalingen over controles van de EC in derde landen weliswaar uitgaan
van een risicobeoordeling, maar voor zover deze leden kunnen nagaan geen vergelijkbare
minimumvereisten bevatten voor auditfrequenties, objectieve handhavingsnormen of transparante
beoordelingskaders. Klopt deze lezing? Zo nee, waar zijn dergelijke normen dan vastgelegd?
Regels voor controles op het gebied van levensmiddelen en voedselveiligheid zijn opgenomen
in de Europese controleverordening (OCR). Hierin staan ook eisen ten aanzien van de
aard, de frequentie en de verslaglegging van controles in landen buiten de EU (zogenaamde
derde landen). De uitkomsten van de controles worden openbaar gemaakt. Daarnaast stelt
de Commissie jaarlijks een auditprogramma op van uit te voeren controles in derde
landen. Dit programma kan worden aangepast als de situatie daarom vraagt. De Commissie
informeert de lidstaten over dit programma en elke aanpassing.
In het geval er sprake is van ernstige voedselveiligheidsincidenten, dan doen lidstaten
een zogenaamde Rapid Alert System for Food and Feed (RASFF)-melding, zodat de Commissie
en de lidstaten snel op de hoogte zijn en maatregelen kunnen nemen.
De leden van de BBB-fractie merken op dat juist voor voorschriften die aan de Europese
buitengrens nauwelijks of niet kunnen worden gecontroleerd, zoals het verbod op het
gebruik van bepaalde hormonen tijdens de productie of de naleving van dierenwelzijnseisen
op bedrijven, goed toezicht in het land van herkomst essentieel is. Deelt de Minister
deze opvatting? Hoe beoordeelt de Minister in dat licht de huidige systematiek van
audits in derde landen?
Het toezicht door de Commissie in derde landen op basis van de OCR is een essentieel
onderdeel van de systematiek om te borgen dat voedingsmiddelen die in de EU worden
geïmporteerd aan de gestelde eisen voldoen. Audits in derde landen kunnen immers belangrijke
tekortkomingen aantonen, bijvoorbeeld op de door de leden van de BBB genoemde onderdelen.
De Commissie heeft een EU-taskforce importcontroles opgericht, die voortkomt uit de
Visie voor Landbouw en Voedsel van de Commissie. Deze taskforce heeft als doel de
importcontroles efficiënter te maken, met name gericht op residuen van pesticiden,
voedsel- en diervoederveiligheid en dierenwelzijn, en mogelijke gecoördineerde EU-monitoringacties
op specifieke geïmporteerde producten. In dit verband verhoogt de Commissie het aantal
audits in derde landen de komende twee jaar met 50%.
De leden van de BBB-fractie wijzen in dit verband op de aanwezigheid van het in de
EU verboden hormoon oestradiol-17β in rundvlees uit Brazilië en op de eerdere zorgen
die onder meer door BBB Europa zijn geuit over de borging van de Braziliaanse controlesystemen
(BBB Europa, 20 februari 2026, « BBB luidt alarmklok over schandaal met Braziliaans
hormoonvlees» (https://bbb-europa.eu/bbb-luidt-alarmklok-over-schandaal-met-braziliaan…)). Deze leden vragen de Minister of hij, voor zover mogelijk, kan aangeven wanneer
voorafgaand aan deze constatering de meest recente audit van de EC naar het Braziliaanse
controlesysteem heeft plaatsgevonden. Hoeveel audits hebben in de twaalf maanden voorafgaand
aan de import van deze partij(en) plaatsgevonden en op welke productcategorieën hadden
deze betrekking? Waren tijdens die audits al tekortkomingen geconstateerd die relevant
waren voor deze casus?
Van 27 mei tot 14 juni 2024 vond in Brazilië een audit plaats (DG SANTE 2024–8087)
met als doel de evaluatie van de implementatie van officiële controles op residuen
van farmacologisch werkzame stoffen, pesticiden en contaminanten in dieren en dierlijke
producten, overeenkomstig de residu controleplannen voor de betreffende diersoorten/producten.
Uit de audit kwamen tekortkomingen waar twee aanbevelingen op zijn gedaan. De eerste
aanbeveling had betrekking op validatie van analytische methoden. De tweede aanbeveling
was om ervoor te zorgen dat producten afkomstig van runderen die voor therapeutische
of zoötechnische doeleinden met oestradiol-17β zijn behandeld, niet naar de EU worden
uitgevoerd.
Van 14 tot en met 31 oktober 2025 heeft een vervolgaudit (CT-2025–0241) plaatsgevonden.
Het doel van de audit was om de effectiviteit te evalueren van de corrigerende maatregelen
die zijn geïnitieerd of uitgevoerd door de Braziliaanse centrale bevoegde autoriteit
(Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Voedselvoorziening, MAPA) naar aanleiding van
twee aanbevelingen in het auditrapport van 2024. De audit concludeerde dat de voorgestelde
maatregelen met betrekking tot de prestaties van het laboratoriumnetwerk grotendeels
effectief zijn uitgevoerd en dat die aanbeveling naar tevredenheid is opgevolgd. Wat
betreft de aanbeveling om ervoor te zorgen dat producten van runderen die zijn behandeld
met oestradiol 17β voor therapeutische of zoötechnische doeleinden niet naar de EU
worden geëxporteerd, was het actieplan niet uitgevoerd zoals voorgesteld. De Commissie
heeft daarom op 12 mei van dit jaar aan de lidstaten voorgesteld om de import van
onder andere rundvlees uit Brazilië niet meer toe te staan per 3 september 2026. De
lidstaten hebben ingestemd met dit voorstel.
De leden van de BBB-fractie wijzen daarnaast op de Rapid Alert System for Food and
Feed (RASFF)-melding over pluimveevlees uit Brazilië waarin de NVWA tijdens een importcontrole
salmonella heeft aangetroffen (Europese Commissie, 8 mei 2026 (https://webgate.ec.Europa.eu/rasff-window/screen/notification/842691)). Deze leden vragen de Minister of hij, voor zover mogelijk, kan aangeven wanneer
voorafgaand aan deze constatering de meest recente audit van de EC naar het Braziliaanse
officiële controlesysteem voor pluimveevlees heeft plaatsgevonden. Hoeveel audits
hebben in de twaalf maanden voorafgaand aan de import van deze partij(en) plaatsgevonden
en op welke onderdelen van het controlesysteem of de productieketen hadden deze betrekking?
Waren tijdens die audits al tekortkomingen geconstateerd die relevant waren voor deze
casus? Kan de Minister voor beide bovengenoemde casussen inzichtelijk maken wat de
auditgeschiedenis was voorafgaand aan deze incidenten, waaronder de datum van de meest
recente audit, de belangrijkste bevindingen, eventuele geconstateerde tekortkomingen,
de afgesproken corrigerende maatregelen, het moment waarop deze als afdoende zijn
beoordeeld en eventuele aanvullende controle- of handhavingsmaatregelen? Acht de Minister
het wenselijk dat dergelijke informatie bij ernstige voedselveiligheidsincidenten
standaard inzichtelijk wordt gemaakt, zodat de effectiviteit van het Europese auditsysteem
beter kan worden beoordeeld? Is de Minister van oordeel dat de huidige systematiek
voldoende waarborgen biedt dat derde landen blijvend voldoen aan de Europese productievoorwaarden?
Kan de Minister daarbij ingaan op de wijze waarop wordt bepaald wanneer geconstateerde
tekortkomingen aanleiding geven tot aanvullende maatregelen, verscherpt toezicht of
(tijdelijke) opschorting van import?
Ten aanzien van pluimveevlees vond van 15 april tot 3 mei 2024 een audit1 plaats in Brazilië, gericht op de officiële controles door de Braziliaanse autoriteiten
in relatie tot de export van pluimveevlees en eieren. Dit rapport is, evenals alle
auditrapporten, en de reactie van de competente autoriteiten van het derde land, te
vinden op de website van DG SANTE2. De uitkomsten van alle audits worden openbaar gemaakt en waar nodig kan de Commissie
een vervolgaudit uitvoeren. Ook kan de Commissie besluiten om controles aan de buitengrenzen
van de EU te intensiveren, bijvoorbeeld door frequenties van materiële controles op
specifieke goederen uit een specifiek land te verhogen. Ten slotte kan de Commissie
een voorstel doen om de import vanuit een land van de zogenaamde «derde-landenlijst»
te schrappen, wat betekent dat specifieke producten uit een specifiek land niet meer
naar de EU kunnen worden geëxporteerd. Een voorstel tot schrappen moet ter stemming
aan de lidstaten worden voorgelegd. Zoals hiervoor is aangegeven, is dit laatste recent
met Brazilië gebeurd.
De leden van de BBB-fractie merken op dat de Minister van VWS in de beantwoording
van voornoemde vragen tevens aangeeft dat de NVWA risicogestuurd werkt en niet alle
importstromen kan controleren. Deze leden zien hierin een extra argument voor robuust
en transparant toezicht in de productielanden zelf. Deelt de Minister deze redenering?
Is de Minister bereid tijdens de Landbouw- en Visserijraad een diversenpunt in te
brengen over de borging van het toezicht op derde landen onder Verordening (EU) 2017/625?
Is de Minister daarbij bereid de EC te verzoeken inzichtelijk te maken op welke wijze
auditfrequenties en handhavingsniveaus worden vastgesteld en te bezien of hiervoor
meer objectieve en transparante kaders kunnen worden ontwikkeld, bijvoorbeeld door
het werken met toetsbare beoordelingscriteria, benchmarks voor auditfrequenties en
duidelijkere uitgangspunten voor vervolgmaatregelen wanneer structurele tekortkomingen
worden geconstateerd? Kan de Minister tevens de vraag aan de EC voorleggen of dergelijke
verbeteringen binnen de huidige verordening kunnen worden gerealiseerd of dat hiervoor
aanpassing van Verordening (EU) 2017/625 noodzakelijk is?
Zoals hiervoor is aangegeven, heeft de Commissie een EU-taskforce importcontroles
opgericht, die voortkomt uit de Visie voor Landbouw en Voedsel. Deze taskforce heeft
als doel de importcontroles efficiënter te maken, met name gericht op residuen van
pesticiden, voedsel- en diervoederveiligheid en dierenwelzijn, en mogelijke gecoördineerde
EU-monitoringacties op specifieke geïmporteerde producten. Verder worden de komende
twee jaar de audits door de Commissie in derde landen met 50% verhoogd. Het kabinet
is van mening dat de Commissie het toezicht in derde landen goed heeft georganiseerd
en heeft vertrouwen in de aanpak van de Commissie in deze taskforce.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief Aanpak uitheemse rivierkreeften
waarin de Staatssecretaris aangeeft te werken aan regelgeving om het structureel mogelijk
te maken voor waterschappen om uitheemse rivierkreeften te vangen met vistuigen waarvan
wetenschappelijk is aangetoond dat deze geschikt zijn voor grootschalige vangst, zonder
noemenswaardige bijvangst van andere soorten en op een wijze die bovendien goed handhaafbaar
is. In de brief wordt echter aangegeven dat deze regelgeving naar verwachting pas
medio 2027 in werking zal treden.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat de Kamer inmiddels motie-Vermeer c.s.
(Kamerstuk 21 501–32, nr. 1816) heeft aangenomen, waarin de regering wordt verzocht het benodigde wetsvoorstel uiterlijk
in het vierde kwartaal van 2026 aan de Tweede Kamer aan te bieden. Kan de Staatssecretaris
bevestigen dat deze aangenomen motie onverkort wordt uitgevoerd en dat alles op alles
wordt gezet om het wetgevingstraject te versnellen, zodat het wetsvoorstel uiterlijk
in het vierde kwartaal van 2026 aan de Kamer wordt aangeboden?
De motie-Vermeer c.s. (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1816) zal onverkort worden uitgevoerd. De voorgenomen wijziging van de regelgeving betreft
een algemene maatregel van bestuur en zal zoals voornoemde motie-Vermeer verzoekt
uiterlijk in het vierde kwartaal van 2026 aan de Kamer aanhangig worden gemaakt. Waterschappen
hoeven daarbij niet te wachten op deze wijziging van de regelgeving om te beginnen
met het wegvangen van uitheemse rivierkreeften. Het is voor waterschappen namelijk
al mogelijk om op basis van een ontheffing uitheemse rivierkreeften weg te vangen.
Met deze ontheffingenaanvragen wordt ruimhartig omgegaan.
De leden van de BBB-fractie lezen dat verschillende lidstaten hebben benadrukt dat
meer aandacht nodig is voor de impact van toenemende populaties predatoren, zoals
aalscholvers en zeehonden, op het herstel van visbestanden. Kan de Staatssecretaris
aangeven voor welke visbestanden of vispopulaties de toenemende aantallen zeehonden
en aalscholvers volgens hem daadwerkelijk een probleem vormen? Kan hij daarbij tevens
aangeven op welke wetenschappelijke inzichten deze beoordeling is gebaseerd?
Uit eerder onderzoek is gebleken dat predatie door aalscholvers niet of nauwelijks
effect had op visbestanden in het IJsselmeergebied.3 Onderzoek naar het effect van predatie door aalscholvers op visbestanden laat de
Staatssecretaris actualiseren. Er zijn geen aanwijzingen dat predatie door zeehonden
effect heeft op visbestanden in Nederland. Daarnaast nemen de aantallen gewone zeehonden
ook niet toe en is er sinds 2020 een lichte afname te zien.
De leden van de BBB-fractie lezen dat Nederland voor de aanlandplicht een werkbaar
alternatief wil maken en daarbij werkt aan een AI-systeem voor automatische vangstregistratie.
Kan de Staatssecretaris aangeven of, naast het Fully Documented Fisheries (FDF)-project,
ook andere alternatieven voor de huidige aanlandplicht zijn onderzocht of momenteel
worden uitgewerkt? Zo ja, welke alternatieven betreft dit en hoe worden deze beoordeeld?
Daarnaast vragen deze leden hoe de samenwerking met de visserijsector tot nu toe verloopt
bij het ontwikkelen en beoordelen van alternatieven voor de aanlandplicht. In hoeverre
worden vissers en hun vertegenwoordigers actief betrokken bij dit traject en op welke
wijze worden hun praktijkervaringen meegenomen in de uiteindelijke voorstellen?
In de lopende discussie over de evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid
(GVB) is de herziening van de huidige aanlandplicht één van de speerpunten van de
Staatssecretaris. Daarbij zet Nederland in op de doorontwikkeling van het Fully Documented
Fisheries (FDF) Project wat als mogelijk alternatief voor de aanlandplicht kan dienen.
Uit contacten met andere lidstaten en de sector zijn tot op heden geen andere alternatieven
in beeld gekomen. Daarmee zet Nederland momenteel alleen in op FDF. Om FDF een zo
goed mogelijke kans van slagen te geven, vindt de Staatssecretaris het belangrijk
dat de vissers en de sectorvertegenwoordigers actief worden betrokken bij de doorontwikkeling.
Om die reden is de sector onderdeel van het consortium dat het camerasysteem van FDF
verder ontwikkelt en doet zij mee met de huidige prakrijkproeven op zee. Er doen op
dit moment meerdere kotters mee met de praktijkproef. Verder vinden er regulier gesprekken
plaats met vertegenwoordigers van de sectororganisaties over een mogelijk alternatief
op de aanlandplicht op basis van FDF als ook ten algemene op de aanlandplicht. De
sector wordt hierbij actief om input gevraagd.
De leden van de BBB-fractie vragen of bij de zoektocht naar alternatieven ook nadrukkelijk
wordt gekeken naar systemen en werkwijzen die in andere lidstaten worden toegepast.
Worden bijvoorbeeld instrumenten zoals de Blue Box, of andere buitenlandse praktijkvoorbeelden
die kunnen bijdragen aan een beter uitvoerbare en handhaafbare aanlandplicht, meegenomen
in de verkenning? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment is het de Staatssecretaris niet bekend dat andere EU-lidstaten concreet
onderzoek doen naar systemen en werkwijzen als werkbaar alternatief op de huidige
aanlandplicht. Uitzondering hierop is Denemarken, dat samen met Nederland werkt aan
de doorontwikkeling van FDF. Zoals in het antwoord hierboven is aangegeven, is Nederland
geïnteresseerd in een werkbaar alternatief op de aanlandplicht mede ten behoeve van
een betere uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Als het gaat om te komen tot een alternatief
voor de aanlandplicht, gaat het Nederland niet zozeer om een instrument dat mogelijk
de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de huidige aanlandplicht kan verbeteren.
De leden van de BBB-fractie lezen dat het kabinet stelt dat Nederland momenteel niet
voldoet aan de Goede Milieutoestand onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM)
en dat de staat van instandhouding van diverse habitattypen en vogelsoorten op de
Noordzee onvoldoende is. Kan de Staatssecretaris aangeven op welke wetenschappelijke
rapporten en beoordelingsmethodieken deze conclusie is gebaseerd?
De huidige toestand van het Nederlandse deel van de Noordzee wordt onder meer bepaald
onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). Op 19 december 2025 is aan de Kamer
de door het kabinet vastgestelde actualisatie van de Mariene Strategie Deel 1 2024–2030
gestuurd (Kamerstuk 33 450, nr. 137). De Mariene Strategie deel 1 is het eerste deel van de drie uit te brengen producten
tijdens de derde implementatiecyclus van de KRM. Dit deel beschrijft de huidige milieutoestand,
de (gewenste) goede milieutoestand en de milieudoelen die zijn gesteld om de goede
milieutoestand te behalen of te behouden. In de Mariene Strategie Deel 1 is toegelicht
op welke wetenschappelijke rapporten en beoordelingsmethodieken deze conclusie is
gebaseerd.
Ook is de Kamer in december 2025 geïnformeerd over de zesjaarlijkse nationale rapportages
voor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn (VHR-rapportages). In de achtergrondrapporten
bij de Nederlandse rapportage4 wordt toegelicht op welke wetenschappelijke rapporten en beoordelingsmethodieken
deze rapportages zijn gebaseerd. Voor de Habitatrichtlijnrapportage over habitattypen
en Habitatrichtlijnsoorten komen de achtergrondrapporten in de loop van 2026 beschikbaar.
Voor de Vogelrichtlijnrapportage staat dit in Goutbeek et al. 20255. Naast de Vogelrichtlijnrapportage heeft SOVON de staat van instandhouding van veel
vogelsoorten beoordeeld. Dit staat beschreven in Vogel et al. 20216.
Kan de Staatssecretaris tevens aangeven of in deze rapportages gebruik wordt gemaakt
van theoretische of historische referentiewaarden, zoals de referentiewaarden die
worden gehanteerd binnen de Benthische Indicator Soorten Index (BISI)-methodiek? Zo
ja, welke rol spelen deze referentiewaarden bij de conclusie dat de natuur zich niet
in een goede staat van instandhouding bevindt?
Zoals noodzakelijk is bij toepassing van elke indicator, zijn ook bij de indicatoren
die gebruikt zijn om de Goede milieutoestand en de landelijke staat van instandhouding
te bepalen, referentiewaarden gebruikt. Referentiewaarden, die terug te vinden zijn
in de hierboven beschreven documenten, worden gebruikt om de huidige (milieu)toestand
van onderzochte habitattypen en soorten aan te spiegelen en dus om te bepalen of deze
zich in een gunstige staat van instandhouding of Goede milieutoestand bevinden.
Wat betreft de BISI-methodiek en de staat van instandhouding is daarbij niet de historisch
of theoretisch hoogst mogelijke waarde als drempel gebruikt. Bij de Habitatrichtlijnrapportage
is de BISIS&F-waarde van 0,5 (dus de helft van het maximum op de BISI schaal) als drempelwaarde
gebruikt als indicatie voor een goede structuur en functie (de BISI-schaal voor structuur
en functie loopt van 0 tot maximaal 1). Het gebruik van de BISI-methodiek bij de Habitatrichtlijnrapportage
is gebaseerd op wetenschappelijk advies van Wageningen University & Research7 en is te lezen in het rapport «Indicatoren en maatlatten voor de beoordeling van structuur en functie van mariene
habitattypen voor Natura 2000». Uit de Habitatrichtlijnrapportage blijkt tevens dat een aanzienlijk deel van de
habitattypen boven die waarde scoort, wat laat zien dat deze niet onhaalbaar is.
Voor de soorten en habitattypen van de Habitatrichtlijn zijn de gunstige referentiewaarden
voor verspreiding, oppervlakte en populatie ontwikkeld gebruik makend van de Europees
geharmoniseerde methodiek. Onderdeel daarvan is dat minimaal het voorkomen ten tijde
van de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (voor Nederland: 1994) behouden moet
blijven.
Voorts wijzen de leden van de BBB-fractie op de aangenomen motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk
21 501–32, nr. 1822), waarin de regering wordt verzocht om bij het vaststellen van referentiewaarden
voor natuur op zee uit te gaan van wetenschappelijk onderbouwde inzichten en daarbij
expliciet rekening te houden met veranderende ecologische omstandigheden. Op welke
wijze geeft de Staatssecretaris uitvoering aan deze motie?
De motie van het lid Grinwis c.s. (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1822) verzoekt de regering bij het vaststellen van referentiewaarden voor natuur op zee
uit te gaan van wetenschappelijk onderbouwde inzichten, en daarbij expliciet rekening
te houden met veranderende ecologische omstandigheden.
Om deze motie uit te voeren zal allereerst een inventarisatie gemaakt moeten worden
bij welke verschillende methoden referentiewaarden voor natuur op zee worden gebruikt.
Bij deze inventarisatie zal ook de BISI-methode worden meegenomen. Daarna zal, voor
alle geïnventariseerde methoden, bekeken moeten worden of daarbij van wetenschappelijk
onderbouwde inzichten wordt uitgegaan en, zo ja, of daarbij expliciet rekening wordt
gehouden met veranderende ecologische omstandigheden. Daarna zal pas kunnen worden
overwogen of het vaststellen van referentiewaarden zal moeten worden herzien. De Minister
zal de kamer hierover informeren.
Is de Staatssecretaris, mede gelet op de aanhoudende wetenschappelijke discussie over
de gehanteerde referentiewaarden en de verstrekkende gevolgen die deze beoordelingen
kunnen hebben voor de visserij en het medegebruik van de Noordzee, bereid een onafhankelijke
wetenschappelijke review te laten uitvoeren van de gehanteerde beoordelingsmethodiek
en referentiewaarden? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de discussie over de in de BISI-methodiek gehanteerde referentiewaarden
tijdens het Commissiedebat Visserij en Landbouw- en Visserijraad van 16 juni jl. heeft
het Ministerie van LVVN Wageningen Marine Research (WMR) gevraagd om nader inzicht
te geven in deze toepassing van referentiewaarden, ook in het licht van de kritiek
hierop van emeritus hoogleraar Jaap van der Meer. Daarbij is WMR gevraagd hierbij
ook wetenschappers van buiten WMR te betrekken.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de beantwoording van de feitelijke
vragen over de ontwerpbegroting 2026. Daaruit blijkt dat een incidentele subsidie
van circa 18 miljoen euro wordt uitgewerkt voor diverse rifherstelprojecten, waarvan
het overgrote deel is gericht op oesterherstel. Deze leden hebben vernomen dat momenteel
een review zou worden uitgevoerd naar de onderbouwing van de oesterherstelprojecten,
omdat deze mede zouden zijn gebaseerd op theoretische referentiewaarden die niet wetenschappelijk
zijn gevalideerd. Klopt het dat een dergelijke review plaatsvindt? Zo ja, is de Staatssecretaris
bereid de uitkomsten van deze review, inclusief de wetenschappelijke onderbouwing
en eventuele beleidsconclusies, na afronding met de Kamer te delen voordat verdere
middelen voor oesterherstelprojecten worden ingezet?
De uitvoering van het rifherstelproject in de Noordzee op het Friese Front is een
invulling van de afspraken van het Noordzeeakkoord met betrekking tot oesterrifherstelprojecten.
Het rifherstelXL-project heeft een subsidie ontvangen vanuit het programma Natuurversterking
Noordzee. Er vinden momenteel geen reviews plaats naar de onderbouwing van dit project.
In het kader van de nieuwe Natuurherstelverordening, waarin doelstellingen zijn opgenomen
onder andere voor herstel van schelpdierriffen, wordt in algemene zin vervolgonderzoek
gedaan naar gunstige referentieoppervlakten en kwaliteitseisen. Dit onderzoek heeft
echter geen betrekking op het rifherstelproject op het Friese Front.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de beoordeling van de ecologische toestand
van het bodemdierenleven in de Noordzeekustzone, zoals opgenomen in het rapport Staat
van de Noordzee, in belangrijke mate is gebaseerd op de BISI-methodiek en de daarbij
gehanteerde referentiewaarden. Juist over deze referentiewaarden bestaat inmiddels
brede wetenschappelijke discussie, omdat deze veelal zijn gebaseerd op historische
maximumwaarden en onvoldoende rekening zouden houden met veranderende ecologische
omstandigheden, zoals klimaatverandering en de komst van invasieve soorten. Kan de
Staatssecretaris bevestigen dat de conclusie dat het bodemdierenleven in de Noordzeekustzone
zich in een ongunstige staat bevindt grotendeels is gebaseerd op de uitkomsten van
de BISI-methodiek?
De Noordzeekustzone is een Habitatrichtlijngebied en maakt deel uit van het Europese
Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden. Bij het bepalen van de huidige landelijke
Staat van Instandhouding van de ook in de Noordzeekustzone voorkomende marine habitattypen,
vallend onder bijlage I van de Habitatrichtlijn, is voor het bepalen van een van de
vier parameters, namelijk structuur en functie, gebruik gemaakt van de BISI-methodiek.
De toepassing van de BISI-methodiek in de recente Habitatrichtlijnrapportage is hierboven
toegelicht.
Hierover is de Kamer ook geïnformeerd bij de beantwoording van vragen van het lid
Van der Plas over het rapport «Ontwikkeling van de bodemdiergemeenschap in de geulen
van referentiegebied Rottum» (2025Z22312). Hierin wordt aangegeven dat de landelijke staat van instandhouding van habitattypen
wordt beoordeeld op basis van 4 parameters (verspreidingsgebied, oppervlakte, structuur
en functie inclusief typische soorten, toekomstperspectief). Voor het bepalen van
de parameter structuur en functie wordt daarbij, voor alle mariene habitattypen gebruik
gemaakt van de BISI. Er is een maatlat ontwikkeld waarmee aan de hand van de BISI
een score kan worden gegenereerd voor structuur en functie van mariene habitattypen
(Escaravage et al., 2024). Deze score is gebruikt om samen met de scores van de 3
andere hierboven genoemde parameters de landelijke staat van instandhouding te beoordelen.
De BISI-score is daarin dus niet doorslaggevend maar slechts één van de gebruikte
parameters.
De leden van de BBB-fractie wijzen op de aangenomen motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk
21 501–32, nr. 1822), waarin de regering wordt verzocht om bij het vaststellen van referentiewaarden
voor natuur op zee uit te gaan van wetenschappelijk onderbouwde inzichten en daarbij
expliciet rekening te houden met veranderende ecologische omstandigheden. Betekent
deze motie dat ook de in het rapport Staat van de Noordzee gebruikte BISI-methodiek
en de daarin gehanteerde referentiewaarden onafhankelijk zullen worden beoordeeld
en, indien nodig, herzien voordat deze nog langer worden gebruikt als basis voor beleid,
beheerplannen en besluiten die gevolgen hebben voor visserij en ander medegebruik?
Kan de Staatssecretaris de Kamer hierover informeren?
De motie van het lid Grinwis c.s. (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1822) verzoekt de regering bij het vaststellen van referentiewaarden voor natuur op zee
uit te gaan van wetenschappelijk onderbouwde inzichten, en daarbij expliciet rekening
te houden met veranderende ecologische omstandigheden.
Om de motie uit te voeren zal het Ministerie van LVVN allereerst een inventarisatie
moeten maken bij welke verschillende methoden referentiewaarden voor natuur op zee
worden gebruikt. Bij deze inventarisatie zal ook de BISI-methode worden meegenomen.
Daarnaast zal, voor alle geïnventariseerde methoden, bekeken moeten worden of daarbij
van wetenschappelijk onderbouwde inzichten wordt uitgegaan en, zo ja, of daarbij expliciet
rekening wordt gehouden met veranderende ecologische omstandigheden. Daarna zal pas
kunnen worden overwogen of het vaststellen van referentiewaarden zal moeten worden
herzien. De Kamer zal hierover worden geïnformeerd.
De leden van de BBB-fractie constateren dat uit de reflectie van de Waddenacademie
blijkt dat de beoordeling van de toestand van vissoorten op basis van maximale referentiewaarden
aanzienlijk lager uitvalt dan een beoordeling op basis van gemiddelde referentiewaarden.
Waar een beoordeling op basis van gemiddelden uitkomt op een matige ecologische toestand,
leidt dezelfde beoordeling op basis van maxima tot het oordeel «slecht».
De BBB-fractie constateert daarnaast dat voor de beoordeling van de bodemdiergemeenschap
via de BISI een vergelijkbare systematiek wordt toegepast, waarbij eveneens wordt
uitgegaan van maximale referentiewaarden. Tijdens de deskundigensessie heeft de heer
Sander Wijnhoven bovendien tweemaal expliciet verklaard dat de BISI-methodiek conservatief
is ten opzichte van andere beoordelingsmethoden, hetgeen betekent dat deze systematisch
tot lagere scores leidt. Ook in deel I van de Mariene Strategie wordt beschreven dat
de BISI-methodiek strenger is dan andere beoordelingssystemen.
De leden van de BBB-fractie constateren daarom dat inmiddels uit meerdere bronnen
blijkt dat de gehanteerde BISI-methodiek inherent leidt tot relatief lage ecologische
beoordelingen en daarmee potentieel een zwaarder beeld van de natuurkwaliteit schetst
dan andere gangbare beoordelingsmethoden.
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij ervoor gaat zorgen
dat vissers enthousiast blijven om deel te nemen aan het succesvolle programma Fishing
for Litter, nu vanuit de sector signalen komen dat het enthousiasme afneemt door de
steeds verder krimpende vloot en de toenemende druk op de visserij. Welke concrete
maatregelen is hij bereid hiervoor te nemen? Tijdens het symposium Fishing for Litter
is aangegeven dat in zeereservaten nog steeds door buitenlandse schepen wordt gevaren
en dat daar regelmatig afval zou worden gedumpt, terwijl deze gebieden voor Nederlandse
vissers vaak niet toegankelijk zijn. Is de Staatssecretaris bekend met deze signalen?
De Staatssecretaris waardeert de gezamenlijke inspanning van de visserijsector en
betrokken organisaties bij het terugdringen van zwerfafval in het mariene milieu.
Het Fishing for Litter-project levert hieraan een concrete bijdrage, in lijn met de
milieudoelen van de KMS 2024–2030. Om de continuïteit van het project te waarborgen,
wordt het project wederom opgenomen in het volgende KRM-Programma van Maatregelen
(2028–2033). Onder het huidige KRM-Programma van Maatregelen (2022–2027) wordt het
Fishing for Litter-project grotendeels gefinancierd door het Europees Fonds voor Maritieme
Zaken, Visserij en Aquacultuur (EMFAF). In nauwe samenwerking met het Ministerie van
Infrastructuur en Waterstaat, zet de Staatssecretaris zich in om subsidiëring ook
in de toekomst mogelijk te houden, zodat het succesvolle initiatief en het enthousiasme
van betrokken partijen behouden blijven.
De Staatssecretaris herkent de signalen over afvaldumpingen door buitenlandse schepen
in zeereservaten niet.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het bericht van VisNed over de
problemen rondom de technische maatregelen voor de inktvisvisserij en hebben hierover
de volgende vragen. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat de huidige problemen rondom
de technische maatregelen voor de inktvisvisserij zijn ontstaan door een onbedoelde
omissie in de regelgeving en niet het gevolg zijn van een beleidsmatige keuze? Welke
acties onderneemt de Staatssecretaris om deze fout zo spoedig mogelijk te herstellen,
zodat vissers niet onnodig worden belemmerd? Kan de Staatssecretaris toezeggen dat
vissers, zolang deze omissie in de regelgeving nog niet is hersteld, niet worden geconfronteerd
met handhaving of andere nadelige gevolgen als gevolg van deze juridisch-technische
fout? Kan de Staatssecretaris tevens aangeven welke concrete stappen inmiddels zijn
gezet om de omissie zowel nationaal als Europees te herstellen, waaronder het opnieuw
opnemen van de betreffende bepaling in artikel 86 van de Uitvoeringsregeling Zeevisserij
en het verzoek aan de EC om in de Verordening Technische Maatregelen een voetnoot
op te nemen waarin wordt verduidelijkt dat de verplichting voor een paneel met vierkante
mazen niet van toepassing is op de gerichte visserij op inktvis? Kan de Staatssecretaris
toezeggen de Kamer hierover uiterlijk in het najaar van 2026 te informeren en zich
ervoor in te spannen dat deze aanpassingen dan zijn gerealiseerd?
Ter verduurzaming van de inktvisvisserij is in het najaar van 2025, mede op verzoek
van Nederland, Europese wetgeving in werking getreden waarmee de maaswijdte voor de
gerichte visserij op inktvis in de Noordzee en Noordwestelijke Wateren is verhoogd
van 40mm naar 80mm. Bij de totstandkoming van deze wijziging is destijds niet voorzien
dat met een verhoging naar een maaswijdte van 80mm op de Noordzee óók separate wetgeving
van toepassing zou worden die een paneel met vierkante mazen verplicht.
Omdat de Staatssecretaris van mening is dat deze samenloop van regelgeving onwenselijk
is, wordt op dit moment de mogelijkheden onderzocht om zowel de Europese wetgeving
als de Nederlandse wetgeving op dit onderdeel aan te passen. De Staatssecretaris zal
de Kamer na de zomer, voorafgaand aan de start van het inktvisseizoen, nader informeren.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van berichtgeving dat de Britse tak
van Greenpeace opnieuw voornemens is stenen te dumpen in Engelse wateren om vissers
uit beschermde zeegebieden te weren. Volgens de berichtgeving kunnen dergelijke acties
opnieuw risico's opleveren voor de veiligheid van de scheepvaart en de visserij. Kan
de Staatssecretaris aangeven of hij bekend is met deze voorgenomen actie van Greenpeace
in Britse wateren? Heeft de Staatssecretaris hierover inmiddels contact gehad of is
hij bereid op korte termijn contact op te nemen met zijn Britse ambtsgenoot om zijn
zorgen over deze voorgenomen actie kenbaar te maken en erop aan te dringen dat dergelijke
steenstortacties worden voorkomen? Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat het
opzettelijk dumpen van grote stenen op visgronden een gevaar kan vormen voor Nederlandse
vissersschepen, de veiligheid op zee en schade kan veroorzaken aan vistuigen? Zo ja,
welke stappen is hij bereid te ondernemen om de belangen en veiligheid van Nederlandse
vissers te beschermen?
De Staatssecretaris deelt de opvatting dat het opzettelijk dumpen van grote stenen
een gevaar kan vormen voor Nederlandse vissersschepen, de veiligheid op zee en het
veroorzaken van schade aan vistuigen. De Staatssecretaris is niet bekend met een mogelijke
actie van de Britse tak van Greenpeace in Engelse wateren en zal hier nu geen actie
op ondernemen. Bij het Verenigd Koninkrijk zal worden nagegaan of hierover signalen
bekend zijn.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de berichtgeving over de plotselinge
sluiting van belangrijke Deense garnalenvisgebieden in de Waddenzee vanwege oude regelgeving
rondom niet-ontplofte munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Uit de berichtgeving blijkt
dat deze maatregel grote gevolgen heeft voor de garnalenvisserij in het gebied. Is
de Staatssecretaris bekend met deze ontwikkelingen en is hij ervan op de hoogte dat
ook Nederlandse garnalenvissers die in deze gebieden vissen grote zorgen hebben over
de gevolgen van deze sluitingen voor hun bedrijfsvoering? Is de Staatssecretaris bereid
hierover op korte termijn in overleg te treden met zijn Deense ambtsgenoot om de gevolgen
voor de Nederlandse garnalenvisserij te bespreken en te bezien of tot een werkbare
oplossing kan worden gekomen? Kan de Staatssecretaris de Kamer vervolgens informeren
over de uitkomsten van dit overleg?
De Staatssecretaris is niet bekend met deze ontwikkelingen. In principe vissen de
Nederlandse garnalenvissers niet in de Deense Waddenzee. De Staatssecretaris zal met
de belangenorganisaties van de vissers afstemmen of deze maatregel hen raakt. Mocht
dit het geval zijn dan zal bezien worden of vervolgstappen nodig zijn.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de voorgenomen gebiedssluitingen
in de Duitse Noordzeekustzone. Uit de gepubliceerde kaart blijkt dat onder meer een
groot gebied in de Oostereems en een gebied nabij het Rifgat worden voorgesteld als
visserijvrije zones. Juist deze gebieden zijn van groot belang voor Nederlandse vissers,
waardoor de Nederlandse sector opnieuw onevenredig hard wordt geraakt. Kan de Staatssecretaris
aangeven of hij bekend is met deze voorgenomen gebiedssluitingen in de Duitse Noordzeekustzone
en de mogelijke gevolgen daarvan voor de Nederlandse visserij, in het bijzonder voor
de garnalenvisserij die afhankelijk is van de visgronden in de Oostereems en rond
het Rifgat? Is de Staatssecretaris bereid hierover op korte termijn in gesprek te
gaan met zijn Duitse ambtsgenoot om de zorgen van de Nederlandse visserij onder de
aandacht te brengen en te voorkomen dat Nederlandse vissers opnieuw onevenredig worden
getroffen door buitenlandse gebiedssluitingen? Is de Staatssecretaris daarnaast bereid
zich ervoor in te zetten dat vertegenwoordigers van de Nederlandse visserijsector
actief worden betrokken bij de verdere gesprekken en uitwerking van deze voorgenomen
gebiedssluitingen, zodat ook de belangen en praktijkkennis van Nederlandse vissers
worden meegewogen voordat definitieve besluiten worden genomen?
De Staatssecretaris heeft vernomen dat er voornemens voor gebiedssluitingen in de
Duitse Noordzeekustzone zijn en dat deze nog verder zullen worden besproken. De Staatssecretaris
vertrouwt erop dat Nederland hierin wordt meegenomen in de daarvoor relevante Europese
gremia en hecht er belang aan dat de eventuele gevolgen van een voorgenomen gebiedssluiting
voor de Nederlandse visserij goed in kaart worden gebracht. De Staatssecretaris zal
zich hier ook voor inzetten. Indien het daarbij nodig blijkt om specifieke zorgen
bij Duitsland onder de aandacht te brengen, zal de Staatssecretaris hiertoe bereid
zijn.
De leden van de BBB-fractie ontvangen nog altijd signalen uit de visserijsector dat
de invoering van het digitale CATCH-systeem voor vangstcertificaten in de praktijk
nog niet naar behoren functioneert. Hoewel het systeem is bedoeld om de controle op
illegale, ongemelde en ongereguleerde visserij te verbeteren, ervaren ondernemers
nog steeds technische en administratieve knelpunten die tot vertragingen en extra
lasten leiden. Ook in andere lidstaten zijn vergelijkbare problemen gemeld. Kan de
Staatssecretaris deze signalen actief onder de aandacht brengen van de EC en zich
inzetten voor een snelle oplossing van de knelpunten in het CATCH-systeem? Is de Staatssecretaris
daarnaast bereid om hierover nauw in gesprek te blijven met de Nederlandse visserijsector
en de NVWA te verzoeken gedurende de overgangsfase coulant om te gaan met de handhaving,
wanneer sprake is van aantoonbare technische of systeemgerelateerde problemen en niet
van opzettelijke overtredingen?
Per 10 januari 2026 is het verplicht om de vereiste vangstdocumenten voor de import
en export van visserijproducten van en naar derde landen middels het CATCH-systeem
in te dienen bij de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA). Hoewel de afgelopen
maanden veel voortgang is geboekt bij de implementatie van de verplichtingen en de
(door)ontwikkeling van het ICT-systeem, herkent de Staatssecretaris deels de signalen
over resterende technische en administratieve knelpunten. De afgelopen maanden heeft
de Staatssecretaris met name de technische knelpunten actief onder de aandacht gebracht
van de Commissie, onder andere door het steunen of medeondertekenen van meerdere diversenpunten
op de Raad en in technische werkgroepen door de NVWA (Kamerstukken 21 501–32, nr. 1775 en Kamerstuk 21 501–32, nr. 1825). Deze aanpak zal de komende tijd worden voortgezet in samenwerking met andere lidstaten
en in nauw contact met de visserijsector.
Tegelijkertijd heeft de NVWA de afgelopen maanden intensief samengewerkt met de sector
om de overgang naar CATCH zo goed mogelijk te begeleiden. Er is ondersteuning geboden
bij de implementatie en waar technische knelpunten zich voordeden is actief gezocht
naar werkbare oplossingen binnen de geldende regelgeving. Mede hierdoor zijn de doorlooptijden
voor de afhandeling van vangstdocumenten inmiddels goed beheersbaar. Zoals eerder
aan de Kamer aangegeven wordt er in de overgangsperiode pragmatisch omgegaan met de
handhaving (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1814).
De leden van de BBB-fractie ontvangen steeds meer signalen uit de visserijsector over
ernstige knelpunten bij de NVWA. Zo zou de NVWA momenteel geen inspecteurs meer naar
het buitenland sturen om Nederlandse vissersschepen onder Nederlandse vlag te keuren,
waardoor onder meer een schip uit de pelagische sector in de problemen komt. Daarnaast
ontbreken volgens de sector de benodigde rapportagetemplates, waardoor Nederland zelf
niet aan bepaalde internationale rapportageverplichtingen kan voldoen. Kan de Staatssecretaris
aangeven of hij deze signalen herkent, wat hiervan de oorzaak is en welke maatregelen
hij op korte termijn neemt om ervoor te zorgen dat inspecties, certificeringen en
rapportages weer tijdig en goed kunnen plaatsvinden?
De Staatssecretaris herkent deze signalen in het kader van visserijregelgeving niet,
maar staat altijd open om dergelijke concrete vraagstukken vanuit de visserijorganisaties
te ontvangen. De inzet van de Staatssecretaris is er altijd op gericht dat Nederland
aan haar Europese verplichtingen wat betreft inspecties, certificering en rapportages
kan voldoen.
De leden van de BBB-fractie ontvangen signalen dat ondernemers die willen investeren
in innovatieve vormen van aquacultuur op zee nog altijd tegen onnodige belemmeringen
aanlopen. Zo wordt aangegeven dat Rijkswaterstaat en het Ministerie van LVVN aanvullende
obstakels opwerpen, onder meer doordat verankerde aquacultuursystemen als een installatie
worden aangemerkt. Hierdoor zou een verplichting gelden om onderzoek te doen naar
niet-gesprongen explosieven (UXO), terwijl binnen windparken de locaties voorafgaand
aan de aanleg al volledig op UXO worden onderzocht en gecontroleerd. Betrokken partijen
geven bovendien aan hierover geen schriftelijke bevestiging of duidelijke onderbouwing
te kunnen krijgen. Kan de Staatssecretaris hierop reageren, aangeven waarom hierover
geen helder schriftelijk standpunt wordt verstrekt en bezien of deze verplichting
proportioneel is wanneer de betreffende locaties reeds vooraf volledig op UXO zijn
gecontroleerd?
Het Ministerie van LVVN gaat niet over niet-gesprongen explosieven (UXO). Het Ministerie
van Infrastructuur en Waterstaat is verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid
op de Noordzee.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
J. Bosman, adjunct-griffier