Voorstel van wet : Voorstel van wet
36 995 Wijziging van de Mediawet 2008 houdende aanpassing van de rijksmediabijdrage
ARTIKEL I
ARTIKEL II SAMENLOOP
ARTIKEL III INWERKINGTREDING
Nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regering heeft besloten de rijksmediabijdrage
met ingang van 2027 structureel te verlagen en dat het hiervoor nodig is de Mediawet
2008 te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Mediawet 2008 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 2.144, eerste lid, komt te luiden:
1. De rijksmediabijdrage bedraagt ten minste, naar het prijspeil van 2026:
a. in 2027 € 1.006,953 miljoen;
b. in 2028 € 1.012,692 miljoen; en
c. met ingang van 1 januari 2029 € 1.029,780 miljoen.
ARTIKEL II SAMENLOOP
Indien het bij koninklijke boodschap van 20 maart 2026 ingediende voorstel van wet
tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering
van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau (36 917) tot wet is of wordt verheven en artikel I, onderdeel Z, van die wet:
a. eerder in werking treedt of is getreden dan artikel I van deze wet, komt artikel
I van deze wet te luiden:
ARTIKEL I
De Mediawet 2008 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 2.144, eerste lid, komt te luiden:
1. De rijksmediabijdrage bedraagt ten minste, naar het prijspeil van 2026:
a. in 2027 € 1.006,953 miljoen;
b. in 2028 € 1.047,658 miljoen; en
c. met ingang van 1 januari 2029 € 1.064,743 miljoen.;
b. later in werking treedt dan artikel I van deze wet, komt artikel I, onderdeel Z,
van die wet te luiden:
Z
Artikel 2.144, eerste lid, komt te luiden:
1. De rijksmediabijdrage bedraagt ten minste, naar het prijspeil van 2026:
a. in 2027 € 1.006,953 miljoen;
b. in 2028 € 1.047,658 miljoen euro; en
c. met ingang van 1 januari 2029 € 1.064,743 miljoen.
ARTIKEL III INWERKINGTREDING
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.