Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Schilder over het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie
Vragen van het lid Schilder (Groep Markuszower) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en Discriminatie (ingezonden 10 juni 2026).
Antwoord van Minister Heerma (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (ontvangen
10 juli 2026)
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het eindrapport van de Staatscommissie tegen Racisme en
Discriminatie waarin politici, bewindspersonen en media worden opgeroepen zich minder
terughoudend op te stellen tegenover volgens de commissie discriminerende of racistische
uitlatingen?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de opvatting dat het niet aan een staatscommissie is, die onder leiding van
voormalig Partij van de Arbeid (PvdA)-senator Joyce Sylvester opereert, om te bepalen
welke politieke opvattingen binnen het democratische debat wel of niet voldoende geaccepteerd
zijn? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
De Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme was een onafhankelijk adviescollege
dat voor vier jaar, op verzoek van de Tweede Kamer, is ingesteld. De staatscommissie
had als opdracht wetenschappelijk onderzoek te doen en op basis daarvan advies te
geven over beleid, wet- en regelgeving om discriminatie en racisme tegen te gaan.
Deze adviezen richten zich zowel op de overheid alsook op het parlement en de samenleving.
De Staatscommissie heeft om invulling te geven aan deze opdracht een werkprogramma
opgesteld. Hierin stond de werkwijze en inhoudelijke lijnen beschreven waarlangs de
staatscommissie gedurende vier jaar haar onderzoek vormgaf en uitvoerde.
Vraag 3
Hoe verhoudt de oproep van de staatscommissie om politieke uitingen actiever te «normeren»
zich tot de vrijheid van meningsuiting en het vrije politieke debat?
Antwoord 3
Voor politici geldt dat zij een ruime uitingsvrijheid hebben. Politici moeten kritiek
kunnen uitoefenen op het beleid en standpunten over de inrichting van de samenleving
kunnen uitdragen. Kamerleden kunnen niet strafrechtelijk vervolgd worden voor wat
zij in de vergaderingen van het parlement zeggen. Dit vind ik zelf ook belangrijk.
Aan de andere kant heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ook gezegd dat
politici vanwege hun belangrijke maatschappelijke functie moeten vermijden dat hun
publieke uitingen intolerantie tegen bepaalde groepen voeden.
Woorden doen er immers toe, in het bijzonder die van politici. Onze uitspraken kunnen
een grote invloed hebben en doorwerken in de samenleving en de manier waarop mensen
met elkaar omgaan. We hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid, als kabinet en
parlement, om het goede voorbeeld te geven. Dit draag ik ook uit.
Vraag 4
Deelt u de mening dat het niet de taak van een staatscommissie is om Kamerleden, Ministers
en media aanwijzingen te geven over welke politieke uitingen wel of niet genormeerd
dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
Het is aan de rechter en het College voor de Rechten van de Mens om een oordeel te
vellen over de vraag of er in een specifiek geval sprake is van discriminatie of racisme.
Wel zie ik het als taak van de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme om,
als onafhankelijk adviescollege, met algemene aanbevelingen te komen voor het kabinet,
alsook voor de samenleving als geheel. Uit het onderzoek van de staatscommissie blijkt
dat uitlatingen van Kamerleden invloed hebben op uitingen in kranten en op sociale
media en omgekeerd.
Vraag 5
Acht u het wenselijk dat een door de overheid ingestelde commissie, onder leiding
van voormalig PvdA-senator Joyce Sylvester, zich uitlaat over de wijze waarop Kamerleden,
Ministers en media zouden moeten reageren op politieke standpunten van gekozen volksvertegenwoordigers?
Zo ja, waarom?
Antwoord 5
Zie antwoord op vraag 2.
Vraag 6
Hoe verklaart u dat de staatscommissie zich wel uitspreekt over bepaalde rechtspolitieke
uitlatingen, maar geen aandacht lijkt te besteden aan polariserende, demoniserende
of andere vergaande uitlatingen uit het linkerdeel van het politieke spectrum? Acht
u dit een voorbeeld van selectieve verontwaardiging? Speelt de politieke achtergrond
van de leiding van de commissie hierin een rol en kunt u hier uitgebreide toelichting
op geven?
Antwoord 6
De Staatscommissie tegen discriminatie en racisme noemt in haar eindrapport een aantal
recente voorbeelden van uitingen en handelingen waarvan zij constateren dat die (direct
of indirect) bijdragen aan structurele patronen van discriminatie en racisme in de
Nederlandse samenleving. De staatscommissie beschrijft deze voorbeelden niet om individuele
politici aan te spreken, maar om een breder patroon van politieke terughoudendheid
te illustreren. Er worden daarbij voorbeelden van verschillende politici en politieke
partijen aangehaald.
Vraag 7
Hoe beoordeelt u verder de aanbeveling van de staatscommissie om een «vlekkeloze beheersing
van de Nederlandse taal» niet langer als functie-eis te stellen wanneer dit volgens
de commissie niet strikt noodzakelijk is?
Antwoord 7
Het is nog te vroeg om op specifieke aanbevelingen van de staatscommissie in te gaan.
Dit vraagt om nadere bestudering, overleg en afstemming. Tijdens het Commissiedebat
discriminatie, racisme en mensenrechten van 21 mei 2026 heb ik toegezegd met een kabinetsreactie
te komen op het eindrapport van de staatscommissie en op enkele van de voortgangsrapportages.
In deze kabinetsreactie zal ik ook ingaan op de aanbevelingen uit het rapport.
Vraag 8
Deelt u de mening dat een goede beheersing van de Nederlandse taal binnen de overheid
juist van groot belang is voor de kwaliteit van de dienstverlening, de communicatie
met burgers en het functioneren van de overheid? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
Ja. Goede beheersing van de Nederlandse taal blijft van belang voor de kwaliteit van
dienstverlening en communicatie met burgers.
Vraag 9
Waarom blijft de overheid bij de werving van personeel onderscheid maken op basis
van afkomst, geslacht en andere identiteitskenmerken in plaats van uitsluitend te
selecteren op geschiktheid, ervaring en kwaliteiten?
Antwoord 9
Zoals meermaals is aangegeven in recente debatten en in antwoord op Kamervragen, gelden
bij het Rijk geen streefcijfers of voorkeursbeleid bij werving en selectie. Het beleid
binnen het Rijk ziet toe op gelijke kansen en het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie.
De aanpak bij werving en selectie is gericht op objectieve werving en selectie, op
basis van de functie-eisen die relevant zijn voor die specifieke functie.
Vraag 10
Bent u bereid de financiering van deze staatscommissie stop te zetten en de stekker
eruit te trekken nu zij aanbevelingen doet die neerkomen op het maken van onderscheid
tussen mensen op basis van afkomst en identiteit en zich bovendien actief mengt in
het politieke debat? Zo nee, waarom niet? Hoe ver kan deze commissie dan wél gaan?
Antwoord 10
De Staatscommissie tegen discriminatie en racisme heeft op 8 juni 2026 haar eindrapport
gepresenteerd. De staatscommissie was voor vier jaar ingesteld en de commissie is
na het presenteren van haar eindrapport en het afronden van haar onderzoek opgeheven.
Dit is ook zo opgenomen in het instellingsbesluit.
Ondertekenaars
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.