Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van der Plas over het schriftelijk overleg met als onderwerp 'Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens'
Vragen van het lid Van der Plas (BBB) aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het schriftelijk overleg met als onderwerp «Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens» (ingezonden 29 mei 2026).
Antwoord van Minister Van Essen (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) (ontvangen
10 juli 2026) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2291
Vraag 1
Klopt het dat het bestuursorganen is toegestaan om zienswijzen uit te vragen via het
toezenden van een informatieve brief?
Antwoord 1
Zoals ik ook in mijn brief van 10 juni 2026 heb aangegeven1 kan een bestuursorgaan kiezen voor het uitvragen van zienswijzen via het toezenden
van een informatieve brief. Indien een verzoek een veelvoud aan derde-belanghebbenden
kent, is het gebruikelijk om de zienswijze uit te vragen via de Staatscourant. Het
verspreiden van de oproep tot het geven van zienswijzen in de Staatscourant wordt
door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als zorgvuldig en in overeenstemming
met de Algemene wet bestuursrecht gezien.2
Vraag 2
Klopt het dat de eis van de mediabedrijven, waarbij zij de rechtbank Den Haag verzochten
om De Staat der Nederlanden (de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur) te verbieden om zienswijzen via toezending van een informatieve brief,
is afgewezen door de rechtbank (ECLI:NL:RBDHA:2025:16439)?
Antwoord 2
De rechtbank geeft in rechtsoverweging 5.8 van dit vonnis aan dat de bestuursrechter
de aangewezen rechter is om een oordeel te geven over de te volgen zienswijze bij
besluitvorming over Woo-verzoeken die zien op dezelfde of vergelijkbare emissiegegevens.
In dezelfde overweging komt de rechtbank tot de conclusie dat de eisers op dit punt
niet worden ontvangen in hun vordering. Uit het vonnis volgt geen inhoudelijke afwijzing
van de vordering.
Vraag 3
Klopt het dat dit ook de gebruikelijke wijze is van het uitvragen van een zienswijze?
Antwoord 3
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 1.
Vraag 4
Klopt het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en/ of u beschikken
over de e-mailadressen van agrarische bedrijven, onder andere omdat zij deze invullen
bij de gecombineerde opgave?
Antwoord 4
RVO beschikt over e-mailadressen van agrarische bedrijven die zijn verstrekt in het
kader van de Gecombineerde opgave.
Vraag 5
Waarom worden derde-belanghebbenden niet tevens per e-mail geïnformeerd over de mogelijkheid
om een zienswijze in te dienen?
Antwoord 5
E-mailadressen die specifiek zijn verstrekt in het kader van de Gecombineerde opgave
kunnen vanwege privacy niet zomaar worden ingezet voor een ander doel. In de situatie
dat er een veelvoud van derdebelanghebbenden is, is het individueel benaderen per
e-mail bovendien niet efficiënt en foutgevoelig. Een effectieve en minder foutgevoelige
werkwijze is het informeren via de Staatscourant in combinatie met het aanschrijven
van de diverse belangenorganisaties met het verzoek dit onder de aandacht te brengen
van hun achterban. De recente praktijk – waarbij er 3000 agrariërs via de belangenorganisatie
hun zienswijze heeft uitgebracht – heeft geleerd dat dit werkt.
Vraag 6
Hoeveel agrariërs hebben een abonnement op de Staatscourant en hoeveel agrariërs hebben
een abonnement op een agrarisch weekblad?
Antwoord 6
Er zijn bij het ministerie geen cijfers beschikbaar over hoeveel agrariërs een abonnement
hebben op de Staatscourant. Er zijn bij het ministerie ook geen cijfers beschikbaar
over hoeveel agrariërs een abonnement hebben op een agrarisch weekblad.
Vraag 7
Kunt u een overzicht verstrekken van het aantal zienswijzen dat is ingediend bij Wet
open overheid (Woo)-procedures waarbij meer dan 500 belanghebbende agrariërs zijn
betrokken sinds 2020, waarbij per procedure wordt aangegeven hoe derde-belanghebbenden
zijn geïnformeerd over de zienswijzeprocedure?
Antwoord 7
Het aantal derde-belanghebbenden bij Woo-procedures wordt niet geregistreerd, waardoor
deze uitsplitsing niet te maken valt.
Vraag 8
Welk percentage van de agrarische derde-belanghebbenden leest binnen een week na publicatie
van een kennisgeving over een Woo-procedure in de Staatscourant deze kennisgeving?
Antwoord 8
Hierover zijn bij het ministerie geen cijfers beschikbaar.
Vraag 9
Waarom worden agrariërs niet tevens via advertenties in een agrarisch weekblad geïnformeerd
over de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen?
Antwoord 9
Rijksbreed is de lijn informeren via de Staatscourant. Aanvullend daarop worden extra
stappen gezet. Belangenorganisaties worden geïnformeerd over de publicatie van twee
kennisgevingen in de Staatscourant: de «voorgenomen openbaarmaking gegevens» en het
«besluit openbaarmaking gegevens». Deze belangenorganisaties kunnen vervolgens agrariërs
hierover informeren. Daarnaast wordt dit op de RVO-website vermeld en zal dit in de
RVO-nieuwsbrief onder de aandacht worden gebracht.
Vraag 10
Waarom krijgen derde-belanghebbende geen afschrift van de stukken die u voornemens
bent om over hen openbaar te maken?
Antwoord 10
Bij Woo-verzoeken over emissiegegevens zijn de stukken door derde-belanghebbenden
zelf ingediend bij RVO, veelal via de Gecombineerde opgave en/of het I&R-registratiesysteem
(Identificatie en Registratie). De documenten zijn dus reeds in het bezit van derde-belanghebbenden.
Aanvullend is een afschrift van deze documenten door derde-belanghebbenden in te zien
via het portaal Mijn RVO en/of het I&R-registratiesysteem.
Vraag 11
Deelt u de analyse dat een derde-belanghebbende deze stukken nodig heeft om een goede
zienswijze te kunnen geven?
Antwoord 11
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 10.
Vraag 12
Kan een derde-belanghebbende deze stukken tijdens de zienswijzeprocedure opvragen
bij RVO en/ of de Minister?
Antwoord 12
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 10.
Vraag 13
Wordt de termijn tot het indienen van een zienswijze verlengd op het moment dat een
derde belanghebbende een afschrift opvraagt van de stukken die deze derde-belanghebbende
betreffen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 13
De termijn waarbinnen een bestuursorgaan op een Woo-verzoek moet beslissen, wordt
opgeschort vanaf de dag waarop het bestuursorgaan de verzoeker meedeelt dat een zienswijzeprocedure
wordt uitgevoerd tot en met de dag waarop de zienswijzen zijn ontvangen of de daarvoor
gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Voor het indienen van een zienswijze moet
een redelijke termijn worden gegeven. De termijn voor het indienen van een zienswijze
wordt daarom niet verlengd, tenzij sprake is van specifieke, uitzonderlijke omstandigheden
die dit rechtvaardigen. Ook omdat dit gevolgen heeft voor de termijn waarbinnen een
Woo-verzoek feitelijk kan worden afgehandeld.
Vraag 14
Waarom worden derde-belanghebbenden niet gewezen op hun recht om ook mondeling een
zienswijze te geven (op grond van artikel 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?
Antwoord 14
Artikel 4:9 Awb geeft het recht aan de belanghebbende om te kiezen tussen een schriftelijke
en mondelinge toelichting. De keuze is aan de belanghebbende. In de zienswijzebrieven
wordt daarom een telefoonnummer vermeld waarmee telefonisch een zienswijze gegeven
kan worden.
Vraag 15
Bent u bereid om derde-belanghebbenden erop te wijzen dat zij ook mondeling hun zienswijze
naar voren kunnen brengen middels een zienswijzegesprek?
Antwoord 15
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 14.
Vraag 16
Gaat u weer zienswijzen uitvragen door het toezenden van een informatieve brief aan
derde belanghebbenden, met daarbij een afschrift van de stukken die u voornemens is
om openbaar te maken met betrekking tot die derde-belanghebbende?
Antwoord 16
Ik onderschrijf het belang van het informeren van agrarisch ondernemers over het feit
dat informatie over hun bedrijf openbaar wordt gemaakt en dat zij weten welke gegevens
dit betreft. In de vorige kabinetsperiode is, bovenstaande punten indachtig, gekozen
om alle belanghebbenden individueel aan te schrijven over de mogelijkheid tot een
zienswijzeprocedure.
Na zorgvuldige afweging kom ik echter tot een andere conclusie ten aanzien van de
wijze waarop die zienswijzen het meest effectief kunnen worden uitgevraagd. Als kabinet
hebben we de ambitie te werken aan een meer slagvaardige overheid. Bij Woo-verzoeken
met veel derde-belanghebbenden willen we zienswijzen effectief uitvragen zonder afbreuk
te doen aan de positie van agrarisch ondernemers.
De nieuwe werkwijze doet geen afbreuk aan de kwaliteit van de procedure, maar biedt
met behoud van alle waarborgen een andere, efficiëntere aanpak. Tegelijkertijd realiseer
ik mij dat dit veel impact kan hebben op ondernemers en hun gezinnen en maak ik mij
zorgen over de sociale veiligheid van agrarische ondernemers. Daarom wordt onderzoek
gedaan naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers. Op basis van de uitkomsten
van het onderzoek kunnen vervolgstappen worden gezet. Overigens zijn bedrijfsadressen
ook op andere manieren toegankelijk, zoals in het Handelsregister van de Kamer van
Koophandel.
Vraag 17
Klopt het dat de bekendmaking van een besluit aan derde-belanghebbenden op grond van
artikel 3:41 van de Awb plaats moet vinden via toezending en dat is gebleken dat bekendmaking
ook gewoon op deze wijze kan geschieden?
Antwoord 17
Artikel 3:41 van de Awb regelt de wijze van bekendmaking aan diegenen tot wie het
besluit zich richt. Woo-besluiten zijn gericht aan de verzoeker(s), niet aan derde-belanghebbenden.
Verzoeker(s) ontvangen de Woo-besluiten door (elektronische) toezending. Op grond
van artikel 4.4 lid 6 van de Woo moet de beslissing om informatie openbaar te maken
tegelijkertijd worden meegedeeld aan de belanghebbende die daartegen naar verwachting
bezwaar heeft. Dit sluit aan bij de algemene mededelingsplicht uit artikel 3:43 Awb.
Wanneer het gaat om grote groepen derde-belanghebbenden waarbij individuele toezending
niet effectief of onmogelijk is, kan toezending niet dekkend zijn. Dan kan het in
de rede liggen om het besluit te publiceren in de Staatscourant om te borgen dat alle
belanghebbenden tijdig worden bereikt.
Vraag 18
Gaat u de bekendmaking van Woo-besluiten aan derde-belanghebbenden door middel van
toezending voortzetten? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 18
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 16.
Vraag 19
Hoe gaat u de zienswijzeprocedure inrichten indien u mogelijk overgaat tot actieve
openbaarmaking (zoals voortvloeit uit artikel 3.1, derde lid, van de Woo)?
Antwoord 19
Op dit moment is nog niet besloten tot het actief openbaar maken van emissiegegevens.
Momenteel wordt onderzocht hoe emissiegegevens actief openbaar gemaakt kunnen worden
op een manier die recht doet aan de verschillende belangen. Hiertoe worden onder andere
gesprekken gevoerd met brancheverenigingen. Indien hiertoe wordt besloten zal vervolgens
worden bezien hoe derde-belanghebbenden geïnformeerd worden over actieve openbaarmaking
van dezen informatie.
Vraag 20
Hoe gaat u de bekendmakingsprocedure van een openbaarmakingsbesluit bij actieve openbaarmaking
inrichten?
Antwoord 20
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 19.
Vraag 21
Hoe betrekt u derde-belanghebbenden bij het horen tijdens een bezwaarprocedure in
een Woo-procedure op grond van artikel 7:2 van de Awb?
Antwoord 21
In de bezwaarprocedure is van belang dat niet alleen rekening wordt gehouden met belangen
van de bezwaarmaker, maar ook met de belangen van eventuele derde-belanghebbenden.
Twee situaties zijn te onderscheiden.
In de ene situatie wordt alleen bezwaar gemaakt door de verzoeker, die meent dat onvoldoende
tegemoetgekomen is aan zijn verzoek tot openbaarmaking. Op dat moment is er geen aanleiding
voor het bestuursorgaan ook derde-belanghebbenden te horen. Die aanleiding kan wel
ontstaan als het bestuursorgaan na het horen van de bezwaarmaker aan het bezwaar van
de verzoeker tegemoet wil komen door openbaarmaking van informatie die één of meer
derde-belanghebbenden betreft. In dat geval wordt de derde-belanghebbende(n) alsnog
een zienswijze gevraagd en wordt toepassing gegeven aan artikel 4.4, vijfde lid, van
de Woo (uitgestelde verstrekking).
De andere situatie is dat de derde-belanghebbende zelf bezwaar maakt. In dat geval
wordt deze gehoord op grond van artikel 7:2 Awb. In beide situaties is vanuit zorgvuldigheidsoogpunt
gewaarborgd dat rekening wordt gehouden met de belangen van derde-belanghebbenden
en dat zij niet worden benadeeld. Er kan ook worden afgezien van het horen om specifieke
redenen die worden genoemd in artikel 7:3 Awb.
Vraag 22
Waarom zijn derde-belanghebbenden niet betrokken bij het horen in Woo-procedure Woo/2023/066?
Antwoord 22
Genoemd Woo-verzoek is in eerste instantie afgewezen. Hiertegen heeft de verzoeker
bezwaar gemaakt. Op 12 januari jl. zijn de derde-belanghebbenden in de gelegenheid
gesteld om een zienswijze in te dienen. Deze zienswijze is meegenomen bij het besluit
op bezwaar. Na beslissing op bezwaar, resteert louter de optie tot beroep.
Vraag 23
Hoeveel bezwaarschriften zijn als beroepschrift doorgestuurd aan de rechtbank in Woo
procedure Woo/2023/066?
Antwoord 23
Er zijn 1.956 bezwaren als beroepen naar de rechtbank gestuurd.
Vraag 24
Klopt het dat het niet horen van derde-belanghebbende op basis van de vaste jurisprudentie
leidt tot het veroordelen van het bestuursorgaan tot vergoeding van het griffierecht
en proceskosten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Gelderland op 30 oktober
2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:9169))?
Antwoord 24
Nee. In algemene zin kan niet worden gezegd dat het niet-horen van een belanghebbende
in de bezwaarfase altijd ten onrechte is en tot vergoeding van griffierechten en proceskosten
leidt. Het hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Zo kan van horen
worden afgezien als in de beslissing op bezwaar uitvoering moet worden gegeven aan
een dwingende uitspraak van de rechter en het horen geen toegevoegde waarde kan hebben.
Vraag 25
Klopt het dat RVO en/ of u de bezwaarmakers in Woo-procedure Woo/2023/066 onjuist
heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het Woo-besluit?
Antwoord 25
Dat klopt inderdaad, helaas is de verwijzing naar een onjuist rechtsmiddel ontstaan
door een menselijke fout. Daarom heb ik een herstelactie laten uitvoeren waarin alle
bezwaarmakers per brief zijn geïnformeerd over de fout en er is zoveel mogelijk telefonisch
contact gezocht met hen. In de herstelactie heb ik ook de ruimte geboden om het «bezwaar»
niet door te zenden aan de rechtbank en daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst
een beroep instelt.
Een aantal belanghebbenden hebben om een voorlopige voorziening gevraagd. De procedures
rond deze voorlopige voorzieningen lopen nog. Zolang de rechter geen uitspraak heeft
gedaan is er sprake van automatische opschorting en maken we van geen enkele belanghebbende
de gevraagde gegevens openbaar. Dit geldt ook voor belanghebbenden die geen verzoek
om voorlopige voorziening hebben gevraagd, geen bezwaar hebben gemaakt of niet in
beroep zijn gegaan.
Vraag 26
Deelt u de opvatting dat het op de weg ligt van RVO en/of u om het griffierecht te
betalen voor de bezwaarden van wie het bezwaarschrift als beroepschrift naar de rechtbank
is doorgezonden in Woo-procedure Woo/2023/066? Dit omdat dit voortvloeit uit uw fout
en u hoogstwaarschijnlijk sowieso wordt veroordeeld tot het vergoeden van griffierecht
in verband met het niet betrekken van de derde-belanghebbenden bij de bezwaarprocedure?
Antwoord 26
In deze casus is de bezwaarfase afgerond: de verzoeker was al in bezwaar gegaan en
vervolgens is een beslissing op dat bezwaar genomen. Omdat daarmee de bezwaarfase
afgerond is, kan er alleen in beroep worden gegaan tegen deze beslissing op bezwaar.
Hiermee hebben de rechtsmiddelen van het reguliere bestuursrechtelijke proces opengestaan
en dit betekent dat bezwaarden dus geen rechtsmiddel is ontnomen. In de herstelactie
heb ik de ruimte geboden om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank en
daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt en daarmee kosten
maakt. Bovendien kan betrokkene in het uiterste geval de procedure ook beëindigen
door de griffierechten niet te betalen.
Vraag 27
Bent u bereid om voor alle bezwaarden in Woo-procedure Woo/2023/066 de griffierechten
te betalen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 27
Voor het antwoord verwijs ik naar vraag 26.
Vraag 28
Welke documenten vallen volgens u onder de definitie van «officiële documenten» zoals
gebruikt in artikel 86 van Vo. (EU) 2016/679?
Antwoord 28
Artikel 86 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) gebruikt het begrip
«officiële documenten», maar geeft daarvan geen autonome, expliciete definitie. De
bepaling omkleedt het begrip en laat het aan de lidstaten over om, met inachtneming
van het Unierecht en het nationale recht, de toegang van het publiek tot dergelijke
documenten in overeenstemming te brengen met het recht op bescherming van persoonsgegevens.
In Nederland is het recht op toegang tot publieke informatie geregeld in de Wet open
overheid (Woo). In de Woo wordt het begrip «officiële documenten» beheerst door het
documentbegrip in artikel 2.1 van de Woo.
Vraag 29
Deelt u de analyse dat artikel 86 van Vo. (EU) 2016/679 is geïntroduceerd op verzoek
van Scandinavische landen, waar het openbaarmakingsregime slechts van toepassing is
op «officiële documenten» in plaats van alle documenten?
Antwoord 29
De ontstaansgeschiedenis van artikel 86 van de AVG laat een genuanceerder beeld zien.
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 28, laat de verordening de nodige ruimte aan
lidstaten om hun nationale gegevensbeschermingsrecht in overeenstemming te brengen
met het recht op openbaarmaking. Een algemene stelling over het openbaarmakingsbeleid
in Scandinavië valt niet eenduidig te geven. In bepaalde opzichten is de openbaarmaking
in bepaalde Scandinavische landen restrictiever, terwijl in andere opzichten dit wat
uitgebreider is ingericht.
Vraag 30
Deelt u de analyse dat niet alle documenten die zich onder een bestuursorgaan bevinden
kwalificeren als «officiële documenten»?
Antwoord 30
Het uitgangspunt van de Woo is dat informatie die onder een bestuursorgaan berust
in principe openbaar is. Alleen bij uitzondering kan hiervan worden afgeweken. Het
principe is dus «openbaar, tenzij». De uitzonderingsgronden op basis waarvan openbaarmaking
achterwege kan of moet blijven, zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Woo.
Vraag 31
Deelt u de opvatting dat de bezwaarprocedure in de Woo-procedures met zaaknummers
Woo/2024/040 en Woo/2024/073 onzorgvuldig is verlopen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 31
Nee, die opvatting deel ik niet. Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn vervolgverzoeken
van Woo/2022/192 en Woo/2022/194. Over deze eerdere verzoeken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State op 24 september 2025 uitspraak gedaan. Hierin is geoordeeld
dat de gegevens binnen twee weken openbaar moeten worden gemaakt.3 Dit is op 7 oktober 2025 door mijn ambtsvoorganger gedaan. In de verzoeken Woo/2024/040
en Woo/2024/073 wordt gevraagd om dezelfde gegevens over een recentere periode. Op
grond hiervan kon niet anders worden beslist dan dat de gevraagde informatie openbaar
moet worden gemaakt en dat de bezwaren kennelijk ongegrond zijn.
Vraag 32
Waarom is in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en Woo/2024/073 niet ingegaan
op de individuele bezwaargronden van bezwaarmakers?
Antwoord 32
Voor de ontvankelijke bezwaren is in de inhoudelijke beslissing op bezwaar m.b.t.
Woo/2024/040 en Woo/2024/073 ingegaan op de door bezwaarmakers aangevoerde bezwaargronden.
Daarnaast zijn er bezwaren (nog) niet-ontvankelijk of nog niet in behandeling genomen
omdat bezwaarmakers bijvoorbeeld geen gronden hebben ingediend waardoor geen inhoudelijke
beslissing op het bezwaar kan worden genomen. Deze bezwaarmakers hebben of zullen
daarom een andere, niet inhoudelijke beslissing op bezwaar ontvangen. Hierbij wordt
niet ingegaan de inhoud van eventuele aangevoerde bezwaargronden. De bezwaarmaker
krijgt de gelegenheid om dit binnen een bepaalde termijn te herstellen. Wordt het
(tijdig) hersteld, dan is het bezwaar ontvankelijk en wordt het in behandeling genomen.
Wordt het niet (tijdig) hersteld, dan wordt het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Vraag 33
Waarom zijn bezwaarmakers niet gehoord in de Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040
en Woo/2024/073?
Antwoord 33
De bezwaren zijn kennelijk ongegrond verklaard. Op grond van artikel 7:3 en onder
de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien als het bezwaar kennelijk
ongegrond is.
Vraag 34
Denkt u dat de bezwaarmakers zich serieus genomen voelen?
Antwoord 34
Bij het besluiten op een Woo-verzoek worden zienswijzen of bezwaren meegenomen in
de afwegingen van het besluit. In het besluit wordt ook toegelicht wat hiermee is
gedaan. Bij verzoeken met veel belanghebbenden worden argumenten van gelijke strekking
gegroepeerd en gezamenlijk beantwoord.
Bij de beoordeling wordt gekeken naar de wet en de jurisprudentie. Daaruit volgt in
het geval van emissiegegevens dat deze openbaar gemaakt moeten worden. Er zijn op
grond van de Woo geen uitzonderingsgronden om dit niet te doen. Ook als het hierbij
gaat om gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die
tevens woonadressen zijn. Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit
de Europese milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG). Het kabinet blijft zich
in Brussel inzetten om het vraagstuk rond de openbaarmaking van emissiegegevens –
die ook woonadressen zijn – te agenderen en verder te brengen. Voorts kan op basis
van de uitkomsten van de wetsevaluatie worden gekeken naar de door de richtlijn toegestane
uitzonderingsgronden voor emissiegegevens. Ik begrijp dat openbaarmaking van emissiegegevens
(die tevens woonadresgegevens zijn) veel impact kan hebben op ondernemers en hun gezinnen.
Daarom werk ik ook met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek
naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers.
Vraag 35
Bent u zich bewust dat de handelwijze, door de bezwaren in de Woo-procedures met zaaknummers
Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zonder horen kennelijk ongegrond te verklaren, zeer afwijkt
van de normale behandeling van bezwaarschriften en ook zeer afwijkt van de behandeling
van bezwaren rondom de openbaarmaking van emissiegegevens door andere bestuursorganen?
Antwoord 35
Ik verwijs hiervoor naar de antwoorden op vragen 31, 32 en 33.
Vraag 36
Bent u voornemens om ook in de toekomst bezwaarmakers via een standaardbrief, zonder
horen, kennelijk ongegrond te verklaren?
Antwoord 36
Dat is afhankelijk van de bezwaren. Bezwaren worden per geval beoordeeld.
Vraag 37
Waarom zijn in de Woo-procedures met Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 en
Woo/2024/073 allemaal aparte beslissingen op bezwaar genomen, terwijl er bij verschillende
bezwaren tegen één besluit één beslissing op bezwaar genomen moet worden (zie onder
andere de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 31 augustus 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:3763)?
Antwoord 37
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 32. Daarop aanvullend: voor Woo/2024/040
en Woo/2024/073 zijn de inhoudelijke beslissingen op bezwaar qua inhoud gelijkluidend.
Daarnaast zijn er bezwaren (nog) niet-ontvankelijk en deze bezwaarmakers hebben/zullen
daarom een andere beslissing op bezwaar qua inhoud ontvangen.
Vraag 38
Waarom zijn bezwaren tegen verschillende primaire besluiten in een veelvoud
geconsolideerde beslissingen op bezwaar afgedaan, waarbij per beslissing op bezwaar
zowel werd besloten op bezwaren tegen de besluiten met kenmerk Woo/2024/040 als ook
kenmerk Woo/2024/073? Acht u dat er voldoende samenhang tussen deze primaire besluiten
is om een gecombineerde beslissing op het bezwaar te nemen? Zo ja, waarom?
Antwoord 38
Woo/2024/040 en Woo/2024/073 zijn vervolgverzoeken van Woo/2022/192 en Woo/2022/194.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 over
de verzoeken Woo/2022/192 en Woo/2022/194 ook gezamenlijk uitspraak gedaan. Deze samenhang
was aanleiding om tot een geconsolideerd besluit te komen.
Vraag 39
Wat als straks een beroepszaak van één van de bezwaarden in de Woo-procedures met
Woo-procedures met zaaknummers Woo/2024/040 of Woo/2024/073 wél gegrond wordt verklaard
en de beslissing op bezwaar vernietigd wordt, maar andere bezwaarden niet in beroep
gaan? Moeten dan alle beslissingen op de bezwaren als vernietigd worden beschouwd?
Gaat u dan het volledige primaire besluit herroepen bij een nieuwe beslissing op het
bezwaar?
Antwoord 39
Indien dat geval zich voordoet, zal ik eerst de uitspraak moeten bestuderen.
Vraag 40
Deelt u de opvatting dat de Woo een zware en complexe uitvoeringslast met zich meebrengt?
Antwoord 40
De uitvoering van de Woo vraagt uiteraard om een gedegen, zorgvuldige en continue
inzet van de ambtelijke organisatie. De zorgvuldige afweging tussen transparantie
en wettelijke belangen, zoals privacy, vereist daarbij een hoge mate van precisie
en expertise. Het kabinet blijft zich er dan ook voor inzetten om bestuursorganen
te ondersteunen bij het optimaliseren van hun werkprocessen, zodat de ambities van
de wet op een verantwoorde wijze, zodat de Woo efficiënt kan worden uitgevoerd. Naar
aanleiding van de wetsevaluatie van de Woo wordt gekeken hoe de wet beter toepasbaar
kan worden gemaakt. Vooruitlopend hierop en parallel hieraan worden uiteraard al wel
maatregelen getroffen om de uitvoering van de Woo te verbeteren binnen het huidige
wettelijke kader.
Vraag 41
Is de regering voornemens om met wetsvoorstellen te komen om de Woo aan te passen?
Antwoord 41
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de voortgangsbrief Open Overheid van
de Minister van BZK inzake openbaarmaking van emissiegegevens van 13 mei 2026.4
Op basis van de wetsevaluatie van de Woo zal worden gekeken welke aanpassingen in
het wettelijk kader van de Woo al dan niet nodig zijn om de wet beter toepasbaar te
maken.
Vraag 42
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Flach/Van der Plas over het begrip «emissiegegevens»
in de milieu-informatierichtlijn beter afbakenen (Kamerstuk 32 802, nr. 120)?
Antwoord 42
De Staatssecretaris van BZK heeft in de brief inzake openbaarmaking van emissiegegevens
van 8 juni 2026
5aangegeven dat ter uitvoering van deze motie bij andere lidstaten een uitvraag is
gedaan in hoeverre het spanningsveld tussen de openbaarheid van emissiegegevens en
privacy van agrariërs en andere ondernemers ook in die landen speelt, en of maatregelen
worden overwogen. Op basis van de uitkomsten van deze uitvraag is geconstateerd dat
op dit moment onvoldoende steun is voor het beter afbakenen van het begrip «emissiegegevens»
uit de richtlijn in Europa. Desalniettemin zal het kabinet zich in Brussel blijven
inzetten om het vraagstuk rond de openbaarmaking van emissiegegevens – die ook woonadressen
zijn – te agenderen en verder te brengen.
Vraag 43
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Wijen-Nass over de mogelijkheid verkennen
om het Verdrag van Aarhus op te zeggen (Kamerstuk 36 512, nr. 83)?
Antwoord 43
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de brief van de Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening van 19 juni 2025 (Kamerstuk 36 512 nr. 104).
Vraag 44
Kunt u deze vragen betrekken bij de antwoorden van het schriftelijk overleg
«Zienswijzeprocedure Woo-verzoeken emissiegegevens»?
Antwoord 44
U ontvangt hierbij separaat antwoord op de hierboven gestelde vragen. Vanwege het
volume en de specificiteit was het niet mogelijk deze binnen de gevraagde versnelde
termijn te beantwoorden.
Ondertekenaars
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.