Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 957 Wijziging van de Pensioenwet en enige andere wetten in verband met diverse wijzigingen van pensioenwetgeving (Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen)
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 10 juli 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend
onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen
van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende
door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het
wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
ALGEMEEN DEEL
1
Hoofdstuk 1. Aanleiding en doelen
2
Hoofdstuk 2. Uitwerking toezeggingen en andere gewenste wijzigingen
3
Hoofdstuk 3 Gevolgen voor burgers, bedrijven en overheid
11
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
11
Overig
12
ALGEMEEN DEEL
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel Wet toezeggingen Wtp en
andere pensioenonderwerpen en hebben daarover nog de volgende vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven
het belang van een voorspelbaar, uitvoerbaar en begrijpelijk pensioenstelsel. Zij
steunen het uitgangspunt dat bij de invoering van de Wet toekomst pensioenen onbedoelde
knelpunten tijdig worden weggenomen, zeker waar dat bijdraagt aan rechtszekerheid
voor deelnemers en aan een beheerste uitvoering door pensioenuitvoerders. Tegelijkertijd
hechten deze leden eraan dat aanvullende wijzigingen niet leiden tot onnodige complexiteit,
uitvoeringsrisico’s, hogere regeldruk of onvoldoende duidelijke communicatie richting
deelnemers en nabestaanden. Deze leden hebben daarom nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd naar de meest recente stand van zaken van
de pensioentransitie. Wanneer wordt de Kamer hier over geïnformeerd?
De leden van de PRO-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen.
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben naar aanleiding
daarvan nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven
het belang van een zorgvuldige uitvoering van toezeggingen die zijn gedaan bij de
behandeling van de Wet toekomst pensioenen. Zij vinden het positief dat het wezenpensioen,
de kinddefinitie en de positie van zieke en arbeidsongeschikte deelnemers worden verduidelijkt
en verbeterd. Wel hebben deze leden een aantal vragen.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de Wet toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen. De
leden hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben over dit wetsvoorstel nog enkele
vragen en opmerkingen.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel. Zij hebben daarover enkele vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel. Zij hebben
op dit moment geen vragen.
Hoofdstuk 1. Aanleiding en doelen
De leden van de VVD-fractie vragen hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de bredere planning van de pensioentransitie.
Kan de regering bevestigen dat de voorgestelde wijzigingen geen nieuwe onzekerheid
veroorzaken voor sociale partners, pensioenfondsen, verzekeraars, premiepensioeninstellingen
en adviseurs die al vergevorderd zijn met implementatieplannen en communicatie aan
deelnemers?
De leden van de PRO-fractie zijn benieuwd of de regering heeft overwogen andere maatregelen, die uiteindelijk
niet zijn opgenomen, toe te voegen aan het voorliggende wetsvoorstel. In het bijzonder
vragen zij naar mogelijke maatregelen om het zogenaamde «compensatiegat» te dichten
en maatregelen om de «witte vlek» te verkleinen. Deze leden hadden graag gezien dat
ook hierin een stap wordt gezet, maar zien dit nu niet terug in het wetsvoorstel,
terwijl beide onderwerpen zeer relevant zijn voor de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel.
Kan de regering toelichten waarom maatregelen op dit gebied geen onderdeel uitmaken
van het wetsvoorstel?
De leden van de PVV-fractie constateren dat de beoogde inwerkingtreding is verschoven van 1 januari 2027 naar
1 juli 2027. Deze leden vragen de regering welke overwegingen aan deze verschuiving
ten grondslag liggen.
De leden van de BBB-fractie steunen de inzet om de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen mogelijk te
maken en de kinddefinitie te uniformeren. Deze leden vragen de regering wel of er
een uitvoeringshandreiking komt, bijvoorbeeld met bewijsstukken en praktijkvoorbeelden
voor stiefkinderen en pleegkinderen, zodat de nieuwe wettelijke definitie niet alsnog
leidt tot verschillende toepassing of willekeur per uitvoerder.
Deze leden vragen de regering daarnaast hoe wordt omgegaan met hardheidsgevallen bij
de toepassing van de nieuwe kinddefinitie. Is voorzien in monitoring of evaluatie
van de werking van deze definitie in de praktijk?
De leden vragen de regering per wanneer de zogenoemde einde-maandbenadering voor het
wezenpensioen precies wordt geregeld. Wordt deze aanpassing ook pensioenrechtelijk
in de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling gespiegeld, zodat geen
tweesporigheid ontstaat tussen fiscale regels en pensioenrechtelijke regels?
De leden vragen de regering waarom niet is gekozen voor een zogenoemde uniformeringsknop
waarmee oude, nog niet ingegane wezenpensioenen bij de transitie onder de nieuwe 25-jaar-regels
kunnen worden gebracht. Kan de regering toelichten of een dergelijke optie de uitvoerbaarheid
en uitlegbaarheid voor deelnemers en uitvoerders zou kunnen verbeteren?
Deze leden vragen de regering hoeveel jaar uitvoerders naar verwachting nog oude voorwaarden
voor wezenpensioen, zoals studie-eisen, moeten blijven controleren indien geen aanvullende
uniformeringsmogelijkheid wordt geboden. Kan de regering daarbij ingaan op de gevolgen
voor uitvoeringskosten, administratieve lasten en mogelijke klachten van deelnemers
of wezen?
De leden van de BBB-fractie onderschrijven de verruiming van het overgangsrecht bij
premievrije voortzetting wegens arbeidsongeschiktheid. Deze leden vragen de regering
wel of hierdoor risico bestaat op nieuwe ongelijkheid tussen groepen deelnemers, bijvoorbeeld
afhankelijk van het moment van arbeidsongeschiktheid, de betrokken uitvoerder of de
gekozen transitieafspraken. Hoe wordt een eventueel risico op ongelijke behandeling
gemitigeerd?
Hoofdstuk 2. Uitwerking toezeggingen en andere gewenste wijzigingen
De leden van de D66-fractie zouden graag een overzicht ontvangen van alle openstaande aangenomen moties en toezeggingen
die verband houden met wet- en regelgeving rond pensioenen, met daarbij vermeld of
deze wel of niet in dit wetsvoorstel zijn verwerkt en zo nee, waarom daar niet voor
is gekozen.
De leden van de D66-fractie kunnen goed begrijpen dat ter invulling van de aangenomen
motie-Oomen-Ruijten c.s. nu vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen wordt voorgesteld.1 Wat is de reden waarom in eerste instantie deze optie niet werd geboden, waar dat
wel gold voor het partnerpensioen? Om hoeveel wezen gaat het naar verwachting die
met gebruik van deze regeling een pensioen zullen ontvangen? Op basis waarvan is de
verwachting gebaseerd dat hier een grote behoefte aan bestaat? Wat zijn de financiële
gevolgen voor de deelnemer precies indien iemand gebruik maakt van deze vrijwillige
regeling? Hoeveel raakt de persoon dan kwijt aan ouderdomspensioen? Zal deze regeling
niet naar verwachting vooral gebruikt gaan worden door mensen met een lage levensverwachting?
En indien dat het geval is, wat zijn dan de verwachte financiële effecten voor pensioenfondsen
in het algemeen als gevolg van mogelijke averechtse selectie? Kan een inschatting
gemaakt worden van de uitvoeringskosten van het aanbieden van deze keuze? De leden
van de D66-fractie vragen tevens waarop de leeftijdsgrens van 25 jaar is gebaseerd
bij de uitbetaling van het wezenpensioen, in plaats van de leeftijdsgrens van 21 jaar
die gehanteerd wordt voor de onderhoudsplicht.
De leden van de D66-fractie steunen de keuze voor een ruim kindbegrip, zodat voorkomen
wordt dat kinderen geen wezenpensioen ontvangen die wel afhankelijk waren van de overleden
ouder. Begrijpen de voornoemde leden echter goed dat al deze kinderen exact gelijk
worden behandeld? Dus ook bijvoorbeeld dat een stiefkind van 24 jaar dat een bescheiden
relatie had met de overleden ouder en al werkt maar toevallig op hetzelfde adres woonde,
hetzelfde wezenpensioen ontvangt als een studerend biologisch kind van 18 jaar dat
intensief werd ondersteund door de ouder?
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast op welke punten de definitie van partner
verschilt van het partnerbegrip in de toeslagen en of de regering ook van mening is
dat het beter zou zijn om dit zo veel mogelijk op elkaar te laten aansluiten. Kan
de regering daarbij in ieder geval ingaan op de samenwoonvereiste?
De leden van de D66-fractie vernemen dat vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen
kan worden stopgezet bij verschillende situaties, waaronder de situatie dat de partner
geen toestemming meer verleent voor de uitruil naar de toekomst toe als de financiering
deels ten laste komt van het pensioenvermogen voor het partnerpensioen. Waarom is
er voor deze mogelijkheid gekozen? Ligt de mogelijkheid om dit besluit te nemen alleen
bij de partner in kwestie of ook deels bij de deelnemer zelf? Bestaat hiermee niet
het risico dat bijvoorbeeld een kind geen aanspraak meer kan maken op het wezenpensioen
nadat deze gebrouilleerd is geraakt met de partner in kwestie, terwijl het wel de
wens van de overledene was om wezenpensioen na te laten?
De leden van de D66-fractie vragen ten aanzien van de keuze voor financiering van
de vrijwillige voortzetting met het bij invaren opgebouwde partnerpensioen welke optie
wanneer voordelig is voor betrokkenen en of keuzes niet voornamelijk daarop gebaseerd
zullen zijn. Welke invloed heeft dit op de uitvoerbaarheid van het invaren?
De leden van de D66-fractie hechten veel waarde aan de wijziging om op de loonstrook
inzichtelijk te maken of een werknemer wel of geen ouderdomspensioen opbouwt. Waar
kunnen mensen terecht indien zij wel hadden verwacht dat zij pensioen hadden opgebouwd,
maar nu op hun loonstrook ontdekken dat dat niet het geval was? Welke consequenties
kan het hebben als werkgevers nalaten te vermelden dat er geen pensioen wordt opgebouwd
of dit wel vermelden op de loonstrook terwijl dat niet het geval is? Betekent deze
verplichting ook dat het niet opbouwen van pensioen ook expliciet vermeld moet worden
of alleen dat het niet op de loonstrook vermeld hoeft te worden? Kan de regering aangeven
waarom zij stelt dat dit geen nieuw politiek besluit is? Op welke wijze was tot nu
toe de politieke wens geregeld dat werknemers geïnformeerd zijn over het wel of niet
opbouwen van pensioen? Wat waren de alternatieven voor deze verplichting via de loonstrook?
Zou het ook een oplossing zijn voor het bestrijden van witte vlekken om mogelijk te
maken dat de belastingdienst de jaarruimte voor pensioeninleg toont? Zou dit ook de
eigen inleg eenvoudiger maken en zo ja, hoe staat de regering hiertegenover?
De leden van de D66-fractie begrijpen dat op dit moment voor flexibele premieregelingen
geldt dat mee- en tegenvallers gelijkelijk over de spreidingsperiode worden verdeeld,
terwijl het bij solidaire premieregelingen mogelijk is om dat in een afnemende mate
te doen. Is dat inderdaad het geval en zo ja, kan de regering toelichten waarom deze
mogelijkheid alleen voor flexibele premieregelingen bestaat? Heeft de regering overwogen
bij deze Toezeggingenwet of elders dit punt gelijk te trekken tussen flexibele en
solidaire premieregelingen? Kan de regering uiteenzetten wat de consequenties zouden
zijn om ten aanzien hiervan in artikel 63a, lid 5 Pensioenwet de passage «in gelijke
mate» te schrappen of te vervangen door een spreidingswijze die minder volatiliteit
zou inhouden of beter zou aansluiten op de solidaire premieregeling?
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast graag aandacht voor de regels ten aanzien
van de vaste daling in flexibele premieregelingen, die begrensd zijn op 35%, maar
wel sterk afhankelijk zijn van de rente op de pensioendatum. Is dit inderdaad het
geval en zo ja, kan de regelingen toelichten wat hiervoor de toegevoegde waarde is?
Heeft de regering overwogen bij deze Toezeggingenwet of elders de vaste daling in
mindere mate of niet meer afhankelijk te maken van de actuele rente op pensioendatum?
Zijn hiervoor alternatieven onderzocht of te bedenken?
De leden van de VVD-fractie steunen het uitgangspunt dat gewezen deelnemers meer mogelijkheden krijgen om het
risico voor nabestaanden, waaronder kinderen, te blijven afdekken. Tegelijkertijd
constateren deze leden dat vrijwillige voortzetting wordt gefinancierd door uitruil
van pensioenvermogen. Kan de regering nader toelichten hoe wordt voorkomen dat deelnemers
door langdurige voortzetting onvoldoende ouderdomspensioen overhouden of de gevolgen
daarvan onderschatten?
Welke concrete informatie moet de pensioenuitvoerder jaarlijks verstrekken over de
gevolgen voor het ouderdomspensioen, het partnerpensioen op of na pensioendatum en
het eventuele bijzonder partnerpensioen? Kan de regering aangeven of deze informatie
in euro’s, scenario’s of percentages moet worden weergegeven, zodat deelnemers daadwerkelijk
een geïnformeerde keuze kunnen maken?
De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel aanvragen voor vrijwillige voortzetting
van het wezenpensioen de regering verwacht. In de memorie van toelichting wordt gerekend
met een voorbeeld van 150 aanvragen per jaar en kosten van € 110,60 per aanvraag.
Kan de regering onderbouwen waarop dit aantal is gebaseerd en hoe gevoelig de regeldrukraming
is indien het aantal aanvragen hoger uitvalt?
De leden van de VVD-fractie begrijpen de wens om onverklaarbare verschillen tussen
pensioenregelingen te verminderen. Een uniforme kinddefinitie kan bijdragen aan duidelijkheid
voor deelnemers en nabestaanden. Tegelijkertijd zien deze leden dat de voorgestelde
definitie verschillende situaties omvat, waaronder stiefkinderen, pleegkinderen, co-ouderschap,
tijdelijk verblijf elders en aantoonbare bijdragen in levensonderhoud. Kan de regering
toelichten waarom deze uitwerking naar haar oordeel voldoende eenvoudig en uitvoerbaar
is?
Welke gegevens moeten pensioenuitvoerders in de praktijk verzamelen om vast te stellen
of sprake is van een stiefkind of pleegkind onder de voorgestelde definitie? Kan de
regering per categorie aangeven welke bewijsmiddelen nodig zijn, wie deze moet aanleveren
en hoe wordt voorkomen dat nabestaanden na overlijden worden geconfronteerd met complexe
bewijsdiscussies?
De leden van de PRO-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom vrijwillige voortzetting niet toegestaan
is als het ouderdomspensioen onder de afkoopgrens klein pensioen komt. Ook vragen
zij of het klopt dat de beperkingen aan de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen
exact gelijk zijn aan die van het partnerpensioen. Verder lezen zij dat gewezen deelnemers
met een partner of kind(eren) na informatievoorziening vanuit de pensioenuitvoerder
expliciet dienen te kiezen voor vrijwillige voortzetting. De leden van de Pro-fractie
vragen waarom niet gekozen is om deze vrijwillige voortzetting de standaardkeuze te
maken en de deelnemers dan zouden moeten kiezen om de vrijwillige voortzetting voor
partner en/of kind(eren) te stoppen? Verder is de goedkeuring van de partner noodzakelijk
om bij vrijwillige voortzetting het partnerpensioen in te zetten voor opbouw voor
het wezenpensioen, is dit strikt noodzakelijk, aangezien de deelnemer premie heeft
ingelegd?
Deze leden vragen daarnaast of de regering het verschil tussen een «onbepaald systeem»
bij de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen en een bepaald systeem kan toelichten;
klopt het dat per pensioenregeling verschilt of pas bij aanspraak bepaald wordt wie
recht heeft op wezenpensioen of al tijdens de vrijwillige voortzetting zelf? Waarom
is dit niet wettelijk bepaald en op basis waarvan maken sociale partners deze keuze?
De leden van de PRO-fractie vragen in dit kader ook naar het overgangsrecht bij de
uniformering van de kinddefinitie. Deze leden lezen dat personen die al in een pensioenregeling
werden aangemerkt als kind maar niet onder de nieuwe definitie van kind vallen aangemerkt
zullen blijven als kind. Klopt het dat er sprake kan zijn van een vergelijkbare situatie,
waarbij personen op dit moment onder de definitie van kind kunnen vallen in hun pensioenregeling
maar na uniformering niet meer, maar niet als kind aangemerkt zijn omdat er sprake
is van een onbepaald systeem? Ontstaat daarbij ongelijke behandeling tussen kinderen
van deelnemers met een pensioenregeling waarbij sprake is van een onbepaald systeem
tegenover kinderen van deelnemers met een bepaald systeem? Wat vindt de regering daarvan?
Bij de uniforme kinddefinitie – een klaarblijkelijke verbetering – vragen de leden
van de Pro-fractie bij welke partij de bewijslast ligt en op welk moment aan deze
bewijslast invulling moet worden gegeven. Het is niet wenselijk dat na overlijden
van een ouder, diens partner of kinderen uitgebreid bewijs moeten aandragen bij de
pensioenuitvoerder. In hoeverre kunnen pensioenuitvoerders uit bestaande registers
of combinatie van databronnen de correcte inschatting maken wie een kind van de deelnemer
is? Wat is er praktisch voor mogelijk om dit correct te doen, de administratieve-
en uitvoeringslasten te beperken, en de partner en/of kinderen te ontlasten?
De leden van de PRO-fractie lezen dat de tweede financieringswijze van het nabestaandenpensioen
die met dit wetsvoorstel wordt geïntroduceerd wenselijk is omdat «niet alle pensioenuitvoerders
in de opbouwfase eenvoudig onderscheid kunnen maken tussen pensioenvermogen voor het
ouderdomspensioen en partnerpensioen bij overlijden op of na pensioeningang». Tegelijkertijd
meldt de regering dat met dit voorstel een keuze kan worden gemaakt. Deze leden vragen
wie deze keuze maakt. Zij merken op dat als de keuze bij de deelnemer ligt, de pensioenuitvoerder
nog steeds te maken kan krijgen met het hierboven beschreven probleem. Tegelijkertijd
is het vreemd als de keuze bij de pensioenuitvoerder ligt, omdat de financieringswijze
ook bepaalt of de deelnemer toestemming dient te vragen aan diens partner of niet.
Kan de regering toelichten hoe zij tegen dit dilemma aankijkt en welk scenario het
juiste is?
De leden van de PVV-fractie constateren dat de deelnemer de vrijwillige voortzetting bekostigt door uitruil van
het opgebouwde ouderdomspensioen (paragraaf 2.1.1, pagina 2), en dat als minimale
duur wordt aangesloten bij de voor het partnerpensioen geldende termijn van vijftien
jaar, waarbij een kortere periode mogelijk is (paragraaf 2.1.2).
Deze leden vragen de regering hoe wordt geborgd dat de deelnemer zich bewust is van
de gevolgen voor zijn ouderdomspensioen.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering hoe de evenwichtigheid van de ruilvoet
bij de uitruil van ouderdomspensioen wordt beoordeeld en wie daarop toeziet.
De leden van de PVV-fractie constateren dat het nieuwe artikel 2b van de Pensioenwet
het kindbegrip uitbreidt met stief- en pleegkinderen (paragraaf 2.2). Voor het aanmerken
als stiefkind gelden nadere voorwaarden, zoals een verblijf van ten minste 156 dagen
per kalenderjaar bij co-ouderschap (paragraaf 2.2.4.3) dan wel een aantoonbare financiële
bijdrage van ten minste € 522 per kwartaal (norm 2025, paragraaf 2.2.4.4). Deze leden
vragen de regering hoe deze criteria door uitvoerders worden gecontroleerd en bij
wie de bewijslast ligt.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de regering op pagina 11 van de memorie
van toelichting erkent dat een kind bij vier verschillende ouders wezenpensioen kan
opbouwen. Deze leden vragen de regering welke financiële gevolgen dit heeft en of
een scherpere afbakening is overwogen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat op het loonstrookje voortaan alleen hoeft
te worden vermeld dat er een pensioenregeling is, en niet langer of er ouderdomspensioen
wordt opgebouwd. Deze leden vragen de regering waarom voor deze versoepeling is gekozen
en of de regering bereid is deze te heroverwegen.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen is bedoeld voor gewezen
deelnemers na afloop van de uitloopperiode of na afloop van dekking tijdens een Ziektewet-
of Werkloosheidswetperiode. De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt geborgd dat
juist mensen in onzekere overgangssituaties, zoals werkloosheid, ziekte, zelfstandig
ondernemerschap of wisseling van baan, tijdig en begrijpelijk worden geïnformeerd
over deze keuze? De vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen wordt betaald uit
het pensioenvermogen dat de deelnemer al heeft opgebouwd. Daardoor kan de deelnemer
zijn kinderen beter beschermen bij overlijden voor de pensioendatum, maar kan het
ouderdomspensioen later lager uitvallen. Welke eisen stelt de regering aan keuzebegeleiding
en jaarlijkse informatieverstrekking, zodat deelnemers deze afweging goed kunnen overzien
voordat zij hiervoor kiezen?
De memorie noemt situaties waarin de vrijwillige voortzetting korter kan duren dan
vijftien jaar, bijvoorbeeld door de afkoopgrens klein pensioen of een maximum voor
de omvang van de uitruil. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan inschatten
hoe vaak dit naar verwachting zal voorkomen en of juist deelnemers met een lager pensioenvermogen
daardoor minder lang bescherming kunnen inkopen voor hun kinderen?
Met een uniforme kinddefinitie wil de regering voorkomen dat een kind in de ene pensioenregeling
wel en in de andere pensioenregeling niet als kind wordt aangemerkt. De leden van
de CDA-fractie vragen of pensioenuitvoerders voor inwerkingtreding beschikken over
een gezamenlijke beslisboom of uniforme handreiking voor de beoordeling van eigen
kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen en samengestelde gezinnen? Voor stiefkinderen
worden verschillende criteria gehanteerd, waaronder inschrijving op hetzelfde adres,
tijdelijk verblijf elders, co-ouderschap van ten minste 156 dagen per jaar of een
aantoonbare bijdrage in het levensonderhoud. Hoe moeten pensioenuitvoerders dit na
overlijden praktisch en zorgvuldig vaststellen, zonder nabestaanden te belasten met
ingewikkelde bewijsdiscussies op een kwetsbaar moment? De leden van de CDA-fractie
wijzen op onderzoek van het CBS en de Universiteit Utrecht waaruit blijkt dat in een
groot deel van de gevallen van scheiding kinderen (voornamelijk) bij de moeder wonen
(circa 70 procent), terwijl slechts in een minderheid van de gevallen sprake is van
co-ouderschap of hoofdverblijf bij de vader. In dat licht constateren deze leden dat
in situaties waarin de partner van de vader als stiefouder optreedt, het kind in de
praktijk vaak niet voldoet aan de in de regeling gehanteerde strikte dagentermijn
van 156 dagen verblijf per kalenderjaar om als stiefkind in de zin van de regeling
te worden aangemerkt. Deze leden vragen de regering hoe deze zeer strikte afbakening
zich verhoudt tot de feitelijke gezinsrealiteit waarin stiefouders in samengestelde
gezinnen een substantiële en duurzame opvoedings- en verzorgingsrol kunnen vervullen,
ook indien het kind structureel minder dan 156 dagen per jaar in het huishouden van
de stiefouder verblijft. Kan de regering toelichten in hoeverre is onderkend dat deze
harde kwantitatieve grens ertoe kan leiden dat in een aanzienlijk aantal gevallen
geen sprake is van erkenning als stiefkind voor het wezenpensioen, terwijl er materieel
gezien wel degelijk sprake kan zijn van een bestendige gezinsband en wederzijdse afhankelijkheid
binnen het huishouden, en hoe deze uitkomst wordt beoordeeld in het licht van de beoogde
bescherming van kinderen binnen het nabestaandenpensioenstelsel. Voorts vragen deze
leden op welke gronden de specifieke norm van 156 dagen verblijf per kalenderjaar
is gebaseerd, welke overwegingen daarbij een rol hebben gespeeld in termen van uitvoerbaarheid,
rechtszekerheid en aansluiting bij andere wettelijke regelingen, en of daarbij expliciet
is overwogen om een lagere of anders vormgegeven drempel te hanteren om beter aan
te sluiten bij diverse co-ouderschaps- en samengestelde gezinssituaties. Voor pleegkinderen
geldt dat geen recht op wezenpensioen bestaat wanneer sprake is van een pleegvergoeding,
omdat die vergoeding in beginsel kostendekkend wordt geacht. De leden van de CDA-fractie
vragen of de regering kan onderbouwen dat in langdurige pleegzorgsituaties daadwerkelijk
geen financiële zorg van de pleegouder wegvalt bij overlijden, en op welke wijze is
vastgesteld dat de pleegvergoeding in al deze situaties daadwerkelijk als kostendekkend
kan worden beschouwd, mede gelet op verschillen in gemeentelijke uitvoering en individuele
zorgsituaties. Daarbij vragen deze leden tevens of de regering bereid is dit uitgangspunt
na inwerkingtreding te monitoren en te evalueren in hoeverre deze aanname in de praktijk
standhoudt. Daarnaast vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat pleegkinderen die
langdurig in een gezin wonen, bijvoorbeeld vanaf jonge leeftijd tot aan volwassenheid,
buiten de regeling van het wezenpensioen vallen, terwijl zij feitelijk volledig zijn
opgegroeid binnen het betreffende gezin en in sociaal en emotioneel opzicht onderdeel
zijn van dat gezin. Kan de regering toelichten hoe deze afbakening zich verhoudt tot
het uitgangspunt van bescherming van kinderen bij het wegvallen van verzorgers, ongeacht
de juridische vormgeving van de gezags- of plaatsingssituatie. Voorts vragen deze
leden of een inschatting is gemaakt van het aantal pleegkinderen dat als gevolg van
de cumulatie van de gestelde voorwaarden geen recht zal hebben op wezenpensioen, ondanks
een feitelijke langdurige en gezinsachtige relatie met de pleegouders. In dat verband
vragen zij tevens of is overwogen dat deze afbakening tot ongelijke uitkomsten kan
leiden tussen vergelijkbare situaties van afhankelijkheid en verzorging, afhankelijk
van de aanwezigheid van een pleegvergoeding of de administratieve kwalificatie van
de plaatsing. Deze leden vragen of er is voorzien in een hardheidsclausule of vergelijkbare
uitzonderingsmogelijkheid voor situaties waarin strikt juridisch geen recht op wezenpensioen
bestaat, maar waarin materieel gezien wel sprake is van een duurzame gezinsrelatie
en financiële en emotionele afhankelijkheid van het pleegkind van de pleegouder, en
zo niet, of de regering bereid is te bezien of een dergelijke voorziening alsnog wenselijk
is om onbedoelde hardheden in individuele gevallen te kunnen voorkomen. Tot slot vragen
deze leden of de regering heeft overwogen of het gesignaleerde knelpunt ook kan worden
ondervangen door ouders of pleegouders de mogelijkheid te geven om een pleegkind actief
aan te melden voor dekking van het wezenpensioen, zodat niet uitsluitend de formele
kwalificatie van de pleegzorgsituatie of de aanwezigheid van een pleegvergoeding bepalend
is voor de toegang tot deze voorziening, maar ook de feitelijke gezinsrelatie en keuze
van de betrokkenen daarin kan worden meegewogen.
Het overgangsrecht voor premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid wordt verruimd
om te voorkomen dat kleine groepen deelnemers bij gesloten pensioenfondsen of verzekeraars
tussen wal en schip vallen. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering in een
overzicht kan aangeven welke groepen zieke of arbeidsongeschikte deelnemers met dit
wetsvoorstel worden beschermd, en of er nog situaties denkbaar zijn waarin deelnemers
alsnog buiten de verruiming vallen? Bij pensioenfondsen geldt als uitgangspunt dat
wanneer een pensioenregeling invaart, iedereen invaart. Hoe wordt in de beoordeling
van evenwichtigheid specifiek gecontroleerd dat arbeidsongeschikte deelnemers met
premievrije voortzetting door de transitie naar het nieuwe stelsel niet feitelijk
slechter af zijn? De verruiming van het overgangsrecht sluit volgens de memorie aan
bij uitvoeringsknelpunten in de praktijk. De leden van de CDA-fractie vragen of pensioenuitvoerders
verplicht zijn om betrokken zieke of arbeidsongeschikte deelnemers actief te informeren
als zij onder de verruimde overgangsregeling vallen, en welke minimale informatie
zij daarbij moeten ontvangen?
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering aankijkt tegen signalen dat pensioenuitvoerders
in de flexibele premieregeling behoefte hebben aan meer ruimte om financiële mee-
en tegenvallers niet alleen gelijkmatig, maar ook afnemend over de spreidingsperiode
te verwerken. Kan de regering toelichten of een dergelijke afnemende spreiding past
binnen de uitgangspunten van het nieuwe pensioenstelsel, waaronder stabiliteit van
uitkeringen, uitlegbaarheid voor deelnemers en evenwichtige belangenafweging? Welke
voordelen en risico’s ziet de regering voor deelnemers en voor uitvoerders die zowel
flexibele als solidaire premieregelingen uitvoeren? Daarnaast vragen de leden van
de CDA-fractie aandacht voor de vaste daling bij variabele pensioenuitkeringen in
de flexibele premieregeling. Deze leden begrijpen dat de huidige wettelijke begrenzing
mede afhankelijk is van de risicovrije rente op de pensioendatum. Kan de regering
toelichten of dit ertoe kan leiden dat vergelijkbare deelnemers verschillend worden
behandeld, enkel doordat zij op een ander moment met pensioen gaan? Hoe beoordeelt
de regering de mogelijkheid om het dalingspercentage stabieler en beter uitlegbaar
vorm te geven, bijvoorbeeld door dit te baseren op een constante risicopremie in plaats
van op de actuele rentestand op de pensioendatum?
De regering stelt voor dat op de loonstrook niet hoeft te worden vermeld of de werknemer
in het betreffende tijdvak daadwerkelijk ouderdomspensioen opbouwt, maar alleen of
bij de werkgever een pensioenregeling aanwezig is. De leden van de CDA-fractie begrijpen
dat dit beter uitvoerbaar is. Tegelijkertijd kan de vermelding dat een pensioenregeling
aanwezig is bij werknemers de indruk wekken dat zij zelf ook daadwerkelijk ouderdomspensioen
opbouwen. Dat hoeft niet altijd het geval te zijn, bijvoorbeeld wanneer het loon van
de werknemer onder de franchise ligt en daardoor feitelijk geen of nauwelijks ouderdomspensioen
wordt opgebouwd. Deze leden vragen hoe de regering voorkomt dat werknemers door deze
vermelding op de loonstrook een te positief beeld krijgen van hun pensioenopbouw.
Ook vragen zij hoe werknemers op eenvoudige wijze inzicht krijgen in de vraag of zij
zelf daadwerkelijk ouderdomspensioen opbouwen.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering te verduidelijken wat de rechtspositie is van kinderen van deelnemers
die tussen het ingaan van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en de (vertraagde) inwerkingtreding
van deze reparatiewet uit dienst zijn getreden en zijn overleden. Is er voor deze
specifieke groep sprake van met terugwerkende kracht herstelde dekking?
Onder 2.1.8.1 (Wezenpensioen) lezen de leden van de JA21-fractie dat er in het wetsvoorstel
voor gekozen wordt om «voor de persoon die gewezen deelnemer is geworden onder het
nieuwe pensioenstelsel en vóór de inwerkingtreding van de Toezeggingenwet, de situatie
te [blijven] laten gelden zoals die gold voor de invoering van de Toezeggingenwet»
en dat dit concreet betekent dat «de gewezen deelnemer niet (opnieuw) de keuze krijgt
om het partner- en/of wezenpensioen voort te zetten». De reden die de regering hiervoor
aandraagt is dat het voorzetten hiervan, al dan niet met terugwerkende kracht, hoge
uitvoeringskosten met zich meebrengt, evenals risicoselectie en uitvoeringstechnisch
complex is. De leden vragen de regering dit nader toe te lichten, evenals de omvang
van deze groep.
Onder 2.2.4.2 (Tijdelijk verblijf elders gedurende maximaal zes maanden) lezen de
leden van de JA21-fractie dat een kind dat elders ingeschreven staat geacht wordt
tot het huishouden te behoren, en daarmee in aanmerking te komen voor wezenpensioen,
indien dit verblijf elders ten hoogste zes maanden is. De regering geeft hierbij situaties
zoals een uitwisselingsprogramma en verblijf in een ziekenhuis of inrichting als voorbeeld.
Bij verblijf elders gedurende een langere periode dan deze zes maanden, wordt het
kind niet langer geacht tot het huishouden te behoren. De leden vragen de regering
deze termijn en de keuze daarvoor nader toe te lichten.
In het wetsvoorstel overdracht pensioenen politieke ambtsdragers, dat hopelijk binnenkort
in consultatie gaat wordt (wat de leden van de BBB-fractie betreft) is geregeld dat in de periode dat de Appa-pensioenen nog niet zijn overgedragen
aan het ABP het huidige opbouwpercentage (dat is 1,875%) zal worden gecontinueerd.
De leden vragen wat er gebeurt als het ABP overstapt naar het nieuwe stelsel voordat
de Wet overdracht pensioenen politieke ambtsdragers is aangenomen? De leden vragen
of het noodzakelijk is om in de aanpassingswet die nu voorligt een regeling te treffen
om dit proces adequaat te waarborgen.
De leden van de SGP-fractie lezen dat er feitelijk een kortere duur van de vrijwillige voortzetting mogelijk
kan zijn, dat wil zeggen: korter dan vijftien jaar, als de pensioenregeling voorziet
in een maximum aan de omvang van de uitruil met het ouderdomspensioen. Zijn er al
voorbeelden bekend waarbij een kortere duur dan vijftien jaar mogelijk is? Hoe wordt
voorkomen dat deze termijn door deze aanscherping niet te veel ingekort wordt?
De mogelijkheden voor de financiering van de vrijwillige voortzetting worden verruimd,
zo lezen de leden van de SGP-fractie. Ook het partnerpensioen op of na pensioendatum
kan daarvoor ingezet worden. Dat vereist wel toestemming van de partner. Hoe is die
toestemming geregeld? En hoe worden deelnemers geïnformeerd over de gevolgen van deze
keuze?
De leden van de SGP-fractie vragen opnieuw naar de gevallen waarin deelnemers onbedoeld
hun partnerpensioen niet hebben voortgezet, de groep onvrijwillig onverzekerden. Hiervoor
zijn diverse flankerende maatregelen genomen, die deze leden toejuichen. Er wordt
ook gewerkt aan een sectorbrede regeling. Hoewel deze leden ook deze regeling verwelkomen,
voorzien zij wel een risico dat deze regeling in de praktijk weinig gaat opleveren.
In een Kamerbrief wordt aangegeven dat deze regeling er is voor deelnemers die gedurende
de keuzetermijn nog geen keuze hebben gemaakt of voor het geval wanneer er nog geen
aanbod is gedaan. De groep onvrijwillig onverzekerden valt daar niet noodzakelijkerwijs
onder. Erkent de regering dat? Hoe kan met eenzelfde regeling juist de groep onvrijwillig
onverzekerden bereikt worden? Is de regering het eens met deze leden dat juist die
groep een dergelijke regeling nodig heeft? De leden van de SGP-fractie roepen op om,
gezien de schrijnende situaties waar het over gaat, de voorwaarden om te voldoen aan
de regeling ruimhartig op te stellen.
Hoofdstuk 3. Gevolgen voor burgers, bedrijven en overheid
De leden van de PRO-fractie staan positief tegenover mogelijkheden voor vrijwillige voortzetting van het nabestaandenpensioen.
Tegelijkertijd merken zij op dat de Wet toekomst pensioenen bijzonder complex is,
en het voorliggende voorstel niet bij lijkt te dragen aan vereenvoudiging. Is de regering
het daarmee eens? Deze leden vragen ook of de regering de verschillende keuzes die
werknemers moeten maken rondom pensioen in hun leven onder elkaar kan zetten. Kan
de regering daarbij uitgaan van een werknemer die een paar keer van baan wisselt,
een keer een korte periode geen baan heeft en tot slot een periode als zelfstandige
aan de slag gaat? Ook willen deze leden graag weten hoe de regering gaat zorgen voor
adequate informatievoorziening, met als doel dat pensioendeelnemers de keuzes die
zij moeten maken snappen. Is de regering het ermee eens dat het wenselijk is om het
aantal keuzes dat mensen moeten maken op pensioengebied tot een minimum te beperken?
En is de regering het ermee eens dat het nieuwe pensioenstelsel een stuk complexer
is dan wenselijk?
De leden van de PVV-fractie constateren dat de kosten van een aanvraag voor vrijwillige voortzetting van het
wezenpensioen worden geraamd op 110,60 euro per aanvraag. Deze leden vragen de regering
deze raming te onderbouwen en aan te geven welke lasten uiteindelijk bij deelnemers
en gepensioneerden terechtkomen.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
De leden van de VVD-fractie de regering waarom in artikel 63a, vijfde lid, Pensioenwet wordt vastgehouden aan
verwerking «in gelijke stappen», terwijl bij de solidaire premieregeling spreiding
in afnemende mate expliciet is toegestaan. Zij vragen of de regering onderkent dat
verplicht lineair spreiden kan leiden tot onnodig volatiele en moeilijk uitlegbare
uitkeringspatronen in de flexibele premieovereenkomst. Voor uitvoerders die zowel
FPR- als SPR-regelingen aanbieden leidt dit tot ondoelmatigheid in de uitvoering,
zo stellen de leden van de VVD-fractie, is de regering het daarmee eens? Is de regering
bereid dit bij nota van wijziging aan te passen, zodat ook in de flexibele premieovereenkomst
spreiding in afnemende mate mogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PVV-fractie constateren dat diverse artikelen terugwerkende kracht krijgen tot en met 1 juli
2023 (artikel V, pagina 51). Deze leden vragen de regering per artikel te motiveren
waarom terugwerkende kracht noodzakelijk is en te bevestigen dat geen deelnemer, gepensioneerde
of nabestaande hierdoor in een nadeliger positie komt.
In de beslisnota lezen de leden van de JA21-fractie dat de beoogde inwerkingtreding, afhankelijk van parlementaire besluitvorming, 1 juli
2027 is, waar eerder nog de datum van 1 januari 2027 werd beoogd. De leden vragen
de regering nader op deze vertraagde beoogde inwerkingtreding in te gaan en de (eventuele)
praktische en financiële gevolgen hiervan voor alle betrokkenen.
Overig
De leden van de VVD-fractie merken op dat ten aanzien van de definitie partnerpensioen de huidige Pensioenwet
bepaalt dat ongehuwde personen aan het partnerbegrip kunnen voldoen indien zij een
(notariële) samenlevingsovereenkomst hebben. Er wordt dan voldaan aan het vereiste
van de gezamenlijke huishouding voor het partnerbegrip. De wet schrijft niet voor
dat in een samenlevingsovereenkomst een verplichting tot samenwonen is opgenomen.
Partijen kunnen dus een rechtsgeldige samenlevingsovereenkomst hebben zonder dat zij
op hetzelfde adres wonen. Dit in tegenstelling tot het begrip fiscaal partnerschap
(relevant voor toeslagen) en het partnerbegrip in de AOW en de Anw waar een gezamenlijke
huishouding centraal staat. Erkent de regering dit verschil, hoe beoordeelt zij dit
verschil en is zij bereid om het samenwoonvereiste als voorwaarde te verbinden aan
de gezamenlijke huishouding?
Ten aanzien van de witte vlekken pensioenopbouw merken de leden van de VVD-fractie
op dat een deel van de werknemers geen pensioen opbouwt. In de wet is vastgelegd dat
het aantal werknemers dat niet deelneemt aan een pensioenregeling bij een werkgever
binnen enkele jaren met 50% moet zijn gereduceerd. De leden van de VVD-fractie vragen
de regering of deze doelstelling wordt behaald. Wat is de inzet van de regering op
deze doelstelling en hoe wordt de Kamer over de voortgang van de realisatie van deze
doelstelling geïnformeerd? De leden vragen de regering hoe het mogelijk kan worden
gemaakt om de eigen vrije ruimte voor pensioenopbouw jaarlijks inzichtelijk te maken,
om eigen inleg eenvoudiger te maken en witte vlekken te bestrijden.
De leden van de PRO-fractie merken op dat ook na de transitieperiode naar het nieuwe stelsel nog regelingen met
gegarandeerde uitkeringen blijven bestaan binnen het overgangsrecht. Zij wijzen op
verzekerde uitkeringsregelingen waarbij werkgevers kunnen besluiten om extra indexatie
te verlenen. Deze leden vragen of het klopt dat het deze werkgevers vanaf 2028 wettelijk
niet meer toegestaan is om bestaande indexatietoezeggingen te verbeteren. Kan de regering
uitleggen waarom niet? Is de regering bereid om deze regel aan te passen, opdat het
koopkrachtperspectief van gepensioneerden met een verzekerde uitkeringsregeling kan
verbeteren? Ook vragen deze leden om aandacht voor verzekerde premieregelingen met
een vaste uitkering zonder indexatieperspectief. Zij merken op dat gepensioneerden
met een dergelijke regeling hun koopkracht ieder jaar zien dalen, en dat hun pensioenuitkering
na tien of twintig jaar vaak fors minder waard is. Vindt de regering dit wenselijk?
En ziet zij mogelijkheden om de koopkracht voor deze groep te verbeteren? De leden
vragen daarnaast of het niet beter zou zijn om in de toekomst te voorkomen dat pensioenuitkeringen
lange tijd niet worden geïndexeerd, en waarom regelingen waarin vast is gelegd dat
na pensionering geen indexatie meer plaatsvindt überhaupt toegestaan zijn.
De voorzitter van de commissie, Van der Lee
De griffier van de commissie, Post
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
H.J. Post, griffier