Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Schilder en Markuszower over de cursusdag "Pleiten voor Palestina" voor advocaten
Vragen van de leden Schilder en Markuszower (beiden Groep Markuszower) aan de Staatssecretarissen van Justitie en Veiligheid en van Financiën over de cursusdag «Pleiten voor Palestina» voor advocaten (ingezonden 17 juni 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid), mede namens de
Staatssecretaris van Financiën (ontvangen 9 juli 2026) Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 2497
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de cursusdag voor advocaten onder de titel «Pleiten voor
Palestina»?1
Antwoord 1
Ja, daarvan heb ik kennisgenomen.
Vraag 2
Deelt u de mening dat advocaten in de eerste plaats juristen horen te zijn en geen
politieke activisten? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Advocaten hebben dezelfde vrijheden als eenieder in Nederland. Daarbij hebben zij
zich te houden aan de wet die geldt voor alle Nederlanders en, vanwege hun functie
als advocaat, de beroepsspecifieke wet- en regelgeving voor de advocatuur. Het staat
advocaten vrij om cursussen en trainingen te volgen die hun interesse wekken of die
zij relevant achten voor hun beroepsuitoefening. Dat geldt ook voor deze cursusdag.
Vraag 3 en 4
Welke waarborgen zijn er om te voorkomen dat permanente educatie voor advocaten wordt
gebruikt voor politieke campagnes of ideologische beïnvloeding in plaats van juridische
scholing?
Deelt u de opvatting dat een cursusdag onder de titel «Pleiten voor Palestina» geen
recht zou mogen geven op PO-punten voor advocaten en bent u bereid zich ervoor in
te spannen dat de voor deze cursusdag toegekende vier PO-punten alsnog worden geschrapt?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3 en 4
Zie het antwoord op vraag 2. Het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde
van advocaten stelt bij verordening regels vast die betrekking hebben op de eisen
ter bevordering van de vakbekwaamheid van advocaten en de kwaliteit van de beroepsuitoefening.2 De wijze waarop dat gebeurt is vastgelegd in door het college van afgevaardigden
vastgestelde Verordening op de advocatuur.3 Het is daarmee dus aan de Nederlandse orde van advocaten om als regelgevende bevoegdheid
voor de advocatuur de educatie voor advocaten in te richten. Als bewindspersoon heb
ik daar geen bemoeienis mee.
De Nederlandse orde van advocaten heeft mij laten weten dat de organisatie die de
betreffende cursus organiseert een niet door de Nederlandse orde van advocaten erkende
opleidingsinstelling is en bijgevolg niet bevoegd is tot het zelfstandig toekennen
van erkende PO-punten. Na deelname aan de cursus kan een advocaat aan de lokale deken
verzoeken om toekenning van PO-punten. Het is aan de lokale deken om deze punten wel
of niet toe te kennen.
Vraag 5
Klopt het dat de organiserende stichting Muslim Rights Watch Nederland beschikt over
een ANBI-status? Zo ja, op basis van welke activiteiten is deze status verleend?
Antwoord 5
In het ANBI-register op de website van de Belastingdienst staat vermeld dat Stichting
Muslim Rights Watch Nederland de ANBI-status heeft vanaf 7 juli 2020. Omdat de Belastingdienst
is gehouden aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen (AWR), kan geen nadere informatie worden verstrekt over deze individuele
instelling.
Vraag 6 en 7
Deelt u de opvatting dat een ANBI-status bedoeld is voor organisaties die zich inzetten
voor het algemeen belang en niet voor politieke campagnes of activistische belangenbehartiging?
Zo nee, waarom niet?
Vindt u dat het organiseren van een cursusdag als «Pleiten voor Palestina» past bij
de voorwaarden die gelden voor organisaties met een ANBI-status? Kunt u uw antwoord
toelichten?
Antwoord 6 en 7
In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt dat een instelling (onder meer) uitsluitend
of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut moet beogen om als ANBI
aangemerkt te worden. Het begrip algemeen nut is in de wet neutraal vormgegeven en
wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat
een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën4 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale
karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee
een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen
als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen
in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kunnen worden als algemeen nuttig.
Vraag 8 en 9
Bent u bereid kritisch te kijken naar de ANBI-status van organisaties die zich in
de praktijk steeds meer bezighouden met politieke actievoering en activisme? Zo nee,
waarom niet?
Bent u bereid de ANBI-status van Muslim Rights Watch Nederland in te trekken? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 8 en 9
Uit artikel 5b AWR volgt dat de beoordeling inzake de ANBI-status uitsluitend aan
de inspecteur van de Belastingdienst is en dat de inspecteur voor de beslissing om
een ANBI-status in te trekken is gebonden aan een limitatief aantal gronden.5 Vanwege het eerder genoemde neutrale karakter van de ANBI-regeling zijn gedragingen
die niet aansluiten bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut
geen reden om de ANBI-status in te trekken.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid -
Mede namens
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.