Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Coenradie over het bericht 'Désirée (38) haar donor eist vaderrol: 'In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig''
Vragen van het lid Coenradie (JA21) aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over het bericht «Désirée (38) haar donor eist vaderrol: «In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig»» (ingezonden 15 mei 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 6 juli
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2154. Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2405.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Désirée (38) haar donor eist vaderrol: «In plaats van
leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig»»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2 en 3
Kunt u, zonder in te gaan op deze individuele zaak, uiteenzetten welk wettelijk toetsingskader
geldt wanneer een bekende donor, ondanks vooraf mondeling en schriftelijk gemaakte
afspraken dat hij géén vaderrol krijgt, later alsnog erkenning, omgang of een vaderrol
opeist?
Klopt het dat een bekende donor niet automatisch recht heeft op omgang enkel omdat
hij biologisch vader is, maar dat hij onder omstandigheden wel een beroep kan doen
op een nauwe persoonlijke betrekking of family life? Welke juridische waarde heeft
in dat kader een donorovereenkomst waarin expliciet is vastgelegd dat de donor geen
juridische, opvoedkundige of verzorgende vaderrol zal krijgen?
Antwoord 2 en 3
Wanneer de bekende donor erkenning wenst, dan is indien het kind nog geen zestien
jaar is, de schriftelijke toestemming van de moeder of de vader vereist.2 In het geval er geen toestemming wordt gegeven, dan kan deze toestemming door de
toestemming van de rechtbank worden vervangen.
Als een bekende donor het kind wil erkennen, moet deze allereerst de biologische ouder
zijn, zonder dat hij de verwekker is (niet de daad heeft verricht). Ook moet de bekende
donor een nauwe persoonlijke betrekking hebben met het kind. De rechtbank verleent
in ieder geval geen toestemming voor erkenning als dit de belangen van de moeder schaadt,
als daar een ongestoorde verhouding bestaat of als de sociaalpsychologische en emotionele
ontwikkeling van het kind in gevaar komt.3
Een donor heeft niet automatisch recht op omgang met het kind enkel omdat hij de biologische
vader is. Onder (uitzonderlijke) omstandigheden kan wel een beroep gedaan worden op
het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking, op grond waarvan familieleven in
de zin van artikel 8 EVRM wordt aangenomen.4 Het enkele feit dat er een biologische band tussen de donor en het kind bestaat,
is onvoldoende om te spreken over nauwe persoonlijke betrekking.5 Volgens vaste rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad zijn bijkomende omstandigheden
vereist. Relevante factoren voor het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking
zijn onder meer de aard van de relatie tussen de biologische ouders (tussen de moeder
en de donor) en de aantoonbare belangstelling en betrokkenheid van donor bij het kind,
zowel vóór als na de geboorte.6 In uitzonderlijke situaties kunnen deze omstandigheden ertoe leiden dat sprake is
van nauwe persoonlijke betrekkingen waardoor familieleven wordt vastgesteld. De afweging
of de donor in nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat is dus zeer context-gebonden.
Gemaakte afspraken in bijvoorbeeld een donorovereenkomst tussen de wensouder(s) en
donor kunnen doorslaggevend zijn voor het bepalen of de donor in nauwe persoonlijke
betrekking tot het kind staat. Een donorovereenkomst dient immers ter vastlegging
van de intenties en afspraken van wensouder(s) en de bekende donor. Door middel van
die overeenkomst proberen partijen duidelijkheid te scheppen en onduidelijkheid in
de toekomst te voorkomen over de rol van de donor.
Nadat is vastgesteld dat de donor in nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat,
wordt voor het bepalen van een omgangsregeling in de eerste plaats bezien of een omgangsregeling
in het belang van het kind is. Het belang van het kind staat voorop. Dit betekent
dat gemaakte afspraken in bijvoorbeeld een donorovereenkomst in een procedure terzijde
kunnen worden geschoven wanneer die afspraken niet in het belang van het kind zijn.
In procedures kan daarnaast onduidelijkheid bestaan over hetgeen in de donorovereenkomst
is beoogd, zodat deze overeenkomst aan de kant wordt gezet. Ook kunnen er bepaalde
afspraken zijn gemaakt in de donorovereenkomst op het gebied van afstammings-, gezags-
of omgangsrecht die nietig of vernietigbaar zijn, waardoor de donorovereenkomst (gedeeltelijk)
wordt gepasseerd.
Vraag 4
Klopt het dat een donorovereenkomst niet volledig kan uitsluiten dat een rechter later
alsnog omgang of family life aanneemt? Acht u dat voor alleenstaande wensmoeders voldoende
duidelijk voordat zij met een bekende donor in zee gaan?
Antwoord 4
Graag verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 2 en 3.
Het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie (www.donorconceptie.nl), dat wordt gefinancierd door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
informeert wensouders en aspirant-donoren over de juridische aspecten van donorconceptie.
Het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie adviseert wensouders en donoren bovendien
om zich bij het opstellen van de donorovereenkomst te laten begeleiden door een gespecialiseerde
advocaat of notaris, zodat de juridische consequenties van de te maken afspraken uitgelegd
kunnen worden.
Vraag 5
Hoe wordt in dit soort zaken het «belang van het kind» concreet vastgesteld? Kunt
u aangeven welke factoren rechters en de Raad voor de Kinderbescherming daarbij in
de praktijk meewegen?
Antwoord 5
Bij de afweging of bijvoorbeeld omgang in het belang van het kind is, worden door
de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) en door rechters alle omstandigheden
omtrent het kind betrokken.
Vraag 6
Wordt bij de beoordeling van het belang van het kind ook meegewogen of sprake is van
bedreiging, stalking, intimidatie, psychische druk, dwingende controle of andere signalen
die kunnen wijzen op onveiligheid?
Antwoord 6
Uit onderzoek volgt dat het in de huidige praktijk niet vanzelfsprekend is dat de
impact van huiselijk geweld en onveiligheid wordt meegewogen in rechterlijke beslissingen
over zorgregelingen, omgang en gezag.7 De noodzaak om tot verbeteringen te komen is bevestigd door gesprekken met diverse
betrokken organisaties, experts en ervaringsdeskundigen. Immers, het meemaken van
huiselijk geweld en kindermishandeling als slachtoffer of getuige is al ingrijpend.
Wanneer daar vervolgens onvoldoende of geen aandacht voor is in de juridische procedure
is dat onwenselijk en kan zelfs schadelijk zijn. Overigens is gebleken dat dit knelpunt
niet alleen de familierechtelijke procedures betreft, maar ook de jeugd- of strafrechtelijke
procedures. Het is evident dat dit anders moet. Daarom zijn wij samen met de organisaties
aan de slag met het verbetertraject met als doel huiselijk geweld en kindermishandeling
in het familie-, jeugd- en strafrecht beter te onderzoeken, naar voren te brengen
en mee te nemen. Waar voorheen het uitgangspunt vooral was dat contact of omgang met
beide ouders het meest in het belang van het kind was, willen we met de betrokken
partners er naartoe werken dat in die belangenafweging (het risico op) getuige zijn
van huiselijk geweld ook prominent wordt meegewogen. Uw Kamer wordt voor de zomer
in de voortgangsbrief Geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling
geïnformeerd over de voortgang van het verbetertraject.
Vraag 7
Deelt u de opvatting dat onveiligheid van de verzorgende ouder ook kan doorwerken
in de veiligheid en ontwikkeling van het kind, en daarom niet los mag worden gezien
van het belang van het kind?
Antwoord 7
Ja.
Vraag 8
Hoe voorkomt het huidige stelsel dat een juridische procedure over omgang of erkenning
zelf wordt gebruikt als middel van druk, controle of intimidatie richting de moeder?
Antwoord 8
Ik deel de zorg dat juridische procedures gebruikt kunnen worden als middel van druk,
controle en intimidatie. In algemene zin geldt dat, om misbruik van procesrecht te
voorkomen, het noodzakelijk is dat wordt gewaarborgd dat wanneer er onderbouwde vermoedens
zijn of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, waaronder dwingende
controle, dit altijd wordt meegewogen in de familierechtelijke procedure. Daartoe
dient voornoemd verbetertraject. Dit verbetertraject ziet onder meer op het verbinden
van het straf- en civielrecht, het verbeteren van de informatievoorziening aan de
familierechter, kennisbevordering van de betrokken professionals en het ontwikkelen
van een toetsingskader. Uw Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de voortgang
van het verbetertraject.
Daarnaast geldt dat de toegang tot de rechter een grondrecht is, dat vraagt om verantwoord
gebruik. Mogelijk misbruik van sommigen kan moeilijk een rechtvaardiging vormen voor
het beperken van de toegang tot de rechter van allen. Het is aan de wetgever in het
algemeen en de rechter in individuele gevallen om een passend evenwicht te vinden
tussen de verwezenlijking van de procedurele rechten van partijen en de bescherming
tegen misbruik van procedures.
Vraag 9
Hoe verhoudt de aanpak van femicide en psychisch geweld zich tot het familierechtelijke
uitgangspunt dat contact met een ouder of biologische vader in beginsel in het belang
van het kind kan zijn?
Antwoord 9
Graag verwijs ik naar het antwoord op vraag 6.
Vraag 10
Aangezien de Raad voor de Kinderbescherming stelt dat contact met beide ouders alleen
uitgangspunt is «als dat veilig kan»; hoe wordt geborgd dat dit uitgangspunt ook consequent
wordt toegepast bij bekende donoren die geen oorspronkelijke vaderrol zouden hebben?
Antwoord 10
In het onderzoek van de RvdK wordt gekeken naar het belang van het kind enerzijds
om te weten van wie het afstamt en om daarmee contact te mogen hebben, en anderzijds
om veilig op te mogen groeien. Wanneer er sprake lijkt te zijn van signalen van onveiligheid,
is de RvdK terughoudend met hun advies over het laten vastleggen van directe afspraken
ten aanzien van omgang, alvorens hier meer duidelijkheid over ontstaat en er een juiste
afweging gemaakt kan worden tussen het belang van omgang en het belang van veiligheid.
Vraag 11
Beschikt u over cijfers van zaken waarin een donorovereenkomst door de rechter anders
wordt gewogen dan de wensmoeder vooraf mocht verwachten? Zo nee, acht u het wenselijk
hier meer inzicht in te krijgen?
Antwoord 11
Nee, ik beschik niet over dergelijke cijfers. Zoals ik bij het antwoord van vraag
2 en 3 heb aangegeven is een rechterlijke beslissing omkleedt met verschillende voorwaarden,
waarin de donorovereenkomst doorgaans ook wordt meegenomen in de afweging. Op dit
moment zie ik geen aanleiding voor een breder onderzoek.
Vraag 12 en 13
Acht u de huidige informatievoorziening aan alleenstaande wensmoeders en bekende donoren
voldoende duidelijk over de juridische risico’s van donorconceptie met een bekende
donor, waaronder het verschil tussen een donor, een juridische ouder, een erkenner,
een gezaghebbende ouder en iemand met omgangsrecht?
Bent u bereid stappen te zetten om de rechtspositie en rechtszekerheid van alleenstaande
wensmoeders bij gebruik van een bekende donor beter te borgen? Zo ja, op welke wijze
wilt u dat doen, bijvoorbeeld via wetgeving, betere voorlichting, richtlijnen of aanvullende
waarborgen in de beoordeling van omgangs- en erkenningsverzoeken?
Antwoord 12 en 13
Ja, ik acht de huidige informatievoorziening over de juridische risico’s van donorconceptie
aan alleenstaande wensmoeders en bekende donoren voldoende duidelijk. Zoals in de
beantwoording van vraag 4 aangegeven, informeert het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie
(www.donorconceptie.nl) wensouders en aspirant-donoren over de juridische aspecten van donorconceptie. Het
Landelijk Informatiepunt Donorconceptie adviseert wensouders en donoren bovendien
om zich bij het opstellen van de donorovereenkomst te laten begeleiden door een gespecialiseerde
advocaat of notaris, zodat de juridische consequenties van de te maken afspraken uitgelegd
kunnen worden. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft geen rol
bij de inhoud van individuele donorovereenkomsten of andere afspraken die tussen betrokkenen
worden gemaakt of notarieel worden vastgelegd.
Het kabinet ziet op dit moment geen noodzaak om aanvullend beleid of wetgeving te
ontwikkelen voor alleenstaande wensmoeders die gebruikmaken van een bekende donor.
Op donorconceptie.nl is reeds toegankelijke en betrouwbare informatie beschikbaar
over verschillende vormen van donorconceptie, waaronder het gebruik van bekende donoren
door alleenstaande wensmoeders.
Ondertekenaars
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.