Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) op 4 juni 2026
Vragen van het lid Keijzer (Keijzer) aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) op 4 juni 2026 (ingezonden 9 juni 2026).
Antwoord van Minister Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening)
(ontvangen 6 juli 2026).
Vraag 1
Klopt het dat u tijdens het commissiedebat heeft gesteld dat er circa € 7 miljard
beschikbaar is voor onder andere ouderenhuisvesting?
Antwoord 1
Ik heb aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet Jetten van 2029 tot en met
2035 € 7 miljard beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland. Hier
valt ouderenhuisvesting ook onder. Zoals ik ook eerder in debatten richting uw Kamer
heb aangegeven, zijn er veel ambities en dient het bedrag van € 7 miljard verdeeld
te worden. Hier ben ik op dit moment mee bezig. Ik verwacht uw Kamer daar in september
over te informeren.
Vraag 2
Klopt het dat deze middelen onderdeel zijn van een bredere investering in betaalbare
woningbouw en niet specifiek zijn geoormerkt voor ouderenhuisvesting?
Antwoord 2
Het klopt dat de € 7 miljard bedoeld is voor de woningbouwopgave, waar ouderenhuisvesting
ook zeker onderdeel van is. Dat deel van de bouwopgave heeft mijn volle aandacht.
Ik verwijs u terug naar mijn antwoord op vraag 1 voor een nadere toelichting.
Vraag 3
Bent u ervan op de hoogte dat deze middelen pas vanaf 2029 beschikbaar zijn (€ 1 miljard
per jaar in de periode 2029 t/m 2035) en dus slechts beperkt doorwerken richting 2030?
En klopt het dat dit kabinet deze middelen in de budgettaire bijlage feitelijk alleen
t/m 2030 heeft staan en niet verder heeft doorberekend?
Antwoord 3
Ja, daarvan ben ik op de hoogte. Daarbij is het van belang op te merken dat naast
de middelen die vanaf 2029 beschikbaar komen (€ 1 miljard per jaar in de periode 2029–2035),
er ook nog woningbouwmiddelen resteren vanuit het kabinet Schoof in de periode tot
en met 2030. Hiervan staat nog € 420 miljoen gereserveerd voor geclusterde en zorggeschikte
woningen t/m 2030, onder de post «opslagen» binnen de Realisatiestimulans. Deze middelen
zijn beschikbaar voor zowel ouderen als aandachtsgroepen. Ten aanzien van uw tweede
vraag merk ik op dat de budgettaire bijlage zowel een overzicht tot en met 2030, als
een meerjarig overzicht voor de periode 2031–2035 bevat. In dat laatste overzicht
staat de reeks van € 1 miljard per jaar voor betaalbare woningen ook opgenomen.
Vraag 4
Hoe reflecteert u, in het licht van het voorgaande, op uw uitspraken dat er «miljarden
beschikbaar zijn» voor ouderenhuisvesting, terwijl deze middelen grotendeels na 2029
beschikbaar komen?
Antwoord 4
De door mij genoemde «miljarden» zien op de totale woningbouwopgave, waarvan ouderenhuisvesting
onderdeel uitmaakt. Zowel tot en met 2030 als voor de periode tot en met 2035 staan
hier dus middelen voor gereserveerd. Dat zijn de middelen die dit kabinet extra beschikbaar
stelt voor woningbouw (7 * € 1 miljard), aanvullend op de middelen die reeds beschikbaar
zijn gesteld door het vorige kabinet.
Vraag 5
Bent u, gelet op het voorgaande, bereid uw uitspraken over de beschikbaarheid van
«miljarden» voor ouderenhuisvesting te rectificeren en in uw beantwoording helder
en feitelijk uiteen te zetten welke middelen er daadwerkelijk beschikbaar zijn tot
en met 2030? En hoeveel er in totaal beschikbaar is ná 2030 en per jaar?
Antwoord 5
Ik zie geen aanleiding om mijn eerdere uitspraken te rectificeren of terug te nemen.
De door mij genoemde «miljarden» zien op de totale woningbouwopgave, waarvan ouderenhuisvesting
onderdeel uitmaakt en wat mijn volle aandacht heeft.
Voor geclusterde en zorggeschikte woningen is € 420 miljoen beschikbaar in de periode
2027 tot en met 2030 binnen de post «opslagen» van de Realisatiestimulans. Dit bedrag
is inzetbaar voor ouderen en andere aandachtsgroepen. Dit bedrag komt bovenop de reeds
beschikbare gestelde middelen voor de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting
(SOO) en de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW). De middelen voor deze
laatste regeling staan op de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport. In 2026 staan nog tranches open voor deze regelingen voor respectievelijk
€ 40 en € 80 miljoen. Over het mogelijk beschikbaar stellen van middelen voor ouderenhuisvesting
na 2030 dient nog besluitvorming plaats te vinden. Hierover verwacht ik uw Kamer te
informeren in september.
Vraag 6
Klopt het dat het grootste deel van de € 5 miljard voor woningbouw van het vorige
kabinet niet naar ouderenhuisvesting is gegaan, omdat daarvoor een separate ouderenenveloppe
bestond? En zo ja, waarom verwacht u dat de huidige middelen voor betaalbare woningbouw
wél substantieel ten goede zullen komen aan ouderenhuisvesting?
Antwoord 6
Het Kabinet-Schoof heeft middelen gereserveerd voor geclusterde en zorggeschikte woningen
binnen de Realisatiestimulans voor de periode 2027–2030. Het resterende budget bedraagt
€ 420 miljoen euro. Daarnaast heeft het kabinet-Schoof structurele middelen gereserveerd
voor de ouderenzorg op de aanvullende post, oplopend tot € 470 miljoen euro per jaar
vanaf 20301. Het Kabinet-Jetten heeft deze enveloppe van € 470 miljoen geschrapt in het coalitieakkoord.
In het coalitieakkoord is € 7 miljard gereserveerd voor woningbouw in de periode 2029–2035.
Over het mogelijk beschikbaar stellen van deze middelen voor ouderenhuisvesting dient
nog besluitvorming plaats te vinden. Hierover verwacht ik uw Kamer te informeren in
september.
Vraag 7
Waar in de Voorjaarsnota of suppletoire begroting is de genoemde € 80 miljoen voor
de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW) terug te vinden? En indien deze
middelen niet expliciet terug te vinden zijn, hoe verklaart u dit en waarom presenteert
het kabinet dit als reeds geregeld?
Antwoord 7
Voor het scheiden van wonen en zorg in de ouderenzorg zijn transitiemiddelen ter beschikking
gesteld. Van deze transitiemiddelen is voor de periode 2023 t/m 2026 € 312 miljoen
beschikbaar om subsidieaanvragen te kunnen honoreren. De feitelijke uitgaven vinden
in latere jaren plaats. Deze uitgaven verlopen via de begroting van VWS. Voor de ronde
2026 is het budgetplafond vastgesteld op € 80 miljoen2.
Vraag 8
Kunt u toelichten welke financiële reeks u bedoelde in het debat en of dit bijvoorbeeld
de € 40 miljoen voor «versterken wijken en buurten» betreft? En zo ja, hoeveel draagt
dit bij aan de doelstelling van 290.000 woningen?
Antwoord 8
Met de € 40 miljoen verwees ik naar het budget voor de SOO in 2026. Aangevuld met
het budget van € 80 miljoen voor de SZGW in 2026 verwacht ik dat dit voldoende financiële
ondersteuning zal zijn om in de opgave voor ouderenhuisvesting te voorzien in 2026.
Mijn opdracht vanuit het coalitieakkoord is om voldoende nieuwe woonvormen te realiseren
en voor de financiële ondersteuning bij deze opgave maak ik gebruik van de beschikbare
woningbouwmiddelen. Het gaat daarbij dus niet om de beschikbare gestelde € 40 miljoen
voor «versterken wijken en buurten».
Vraag 9
Kunt u bevestigen dat dit kabinet middelen uit de resterende enveloppe voor ouderenzorg
heeft laten vrijvallen en dat deze daarmee niet langer beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting?
En klopt het dat de omvang van deze vrijval in de jaren 2026–2030 in totaal rond de
€ 1 miljard is?
Antwoord 9
Het klopt dat het kabinet de resterende enveloppe voor ouderenzorg heeft laten vrij
vallen. Het gaat daarbij om de volgende reeks:
2027
2028
2029
2030
Structureel
Vrijvallen resterende envelop ouderenzorg1
– 8
– 321
– 320
– 470
– 470
X Noot
1
bedragen in miljoen euro
De benodigde middelen voor de verzorgingshuizen zoals het vorige kabinet die had beoogd,
hingen voor een belangrijk deel samen met het zorgconcept. Het scenario uit het onderzoek
van PwC naar de moderne verzorgingshuizen ging uit van de situatie dat er zorg- en
welzijnspakketten nodig zouden zijn die vergelijkbaar zouden zijn met de oude ZZP
2 en ZZP 3 pakketten. PwC gaf hierbij aan dat «Door te werken volgens de traditionele urennormen zou de zorginzet voor ouderen in
verzorgingshuizen aanzienlijk toenemen, vergeleken met de ondersteuning die zij momenteel
ontvangen. De doelgroep heeft een latente zorgbehoefte, en het is dus ook aannemelijk
dat zij meer zorg en ondersteuning nodig hebben dan zij nu ontvangen. Dit biedt echter
ook een kans om delen van de zorgbehoefte op alternatieve manieren in te vullen, en
goede voorbeelden van werkwijzen die in de tussentijd ontwikkeld zijn integraal mee
te nemen in een «verzorgingshuis nieuwe stijl»». Omdat het vooral gaat om het uitbreiden van de woonvormen die reeds worden gebouwd,
is het de vraag of de zorgvraag per saldo zal toenemen. Een onderdeel van de plannen
was daarnaast om in te zetten op gemeenschapsvorming in woonvormen. De Minister van
Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft daarover al aangegeven dat ze onderzoekt of
gemeenschapsvorming in woonvormen kan worden betrokken bij de aanvullende HLO-afspraken
op grond van het coalitieakkoord. Ten slotte, was een deel van de middelen bestemd
voor de woningbouw. Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Vraag 10
Hoeveel ouderenwoningen kunnen volgens uw eigen ramingen worden gerealiseerd met de
middelen die daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030?
Antwoord 10
Er is reeds subsidie verschaft aan ontmoetingsruimten bij ca. 29.000 geclusterde woningen
voor ouderen (hoofdzakelijk in het betaalbare segment) en voor ca. 7866 zorggeschikte
woningen (in de sociale huur) subsidie aangevraagd. In 2026 zijn de regelingen SOO
en SZGW opnieuw opengezet voor in totaal € 120 miljoen waarmee middelen beschikbaar
zijn om geclusterde woningen en zorggeschikte woningen voor ouderen van subsidie te
kunnen voorzien. Ik verwacht met de beschikbare middelen in 2027 tot en met 2030 een
bijdrage te kunnen leveren aan een groot aantal extra geclusterde en zorggeschikte
woningen voor ouderen en aandachtsgroepen, waarvan het grootste gedeelte voor ouderen
zal worden ingezet. Een exacte raming kan ik in dit stadium niet geven, omdat ik nog
uitwerk via welke regelingen deze middelen worden besteed. Ik verwacht uw Kamer hier
verder over te informeren in september.
Vraag 11
Hoe verhouden de structurele middelen van dit kabinet zich tot de structurele middelen
uit het vorige kabinet? En hoe verhoudt dit aantal zich tot de verwachte realisatie
op basis van de middelen van het vorige kabinet?
Antwoord 11
Dit kabinet heeft, net als het vorige kabinet, geen structurele middelen beschikbaar
gesteld voor de woningbouwopgave, maar heeft wel middelen ingezet om de woningbouw
tot en met 2035 te ondersteunen. Het is aan een volgend kabinet om te bezien in welke
mate financiële ondersteuning na 2035 nodig is. Voor het inzicht in de beschikbare
middelen en de realisaties die hiermee ondersteund worden verwijs ik u verder naar
de antwoorden op vraag 3 en 10.
Vraag 12
Klopt het dat de huidige realisatiegraad aanzienlijk achterblijft bij de benodigde
jaarlijkse productie om de doelstelling te halen? In hoeverre acht u het realistisch
dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen in 2030 wordt gehaald gezien de huidige
voortgang en financiële kaders van dit kabinet?
Antwoord 12
Ik heb uw Kamer een voortgangsbrief ouderenhuisvesting gestuurd, waar ik inga op de
doelstelling van 290.000 ouderenwoningen. Ook ga ik in deze brief in op de knelpunten
die ik zie bij de realisatie van deze opgave, en geef ik een overzicht van hoe ik
werk aan bijpassende financiële ondersteuning.
Vraag 13
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage
te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting uit het coalitieakkoord, de
vorige en huidige begrotingen en de suppletoire begrotingen integraal en inzichtelijk
worden gemaakt, inclusief tijdpad en bestemming tot en met 2030?
Antwoord 13
Ja, ik zal bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een dergelijke bijlage
bijvoegen. De bijlage is in hoofdopzet reeds gereed, alleen het kasritme dient nog
te worden afgestemd met de meest actuele begroting, zodat deze in lijn wordt gebracht
met de geldende begrotingssystematiek en de uitwerking van de betreffende subsidieregelingen.
Vraag 14
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken te beantwoorden?
Antwoord 14
Ja.
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.