Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de documentaire Streaming Hell DEF
34 843 Seksuele intimidatie en geweld
31 015
Kindermishandeling
Nr. 134 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 3 juli 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de documentaire «Streaming
Hell».
De vragen en opmerkingen zijn op 17 april 2026 aan de Minister van Justitie en Veiligheid
voorgelegd. Bij brief van 3 juli 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Eerdmans
Adjunct-griffier van de commissie, Meijer
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de Minister
1. Vragen en opmerkingen vanuit de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de documentaire
«Streaming hell», waarin seksueel misbruik van Filipijnse kinderen via livestreams
centraal staat, bekeken door een groep Nederlandse mannen (hierna: de documentaire).
Deze leden maken zich ernstige zorgen over de toename van online seksueel misbruik
en de wijze waarop digitale technologieën en het internet nieuwe vormen van seksueel
misbruik faciliteren.
1. Deze leden verzoeken de Minister uiteen te zetten welke concrete maatregelen momenteel
worden genomen om deze groeiende vorm van online seksueel misbruik tegen te gaan.
Transnationaal seksueel kindermisbruik (hierna: TSK) is een wijdverbreid en grensoverschrijdend
probleem dat diepe sporen nalaat in het leven van vele kinderen wereldwijd. TSK wordt
gedefinieerd als «het plegen van of op enigerlei wijze medewerking verlenen aan seksueel
geweld tegen kinderen in een buitenland, al dan niet door het slachtoffer en/of facilitators
hiervoor geld of goederen te geven of te beloven». Het gaat om zeer ernstige seksuele
misdrijven, zoals aanranding en verkrachting van kinderen, en het vervaardigen van
beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Het kan daarbij gaan om hands-on misbruik
en online misbruik.
Hands-on TSK (voorheen ook wel «kindersekstoerisme»1 genoemd) verwijst naar fysiek seksueel kindermisbruik dat wordt gepleegd in een land
buiten Nederland. Online TSK houdt in dat een pleger vanuit het thuisland virtueel
deelneemt aan seksueel kindermisbruik dat in het buitenland plaatsvindt, bijvoorbeeld
via livestreams. Het onderscheid met het online downloaden of uitwisselen van seksueel
kindermisbruikmateriaal is het «live» karakter: tijdens livestreams wordt seksueel
kindermisbruikmateriaal vervaardigd en live via het internet verspreid. Deelnemers
kunnen, tegen betaling, vooraf of tijdens de sessie aangeven welke seksuele handelingen
zij in beeld gebracht willen zien.
Online seksueel kindermisbruik, zoals seksueel kindermisbruik via livestreams en andere
vormen van online TSK, is een grensoverschrijdend probleem en vergt een integrale
aanpak. Deze aanpak omvat zowel de strafrechtelijke als de bestuursrechtelijke aanpak,
alsmede de inzet op preventie en bewustwording, zowel voor (potentiële) slachtoffers
als voor daders.
In het kader van de preventie van misbruik en het verwijderen van materiaal online
geeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) subsidie aan Offlimits, specifiek
het meldpunt, de hulplijn en de preventielijn. Deze meldpunten ondersteunen slachtoffers
van online seksueel misbruik, versturen voor materiaal van seksueel misbruik en andere
illegale content verwijderverzoeken aan internettussenpersonen en bieden steun aan
mensen, of hun omgeving, die zich zorgen maken over hun gevoelens richting minderjarigen.
De bestuursrechtelijke aanpak wordt vormgegeven door de op 1 juli 2024 in werking
getreden Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal. Deze
Wet regelt onder meer de bevoegdheid voor de opgerichte Autoriteit online Terroristisch
en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) om aanbieders van communicatiediensten
gevestigd in Nederland te verplichten online kinderpornografisch materiaal ontoegankelijk
te maken of te verwijderen en bestuursrechtelijk te handhaven wanneer zij dat niet
doen.
Het strafrecht vormt het sluitstuk van de aanpak. De aanpak van online seksueel kindermisbruik
is als thema opgenomen in de huidige Veiligheidsagenda en zal ook deel uitmaken van
de Veiligheidsagenda 2027–2030. In de Veiligheidsagenda worden de landelijke beleidsdoelstellingen
voor de taakuitvoering van de politie eens per vier jaar vastgesteld. Daarmee blijft
het een prioriteit voor de opsporing.
De opsporing van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik en TSK is binnen de politie
belegd bij de Teams Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (TBKK’s).
Vanwege de enorme groei van het aantal meldingen en de toegenomen complexiteit van
onderzoeken zijn er de afgelopen jaren diverse investeringen gedaan in de aanpak van
online seksueel kindermisbruik (waaronder TSK). Als gevolg hiervan zijn de TBKK’s
met 26 fte uitgebreid naar een totale formatie van 186 fte medio 2026.
Een belangrijk instrument van de politie bij de aanpak van TSK, waaronder seksueel
kindermisbruik via livestreams, is de inzet van politie Liaison Officers (LO’s) en
Flexibel Inzetbare Liaison Officers (FILO’s) in het buitenland. Zij ondersteunen de
internationale samenwerking en bemiddelen bij de uitvoering van Nederlandse politieonderzoeken
(in samenspraak met het OM en het Ministerie van JenV2) en justitiële rechtshulpverzoeken. Voor de aanpak van TSK is de functie van FILO
TSK in 2021 vervangen door een thematische Liaison Officer, werkzaam binnen het Philippine
Internet Crimes Against Children Center (PICACC). Dit samenwerkingsverband richt zich
specifiek op de bestrijding van livestreaming van seksueel kindermisbruik in de Filipijnen.
Voorts vindt op Europees niveau tweeledige inzet plaats door middel van de herziening
van de «CSA-Richtlijn» (Richtlijn betreffende de aanpak van seksueel kindermisbruik,
seksuele uitbuiting van kinderen en materiaal van seksueel misbruik van kinderen)
en de «CSAM-Verordening» (Verordening betreffende voorschriften ter voorkoming en
bestrijding van seksueel kindermisbruik).
2. Welke opsporingsbevoegdheden en instrumenten staan de politie en het Openbaar Ministerie
(OM) ter beschikking bij de aanpak van misbruik via livestreams? In hoeverre acht
de Minister deze middelen toereikend, mede gelet op de ontwikkelingen op dit terrein?
Binnen de politie zijn de TBKK’s belast met de opsporing van beeldmateriaal van seksueel
kindermisbruik en TSK. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) beschikt over gespecialiseerde
officieren van justitie die zich bezighouden met seksuele misdrijven. Bij de arrondissementsparketten
worden zaken van seksueel kindermisbruik opgepakt door de daartoe opgeleide officieren.
Bij het Landelijk Parket is een team van gespecialiseerde officieren specifiek gericht
op de aanpak van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik en TSK.
Bij de aanpak van TSK, en dus ook seksueel kindermisbruik via livestreams, staan de
politie en het OM de reguliere opsporingsbevoegdheden en instrumenten uit het Wetboek
van Strafvordering ter beschikking. Deze opsporingsbevoegdheden mogen alleen worden
toegepast als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Onder meer is vereist
dat sprake is van een verdenking van een misdrijf. Opsporingsbevoegdheden mogen niet
worden toegepast met de uitsluitende bedoeling om de informatiepositie van de politie
te verbeteren.
Zoals beschreven in de beleidsreactie op het WODC-rapport «Risicotaxatie bij plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik»,3 zijn er geluiden uit de praktijk bij het OM en de politie dat de verdenkingscriteria
die in het Wetboek van Strafvordering zijn gekoppeld aan de inzet van bevoegdheden,
ervoor zorgen dat deze bevoegdheden onvoldoende mogelijkheden bieden om signalen van
TSK-misdrijven nader te duiden en op te werken tot een concrete verdenking. Als van
een verdenking nog geen sprake is, dan kunnen deze bevoegdheden in deze context niet
worden uitgeoefend. In de beleidsreactie is aangekondigd dat ik daarom met het OM
en de politie in gesprek zal gaan over de toepassingsmogelijkheden van bepaalde bijzondere
opsporingsbevoegdheden in geval van TSK-feiten in een vroeger stadium.
Daarnaast is de inzet van politie LO’s (zoals omschreven bij vraag 1) een belangrijk
instrument in de aanpak van seksueel kindermisbruik via livestreams. In het bijzonder
de stationering van een thematische politie LO in de Filipijnen die specifiek werkt
aan de bestrijding van livestreaming van seksueel kindermisbruik is hierin van grote
waarde.
De leden van de D66-fractie spreken bijzondere waardering uit voor voortvarende en
effectieve samenwerking en informatie-uitwisseling die plaatsvindt tussen Nederlandse
en Filipijnse instanties. Tegelijkertijd zijn deze leden zich ervan bewust dat dergelijk
online seksueel misbruik zich mogelijk niet beperkt tot de Filipijnen en in méér landen
plaatsvindt.
3. Deze leden vragen de Minister toe te lichten op welke wijze internationale samenwerking
met andere landen op dit moment is vormgegeven. Wordt actief ingezet op het versterken
of opzetten van samenwerkingsrelaties met landen waar vergelijkbare problematiek speelt?
De samenwerking tussen Nederland en internationale partners is van groot belang voor
de aanpak van online seksueel kindermisbruik en transnationaal seksueel kindermisbruik
in het bijzonder. Nederland werkt intensief samen met verschillende autoriteiten en
organisaties om informatie-uitwisseling, opsporing en verwijdering van illegaal materiaal
te versterken.
De Nederlandse politie zet zich – in samenwerking met andere landen – met name in
op het aanpakken van potentiële daders van dit fenomeen omdat het daarbij gaat om
(potentiële) Nederlandse plegers. Internationaal is de Nederlandse politie vertegenwoordigd
in verschillende samenwerkingsverbanden waaronder het eerdergenoemde PICACC-samenwerkingsverband,4 als ook onder de vlag van EMPACT5 (onderdeel van Europol) en binnen de door Homeland Security Investigations (hierna:
HSI) gecoördineerde «Operation Pharos».6 Bovendien is de politie ook aangesloten bij de «We Protect Global Alliance» en de
«Virtual Global Taskforce». Zo vindt er actieve samenwerking plaats tussen de politiediensten
van een groot aantal westerse landen die actief zijn in de bestrijding van livestreaming.
Aanvullend op de bovenstaande samenwerkingsverbanden kan Eurojust de juridische samenwerking
tussen lidstaten faciliteren, waardoor grensoverschrijdende strafzaken efficiënter
kunnen worden afgehandeld en activiteiten van nationale autoriteiten beter op elkaar
kunnen worden afgestemd.
Een voorbeeld van een succesvolle internationale samenwerking is «operatie Cumberland»,
die begin 2025 werd afgerond. Operatie Cumberland werd gecoördineerd door Europol
en was specifiek gericht op AI-gegenereerd beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
De actie leidde tot de aanhouding van 25 verdachten in 19 landen, waaronder enkele
in Nederland. De Nederlandse politie speelde hierbij een actieve rol.
Het eerdergenoemde meldpunt van Offlimits is onderdeel van het INHOPE-netwerk, een
internationale organisatie van meer dan vijftig meldpunten wereldwijd voor online
seksueel kindermisbruik. Meldingen van beeldmateriaal kunnen via dit netwerk direct
worden doorgestuurd naar de bevoegde autoriteiten in het betreffende land, wat de
verwijdering van illegale content aanzienlijk versnelt.
Tot slot vormt de National Centre for Missing and Exploited Children (hierna: NCMEC)
een belangrijke bron voor meldingen van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
NCMEC is een Amerikaanse non-gouvernementele organisatie (ngo), gericht op onder andere
het bestrijden van seksueel Kindermisbruik, die nauw samenwerkt met internationale
opsporingsorganisaties zoals de FBI. Via de Cybertipline van NCMEC kunnen burgers
en bedrijven melding maken van beeldmateriaal van uitbuiting en misbruik. Wanneer
een melding dusdanig serieus is, kan NCMEC besluiten aanvullend onderzoek te doen
om de opsporingsdiensten te ondersteunen of de melding door te zetten naar lokale
politieautoriteiten.7
De leden van de D66-fractie signaleren de grote druk waaronder zedenrechercheurs opereren.
Zij constateren dat de werkzaamheden niet alleen intensief, maar ook psychisch zwaar
zijn en dat al geruime tijd sprake is van een personeelstekort.
4. Deze leden verzoeken de Minister aan te geven welke maatregelen de afgelopen jaren
zijn genomen om de zedenrecherche te ondersteunen, zowel op mankracht als op voorzieningen
ter ondersteuning van de mentale gezondheid en nazorg van zedenrechercheurs.
De formatie van de teams opsporing seksuele misdrijven is de afgelopen jaren flink
uitgebreid om de werkvoorraden terug te dringen en de verwachte stijging van het aantal
meldingen en aangiften als gevolg van de invoering van de Wet seksuele misdrijven
op 1 juli 2024 te kunnen opvangen. Ook dit kabinet heeft in de uitwerking van het
coalitieakkoord aangegeven een impuls te geven aan de aanpak van online seksueel misbruik
binnen de politie. In de beleidsbrief van Ministerie van JenV over de nadere uitwerking
van het coalitieakkoord is de Kamer geïnformeerd over de investeringen in de aanpak
van online criminaliteit en online seksueel misbruik. Deze investeringen worden momenteel
met de gezagen uitgewerkt.8 Ik zal uw Kamer bij de presentatie van de JenV-ontwerpbegroting (Prinsjesdag) informeren
over hoe de middelen voor de politie precies worden besteed.
Het blijft een uitdaging om de bezetting van de teams opsporing seksuele misdrijven
op peil te houden, vanwege de verwachte pensioenuitstroom (relatief veel ervaren politiemedewerkers
stromen uit) en de krappe arbeidsmarkt. De politie werkt voortdurend aan de werving
en selectie van zedenrechercheurs en zoekt hierbij ook naar alternatieve mogelijkheden,
zoals de instroom van specialistische zij-instromers met kennis van (online) seksuele
misdrijven. Het is echter onvermijdelijk dat er gezien de druk op de teams opsporing
seksuele misdrijven keuzes gemaakt moeten worden ten aanzien van de inzet van de beschikbare
opsporingscapaciteit.
Politiemedewerkers worden in hun werk geconfronteerd met ingrijpende incidenten, in
het bijzonder degenen die zich dagelijks inzetten voor de bestrijding van beeldmateriaal
van seksueel kindermisbruik, zoals de medewerkers van de TBKK’s. Bovendien is het
aangetroffen beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik in toenemende mate ernstiger
en schokkender, wat een zwaardere werklast met zich meebrengt. De politieorganisatie
werkt hard aan het voorkomen van mentale klachten onder het personeel, onder andere
door het aanbod van professionele, psychosociale hulp voor politiemedewerkers en het
trainen van leidinggevenden in het in een vroeg stadium herkennen van signalen van
psychosociale problemen. Ook is er bijzondere aandacht voor medewerkers die geconfronteerd
worden met impactvol beeldmateriaal, voor hen is extra zorg en bestaat een korpsbreed-project
waarbij aandacht is voor zowel de inrichting van werkplekken als een beleid rondom
gezond werken.
Binnen het korps kan politiepersoneel laagdrempelig gebruik maken van «mentale check-ups»,
waarin de weerbaarheid van de medewerker in kaart wordt gebracht aan de hand van een
gesprek van ongeveer een uur met een psycholoog. Voor medewerkers van de TBKK’s geldt
dat deze mentale check-ups jaarlijks standaard dienen te worden afgelegd. Ook wordt
politiepersoneel de leermodule «Training Mentale weerbaarheid voor politiemensen»
aangeboden waarin politiemedewerkers leren om op een systematische manier mentale
en emotionele kracht op te bouwen.
De leden van de D66-fractie merken op dat in de documentaire wordt aangegeven dat
strafrechtelijke vervolging van Nederlandse mannen die deelnemen aan dergelijke livestreams
complex kan zijn, onder meer omdat zij zich niet fysiek op de plaats van het misbruik
bevinden en op afstand instructies geven.
5. Deze leden vragen de Minister dan ook te reflecteren op de huidige mogelijkheden
tot vervolging van deelname aan deze livestreams en vragen hem toe te lichten of de
huidige wet- en regelgeving voldoende is ingebed op nieuwe grensoverschrijdende vormen
van online seksueel misbruik.
Online seksueel misbruik is net als offline seksueel misbruik strafbaar. Fysieke aanwezigheid
op de plaats van het misbruik is voor strafbaarheid niet vereist.
Sinds de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven zijn er betere mogelijkheden
om online seksueel kindermisbruik, onder meer via livestreams, te vervolgen. In gevallen
waarin handelingen aan of met het lichaam van een slachtoffer worden verricht zonder
dat sprake is van fysiek seksueel contact tussen dader en slachtoffer, kan dit strafbaar
zijn op grond van verschillende bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht. Via bijvoorbeeld
een webcam kunnen personen worden gedwongen tot het verrichten van seksuele handelingen
aan of met het eigen lichaam of dat van een ander. Als van een kind op afstand wordt
verlangd dat hij of zij seksuele handelingen verricht met of aan het eigen lichaam
of met een derde, of dat het kind seksuele handelingen door een derde ondergaat wordt,
net als bij fysiek seksueel contact, inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele
integriteit van het slachtoffer en kan er sprake van aanranding of verkrachting (artikel
245 tot en met 250 in samenhang met artikel 239 Sr).
Daarnaast is het bijwonen van een kinderpornografische voorstelling strafbaar op grond
van artikel 253 Sr. Onder een voorstelling wordt mede verstaan een live voorstelling
bestemd voor een publiek. Daarbij kan het zowel gaan om een vertoning van live seksueel
misbruik als om een vertoning van beeldmateriaal met kinderpornografische inhoud.
Het bijwonen van een dergelijke voorstelling kan zowel fysiek als digitaal, op afstand,
plaatsvinden.
De leden van de D66-fractie delen de mening dat online organisaties, techbedrijven
en financiële instellingen ook een verantwoordelijkheid dragen in het tegengaan van
online seksueel misbruik.
6. Deze leden vragen de Minister dan ook in te gaan op de mogelijkheden om deze bedrijven
aan te spreken op hun verantwoordelijkheid wanneer hun diensten worden gebruikt voor
dergelijke praktijken. Acht de Minister het huidige toezicht en handhaving ten aanzien
van deze actoren toereikend? Welke aanvullende maatregelen zijn volgens de Minister
mogelijk?
Het kabinet deelt de opvatting van deze leden dat online platforms en techbedrijven
een belangrijke verantwoordelijkheid dragen bij het tegengaan van online seksueel
kindermisbruik.
Op Europees niveau wordt daarom al meerdere jaren onderhandeld over een uitgebreid
stelsel van maatregelen waarmee aanbieders van interpersoonlijke communicatiediensten
en hostingdiensten worden verplicht risico’s op de verspreiding van dergelijk materiaal
tegen te gaan en onderkend materiaal snel te verwijderen. De onderhandelingen over
deze «CSAM-verordening» verlopen echter al geruime tijd moeizaam. De posities van
de lidstaten, het Europees Parlement en de Europese Commissie liggen op belangrijke
onderdelen nog ver uiteen. In afwachting van een definitief Europees kader bood de
tijdelijke interim-derogatie op de ePrivacy-richtlijn aanbieders van interpersoonlijke
communicatiediensten de mogelijkheid om vrijwillig maatregelen te nemen, zoals het
detecteren, rapporteren en verwijderen van materiaal van seksueel kindermisbruik.
Vrijwillige detectie speelt een essentiële rol in de huidige Nederlandse aanpak van
online seksueel kindermisbruik.
Het kabinet heeft zich daarom ingezet voor verlenging van deze tijdelijke regeling.
Daarbij heeft het kabinet steeds benadrukt dat de aanpak van online seksueel kindermisbruik
effectief moet zijn, maar ook proportioneel en met waarborgen voor grondrechten. Nederland
heeft zich in dat kader kritisch opgesteld ten aanzien van het inzetten van technologie
voor het detecteren van onbekend materiaal of het opsporen van grooming. Het kabinet
moedigt bedrijven wel aan om proportionele en effectieve maatregelen te nemen om de
verspreiding van onbekend materiaal en grooming te voorkomen.
Vorige maand is het de Europese Commissie, het Europees Parlement en de Raad echter
niet gelukt om overeenstemming te bereiken over een nieuwe verlenging van de interim-derogatie.
Het kabinet betreurt deze uitkomst ten zeerste. Als gevolg hiervan is de tijdelijke
juridische basis voor vormen van detectie vervallen. Hierdoor ontstaat onduidelijkheid
over de juridische grondslag voor vrijwillige detectie door aanbieders van interpersoonlijke
communicatiediensten, terwijl de noodzaak om kinderen te beschermen tegen online seksueel
kindermisbruik evident blijft. Het kabinet acht dit onwenselijk.
Het risico bestaat dat hierdoor minder materiaal wordt opgespoord en verwijderd, met
als gevolg dat slachtoffers langer of vaker geconfronteerd worden met de verspreiding
van misbruikmateriaal. Ook kan het moeilijker worden om kinderen effectief te beschermen
tegen blootstelling aan schadelijke content. De precieze gevolgen zijn op dit moment
nog moeilijk volledig te overzien, mede omdat nog niet duidelijk is in hoeverre aanbieders
gebruik zullen blijven maken van andere mogelijke juridische grondslagen.
Het kabinet zal zich blijven inzetten om te komen tot een effectief en slagvaardig
Europees kader voor de aanpak van online seksueel kindermisbruik.
Daarnaast blijft het kabinet inzetten op publiek-private samenwerking en een goede
toepassing van bestaande wet- en regelgeving zoals de Digitaledienstenverordening
(of ook wel: Digital Services Act (hierna: DSA)). De DSA legt zorgvuldigheidsverplichtingen
en verantwoordelijkheden op aan tussenhandeldiensten zoals hostingdiensten en online
platforms. Onder de DSA zijn hostingdiensten en online platforms gehouden om illegale
content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij hier kennis van hebben.
Laten zij dat na, dan kunnen zij zich niet beroepen op de aansprakelijkheidsbeperking
die zij in beginsel genieten. De DSA voorziet in meerdere toezichts- en handhavingsmogelijkheden.
Het kabinet volgt daarom met belangstelling de werkzaamheden van de Nederlandse digitaledienstencoördinator,
de Autoriteit Consument en Markt (ACM), en andere Europese toezichthouders onder de
DSA.
Een relevante ontwikkeling op EU-niveau is verder dat onlangs, in het kader van de
Omnibus AI, een akkoord is bereikt over een bestuursrechtelijk verbod op het in de
handel brengen, het in gebruik stellen of het gebruik van een AI-systeem dat materiaal
van seksueel kindermisbruik of naaktbeelden zonder toestemming genereert of bewerkt.
Dit verbod gaat in december in en omdat het hier gaat om een verordening is deze op
dat moment direct van toepassing binnen de gehele Europese Unie. Nederland is actief
betrokken geweest bij en heeft bijgedragen aan de onderhandelingen voorafgaand aan
dit akkoord. Het toezicht op het verbod in Nederland zal in nationale uitvoeringswetgeving
nader uitgewerkt moeten worden. Dit pakt het kabinet op in het lopende proces van
de uitvoeringswet.
2. Vragen en opmerkingen vanuit de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben de documentaire bekeken. Zij zijn diep
verontrust over de bevindingen van de rapportagemakers en uiten hun waardering voor
de reddingswerkers. Over de aanpak van internationaal online seksueel kindermisbruik
hebben zij vragen aan de Minister.
7. Ten eerste vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie welk specifiek beleid
het kabinet nu voert om online seksueel kindermisbruik via livestreaming te bestrijden.
Welke acties voert het kabinet uit en welke organisaties financiert of ondersteunt
het kabinet die slachtoffers helpen, misdrijven voorkomen en daders oppakken?
Voor het antwoord op de vraag welk specifiek beleid het kabinet nu voert om online
seksueel kindermisbruik via livestreaming te bestrijden en daders op te pakken, verwijs
ik u naar het antwoord op vraag 1.
Daarnaast speelt stichting Offlimits een belangrijke rol in de preventie van daderschap
van seksueel kindermisbruik in Nederland. De preventielijn van Offlimits biedt met
een telefonische hulplijn en een chat anoniem, vertrouwelijk én gratis ondersteuning
voor iedereen die zich zorgen maakt over zijn gedrag tegenover minderjarigen. Dit
betreft onder meer situaties waarin men worstelt met het bekijken van beeldmateriaal
van seksueel kindermisbruik of de angst heeft zelf fysiek seksueel grensoverschrijdend
gedrag te vertonen jegens kinderen. Tevens kunnen ook derden, zoals familieleden,
vrienden of professionals, die zich zorgen maken over iemand in hun omgeving, contact
opnemen met de preventielijn van Offlimits. Gezien de hoge prevalentie van daders,
zoals blijkt uit het WODC-rapport «Risicotaxatie bij plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik», is preventie onmisbaar.9 Naar aanleiding hiervan heeft stichting Offlimits voor hun preventielijn een campagne
uitgebracht specifiek gericht op reizigers. Hoewel de preventielijn wel te maken krijgt
met plegers van TSK als hulpvragers en ook met reisleiders die zorgwekkende signalen
hebben gezien en hierover advies willen, is de groep die contact opneemt vanwege TSK
klein. De preventielijn van Offlimits hoopt daarom met deze campagne de groep beter
te kunnen bereiken. In de campagne worden mensen gewezen op de strafbaarheid van dit
gedrag en op de mogelijkheid van preventieve hulp. Ook wordt voor het melden van signalen
van TSK doorverwezen naar het aan «Don’t Look Away» gekoppelde meldpunt van Defence
for Children – ECPAT. Offlimits wordt jaarlijks gesubsidieerd door het Ministerie
van JenV.
De organisatie Defence for Children – ECPAT dat mede door het Ministerie van JenV
gefinancierd wordt, zet zich onvermoeibaar in tegen seksuele uitbuiting van kinderen.
Het werk van de organisatie omvat onder meer de ontwikkeling van samenwerkingsverbanden,
bijvoorbeeld met reisorganisaties en TSK-professionals, het vergroten van het bereik
van het eerder ontwikkelde barrièremodel10 op TSK en het verzorgen van trainingen voor de reisbranche. Zij stimuleert actief
de bewustwording onder Nederlandse reizigers over deze problematiek, onder andere
via de «Don’t Look Away» campagne en het daaraan gekoppelde meldpunt. De social media
campagne «Don't Look Away» heeft in de zomer van 2025 een aanzienlijk bereik gerealiseerd,
inclusief doorklikken naar de website waar bezoekers hun kennis kunnen testen over
het melden van kindermisbruik door middel van een quiz op dontlookaway.nl. De campagne
richt zich primair op het vergroten van de bewustwording rond het melden van kindermisbruik.
Ook deze zomer zal de Don’t look away-campagne lopen tijdens de gehele zomervakantieperiode.
Om nog meer impact te maken dan voorgaande jaren wordt de campagne dit jaar ondersteund
met speciaal met AI-gegenereerde video’s.
8. Deze leden vragen de Minister te beschrijven hoe groot het Team Bestrijding Kinderporno
en Kindersekstoerisme (TBKK) van de politie momenteel is, en toe te lichten of er
genoeg capaciteit is om tijdig en effectief op alle meldingen van online seksueel
kindermisbruik te reageren.
De afgelopen jaren is de formatie van de Teams Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme
(TBKK) met 26 fte uitgebreid als gevolg van diverse investeringen in de aanpak van
online seksueel kindermisbruik (waaronder TSK) tot een totale formatie van 186 fte
medio 2026. Hoewel de politie voortdurend werkt aan zowel de werving en selectie van
politiemedewerkers als het behoud van politiepersoneel, is er sprake van een structurele
onderbezetting binnen deze teams van ongeveer 20%.
Ook dit kabinet heeft in de uitwerking van het coalitieakkoord aangegeven de politie
een impuls te zullen geven aan de aanpak van online seksueel misbruik. Deze investering
is nodig vanwege de groei van het aantal meldingen van online seksueel kindermisbruik
bij de politie en daarmee de toenemende data en complexiteit van opsporingsonderzoeken,
onder meer door AI en end-to-end encryptie. De hoeveelheid meldingen blijft dan ook
groter dan de beschikbare politiecapaciteit, waardoor prioritering van de opsporingscapaciteit
noodzakelijk is. Hierbij geldt dat de hoogste prioriteit wordt gegeven aan zaken waar
het maatschappelijk effect het grootst is, dat wil zeggen wanneer slachtoffers ontzet
worden uit acute misbruiksituaties, zowel nationaal als internationaal. Verder zijn
TSK-zaken in hun aard complex en tijdrovend, mede omdat zij vaak zonder direct bewijsmateriaal
beginnen. In het geval van livestreaming komt daar als aanvullende moeilijkheid bij
dat het misbruik zich live afspeelt, en de beelden van het misbruik dus verdwijnen. Dit maakt dat TSK-zaken
vaak veel capaciteit (en specialisme) verlangen, waardoor de praktijk leert dat de
politie-inzet zich meer richt op het opsporen van Nederlandse slachtoffers.
Volgens deze leden moet de zedenpolitie en het specialistische team volledig zijn
uitgerust om elke melding tijdig en effectief op te pakken.
9. Indien dit niet het geval is, vragen deze leden om inzichtelijk te maken welke
aanvullende middelen en/of capaciteit nodig is zodat dit wél het geval is.
De toenemende digitalisering, het groeiende gebruik van internet en sociale media
en technologische ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat seksueel misbruik van kinderen
grotendeels verplaatst is naar de online omgeving. Dit heeft niet alleen geleid tot
een toename van de hoeveelheid en beschikbaarheid van het beeldmateriaal, maar ook
dat de verspreiding van dit beeldmateriaal gemakkelijker, sneller en massaler is geworden.
Zoals bij de vorige vraag is aangegeven, leidt dit ook tot een enorme groei van het
aantal meldingen van online seksueel kindermisbruik bij de politie. De opsporingsonderzoeken
bevatten grote hoeveelheden data en zijn vaak complex (onder meer als gevolg van de
toepassing van AI en end-to-end encryptie). Deze ontwikkeling leidt tot andere typen
zaken, vaak met veel slachtoffers per zaak.
De hoeveelheid beeldmateriaal blijft dan ook groter dan de beschikbare politiecapaciteit,
waardoor prioritering van de opsporingscapaciteit onder het gezag van het OM noodzakelijk
zal blijven. Deze noodzaak ziet men overigens terug binnen de gehele opsporing.
Bovendien benadrukt de politie dat online seksuele misdrijven een andere manier van
opsporen vragen dan fysieke seksuele misdrijven, omdat de opsporing ervan per definitie
regio-overstijgend is, waarbij veelal de verdachte nog niet in beeld is en er vaak
meerdere slachtoffers gemaakt worden. Omdat bewijsverzameling vaker plaatsvindt in
de digitale context vraagt dit bovendien niet uitsluitend om meer capaciteit maar
ook om andere specialisten, zoals digitaal specialisten, tactisch rechercheurs en
analisten. Daarnaast kan de inzet van nieuwe technologische middelen helpen bij het
in kaart brengen van eventuele seriematigheid in de meldingen. De politie ziet dan
ook kansen in het meer multidisciplinair gaan werken, dat wil zeggen meer datagedreven
en intel-gestuurd en met behulp van analysetools. Tegelijkertijd blijft de professionele
beoordeling van meldingen van seksuele misdrijven door gespecialiseerde politiemedewerkers
altijd van groot belang.
10. Kan de Minister eveneens bij hulporganisaties, zoals Offlimits en de Nationaal
Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen, een actueel advies opvragen
over wat er nodig is om deze vorm van misbruik effectief aan te pakken?
Ik heb zowel Offlimits als de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld
tegen Kinderen om een actueel advies gevraagd. Voor hun reacties verwijs ik u naar
bijlagen 1 en 2 bij dit verslag.
Ten tweede vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hoe goed de Minister de
Nederlandse daders in beeld heeft. Volgens onderzoek uit 2025 van het Nederlands Studiecentrum
Criminaliteit en Rechtshandhaving heeft naar schatting 2,3 procent van de Nederlandse
mannen zich ooit schuldig gemaakt aan het kijken van livestreams van online kindermisbruik.
11. Hoe duidt de Minister dit hoge aantal?
Op 1 juli 2025 is het onderzoeksrapport «Risicotaxatie bij plegers van transnationaal
seksueel kindermisbruik» aan uw Kamer aangeboden.11 Het onderzoek, uitgevoerd in opdracht van het WODC, richtte zich op de risicotaxatie
van plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik. Op 13 april 2026 heb ik mijn
beleidsreactie op dit onderzoeksrapport gegeven.12
Uit dit onderzoeksrapport blijkt dat 2,3% van de ondervraagde mannen aangeeft ooit
te hebben deelgenomen aan livestreams met minderjarigen die seksuele handelingen verrichten.
De totale groep TSK-plegers (hands-on en/of online) wordt in het onderzoek geschat
op 3,1% van de gehele steekproef. Op basis hiervan schatten de onderzoekers dat het
totaal aantal volwassen Nederlandse mannen dat zich ooit schuldig heeft gemaakt aan
enige vorm van TSK op circa 225.000 personen.
Deze onderzoeksresultaten zijn schokkend en zeer zorgwekkend. Tegelijkertijd is het
van groot belang dat kennis en inzicht worden vergroot over TSK-plegers. Te meer omdat,
volgens de onderzoekers, een groot deel van dit type criminaliteit zich afspeelt buiten
het gezichtsveld van politie en justitie. Ook bij de reclassering, behandelaars en
rapporteurs komen TSK-plegers volgens het onderzoeksrapport niet tot nauwelijks in
beeld. Om optimaal gebruik te kunnen maken van beschikbare juridische instrumenten
om het plegen van TSK te bemoeilijken, en om slachtoffers te voorkomen, is een goed
beeld van TSK-plegers essentieel. De grensoverschrijdende aard van deze misdrijven
maakt de aanpak ervan bijzonder complex, maar niet minder urgent. Het is onze plicht
om effectief op te treden tegen seksueel kindermisbruik, zowel nationaal als internationaal.
Kinderen, waar ze zich ook ter wereld bevinden, moeten beschermd worden, slachtoffers
verdienen alle steun en daders moeten worden aangepakt.
12. Kan hij een actuele inschatting geven van het aantal Nederlandse daders van online
seksueel kindermisbruik?
De politie beschikt niet over exacte cijfers van het aantal Nederlandse plegers van
online seksueel kindermisbruik. Ook bestaat er geen Nederlands onderzoek naar de prevalentie
hiervan. Daarom kan geen actuele inschatting worden gegeven van het aantal Nederlandse
plegers van online seksueel kindermisbruik.
Wel geven de beschikbare politiecijfers inzicht in de aard en omvang van het fenomeen.
Zo ontving TBKK in 2024 ruim 70.000 meldingen van beeldmateriaal van online seksueel
kindermisbruik.13 Dit betreft bijna een verdubbeling ten opzichte van 2021. Daarnaast wordt een zorgwekkende
toename gezien van minderjarigen die onder dwang of misleiding seksueel beeldmateriaal
maken en delen.
13. In hoeverre is er een verband tussen daders van online transnationaal seksueel
kindermisbruik en offline transnationaal seksueel kindermisbruik?
Zoals gemeld in het onderzoeksrapport «Risicotaxatie bij plegers van transnationaal
seksueel kindermisbruik» is er nog weinig bekend over online TSK-plegers, maar men
vermoedt dat zij gemiddeld jonger, technisch vaardiger en sociaal anders gepositioneerd
zijn. Hands-on plegers plegen vaker meerdere delicten, vertonen minder empathie en
meer seksuele deviantie. Leeftijd en opleidingsniveau verschillen niet wezenlijk.
Professionals14 verwachten dat online TSK-plegers in sommige gevallen doorgroeien naar hands-on TSK,
vooral bij langdurig contact met slachtoffers. Daarnaast vermoeden geïnterviewden
dat sommige TSK-plegers van hands-on naar online misbruik zijn omgeschakeld, mede
door de toegenomen toegankelijkheid van technologieën zoals videobellen.
Uit recent wetenschappelijk onderzoek naar livestreaming van seksueel kindermisbruik,
gebaseerd op een analyse van Noorse strafzaken,15 blijkt dat meer dan de helft van de daders de intentie uitte om te reizen voor fysiek
seksueel misbruik, wat er tevens op wijst dat livestreaming een opstap kan vormen
naar fysiek seksueel misbruik.
14. Deze leden vragen naar een uiteenzetting van bewezen effectieve maatregelen om
daders zowel te voorkomen als op te sporen en arresteren. Zij vragen de Minister om
dit te onderbouwen met actuele wetenschappelijke inzichten. Voert de Minister al deze
bewezen effectieve maatregelen al uit?
Hoewel weinig wetenschappelijk onderzoek naar livestreaming van seksueel kindermisbruik
beschikbaar is, biedt recent wetenschappelijk onderzoek van Drejer, et al. (2025)
enkele inzichten.16 Aan de hand van de bevindingen van dit onderzoek wordt aanbevolen om in te zetten
op het verbeteren van technische mogelijkheden voor het identificeren van slachtoffers,
verbeteren van toezicht op financiële transacties en het versterken van internationale
samenwerking. De politie herkent deze aanbevelingen en heeft aandacht voor deze factoren
om de aanpak van livestreaming te kunnen verstevigen.
Ook geeft de politie aan dat er door partnerlanden goede resultaten worden behaald
met een proactieve online inzet op TSK-plegers in bronlanden gevolgd door de omvangrijke
inzet van opsporingsbevoegdheden op deze subjecten, om zodoende ook de afnemers te
kunnen identificeren. In Nederland worden geen virtual agents ingezet specifiek op
livestreaming, maar doordat de politie wel deel uitmaakt van de internationale samenwerkingsverbanden,
deelt de politie wel in de resultaten die worden behaald met behulp van de inzet van
deze virtual agents.
15. Ten derde vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hoe de Minister samenwerkt
met Filipijnse instanties om online seksueel kindermisbruik te voorkomen.
Voor de samenwerking met de Filipijnse instanties ter bestrijding van online seksueel
kindermisbruik is de plaatsing van een politie LO in de Filipijnen en een aanvullende
plaatsing van een thematische LO essentieel. De thematische LO is werkzaam binnen
PICACC, een samenwerkingsverband dat specifiek gericht is op de bestrijding van livestreaming
van seksueel kindermisbruik in de Filipijnen. In dit samenwerkingsverband zijn onder
meer de Filipijnse, Australische en Britse politiediensten vertegenwoordigd. PICACC
functioneert als een belangrijk knooppunt voor politiesamenwerking in de regio, bijvoorbeeld
voor informatie-uitwisseling en het trainen van Filipijns politiepersoneel.
Voor het versterken van de samenwerking tussen de politie en het maatschappelijk middenveld
in de Filipijnen ontving de politie in 2025 een Filipijnse delegatie van een organisatie
die zich inzet voor slachtofferpreventie in de Filipijnen. Aan dit werkbezoek is meegewerkt
door de politie, Offlimits en de GGD Amsterdam.
In de documentaire beschrijft de Filipijnse advocate Praise Ladringan dat online seksueel
kindermisbruik veel voorkomt in de Filipijnen wegens de goede staat van de digitale
infrastructuur, de beheersing van de Engelse taal onder de bevolking, de grote armoedeproblematiek
en de vrije toegang tot betalingsdiensten.
16. Onderschrijft het kabinet deze analyse?
Het kabinet heeft signalen ontvangen die deze analyse ondersteunen.
17. Welke andere landen zijn er waar relatief veel online seksueel kindermisbruik
wordt gepleegd?
In het onderzoek van Drejer et al. (2025) komt de Filipijnen naar voren als het belangrijkste
bronland voor online seksueel kindermisbruik, daarnaast is bij een groot deel van
de onderzochte casussen het bronland «onbekend».17 Verder komen Roemenië en Madagaskar naar voren als bronlanden voor online seksueel
kindermisbruik. Ook uit informatie van de Franse politie blijkt dat zij een stijging
ziet in het aantal zaken vanuit Madagaskar, hetgeen mogelijk te verklaren is door
de gemeenschappelijke taal. De Canadese politie concludeerde dat de Filipijnen, Mexico
en Colombia belangrijke bronlanden zijn. In huidige opsporingsonderzoeken die bij
de Nederlandse politie lopen komen met name de Filipijnen, Kenia, Gambia en Vietnam
als bronlanden naar voren.
18. Deze leden vragen een overzicht van de maatregelen die het kabinet neemt richting
de Filipijnse instanties en de overheid met betrekking tot het bestrijden van online
seksueel kindermisbruik.
De bestrijding van online seksueel kindermisbruik vormt een prioriteit voor de Filipijnse
regering. In 2022 werd in het Filipijnse parlement een vooruitstrevende wet aangenomen,
gericht op de bestrijding van dit fenomeen.
Mede dankzij de stationering van een Nederlandse LO in de Filipijnen die zich specifiek
met de aanpak van dit thema bezighoudt, staat Nederland in goed contact met de Filipijnse
overheid ten aanzien van de bestrijding van dit fenomeen. Er wordt actief samengewerkt
op politioneel en justitioneel vlak, onder andere in het eerdergenoemde PICACC-verband
en Nederland draagt bij aan diverse trainingen van Filipijns politiepersoneel bijvoorbeeld
op het gebied van verhoor en financiële en digitale opsporing. De actieve samenwerking
draagt bij aan de resultaten die in de aanpak worden behaald: in de afgelopen jaren
werden meer dan 500 kinderen gered uit een situatie van seksueel misbruik. Ook zijn
er verschillende Memorandum of Understanding’s (hierna: MoU) gesloten met de Filipijnse
politiediensten, waardoor opsporingsinformatie met de Nederlandse politie kan worden
gedeeld ten behoeve van de opsporing en vervolging van Nederlandse verdachten.
Ook vanuit het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden in de Filipijnen diverse projecten
gesteund voor het vergroten en versterken van het Filipijnse rechtssysteem, wat ook
de aanpak van online seksueel kindermisbruik ten goede komt. Zo ondersteunt Nederland,
in samenwerking met United Nations Office on Drugs and Crime (hierna: UNODC), het
project «Responding to Online Child Sexual Exploitation and Abuse» in de Filipijnen, gericht op capaciteitsopbouw en essentiële digitale apparatuur
voor 30 cybercrime-rechtbanken in het hele land. Vanuit de Nederlandse ambassade in
Manilla wordt daarnaast deelgenomen aan de «Manila Dialogue on Human Trafficking», een overleggremium met diverse Filipijnse instanties, ambassades, internationale
organisaties, het bedrijfsleven en organisaties uit het maatschappelijk middenveld.
Dit overleggremium faciliteert een werkgroep specifiek gericht op het ontwikkelen,
verbeteren en implementeren van beleid voor het tegengaan van online seksueel kindermisbruik.
De twee politie LO’s in de Filipijnen nemen deel aan deze werkgroep.
19. In welke mate krijgen Nederlandse autoriteiten en de politie toegang tot instanties
in de Filipijnen, en wordt er naar mening van de Minister voortvarend samengewerkt
om deze problematiek te bestrijden?
De Nederlandse autoriteiten, waaronder de politie en het OM, hebben voldoende toegang
tot instanties in de Filipijnen in relatie tot deze problematiek. Er is sprake van
goed en direct contact met de Filipijnse politiediensten en verschillende onderdelen
van het Department of Justice. Partijen delen een gezamenlijke inzet om online seksueel
kindermisbruik effectief te bestrijden en werken daarin nauw samen. Deze samenwerking
verloopt voortvarend.
De samenwerking tussen Nederland en de Filipijnen komt ook naar voren in de documentaire
«Streaming Hell», waarin wordt getoond hoe beide landen samenwerken om slachtoffers
te beschermen en daders op te sporen en te vervolgen. Dit beeld sluit aan bij de ervaringen
van de betrokken Nederlandse autoriteiten.
20. Zo nee, welke aanvullende inzet is er nodig om actie af te dwingen van Filipijnse
instanties en de overheid?
Zoals hierboven is toegelicht verloopt de samenwerking tussen de Nederlandse autoriteiten
en de instanties in de Filipijnen voortvarend.
21. Deelt de Minister de mening van deze leden dat een goede informatiepositie van
cruciaal belang is voor het tegengaan van transnationaal seksueel kindermisbruik,
ook als het om online misbruik gaat?
Ik deel de mening dat een goede informatiepositie van cruciaal belang is om transnationaal
seksueel kindermisbruik tegen te gaan. De afgelopen jaren zijn verschillende initiatieven
gestart om de informatiepositie van de politie, de Koninklijke Marechaussee en justitie
te bevorderen en zo slachtoffers door Nederlandse daders te voorkomen. De politie
heeft dit onder meer vormgegeven door de inzet van politie LO’s en thematische LO’s
in het buitenland, waar zij de bevordering van de samenwerking en bemiddeling bij
de uitvoering van Nederlands politieonderzoek en justitiële rechtshulpverzoeken ondersteunen.
Wereldwijd zijn tot nu toe nauwelijks betrouwbare gegevens beschikbaar over TSK, statistieken
over TSK zijn grotendeels afwezig en in veel landen worden relevante gegevens over
TSK niet systematisch verzameld. Het eerdergenoemde onderzoeksrapport «Risicotaxatie
bij plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik» (2025) dat NSCR in opdracht
van het WODC uitvoerde, levert dan ook waardevolle nieuwe inzichten die ook de informatiepositie
ten goede komt. Het biedt voor het eerst inzicht in de kenmerken en werkwijzen van
Nederlanders die buiten de grenzen van ons land kinderen seksueel misbruiken.
22. Zo ja, hoe werkt die informatiedeling met landen zoals de Filipijnen waar de kindermisbruik
plaatsvindt? Welke afspraken gelden daarvoor en hoe werken die in de praktijk? Zo
nee, waarom niet? Kunnen Liaison Officers in dergelijke landen van toegevoegde waarde
zijn bij de opsporing van verdachten in Nederland of bij de informatiedeling? Zo ja,
op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De politie geeft aan dat de informatiedeling tussen Nederland en de Filipijnen op
dit thema in principe goed verloopt. Deze vindt plaats op basis van internationale
verdragen en nationale protocollen, en in samenspraak met het OM en het Ministerie
van JenV.18 Er wordt vanuit Nederlandse onderzoeken informatie gedeeld over Filipijnse verdachten
en slachtoffers, waar de Filipijnse politie ook mee aan de slag gaat. Hierdoor zijn
er al meerdere slachtoffers ontzet en verdachten aangehouden in de Filipijnen.
Een complicerende factor is het delen van informatie met de Filipijnse autoriteiten
over mogelijke Nederlandse verdachten die in de Filipijnen verblijven, omdat de Filipijnen
een «derde land» betreft (in principe vallen alle landen buiten de EU in deze categorie)
en daardoor een extra toets nodig is i.v.m. mogelijke risico’s. Met zogenoemde derde
landen wordt op basis van EU-regels voor informatiedeling extra zorgvuldigheid betracht
voor het delen van informatie. Toetsing op het delen van deze informatie gebeurt door
het OM en het Ministerie van JenV.
LO’s in dergelijke landen zijn van grote waarde voor de opsporing van verdachten in
Nederland. De LO’s signaleren kansen voor informatiedeling en hebben een aanjagende
rol in opsporingsonderzoeken of rechtshulpverzoeken met een Nederlands belang. De
aanwezigheid in de Filipijnen zorgt er ook voor dat de politie zichtbaar en toegankelijk
is en informatie ontvangt.
23. Hoeveel Liaison Officers heeft Nederland met het oog op het tegengaan van kindermisbruik
in andere landen gestationeerd? Acht de Minister het mogelijk om met andere landen
in de EU samen te werken om een netwerk van Liaison Officers in te richten?
De Nederlandse politie wordt internationaal vertegenwoordigd door 38 LO’s in het buitenland.
Hoewel niet in elk land een LO is gestationeerd, beslaat het werkgebied van LO’s soms
meerdere landen waardoor het netwerk wel dekkend is. Een politie LO is een belangrijke
schakel tussen de lokale buitenlandse politie- en justitiediensten en de Nederlandse
politie. Ze zijn gestationeerd op Nederlandse ambassades en werken wereldwijd samen
om grensoverschrijdende criminaliteit, zoals drugshandel, terrorisme en mensensmokkel,
te bestrijden. De belangrijkste taken van een LO liggen op het vlak van netwerkbeheer,
informatie-uitwisseling, ondersteuning van rechtshulp en ondersteunen van lopende
onderzoeken in Nederland.
In verschillende Aziatische landen zijn politie LO’s gestationeerd met een algemene
opsporingstaak. Onder de algemene opsporingstaak van de LO’s vallen ook online seksueel
kindermisbruikzaken. De LO’s staan in nauw contact met specialistische politieteams
in Nederland, waaronder TBKK, zodat zij, indien nodig, gebruik kunnen maken van hun
specifieke kennis en expertise.
Ter bestrijding van online seksueel kindermisbruik is één thematisch politie LO gestationeerd
in de Filipijnen die verbonden is aan PICACC en werkt aan het tegengaan van deze ernstige
vorm van criminaliteit. Zoals in de beleidsreactie op WODC-rapport «Risicotaxatie bij plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik» is aangegeven, zal ik verkennen hoe in de samenwerking van de Nederlandse politie
met buitenlandse partners het onderwerp TSK een prominente rol kan krijgen.19
Ten vierde erkennen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat in het geval van online
transnationaal seksueel kindermisbruik, er vaak sprake is van daderschap door de ouders
van de slachtoffers.
24. Deze leden vragen dan ook op welke manier de Minister rekening houdt met de nazorg
van de slachtoffers. Heeft het kabinet in beeld of slachtoffers daadwerkelijk goede
begeleiding en psychische hulp ontvangen? Financiert het kabinet organisaties die
zich hiervoor inspannen, en zo ja, welke zijn dat en welke middelen stelt het kabinet
ter beschikking voor hen? Er leven zorgen bij deze leden dat slachtoffers, die in
erbarmelijke omstandigheden opgroeien en blijvend letsel of trauma oplopen, een hogere
kans lopen om zelf later dader te worden van soortgelijke vormen van kindermisbruik.
Is hier sprake van en op welke wijze werkt het kabinet samen met internationale en
Filipijnse instanties om dit voorkomen?
De Filipijnse slachtoffers worden opgevangen in zogenoemde shelters, die worden gefaciliteerd
door zowel de Filipijnse overheid via het Department of Social Welfare and Development,
als door lokale ngo’s. De politie geeft aan dat er vanuit de opsporing nauw wordt
samengewerkt met deze publieke en private opvangorganisaties, onder andere via PICACC.
Volgens de plaatselijke politie LO is de opvang en begeleiding van slachtoffers over
het algemeen goed georganiseerd en is er aandacht voor de complexe problematiek waarmee
slachtoffers te maken hebben. De shelters zijn deels afhankelijk van donaties en ontvangen
in sommige gevallen financiële ondersteuning van internationale partnerlanden. De
Nederlandse politie verstrekt zelf geen financiële steun aan deze opvangorganisaties.
De internationale non-gouvernementele organisatie International Justice Mission (hierna:
IJM) zet zich wereldwijd in om mensen in armoede te beschermen tegen geweld, mensenhandel
en slavernij. In de Filipijnen werkt IJM specifiek aan het tegengaan van online seksueel
kindermisbruik, onder meer vanuit het samenwerkingsverband PICACC. Vanuit die kennis
en expertise benadrukt IJM dat slachtoffers die geen herstel- en nazorgtraject doorlopen
een verhoogd risico lopen op blijvende schade. Hoewel niet met zekerheid kan worden
gesteld dat slachtoffers later zelf dader worden, wijst IJM erop dat de kans op intergenerationele
overdracht van misbruik aanzienlijk groter is wanneer slachtoffers onvoldoende hulp
ontvangen. Daarbij speelt mee dat misbruik vaak plaatsvindt binnen de vertrouwde omgeving
van gezinnen of families en wordt deze vorm van misbruik op veel plekken genormaliseerd.
Dit vergroot de kans dat deze patronen worden doorgegeven wanneer slachtoffers onvoldoende
hulp ontvangen. IJM heeft daarom een nazorgprogramma ontwikkeld waarin slachtoffers
persoonlijke begeleiding ontvangen bij het verwerken van trauma’s.
Volgens IJM blijft er echter een grote behoefte aan extra opvangcapaciteit, mede gezien
de omvang van het probleem.
25. Ten vijfde hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen over de toegang
van veroordeelde mannen naar landen als de Filipijnen. Deze leden stellen dat, als
deze mannen veroordeeld zijn voor seksueel kindermisbruik, maatregelen genomen moeten
worden om toegang tot landen met een groot risico op sekstoerisme te ontzeggen. Zij
vragen de Minister hoe vaak dergelijke maatregelen genomen worden, zoals het afpakken
van een paspoort of het opleggen van een reisverbod. Welke mogelijkheden zijn er,
zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk of anderszins, om dergelijke beperkingen
op te leggen? Gebeurt dit al, en zo ja, hoe vaak worden deze bevoegdheden ingezet?
Kunnen dit soort beperkingen om toegang tot bijvoorbeeld de Filipijnen te ontzeggen
ook worden opgelegd bij (zware) vermoedens van seksueel kindermisbruik en zo ja, hoe
wordt dit ingezet om misbruik effectief te voorkomen?
Artikel 24, onder a, Paspoortwet (Ppw) biedt een grondslag voor weigering of vervallenverklaring
van een paspoort bij onherroepelijk veroordeelden met recidivegevaar voor delicten
die de buitenlandse betrekkingen of de positie van Nederland in het buitenland raken,
zoals mensenhandel, terrorisme en gijzeling. De eerdere veroordeling mag niet langer
dan tien jaar geleden hebben plaatsgevonden.
De impuls voor toepassing van dit artikel komt primair uit de aanpak van transnationaal
seksueel kindermisbruik (ook wel kindersekstoerisme genoemd), en wordt ondersteund
door het OM en de politie. Het OM benadrukt het belang van deze maatregel in schrijnende
zaken, ook al zal het aantal gevallen waarbij dit artikel van toepassing is naar verwachting
beperkt blijven.
In 2023 is door het OM één zaak aangedragen. Dit heeft geleid tot een signalering
en de intrekking van het paspoort van de betrokkene. Deze signalering dient elke twee
jaar opnieuw te worden beoordeeld. De inzet van dit artikel is een zwaar middel: al
iemands reisbewegingen buiten de Schengenzone worden voor minimaal 2 jaar stil gelegd.
Wel kan iemand een regionale vrijstelling aanvragen, maar een regionale toewijzing
is niet mogelijk.
Als gevolg van de Wet Langdurig Toezicht zijn de mogelijkheden om langdurig toezicht
te houden op onder andere zedendelinquenten vergroot. Met deze wet is een zelfstandige
gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel geïntroduceerd. Ook heeft deze
wet het mogelijk gemaakt om de proeftijd bij de voorwaardelijke invrijheidsstelling
te verlengen. Zowel in het kader van die proeftijd als in het kader van de tenuitvoerlegging
van de zelfstandige gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel kunnen (bijzondere)
voorwaarden, waaronder een reisverbod (zie artikel 6:2:11, derde lid, onder k, en
6:6:23b, tweede lid, onder l, Sv), worden opgelegd. Het is zeer lastig om harde cijfers
boven tafel te krijgen m.b.t. hoe vaak dit wordt opgelegd en wordt overtreden, maar
de WLT lijkt in praktijk goed te functioneren.
Tot slot horen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie de oproep voor techbedrijven
en financiële instellingen om hun verantwoordelijkheid te nemen. Deze leden erkennen
dat online misdaad vraagt om nieuwe vormen van opsporing en handhaving, die op een
effectieve manier daders aanpakken en slachtoffers helpen. Echter benadrukken deze
leden ook dat technisch ingrijpen op de online platforms waar misbruik op plaatsvindt
een juridisch mijnenveld is, en dat dit stuit op fundamentele bezwaren met betrekking
tot de bescherming van privacy, cyberveiligheid en online kinderrechten. Zie ook de
adviezen van Offlimits, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en
de breed aangenomen Kamermotie-Kathmann c.s. (Kamerstuk 32 317, nr. 981).
26. Deze leden verzoeken de Minister daarom om uiteen te zetten welke aanvullende
acties of verplichtingen, die géén inbreuk maken op de end-to-end versleuteling van
online platforms, de aanpak kunnen versterken. Welke acties verwacht de Minister van
deze techplatforms en de financiële instellingen die het betaalverkeer faciliteren?
Op welke wijze heeft de Minister al contact met deze bedrijven over het bestrijden
van online kindermisbruik?
Het kabinet acht het van groot belang dat online seksueel kindermisbruik effectief
wordt bestreden, met inachtneming van de bescherming van grondrechten. Daarbij geldt
dat maatregelen proportioneel, noodzakelijk en uitvoerbaar moeten zijn en end-to-end
encryptie niet onmogelijk mogen maken.
In afwachting van een definitief Europees kader via de CSAM-Verordening, bood de tijdelijke
interim-derogatie op de ePrivacy-richtlijn aanbieders van interpersoonlijke communicatiediensten
de mogelijkheid om vrijwillig maatregelen te nemen, zoals het detecteren, rapporteren
en verwijderen van materiaal van seksueel kindermisbruik. In de praktijk bleek dat
aanbieders deze mogelijkheid veelal niet benutten in end-to-end versleutelde omgevingen.
Sinds het vervallen van deze interim-derogatie op 6 april jl. bestaat deze mogelijkheid
echter niet meer onder de interim- derogatie en bestaat onduidelijkheid over de juridische
grondslag voor vrijwillige detectie. Het kabinet betreurt deze situatie, omdat vrijwillige
detectie een belangrijke rol speelde in de huidige aanpak van online seksueel kindermisbruik.
Een mogelijkheid die nog nader verkend kan worden in de CSAM onderhandelingen, betreft
detectie in publieke online omgevingen, waar geen sprake is van end-to-end versleuteling.
Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan openbare hostingomgevingen of publieke
livestreams. In dergelijke situaties is sprake van een minder vergaande inbreuk op
de privacy en hoeft geen gebruik te worden gemaakt van client side scanning om het
misbruik te onderkennen. Tegelijkertijd geldt dat een groot deel van het online seksueel
kindermisbruik juist plaatsvindt in afgeschermde of versleutelde omgevingen, waardoor
de effectiviteit van maatregelen in publieke omgevingen beperkt is.
27. Kan de Minister actueel advies inwinnen van de Autoriteit online Terroristisch
en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) en expliciet verzoeken welke juridische of
technische middelen hen zouden helpen om effectiever op te treden tegen online seksueel
kindermisbruik en de online platforms die het faciliteren?
De ATKM is middels een inventarisatie gestart welke vormen van online kindermisbruik
er bestaan, wat de huidige wijze is waarop deze worden aangepakt en of al deze verschillende
vormen dezelfde (technische) aanpak vereisen. Omdat de diversiteit van online kindermisbruik
in aard, oorsprong en verspreiding de afgelopen jaren veel is veranderd, wordt er
in dit onderzoek gekeken naar de mogelijke verbeterpunten op technische en juridische
middelen.
Dit is een initiatief dat samen wordt uitgevoerd met het Global Online Safety Regulators
Network (hierna: GOSRN). De ATKM is in de lead van dit onderzoek en zal de resultaten
hiervan delen met uw Kamer zodra het onderzoek is afgerond.
28. Hoe denkt de Minister in dit verband over het gebruikmaken van de Hash Check Service
waarmee bestaande online beelden van seksueel kindermisbruik kunnen worden geïdentificeerd
en verwijderd?
Met de Hash Check Service (HCS) kunnen gebruikers, doorgaans hostingpartijen, nieuwe
en bestaande foto’s die zijn/worden geüpload, scannen op bekend beeldmateriaal van
seksueel misbruik van minderjarigen, onder meer afkomstig van de Nederlandse politie
en Interpol. Zo kan illegaal materiaal sneller geïdentificeerd en verwijderd worden,
en wordt voorkomen dat strafbaar materiaal online komt. Uit de jaarcijfers van Offlimits
blijkt dat in 2025 op deze manier 11.192.234.293 (ruim 11 miljard) afbeeldingen gecontroleerd
zijn. Dit leverde 96.723 hits op. Dit betekent dat op deze manier bijna 100.000 strafbare
afbeeldingen offline zijn gehaald of niet online zijn gekomen, zonder dat daar mensen
naar hoefden te kijken. De HCS is daarmee een belangrijk onderdeel in de strijd tegen
online seksueel kindermisbruik. Omdat HCS is gebaseerd op de herkenning van reeds
bekend beeldmateriaal, is deze techniek niet geschikt voor het detecteren van seksueel
kindermisbruik via livestreams, waarbij nieuw beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik
kan worden vervaardigd.
29. Zijn er überhaupt betrouwbare technieken die bij livestreams snel livebeelden
van seksueel kindermisbruik kunnen identificeren zonder dat die de cyberveiligheid
en privacy aantasten? Zo ja, welke technieken zijn dat en worden die ook gebruikt?
Er zijn technieken mogelijk om dergelijk misbruik te identificeren, bijvoorbeeld door
gebruik te maken van zogenaamde computer vision (AI) algoritmen. Deze algoritmen analyseren
live de videofeed en zijn in staat om ongewenste visuele kenmerken te herkennen, zoals
naaktheid, expliciet geweld of specifieke poses die wijzen op misbruik. De vraag is
echter of deze algoritmen dat kunnen zonder dat die de cyberveiligheid en privacy
disproportioneel aantasten.
Bij end-to-end versleutelde diensten is de inzet van dergelijke technieken alleen
mogelijk via client side scanning. De AIVD heeft voor wat betreft toepassingen die
gebruik maken van client side scanning haar zorgen geuit over de cyberveiligheid.20 Wanneer deze techniek wordt ingezet aan de kant van de livestream-hoster, rijst de
vraag of de inzet daarvan proportioneel, subsidiair en noodzakelijk is. Eén van de
factoren om de proportionaliteit te boordelen betreft een beoordeling van de foutmarge
van het middel («false positive» marge). Een andere belangrijke afweging betreft de
ingrijpendheid van het middel: immers, alle live-stream beelden van een hostingdienst
zouden min of meer continue live worden gescand. Zelfs als beide vragen positief zouden
kunnen worden beantwoord – hetgeen vermoedelijk niet het geval is – dan mist een omvattend
wettelijk kader (zoals werd beoogd in de «CSAM-Verordening») om een verantwoorde inzet
daarvan te kunnen waarborgen. Dergelijke kaders zijn belangrijk om te bepalen wie
de beelden beoordeelt die door het algoritme worden aangemerkt als misbruik, wat er
met deze beelden gebeurt, onder welke voorwaarden deze uiteindelijk met opsporingsautoriteiten
kunnen worden gedeeld en hoe het toezicht (audits) op het systeem als geheel wordt
ingericht.
Binnen de politie worden deze algoritmen niet gebruikt.
3. Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met veel verontwaardiging en zorgen kennisgenomen
van de documentaire over de groeiende misdaad rondom Filipijnse kinderen die via livestreams
worden misbruikt. Dat deze misdaad op zo’n grote schaal plaatsvindt waarbij zoveel
Nederlandse mannen betrokken zijn, vinden deze leden schokkend. Zij zijn van mening
dat hiertegen daadkrachtig en streng moet worden opgetreden in het belang van de Filipijnse
kinderen.
30. Allereerst willen deze leden aan de Minister vragen of hij ook kennis heeft genomen
van de documentaire en wat de reactie is op de schokkende getallen rondom (online)
kindermisbruik in de Filipijnen, waarbij 20.000 Nederlandse mannen betrokken zijn
als dader.
Ja, ik heb kennis genomen van de documentaire Streaming Hell. Seksueel misbruik van
kinderen, zowel in Nederland als daarbuiten, is volstrekt onaanvaardbaar. Dit kabinet
erkent de urgentie van deze grensoverschrijdende problematiek en werkt samen met binnen-
en buitenlandse partners om daders op te sporen, te vervolgen en slachtoffers te beschermen.
Het is onze plicht om effectief op te treden tegen seksueel kindermisbruik, zowel
nationaal als internationaal. Kinderen, waar ze zich ook ter wereld bevinden, moeten
beschermd worden, slachtoffers verdienen alle steun en daders moeten worden aangepakt.
Wij blijven ons onverminderd inzetten voor een veilige samenleving en een effectieve
justitiële aanpak om de maatschappij te beschermen tegen de ernstige gevolgen van
transnationaal en online seksueel kindermisbruik.
31. Ook vragen deze leden of volgens de Minister de Nederlandse wetgeving voldoende
is om livestreaming van kindermisbruik op afstand effectief te vervolgen. Waarom blijft
de pakkans van (Nederlandse) daders zo laag en welke maatregelen gaat het kabinet
nemen om de pakkans substantieel te verhogen?
Het onderzoeksrapport «Risicotaxatie bij plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik»
toont aan dat sprake is van een aanzienlijke dark figure van TSK-misdrijven wat betekent
dat veel TSK-misdrijven zich buiten het gezichtsveld van politie en justitie afspelen.
Het slachtoffer en diens familie bevinden zich doorgaans in het buitenland en zullen
in de meeste gevallen geen aangifte doen. Uit de praktijk weten we dat het slachtoffer
vaak nog te jong is om zelfstandig aangifte te doen en om zich aan de misbruiksituatie
te kunnen onttrekken. De familie van het slachtoffer is in veel gevallen betrokken
en/of (financieel) afhankelijk van de verdachte. Zo blijft het misdrijf (lang) verborgen.
Een aanvullende moeilijkheid ten aanzien van de opsporing van livestreaming van seksueel
kindermisbruik is dat het eerste contact vaak plaatsvindt op een platform, en het
verdere contact via end-to-end encrypted (streaming)apps. Het misbruik van het slachtoffer
vindt live via een tijdelijke stream plaats, waardoor er geen beeldmateriaal (en dus
bewijsmateriaal) van blijft bestaan. Deze omstandigheden bemoeilijken de opsporing
van deze feiten in grote mate.
Bovenstaande leidt ertoe dat voor het opsporen van livestreaming van seksueel kindermisbruik
het OM en de politie grotendeels afhankelijk zijn van signalen die slechts in beperkte
mate binnenkomen en vaak nader onderzoek vereisen, terwijl de mogelijkheden daartoe
in voorkomende gevallen beperkt zijn (zie hierover nader het antwoord op vraag 2).
Voor een verdere toelichting verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2 en vraag 5.
32. De leden van de CDA-fractie vragen tevens of het klopt dat de aanpak van livestreamingsbeelden
ingewikkeld is voor de politie omdat zij niet de bevoegdheid heeft om in privécommunicatie
te kijken en zo ja, of de Minister bereid is om onderzoek te doen hoe livestreamingsbeelden
van kindermisbruik effectief kan worden aangepakt.
De bijzondere opsporingsbevoegdheden zoals de telefoontap en het opnemen van vertrouwelijke
communicatie (artikelen 126l en 126m Sv) geven de politie de mogelijkheid om privécommunicatie
op te nemen. Daarnaast heeft de politie verschillende bevoegdheden om gegevensdragers
van een verdachte, zoals een telefoon of computer, te doorzoeken (artikelen 125j,
556, 557 en 558 Sv). Wanneer de politie toegang heeft verkregen tot een gegevensdrager,
kan zij inzicht verkrijgen in privécommunicatie die daarop staat. Tevens kan de politie
gebruik maken van de zogenoemde hackbevoegdheid (artikelen 126nba, 126uba en 126zpa
Sv). Deze bevoegdheid maakt het mogelijk dat opsporingsambtenaren een geautomatiseerd
werk, dat bij een verdachte in gebruik is, op afstand heimelijk kunnen binnendringen
met het oog op bepaalde doelen op het gebied van de opsporing van ernstige strafbare
feiten. Na het binnendringen kunnen opsporingsambtenaren een beperkt aantal onderzoekshandelingen
verrichten, waaronder ook wordt verstaan het bekijken en vervolgens blokkeren van
een livestream.
Bovenstaande bevoegdheden maken elk een flinke inbreuk op de grondrechten van betrokkenen.
Daarom is de inzet daarvan aan strikte voorwaarden verbonden, zoals een bevel van
de officier van justitie en een machtiging van de rechter-commissaris. In de tweede
aanvullingswet van het nieuwe wetboek van Strafvordering (in formele consultatie gegeven
in mei 2026) worden wijzigingen voorgesteld aan de genoemde bevoegdheden. Daarbij
wordt in de memorie van toelichting ook aandacht besteed aan de inzet van de hackbevoegdheid
in het kader van livestreams. Tegelijkertijd bevestigt het WODC-onderzoek «Risicotaxatie
bij plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik» dat TSK-zaken inherent complex
zijn en dat de opsporing daarvan een arbeidsintensief en langdurig proces vormt. Het
blijkt in de praktijk uiterst lastig om tot het identificeren van TSK-verdachten te
komen.
Voor verdere toelichting verwijs ik u naar het antwoord op vraag 1, 7, 26, 29 en vraag
31.
33. Daarnaast vragen deze leden wat de reactie van het kabinet is op de opvatting
van het OM dat de drempel voor optreden bij een redelijk vermoeden van schuld als
te hoog wordt ervaren als het gaat om online kindermisbruik of kinderpornografisch
materiaal. Is de Minister het met deze leden eens dat op tijd kunnen ingrijpen erger
leed kan voorkomen? Zo ja, wat kan de Minister doen om de drempel te verlagen of op
welke manier kan de Minister het OM handvatten geven om efficiënt te kunnen optreden
bij vermoedens van online seksueel misbruik van Filipijnse kinderen?
Voor het antwoord op deze vragen, verwijs ik u naar het antwoord op de vraag 2.
34. De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister kan duiden waarom juist zoveel
Nederlandse mannen dader zijn van online kindermisbruik van Filipijnse kinderen en
hoe het kan dat Nederland wereldwijd koploper is van het hosten en verspreiden van
dit materiaal.
Wereldwijd zijn tot nu toe nauwelijks betrouwbare gegevens beschikbaar over TSK, statistiek
over TSK is grotendeels afwezig en in veel landen worden relevante gegevens over TSK
niet systematisch verzameld. Het onderzoeksrapport «Risicotaxatie bij plegers van
transnationaal seksueel kindermisbruik» brengt daar verandering in, en biedt voor
het eerst inzichten in prevalentie, kenmerken en werkwijze van de Nederlandse plegers.21 De resultaten van het onderzoeksrapport ten aanzien van het aantal Nederlandse mannen
dat zich jaarlijks schuldig maakt aan TSK kunnen echter niet worden vergeleken met
de prevalentie onder mannen in andere landen, omdat daar geen statistiek over bekend
is. Daarom is het niet vast te stellen of de prevalentie onder de Nederlandse bevolking
exceptioneel hoog is.
Uit het onderzoeksrapport blijkt dat in de literatuur algemeen wordt aangenomen dat
het probleem van livestreaming is aangejaagd door de gevolgen van de COVID-19 pandemie
en technologische ontwikkelingen, sterk is toegenomen en inmiddels veelvuldig voorkomt.22 Ook geïnterviewde professionals schetsen deze verwachting. Desondanks ontbraken tot
nu toe cijfers over de prevalentie van dit probleem.
Het onderzoek laat zien dat 2,3% van de steekproef ooit heeft geparticipeerd in een
online livestream waarin seksuele handelingen werden uitgevoerd door of met personen
jonger dan 18 jaar. Het aantal Nederlandse mannen dat ooit virtueel deelnam aan seksueel
kindermisbruik middels een livestream sessie via een webcam wordt op basis van de
resultaten van het vragenlijstonderzoek geschat op ruim 150.000. In meer dan een derde
van deze gevallen (37,7%) betrof dit livestreams waarbij kinderen jonger dan 12 betrokken
waren. De vragenlijst bevatte geen specifieke vragen over het land van herkomst van
de slachtoffers van online TSK.
Zoals eerder benoemd, komt de Filipijnen in het onderzoek van Drejer et al. (2025)
naar voren als het belangrijkste bronland voor online seksueel kindermisbruik.23 In de beantwoording op de vragen 11 t/m 14 wordt ingegaan op de plegers van deze
vorm van seksueel kindermisbruik.
Nederland is een aantrekkelijk land voor datacentra en hostingsproviders dankzij het
gunstige vestigingsklimaat, de directe aansluiting op onderzeekabels tussen continenten
en de goede digitale infrastructuur.24 Het kabinet is zich ervan bewust dat deze sterke positie ook een verschrikkelijke
keerzijde met zich meebrengt: dezelfde infrastructuur kan worden misbruikt voor criminele
doeleinden, zoals het hosten van illegaal materiaal waaronder kinderpornografisch
materiaal. Het kabinet spant zich, zowel nationaal als in Europees verband, onverminderd
in om het hosten en verspreiden van illegaal en schadelijk materiaal te voorkomen
en te bestrijden.
35. De leden van de CDA-fractie vragen op welke manier livestreaming van kindermisbruik
op dit moment tegen wordt gegaan in Nederland en in hoeverre sociale mediaplatformen
maatregelen nemen om livestreaming direct offline te halen of te stoppen.
Op welke manier deze vorm van online seksueel kindermisbruik wordt tegen gegaan in
Nederland wordt uitgebreid toegelicht in de antwoorden op de vragen 1, 3, 5 en 7.
Hands-on seksueel kindermisbruik (waar TSK en livestreaming vormen van kunnen zijn)
hebben bij de politie en het OM de hoogste prioriteit. Dit geldt ook voor seksueel
kindermisbruik waarbij het slachtoffer zich in het buitenland bevindt; een pleger
die vanuit Nederland virtueel deelneemt aan seksueel kindermisbruik ten aanzien van
een slachtoffer in het buitenland via livestreams kan in Nederland op grond van de
Nederlandse strafwet worden vervolgd. Dit kan op grond van artikel 253 Sr (het bijwonen
van een pornografische voorstelling) en in sommige gevallen, indien de pleger ook
actief deelneemt aan de voorstelling door bijvoorbeeld instructies op afstand te geven,
op grond van artikelen 245 tot en met 250 Sr (aanranding en verkrachting van kinderen
in verschillende leeftijdscategorieën). Zie voor een nadere toelichting het antwoord
op vraag 2.
Op basis van de Digital Services Act (DSA) dragen online platforms, waaronder sociale
mediaplatforms, een eigen verantwoordelijkheid om misbruik van hun diensten te voorkomen
en snel en effectief op te treden wanneer illegale content, waaronder beeldmateriaal
van seksueel kindermisbruik, wordt aangetroffen. Ook worden zij geacht maatregelen
te nemen om minderjarigen te beschermen en misbruik van hun diensten tegen te gaan
Aangewezen zeer grote online platforms (zogeheten Very Large Online Platforms (VLOPs))
dienen daarnaast de systeemrisico’s, waaronder de schadelijke effecten van hun dienst
op minderjarigen en de verspreiding van illegale inhoud, te identificeren en beperken
en hierover jaarlijks te communiceren met de Europese Commissie als toezichthouder
op de VLOPs. Daarnaast richt ik mij op samenwerking met opsporingsdiensten en toezichthouders,
en heeft het kabinet aandacht voor preventie en bewustwording. Het verspreiden van
beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik is strafbaar, en waar mogelijk wordt daartegen
opgetreden.
36. Nemen techbedrijven volgens de Minister voldoende verantwoordelijkheid?
Voor het antwoord op deze vraag, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 6.
37. Daarnaast vragen deze leden of de Minister bereid is om in gesprek te gaan met
techbedrijven om hun verantwoordelijkheid op dit gebied te benadrukken en te spreken
over de bestrijding van online kinderpornografisch materiaal.
Ja. Het departement zoekt regelmatig de dialoog met techbedrijven over uiteenlopende
onderwerpen. Veel van deze bedrijven zetten zich in voor de bestrijding van online
seksueel kindermisbruik en treffen daarvoor maatregelen.
Voor verdere toelichting verwijs ik u naar het antwoord op vraag 6.
38. Is de Minister het met deze leden eens dat livestreaming een opstap kan zijn voor
Nederlandse daders om daadwerkelijk af te reizen naar de Filipijnen en zo ja, welke
preventieve maatregelen kunnen hiertegen worden genomen?
Zoals ook in het WODC-onderzoeksrapport «Risicotaxatie bij plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik» staat, verwachten professionals25 dat online TSK-plegers in sommige gevallen doorgroeien naar hands-on TSK, vooral
bij langdurig contact met slachtoffers.26 Daarnaast vermoeden deze professionals dat sommige TSK-plegers van hands-on naar
online misbruik zijn omgeschakeld, mede door de toegenomen toegankelijkheid van technologieën
zoals videobellen.
Mogelijke preventieve maatregelen kunnen zijn dat daders niet de mogelijkheid hebben
om te reizen (en het zo praktisch onmogelijk is) of dat de sociale drempel te hoog
is om fysiek contact te leggen met een minderjarige. Een voorbeeld hiervan is de «Don’t
look away» campagne en het daaraan gekoppelde meldpunt dat gericht is op het vergroten
van bewustwording onder Nederlandse reizigers over deze problematiek. Zie hiervoor
ook het antwoord op vraag 7 en vraag 25.
39. Daarnaast merken de leden van de CDA-fractie op dat in het coalitieakkoord is
benoemd dat strafbare content binnen een uur na bevel van de toezichthouder moet worden
verwijderd. Hoe en op welke termijn gaat het kabinet dit realiseren en is het kabinet
van plan om op korte termijn hierover te spreken met Europese lidstaten? Op welke
manier gaat de Minister ervoor zorgen dat sociale mediaplatforms daadwerkelijk luisteren
naar de verwijderverzoeken?
In Nederland is de afspraak gemaakt met de sector dat meldingen door Offlimits van
online seksueel kindermisbruik binnen 24 uur behandeld moeten worden. In 2024 (tot
en met oktober) werd ongeveer 59% van deze meldingen van Offlimits door de branche
adequaat en binnen 24 uur opgepakt.
Vrijwel alle hostingpartijen werken goed mee. Hoewel zij de 24uurs norm wellicht niet
altijd halen (zeker wanneer het kleine bedrijven zijn), wordt er adequaat gereageerd
op verwijderverzoeken en wordt strafbaar materiaal offline gehaald.27
Wanneer sprake is van zogenoemde «bad hosters» die structureel niet of niet tijdig
reageren, kan de ATKM sanctionerend optreden. Met de inwerkingtreding van de Wet bestuursrechtelijke
aanpak online kinderpornografisch materiaal op 1 juli 2024 heeft de ATKM de bevoegdheid
gekregen om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online
beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te verwijderen en daarop bestuursrechtelijk
te handhaven.
Op 7 april 2025 is de ATKM gestart met het uitvaardigen van verwijderbevelen ten aanzien
van materiaal van seksueel kindermisbruik. Hierbij ontstaat op termijn steeds meer
kennis over de werkwijze van niet-meewerkende hosters. Deze vergroting van kennis
zorgt ervoor dat de ATKM haar strategie om deze hosters aan te pakken steeds meer
kan verfijnen. De eerste handhavingsstappen zullen een belangrijke fase in de uitvoering
van de wet markeren.
In artikel 6, vierde lid onder c, van de wet is geregeld dat de termijn waarbinnen
kinderpornografisch materiaal moet zijn verwijderd ten hoogste 12 uur bedraagt. De
wet biedt, als gevolg van een aangenomen amendement28, een termijn van ten hoogste 12 uur waarmee uitdrukkelijk ook voor een kortere termijn
kan worden gekozen.
De maximale boetehoogte voor het niet-opvolgen van een verwijderingsbevel is een boete
van de tweede categorie. Als sprake is van aanhoudend en systematisch niet-opvolgen
van een verwijderingsbevel voor beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik kan een
boete van de vijfde categorie worden opgelegd, of, indien die boetecategorie geen
passende bestraffing toelaat, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming.29
40. De leden van de CDA-fractie vragen de Minister een overzicht van Europese wetgeving
die in ontwikkeling is over het tegengaan van online seksueel kindermisbruik. Wat
is de stand van zaken van de wetgeving en kunnen daar contouren van worden gegeven?
Binnen de Europese Unie (hierna: EU) zet de Europese Commissie, in het kader van de
Europese strategie voor een effectievere bestrijding van seksueel misbruik van kinderen,
in op een samenhangend pakket aan initiatieven.30 Hieronder vallen zowel de herziening van de Directive on combating the sexual abuse
and sexual exploitation of children and child pornography31 (hierna: CSA-richtlijn), als het voorstel voor een Regulation laying down rules to
prevent and combat child sexual abuse32 (hierna: CSAM-verordening). De CSA-richtlijn heeft betrekking op de strafbaarstelling
van seksueel misbruik en beoogt daarnaast de preventie en ondersteuning van slachtoffers
te versterken. De CSAM-verordening richt zich onder andere op verplichtingen voor
internetbedrijven om materiaal van seksueel misbruik van kinderen te detecteren, te
melden en te verwijderen.
Beide wetgevingstrajecten bevinden zich momenteel in de triloogfase, waarin het voorzitterschap
van de Raad onderhandelt met het Europees Parlement en de Europese Commissie. Voor
de CSA-richtlijn zijn deze onderhandelingen reeds onder het Poolse EU-voorzitterschap
aangevangen.
Ten aanzien van de CSAM-verordening heeft de eerste politieke triloog tijdens het
huidige Cypriotische voorzitterschap plaatsgevonden. Er worden regelmatig Radengroepen
gepland om de Raad te informeren over het verloop van de triloog. Nederland zal zich
tijdens de trilogen blijven inzetten binnen de kaders van het kabinetsstandpunt en
de door uw Kamer aangenomen moties. Conform de gebruikelijke werkwijze zal de Tweede
Kamer worden geïnformeerd over de voortgang en eventuele wijzigingen.
41. De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre verdachte betalingen vanuit Nederland
naar de Filipijnen kunnen worden opgepikt. Kunnen die betalingen efficiënt worden
gelinkt aan meldingen van online kindermisbruik? Is hiervoor de informatie-uitwisseling
tussen ketenpartners voldoende volgens de Minister, of is hier verbetering in mogelijk?
Deze leden vragen ook of Nederland kan leren van Frankrijk op het gebied van samenwerking
met de Financial Intelligence Unit.
De Financial Intelligence Unit (hierna: FIU)-NL ontvangt meldingen van ongebruikelijke
transacties van meldingsplichtige instellingen, waaronder banken, betaaldienstverleners
en betaalplatformen. Het identificeren van transactieverkeer die specifiek verband
houden met online seksueel kindermisbruik is uiterst complex. Financiële signalen,
zoals overboekingen naar betaalseks- of livestreamplatformen, kunnen in sommige gevallen
een indicatie vormen, maar bewijzen op zichzelf niet dat er sprake is van kindermisbruik.
Daarvoor is aanvullende informatie nodig, zoals bijvoorbeeld politiegegevens. Wanneer
de FIU-NL signalen detecteert en transacties verdacht kunnen worden verklaard, worden
deze gedeeld met het TBKK van de politie. Daarnaast levert de FIU-NL ook informatie
op basis van verzoeken vanuit de opsporing.
De FIU-NL werkt samen met TBKK en heeft in 2025 gezamenlijke een kennissessie georganiseerd
voor banken, betaaldienstverleners en betaalplatformen, gericht op het verbeteren
van de herkenbaarheid van relevante financiële signalen. Helaas zijn er wel knelpunten
in de samenwerking. Betalingen in dit domein verlopen regelmatig via betaaldienstverleners
die zich bevinden tussen het platform en de bank, waardoor signalen verspreid zijn
over meerdere partijen. Dit bemoeilijkt een integraal beeld en analyse. Bovendien
zijn meldingen vaak te generiek om een directe link met kindermisbruik te kunnen leggen
en daarmee verdacht te kunnen verklaren en te kunnen delen met TBKK.
De informatie-uitwisseling kan nog verder verbeterd worden. Een concreet verbeterpunt
betreft het feit dat meldende instellingen op dit moment geen basis hebben om onderling
informatie uit te wisselen over dit type transacties, wat een integrale analyse van
de betalingsstromen belemmert. Daarnaast is de database van de TBKK afgeschermd voor
de FIU vanwege de hoog gevoelige informatie, dit beperkt de mogelijkheid om de informatie
met elkaar te verrijken. Er wordt op dit moment gestart met een verkenning naar technische
mogelijkheden waarmee de informatie uit de twee databases aan elkaar gelinkt kan worden.
Internationaal ontvangt de FIU-NL spontane verstrekkingen van buitenlandse FIU’s die
analyses op dit thema hebben verricht, met name gerelateerd aan landen als de Filipijnen
en Thailand. Deze spontante verstrekkingen hebben betrekking op Nederlandse personen,
voornamelijk die mogelijk betalingen hebben verricht voor de aankoop van beeldmateriaal
van seksueel kindermisbruik. Internationaal wordt er nauw samengewerkt door FIU’s
op dit thema. In mei 2026 werd op initiatief van verschillende FIU’s een actieweek
gehouden waarbij FIU-analisten van over de hele wereld samen komen om aan dit thema
te werken. Vanwege institutionele belemmeringen in het internationaal opereren van
de FIU-NL (analisten kunnen niet in het buitenland werkzaam zijn) neemt de FIU-Nederland
geen deel. De aanpak van de Franse politie met de proactieve inspanningen van de Franse
FIU levert waardevolle inzichten. Ook de Australische politie behaalt goede resultaten
door een gecombineerde analyse van financiële en politiedata. TBKK heeft naar aanleiding
van deze inzichten, in afstemming met het OM, besloten om met behulp van FIU-data
een aantal concrete opsporingsonderzoeken uit te voeren.
4. Vragen en opmerkingen vanuit de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met consternatie en zorg de documentaire bekeken.
Mede naar aanleiding van het daaropvolgende gesprek hebben deze leden de volgende
vragen.
Nederland blijkt een zeer belangrijke rol te spelen bij de verspreiding van beelden
en het hosten van online kindermisbruik, zo hebben de leden van de JA21-fractie vernomen.
42. Wat gaat het kabinet doen om deze schandelijke praktijken te bestrijden?
Voor het antwoord op deze vraag, verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 1, 6
en 7.
43. Welke maatregelen zijn mogelijk binnen de huidige wetgeving om deze hosting te
bestrijden en welke aanvullende budgetten of wetgeving zou dit vereisen?
Voor het antwoord op deze vraag, verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 1, 6,
7 en 42.
Verder is de Kamer eerder geïnformeerd over de verkenning naar de aanpak van bad hosting.33 Binnen deze aanpak worden verschillende maatregelen tegen aanbieders die geen of
weinig maatregelen nemen tegen het faciliteren van malafide activiteiten in de online
omgeving nader uitgewerkt. Als onderdeel hiervan wordt er onder andere gekeken naar
de mogelijkheid om een «Know your customer»-beleid (KYC-beleid) voor de hostingsector
wettelijk te verankeren. Met een KYC-beleid kunnen opsporingsdiensten klanten van
hostingpartijen sneller identificeren bij sprake van malafide activiteiten. De Kamer
wordt vóór het zomerreces nader geïnformeerd over de voortgang van de aanpak tegen
bad hosting.
44. Hoeveel mensen zijn de afgelopen jaren veroordeeld voor het gebruiken dan wel
verspreiden van deze beelden?
De afgelopen jaren heeft het OM een fikse stijging in het aantal livestreamonderzoeken
waargenomen. Het vermoeden is dat dit deels is veroorzaakt door de pandemie COVID-19,
waardoor het uitreizen niet mogelijk was en deze plegers hun toevlucht hebben gezocht
tot een vorm van online seksueel kindermisbruik via livestreaming.
Ook inspanningen van politie en OM op het thema hebben ertoe geleid dat er steeds
meer livestreamingsonderzoeken worden gedaan. Dit is onder andere te danken aan de
samenwerkingen met de eerder genoemde internationale partners en de financiële sector.
Met betrekking tot het aantal mensen dat de afgelopen jaren veroordeeld zijn wegens
kinderpornografie blijkt uit informatie van de Raad voor de Rechtspraak het volgende:34
Aantal zaken waarin artikel 240b Sr (pleegdatum voor 1-7-2024) of artikel 252 Sr (pleegdatum
vanaf 1-7-2024) bewezen is verklaard, naar jaar afdoening door de rechter in 1e aanleg
Eindvonnis
2021
2022
2023
2024
2025
Schuldig met/zonder strafoplegging
230
190
250
260
300
45. Hoeveel fte politiecapaciteit is bezig met het opsporen en bestrijden van deze
vormen van criminaliteit?
Binnen de politie zijn de TBKK’s belast met de opsporing van kinderpornografie en
TSK. De afgelopen jaren is de formatie van de TBKK met 26 fte uitgebreid als gevolg
van diverse investeringen in de aanpak van online seksueel kindermisbruik (waaronder
TSK) tot een totale formatie van 186 fte medio 2026. Hoewel de politie voortdurend
werkt aan zowel de werving en selectie van politiemedewerkers als het behoud van politiepersoneel,
is er sprake van een structurele onderbezetting binnen deze teams van ongeveer 20%.
Voor een verdere toelichting over TBKK’s verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
46. Met welke landen werkt Nederland samen om online seksueel misbruik te bestrijden?
Op welke manier? Welke budgetten zijn hiervoor gereserveerd?
De samenwerking tussen Nederland en internationale partners is van groot belang voor
de aanpak van online seksueel kindermisbruik. Nederland werkt intensief samen met
verschillende organisaties om informatie-uitwisseling, opsporing en verwijdering van
illegaal materiaal te versterken.
Zoals in het antwoord op vraag 3 uitgebreid is toegelicht zet de politie zich in samenwerking
met andere landen, met name in op de bestrijding van de «vraagkant» van dit fenomeen
omdat het daarbij gaat om (potentiële) Nederlandse plegers. Ook is de politie internationaal
vertegenwoordigd in verschillende samenwerkingsverbanden waaronder het eerdergenoemde
PICACC-samenwerkingsverband, als ook binnen EMPACT (onderdeel van Europol) en binnen
de door Homeland Security Investigations gecoördineerde «Operation Pharos». Zo vindt
er actieve samenwerking plaats tussen de politiediensten van een groot aantal westerse
landen die actief zijn in de bestrijding van livestreaming.
Aanvullend op de bovenstaande samenwerkingsverbanden kan Eurojust de juridische samenwerking
tussen lidstaten faciliteren, waardoor grensoverschrijdende strafzaken efficiënter
kunnen worden afgehandeld en activiteiten van nationale autoriteiten beter op elkaar
kunnen worden afgestemd.
Ook is het eerdergenoemde meldpunt van Offlimits onderdeel van het INHOPE-netwerk,
de internationale organisatie van meldpunten. Meldingen van beeldmateriaal kunnen
via dit netwerk direct worden doorgestuurd naar de bevoegde autoriteiten in het betreffende
land, wat de verwijdering van illegale content aanzienlijk versnelt. Tot slot vormt
het National Centre for Missing and Exploited Children (NCMEC) een belangrijke informatiebron
over de omvang en aard van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
In het begroting- en beheerplan van de politie is een algemene post gereserveerd voor
internationale politiesamenwerking.
De leden van de JA21-fractie constateren dat het bijzonder ingewikkeld is om mensen
op te sporen die op internet contacten hebben opgedaan en waarbij beelden met live-streaming
worden bekeken.
47. Op welke manieren wil het kabinet de pakkans voor deze delicten verhogen?
Voor het antwoord op deze vraag, verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 5, 14,
31 en vraag 33.
Tijdens het gesprek na afloop van de vertoning van de documentaire werd de mogelijkheid
besproken om de politie de bevoegdheid te geven om eerder nader onderzoek te verrichten
naar verdachte signalen die echter nog niet het gewicht hebben dat doorgaans vereist
wordt om toestemming te geven voor nader onderzoek.
48. Deelt het kabinet de opvatting van de leden van de JA21-fractie dat het verstandig
is om de onderzoeksmogelijkheden voor de politie te verruimen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2. Zoals daar aangegeven zal ik in gesprek gaan
met het OM en de politie over de toepassingsmogelijkheden van bepaalde bijzondere
opsporingsbevoegdheden in een vroeger stadium.
49. Tot slot vragen de leden van de JA21-fractie welke mogelijkheden het kabinet ziet
om de verspreiding van beelden te beperken door blokkades in devices op te nemen via
vormen van safety-by-design.
Blokkades op het apparaat kunnen mogelijk enkel worden geïmplementeerd door gebruik
te maken van client-side scanning. De AIVD heeft zich voor wat betreft toepassingen
die gebruik maken van client side scanning haar zorgen geuit over de cyberveiligheid.35
5. Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de documentaire. Deze leden willen
bovenal uitspreken dat zij elke vorm van seksueel misbruik van kinderen verafschuwen.
De beelden en cijfers die naar voren komen zijn ronduit schokkend en laten zien dat
dit probleem keihard moet worden aangepakt.
50. Kan de Minister concreet aangeven welke extra stappen worden gezet om het grote
aandeel van in Nederland gehost kindermisbruikmateriaal snel en structureel terug
te dringen?
Het kabinet vindt het zeer zorgwekkend dat in Nederland nog altijd veel beeldmateriaal
van seksueel kindermisbruik wordt gehost. Mede dankzij het gunstige vestigingsklimaat,
de directe aansluiting op onderzeekabels tussen continenten en de goede digitale infrastructuur,
is Nederland een aantrekkelijk land voor datacentra en hostingproviders. Deze sterke
positie brengt echter ook risico’s met zich mee: dezelfde infrastructuur kan worden
misbruikt voor criminele doeleinden, zoals het hosten van illegaal materiaal waaronder
kinderpornografisch materiaal.
Om dit tegen te gaan heeft de ATKM op 1 juli 2024, met de inwerkingtreding van de
Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal, nieuwe bevoegdheden
gekregen. Deze wet geeft de ATKM de bevoegdheid om aanbieders van hosting- en communicatiediensten
te verplichten online kinderpornografisch materiaal te verwijderen of ontoegankelijk
te maken, en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten. De ATKM kan
in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen
tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming.
Daarnaast kan de ATKM besluiten om dergelijke sanctiebesluiten openbaar te maken en
zal dat in beginsel ook doen, gezien de schadelijke reputatie-effecten die daarvan
uitgaan.
Internationaal gezien is de bestuursrechtelijke aanpak door ATKM vernieuwend en er
worden dan ook positieve effecten verwacht in het indammen van hosting van beeldmateriaal
van seksueel kindermisbruik in Nederland. Nederland heeft daarmee een belangrijke
en grote stap gezet in de aanpak van onwelwillende hostingbedrijven. Naast de inzet
van de ATKM blijft het kabinet zich, nationaal en in Europees verband, onverminderd
inspannen om dit misbruik te voorkomen en krachtig te bestrijden.
Naast de ATKM speelt ook stichting Offlimits met haar meldpunt een cruciale rol in
het signaleren van online seksueel kindermisbruik en kan hostingpartijen verzoeken
om strafbaar beeldmateriaal ontoegankelijk te maken door middel van het versturen
van een verwijderverzoek. Wanneer hier niet adequaat op gereageerd wordt, kunnen zij
de melding doorzetten naar ATKM, die op hun beurt kunnen ingrijpen door verwijderbevelen
uit te vaardigen.
Daarnaast speelt ook de Hash Check Service (HCS) een belangrijke rol bij de aanpak
van online seksueel kindermisbruik. Met de HCS kunnen gebruikers, doorgaans hostingpartijen,
nieuwe en bestaande foto’s die zijn/worden geüpload, scannen op bekend beeldmateriaal
van seksueel misbruik van minderjarigen, onder meer afkomstig van de Nederlandse politie
en Interpol. Zo kan illegaal materiaal sneller geïdentificeerd en verwijderd worden,
en wordt voorkomen dat strafbaar materiaal online komt. Uit de jaarcijfers van Offlimits
blijkt dat in 2025 op deze manier 11.192.234.293 (ruim 11 miljard) afbeeldingen gecontroleerd
zijn. Dit leverde 96.723 hits op. Dit betekent dat op deze manier bijna 100.000 strafbare
afbeeldingen offline zijn gehaald of niet online zijn gekomen, zonder dat daar mensen
naar hoefden te kijken. De HCS is daarmee een belangrijk onderdeel in de strijd tegen
online seksueel kindermisbruik. Omdat HCS is gebaseerd op de herkenning van reeds
bekend beeldmateriaal, is deze techniek niet geschikt voor het detecteren van seksueel
kindermisbruik via livestreams, waarbij nieuw beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik
kan worden vervaardigd.
Zie voor aanvulling vraag 1, vraag 6, vraag 7, vraag 28, vraag 42 en vraag 43.
6. Vragen en opmerkingen vanuit de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie vinden het van groot belang dat het kwaad van (online)
seksueel misbruik van kinderen op indringende wijze in beeld is gebracht en zij hebben
bijzonder veel waardering voor de inspanningen die worden verricht om dit kwaad te
bestrijden.
51. Deze leden vernemen graag een reflectie van het kabinet op de beste manieren om
dit kwaad te bestrijden.
Voor het antwoord op deze vraag, verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 1 en
7.
De leden van de SGP-fractie vragen aandacht voor de situatie dat de tijdelijke EU-regeling
voor detectie door techbedrijven van online seksueel kindermisbruik op 3 april 2026
zou aflopen.
52. Deze leden vragen naar de stand van zaken en de inspanningen die kabinet in de
EU pleegt om te bevorderen dat voldoende instrumenten beschikbaar zijn om seksueel
kindermisbruik aan te pakken en op te sporen. Hoe kan voorkomen worden dat een terugval
ontstaat doordat tijdelijke regelingen aflopen?
Voor het antwoord op deze vraag, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 6.
De leden van de SGP-fractie constateren dat het coalitieakkoord een investering in
de zedenrecherche aankondigt.
53. Deze leden vragen of de het kabinet kan aangeven welk deel ervan beschikbaar komt
voor de versterking van de internationale bestrijding van seksueel kindermisbruik,
gelet op het feit dat een substantieel aantal daders zich juist ook in Nederland bevindt.
Zoals eerder is aangegeven heeft de toenemende digitalisering, het groeiende gebruik
van internet en sociale media en technologische ontwikkelingen (o.a AI en end-to-end
encryptie) ervoor gezorgd dat seksueel misbruik van kinderen zich grotendeels online
afspeelt. Hierdoor heeft de opsporing te maken met andere typen zaken. De online wereld
wordt niet begrensd door landsgrenzen waardoor de opsporingsonderzoeken regelmatig
een internationaal karakter hebben (de dader dan wel slachtoffer(s) bevindt zich in
het buitenland). Ook is er steeds vaker sprake van massaal slachtofferschap.
De toenemende complexiteit en het grensoverschrijdende aspect maken dat er een andere
manier van opsporen nodig is. Capaciteitsuitbreiding is hierbij niet altijd de oplossing.
Omdat bewijsverzameling vaker plaatsvindt in de digitale context vraagt dit bovendien
om andere specialisten zoals digitaal specialisten, tactisch rechercheurs en analisten.
Bovendien kan de inzet van nieuwe technologische middelen hierbij helpen, bijvoorbeeld
bij het in kaart brengen van eventuele seriematigheid in de meldingen.
De ambitie uit het coalitieakkoord om meer zedenrechercheurs op te leiden, zal in
de uitwerking dan ook een bredere invulling krijgen. Er wordt een impuls gegeven aan
de aanpak van online seksuele misdrijven om te komen tot een meer multidisciplinaire
aanpak, met verschillende specialismen, meer datagedreven en intel-gestuurd en met
behulp van analysetools. In de beleidsbrief van het Ministerie van JenV over de nadere
uitwerking van het coalitieakkoord is de Kamer geïnformeerd over de investeringen
in de aanpak van online criminaliteit en online seksueel misbruik.36 Deze investeringen worden momenteel met de gezagen uitgewerkt. Ik zal uw Kamer bij
de presentatie van de JenV-ontwerpbegroting (Prinsjesdag) informeren over hoe de middelen
voor de politie precies worden besteed.
54. De leden van de SGP-fractie vragen of de strafmaat inzake seksueel kindermisbruik
volgens het kabinet voldoende recht doet aan de ernst van de situatie en in hoeverre
de gezinssituatie van de verdachte reden zou mogen zijn tot matiging van de straf.
Sinds de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven in 2024 zijn meer vormen
van (online) seksueel grensoverschrijdend gedrag strafbaar en zijn de straffen voor
verschillende seksuele misdrijven, onder andere voor seksueel misbruik van kinderen,
verhoogd. Zo is de maximale gevangenisstraf voor zowel kinderpornografie (artikel
252 Sr) als het bijwonen van een kinderpornografische voorstelling (artikel 253 Sr)
verhoogd van vier naar zes jaar. De ernst van deze vormen van seksueel misbruik komt
in deze verhoogde strafmaxima tot uitdrukking.
Het is in Nederland aan de rechter om in elke afzonderlijke zaak – binnen de grenzen
van de wet – de straf te bepalen. Daarbij worden alle relevante omstandigheden van
het geval betrokken, waaronder de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder
het is gepleegd en de persoon van de dader. Dit waarborgt dat in de praktijk maatwerk
kan worden geleverd en dat rekening kan worden gehouden met eventuele strafverzwarende
én strafverminderende omstandigheden. Het is dan ook aan de rechter om in individuele
gevallen te bepalen of en op welke wijze de gezinssituatie van een verdachte wordt
meegewogen in de straftoemeting.
55. De leden van de SGP-fractie vragen op welke manieren het kabinet de bewustwording
van het kwaad van seksueel kindermisbruik in het buitenland en de wijze waarop dit
mede door daders in Nederland in stand gehouden wordt wil vergroten, in aansluiting
bij de rol die de documentaire speelt om dit onderwerp onder de aandacht te brengen.
Het kabinet ziet het vergroten van bewustwording van deze ernstige problematiek als
een belangrijk onderdeel van de aanpak. Het Ministerie van JenV doet dit onder andere
door organisaties als Defence for Childen – ECPAT en stichting Offlimits (financieel)
te ondersteunen.
Het werk van de Defence for Childen – ECPAT omvat onder meer de ontwikkeling van samenwerkingsverbanden,
bijvoorbeeld met reisorganisaties en TSK-professionals, het vergroten van het bereik
van het eerder ontwikkelde barrièremodel op TSK waaronder het verzorgen van trainingen
voor de reisbranche. Zij stimuleert actief de bewustwording onder Nederlandse reizigers
over dit onderwerp, onder andere via de «Don’t Look Away» campagne en het daaraan
gekoppelde meldpunt. De social media campagne «Don't Look Away» heeft in de zomer
van 2025 een aanzienlijk bereik gerealiseerd, inclusief doorklikken naar de website
waar bezoekers hun kennis kunnen testen over het melden van kindermisbruik door middel
van een quiz op dontlookaway.nl. De campagne richt zich primair op het vergroten van
de bewustwording rond het melden van kindermisbruik.
Ook stichting Offlimits speelt een belangrijke rol in de preventie van daderschap
van seksueel kindermisbruik in Nederland. Niet alleen door middel van de preventielijn
van Offlimits maar ook door middel van een campagne specifiek gericht op reizigers.
Offlimits hoopt met deze campagne deze groep beter te kunnen bereiken omdat het aantal
meldingen of hulpvragen dat de organisatie krijgt ten aanzien van TSK klein is. In
de campagne worden mensen gewezen op de strafbaarheid van dit gedrag en op de mogelijkheid
van preventieve hulp. Ook wordt doorverwezen naar het meldpunt Don’t Look Away voor
het melden van signalen van TSK.
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 7.
7. Vragen en opmerkingen vanuit de ChristenUnie-, VVD-, SGP- en 50+
De leden van de ChristenUnie-, VVD-, SGP- en 50Plus-fracties hebben met grote zorg
kennisgenomen van de documentaire, die onlangs in besloten kring is vertoond in de
Kamer, waarna binnen de commissie Justitie en Veiligheid een openbaar gesprek plaatsvond
met vertegenwoordigers van International Justice Mission (IJM), politie, de rechtspraak
en de ATKM. De documentaire laat op indringende wijze zien hoe kinderen (in dit specifieke
geval) in de Filipijnen worden misbruikt voor online seksueel misbruik via livestreaming.
Daarbij komt Nederland in beeld als een land dat een buitenproportioneel grote rol
speelt bij het hosten en faciliteren van dit materiaal.
56. Deze leden vragen het kabinet of zij kennis heeft genomen van deze documentaire
en hoe de reactie hierop luidt.
Ja, ik heb kennis genomen van de documentaire Streaming Hell. Seksueel misbruik van
kinderen, zowel in Nederland als daarbuiten, is volstrekt onaanvaardbaar. Voor een
verdere toelichting op dit punt verwijs ik u naar het antwoord op vraag 30.
57. Tevens vragen deze leden hoe het kabinet de rol die Nederland zichtbaar speelt
in het misbruiken van kinderen online, vaak via livestreams, duidt, en welke consequenties
het daaraan verbindt voor het beleid.
Het is onze maatschappelijke plicht om effectief op te treden tegen seksueel kindermisbruik,
nationaal en internationaal. Kinderen waar dan ook ter wereld dienen te worden beschermd,
slachtoffers geholpen en daders dienen te worden aangepakt. De grensoverschrijdende
aard van deze misdrijven maakt de aanpak ervan bijzonder complex, maar niet minder
urgent.
Ik blijf mij, samen met de hele de gehele keten, onverminderd inzetten voor een veilige
samenleving en een effectieve justitiële aanpak om de maatschappij te beschermen tegen
de ernstige gevolgen van transnationaal en online seksueel kindermisbruik.
Ook maken de leden van de ChristenUnie-, VVD-, SGP- en 50Plus-fracties zich zorgen
over het wegvallen van de tijdelijke Europese derogatie die vrijwillige detectie van
kindermisbruikmateriaal mogelijk maakte. Hierdoor is een reëel gat ontstaan in de
bescherming van kinderen online: beelden en livestreams van seksueel misbruik kunnen
ongezien worden gemaakt, verspreid en geconsumeerd.
58. Deze leden vragen het kabinet welke concrete stappen het zet om dit gat in de
bescherming te dichten. Kan het kabinet uiteenzetten hoe kinderen op dit moment daadwerkelijk
worden beschermd, nu vrijwillige detectie juridisch onder druk staat? Erkent het kabinet
dat een aanpak die grotendeels leunt op vrijwillige meldpunten onvoldoende is, zeker
bij livestreaming, waarbij geen vast beeldmateriaal ontstaat?
Het kabinet deelt de zorgen van deze leden ten zeerste. Het uitblijven van een verlenging
van de tijdelijke interim-derogatie is zeer teleurstellend, juist omdat vrijwillige
detectie een belangrijk onderdeel vormt van de huidige Nederlandse aanpak van online
seksueel kindermisbruik. Nederland heeft zich daarom actief ingezet voor verlenging
van deze regeling.
Door het vervallen van de tijdelijke juridische basis is onduidelijkheid ontstaan
over de mogelijkheden voor aanbieders van interpersoonlijke communicatiediensten om
vrijwillig materiaal van seksueel kindermisbruik te detecteren, rapporteren en verwijderen.
Het kabinet acht dit onwenselijk. Er bestaat een reëel risico op een beschermingsgat,
al zijn de concrete gevolgen op dit moment nog moeilijk volledig te overzien. Het
kabinet zal de ontwikkelingen, signalen uit de praktijk en beschikbare cijfers daarom
nauwlettend blijven monitoren.
Tegelijkertijd hebben verschillende techplatforms publiekelijk aangegeven hun inspanningen
om kinderen te beschermen voort te zetten. Voor zover aanbieders vrijwillige detectie
blijven toepassen, geldt dat zij dit binnen de kaders van het geldende Europese recht
zullen moeten doen.
Het kabinet onderkent daarnaast dat een aanpak die uitsluitend leunt op vrijwillige
meldingen en meldpunten beperkingen kent, zeker bij fenomenen als livestreaming van
seksueel kindermisbruik, waarbij niet altijd sprake is van vast beeldmateriaal dat
achteraf kan worden opgespoord of verwijderd. Dat onderstreept volgens het kabinet
de urgentie van een effectief, proportioneel en juridisch houdbaar Europees kader.
Het kabinet blijft zich daarom onverminderd inzetten om op Europees niveau zo snel
mogelijk tot een slagvaardig en duurzaam kader te komen voor de aanpak van online
seksueel kindermisbruik en de bescherming van kinderen.
De leden van de ChristenUnie-, VVD-, SGP- en 50Plus-fracties zijn van mening dat structurele
oplossingen nodig zijn die kinderen centraal stellen. Daarbij hoort ook het verkennen
van safety-by-design-principes: systemen die van meet af aan zo zijn ontworpen dat
het maken en verspreiden van seksueel misbruikmateriaal wordt voorkomen.
59. Is het kabinet bereid om te onderzoeken of lokale, apparaatgebonden blokkering
van bekend schadelijk materiaal volgens het principe van safety-by-design een reëel
alternatief kan zijn voor grootschalige monitoring en detectie? En is het kabinet
bereid deze benadering actief te agenderen in Europees verband, met het expliciete
doel om zowel de privacy van gebruikers als de bescherming van kinderen recht te doen?
Voor het antwoord op deze vraag, verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 29 en
49.
De leden van de ChristenUnie-, VVD-, SGP- en 50Plus-fracties grote waarde aan internationale
samenwerking, in het bijzonder met landen waar veel slachtoffers van livestreaming
zich bevinden, zoals de Filipijnen. Programma’s als PICACC zijn van cruciaal belang
voor preventie, opsporing en slachtofferbescherming.
60. Deze leden vragen het kabinet dan ook of het kan garanderen dat de financiering
voor deze samenwerking ook na 2027 wordt voortgezet. Indien dit niet kan worden gegarandeerd,
welke alternatieven ziet het kabinet om deze bewezen effectieve internationale aanpak
te borgen?
Het eerder genoemde PICACC is in 2019 opgericht om de problematiek van transnationaal
kindermisbruik middels livestreaming aan te pakken. PICACC is een samenwerkingsverband
tussen politiediensten uit de Filipijnen, Australië, het Verenigd Koninkrijk en de
organisatie International Justice Mission (IJM). Deelname houdt onder andere in dat
er een thematisch Liaison Officer (LO) van de politie in de Filipijnen is gestationeerd.
Nederland neemt sinds 2021 deel aan PICACC en heeft zich in de vorm van een Memorandum
of Understanding (MoU) gecommitteerd. Echter, deze thematische LO betreft een flexibele
post en voor de flexibele posten geldt dat de voortzetting afhankelijk is van een
(positieve) evaluatie. De politie is recent gestart met deze evaluatie en streeft
ernaar om vóór de zomer van 2026 te komen tot interne besluitvorming op basis van
de evaluatie. Daarna kan de financiering voor de jaren 2027 tot en met 2030 worden
geregeld in het bestedingsplan.
Ook binnen het Ministerie van JenV wordt grote maatschappelijke en bestuurlijke waarde
gehecht aan de positie van de thematische LO in de Filipijnen. Om die reden heeft
het ministerie een positief advies aangeboden aan de politie om in de evaluatie van
deze flexibele post mee te nemen. Indien aan de hand van de evaluatie toch wordt besloten
dat deze plaatsing niet wordt verlengd, zal er worden gekeken naar andere alternatieven
om de internationale aanpak te borgen.
Voor een nadere toelichting over de internationale aanpak, verwijs ik u naar het antwoord
op de vragen 19 tot en met 23.
Het baart de leden van de ChristenUnie-, VVD-, SGP- en 50Plus-fracties grote zorgen
dat naar schatting 54 procent van de meldingen van kindermisbruikbeelden wereldwijd
in Nederland wordt gehost.
61. Welke aanvullende wet- en regelgeving is het kabinet bereid te ontwikkelen of
in te zetten om hosting van dit materiaal vanuit Nederland terug te dringen?
Het kabinet zal zich aanvullend blijven inzetten om te komen tot een effectief en
slagvaardig Europees kader voor de aanpak van online seksueel kindermisbruik in de
onderhandelingen van de CSAM-Verordening, die moet voorzien in een kader voor interpersoonlijke
communicatiediensten en hostingdiensten.
Over de verkenning naar de aanpak van bad hosting is de Kamer eerder geïnformeerd.37 Binnen deze aanpak worden verschillende maatregelen tegen aanbieders die geen of
weinig maatregelen nemen tegen het faciliteren van malafide activiteiten in de online
omgeving nader uitgewerkt. Als onderdeel hiervan wordt er onder andere gekeken naar
de mogelijkheid om een «Know your customer»-beleid (KYC-beleid) voor de hostingsector
wettelijk te verankeren. Met een KYC-beleid kunnen opsporingsdiensten klanten van
hostingpartijen sneller identificeren bij sprake van malafide activiteiten. De Kamer
wordt vóór het zomerreces nader geïnformeerd over de voortgang van de aanpak tegen
bad hosting.
Daarnaast blijft het kabinet inzetten op publiek-private samenwerking en een goede
toepassing van bestaande wet- en regelgeving zoals de Digitaledienstenverordening
(of ook wel: Digital Services Act (DSA)).
Voor een nadere toelichting over het beleid dat het kabinet ontwikkelt om de hosting
van dit materiaal terug te dringen, verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 1,
6, 7, 42, 43 en 50.
62. Hoe beziet het kabinet de verantwoordelijkheid van techbedrijven, hostingpartijen
en betaalplatforms bij het voorkomen en stoppen van online seksueel misbruik van kinderen,
met name bij livestreaming waar de technische en financiële infrastructuur cruciaal
is? En welke stappen zet het kabinet zowel nationaal als internationaal om deze bedrijven
tot verbeteringen te prikkelen en te dwingen?
Voor het antwoord op deze vragen, verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 1, 6,
7, 42, 43 en 50.
De leden van de ChristenUnie-, VVD-, SGP- en 50Plus-fracties onderschrijven de ambitie
om Nederland «koploper in een digitale wereld» te laten zijn, maar stellen vast dat
die ambitie alleen geloofwaardig is als daarbij de online veiligheid van kinderen
daadwerkelijk wordt gewaarborgd.
63. Kan het kabinet uiteenzetten hoe wordt geborgd dat wat offline strafbaar is, ook
online effectief wordt gehandhaafd?
Het is onaanvaardbaar als online omgevingen verworden tot een vrijplaats voor illegale
content en strafbare activiteiten. Het kabinet zet zich dan ook in om wat offline
strafbaar is, ook online effectief te handhaven.
Dat gebeurt door interdepartementaal samen te werken en via de inzet van meerdere
instrumenten. Zo zet het kabinet in op wetgevende instrumenten zoals de Verordening
terroristische online-inhoud en de DSA en blijft het kabinet zich inspannen voor aanvullende
wetgevende instrumenten waar nodig, zoals de Verordening ter voorkoming en bestrijding
van seksueel kindermisbruik waarover nog wordt onderhandeld. Deze drie verordeningen
leggen tussenhandeldiensten meer (zorgvuldigheids)verplichtingen op, onder meer met
betrekking tot illegale online content. Tegen malafide hostingpartijen worden binnen
de aanpak van bad hosting verschillende maatregelen nader uitgewerkt, en wordt onder
andere gekeken naar de mogelijkheid om een «Know your customer»-beleid (KYC-beleid)
voor de hostingsector wettelijk te verankeren. Met een KYC-beleid kunnen opsporingsdiensten
klanten van hostingpartijen sneller identificeren bij sprake van malafide activiteiten.
Hiernaast blijf ik ook de dialoog zoeken met de internetsector over trends in contentproblematiek,
uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices en relevante wet- en regelgeving.
Onmisbaar is de continue inzet van nationale en internationale toezichthouders en
handhavingsautoriteiten. Ik volg de ontwikkelingen op het gebied van toezicht en handhaving
met belangstelling en betrek de daaruit voortkomende ervaringen en inzichten bij verdere
beleidsontwikkeling.
Tot slot benut ik de bestaande mogelijkheden onder de DSA zo goed mogelijk. Zo ondersteunt
mijn ministerie betrouwbare flaggers, zoals stichting Offlimits en Meld.Online Discriminatie,
die door de ACM op basis van de DSA zijn aangewezen. Hun meldingen moeten door hostingdiensten
en online platforms met prioriteit worden behandeld. In 2027 worden de DSA en de bijbehorende
nationale uitvoeringswet geëvalueerd op het effect en doeltreffendheid. Mijn ministerie
zal hier actief aan bijdragen.
64. Hoe is dit specifiek terug te zien in de aanpak van seksueel misbruik via livestreams,
waar opsporing en bewijsvoering complexer zijn? En welke aanvullende stappen gaat
het kabinet, in het licht van de grote problematiek zoals aan de kaak gesteld in de
documentaire, op dit terrein zetten?
Het WODC-onderzoek «Risicotaxatie bij plegers van transnationaal seksueel kindermisbruik»38 en de beleidsreactie daarop39 bevestigen dat TSK-zaken inherent complex zijn en dat de opsporing daarvan een arbeidsintensief
en langdurig proces vormt. Het blijkt in de praktijk uiterst lastig om tot het identificeren
van TSK-verdachten te komen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 zal ik in
gesprek gaan met het OM en de politie over de toepassingsmogelijkheden van bepaalde
bijzondere opsporingsbevoegdheden in een vroeger stadium.
De inzet van politie Liaison Officers (LO) en de thematische LO in het buitenland
draagt ook bij aan de informatiepositie van de politie met betrekking tot mogelijke
TSK-plegers. Zij zijn de verbindende schakel tussen de Nederlandse strafrechtketen
en buitenlandse politiediensten. Ik zal verkennen hoe in de samenwerking van de Nederlandse
politie met buitenlandse partners het onderwerp TSK een prominente rol kan krijgen.
De reclassering is dit kalenderjaar gestart met een vernieuwde werkwijze voor het
controleren van digitale gegevensdragers bij veroordeelden voor online seksueel kindermisbruik,
wat in de toekomst eventueel kan worden uitgebreid naar TSK-plegers.
Daarnaast besteedt mijn ministerie aandacht aan preventie, bijvoorbeeld door het financieel
ondersteunen van zowel de bewustwordingscampagne van Defence for Children – ECPAT
(Don’t look away») en de preventiecampagne van stichting Offlimits. Beide zijn gericht
op reizigers, om hen bewust te maken van deze problematiek en de strafbaarheid van
TSK, signalen te herkennen en van mogelijkheden voor het melden en preventieve hulp.
Voor de volledigheid verwijs ik u ook graag naar de antwoorden op vraag 1 en vraag
7.
Verder vragen de leden van de ChristenUnie-, VVD-, SGP- en 50Plus-fracties aandacht
voor financiële opsporing.
65. Deze leden horen signalen dat betalingen en verdachte transacties een belangrijk
aanknopingspunt kunnen zijn bij het opsporen van livestreammisbruik. Herkent het kabinet
dit? En is het kabinet bereid om deze opsporingsroute nader te onderzoeken en waar
mogelijk te versterken, bijvoorbeeld in samenwerking met financiële instellingen en
opsporingsdiensten?
Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 41 werkt de FIU-NL nauw samen met TBKK
en heeft er in 2025, samen met banken, betaaldienstverleners en betaalplatformen een
kennissessie plaatsgevonden om de herkenbaarheid van de financiële signalen te verbeteren.
De financiële signalen bieden goede aanknopingspunten maar kennen ook beperkingen,
onder meer doordat meldingen verspreid zijn over meerdere partijen in de betalingsketen
en een wettelijke grondslag voor informatie-uitwisseling tussen meldingsplichtige
instellingen op dit moment ontbreekt. Het aankomende EU AML-pakket40 biedt naar verwachting meer ruimte voor informatie-uitwisseling tussen meldende instellingen.
Of dit de specifieke knelpunten in de betalingsketen bij livestreammisbruik zal helpen
te adresseren, moet nader worden bezien bij implementatie. Met het antwoord op deze
vraag en gerelateerde vragen, zoals vraag 41, beschouw ik de motie van het lid Ceder
van 10 maart 2026 als afgedaan. In deze motie wordt de regering gevraagd om in overleg
met relevante partijen als banken, politie en maatschappelijke organisaties te verkennen
te verkennen welke maatregelen genomen kunnen worden om via verdachte financiële transacties
onlinemisbruik aan te pakken, en de Kamer hier uiterlijk in het derde kwartaal van
2026 over te informeren.41
Tot slot vragen de leden van de ChristenUnie-, VVD-, SGP- en 50Plus-fracties het kabinet
om een reactie op het door de politie in het openbare gesprek ingebrachte punt dat
informatie van de politieteams die zich bezighouden met de bestrijding van kinderporno
niet wordt gebruikt bij de afgifte van verklaringen omtrent het gedrag (VOG’s).
66. Ziet het kabinet hierin net als deze leden een mogelijkheid om het VOG-stelsel
te verbeteren en kinderen beter te beschermen? En is het kabinet bereid om de hiervoor
benodigde stappen in werking te zetten?
Politieteams die zich specifiek bezighouden met de bestrijding van seksueel misbruik
van kinderen (waaronder de TBKK’s) verwerken hun gegevens conform de Wet politiegegevens.
Deze gegevens kunnen na verstrekking door de politie door Justis betrokken worden
bij de beoordeling voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Dit geldt voor zowel
de reguliere VOG, waar politiegegevens enkel worden geraadpleegd ter inkleuring van
justitiële gegevens, als voor de VOG politiegegevens, waar politiegegevens standaard
worden geraadpleegd en deze ook een zelfstandige weigeringsgrond kunnen vormen.
Een deel van deze politiegegevens is echter niet geautomatiseerd benaderbaar door
andere afdelingen binnen de politie, omdat hier bijvoorbeeld kinderpornografisch beeldmateriaal
aan ten grondslag ligt. Deze informatie wordt momenteel niet betrokken bij de beoordeling
van VOG-aanvragen door Justis. Het valt vervolgens niet uit te sluiten dat hier relevante
en deelbare informatie in zit over personen, die bij kan dragen aan de VOG-beoordeling.
De politie kan op dit moment niet inschatten welke informatie gemist wordt.
Onderzoeksbureau Dialogic doet momenteel in opdracht van het WODC onderzoek naar de
voor- en nadelen van het gebruik van politiegegevens als zelfstandige weigeringsgrond
voor functies waarin sprake is van een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of een locatie
waar zich kwetsbare personen bevinden. Dit rapport biedt naar verwachting ook meer
inzicht in de concrete kansen en uitdagingen in het gebruik van deze gegevens en aan
welke randvoorwaarden moet worden voldaan om deze gegevens zorgvuldig te gebruiken.
De onderzoeksresultaten worden naar verwachting na de zomer opgeleverd, waarna deze
aan uw Kamer zullen worden gezonden. In de beleidsreactie zal de Staatssecretaris
van JenV ingaan op eventuele vervolgstappen.
BIJLAGE I INBRENG OFFLIMITS OVER WAT ER NODIG IS OM ONLINE TRANSNATIONAAL SEKSUEEL
KINDERMISBRUIK EFFECTIEF AAN TE PAKKEN
«Livestreaming is onderdeel van de complete aanpak van online seksueel geweld tegen
kinderen. Over deze complete aanpak hebben wij grote zorgen. De vraag of er genoeg
capaciteit is om tijdig en effectief op alle meldingen van online seksueel kindermisbruik
te reageren, speelt niet alleen bij de politie, maar ten zeerste ook bij ons. Wij
komen 20% tekort op onze begroting volgend jaar. Wat betekent dat we al onze huidige
meldingen niet tijdig en effectief op kunnen pakken, in ons jaarverslag van gisteren
kun je lezen hoeveel dat er zijn: https://offlimits.nl/nieuws/jaarcijfers-recordaantal-meldingen-beeldmat…. Daarbij kunnen we dan de jaarlijkse stijging ook niet meer aan.
Aangezien wij de digitale dijkbewaking zijn die veel werk afvangen van bijvoorbeeld
de politie, gaat dit enorme problemen veroorzaken. Bijvoorbeeld minder ruimte bij
de politie om complexe onderzoeken als livestreaming op te pakken. Al het werk wat
wij niet kunnen doen, zal dan direct doorstromen naar de straf en zorgketen, die nu
al worstelen. Terwijl we weten, 70% van de mensen geholpen aan de hulplijn heeft geen
verdere hulp nodig. En 75% van de meldingen van misbruikmateriaal van kinderen gaat
binnen 24 uur offline. En het werk wat we doen bij de Preventielijn om (online) kindermisbruik
te voorkomen, kan door niemand anders gedaan worden. Ons werk scheelt de politie en
zorg enorm veel capaciteit. En die dijkbewaking, die staat dus onder grote druk.
Wij gaan daarom heel graag in gesprek met de Minister – eventueel ook met de andere
ketenpartners en hulporganisaties – om dit nader toe te lichten en om de Minister
te voorzien van ons advies over wat er in onze visie nodig is om deze vorm van misbruik
effectief aan te pakken.»
BIJLAGE II INBRENG NATIONAAL RAPPORTEUR MENSENHANDEL EN SEKSUEEL GEWELD TEGEN KINDEREN
OVER WAT ER NODIG IS OM ONLINE TRANSNATIONAAL SEKSUEEL KINDERMISBRUIK EFFECTIEF AAN
TE PAKKEN
«Deze reactie kan niet gezien worden als een dergelijk actueel en omvattend advies
maar een weergave van de belangrijkste punten die we op basis van onze expertise in
dit verband graag onder uw aandacht willen brengen.
De Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen heeft als wettelijke
taak om ontwikkelingen in de aard, omvang en aanpak van mensenhandel en seksueel geweld
tegen kinderen te onderzoeken en de regering hierover te adviseren.
Transnationaal seksueel kindermisbruik (TSK) omvat zowel het fysiek afreizen om misbruik
te plegen als online misbruik, bijvoorbeeld via livestreams. In het laatste geval
worden seksuele handelingen met of door een kind op afstand bekeken. Soms geeft de
kijker specifieke opdrachten en wordt hiervoor betaald. Er is in de afgelopen decennia
veel onderzoek gedaan naar TSK.42,
43 In mei 2025 publiceerde het WODC een wetenschappelijk onderzoek waarin werd geschat
dat jaarlijks 20.000 mannen vanuit Nederland naar het buitenland afreizen om kinderen
seksueel te misbruiken. In die studie was de groep respondenten die aangaf ooit fysiek
TSK te hebben gepleegd even groot als de groep die aangaf ooit te hebben deelgenomen
aan livestreams waarin minderjarigen werden misbruikt. Daarnaast gaf 86% van de online
plegers aan ook fysiek misbruik met kinderen te hebben gepleegd. TSK, zowel fysiek
als via livestreams, is een van de meest ernstige vormen van seksueel geweld tegen
kinderen. De recente toegenomen aandacht voor online en livestreammisbruik is daarom
noodzakelijk, al zijn het geen nieuwe fenomenen.
In september vorig jaar heb ik in een opiniestuk in de Volkskrant mijn verbazing geuit over het feit dat dit onderzoek en deze schokkende
bevindingen niet hebben geleid tot een stevige politieke reactie. Terwijl het rapport
voldoende en goed onderbouwde aanbevelingen doet een dergelijke (re)actie vorm te
geven. Ik herhaal derhalve de oproep die ik deed in de Volkskrant om te komen met
een duidelijke visie en strategie op dit thema, op basis van gedane onderzoeken en
aanbevelingen. Binnen deze visie en strategie dienen de volgende aspecten een plek
te krijgen;
Specialisatie binnen opsporing op TSK
Zorg ervoor dat binnen de opsporing specialisten TSK binnen het TBKK (Team ter Bestrijding
van Kinderporno en Kindersekstoerisme) worden aangewezen en vrijgemaakt specifiek
voor de aanpak TSK. Hetzelfde geldt voor Liaison Officers (LOs) in de landen waar
het seksueel kindermisbruik plaatsvindt. Door capaciteitsgebrek en noodzaak tot prioritering
bij TBKK en algemene LOs is er vaak geen tijd voor (arbeidsintensieve) TSK zaken.
Deze vorm van seksueel kindermisbruik vraagt om een specialistische aanpak, waarin
het opbouwen en onderhouden van een internationaal netwerk belangrijk is en tijd vraagt.
Het specialisme en de beschikbare tijd is nu te veel afhankelijk van bepaalde personen
binnen de politie en moet in de toekomst beter en breder geborgd worden.
Versterken van de informatiepositie
Zorg dat Team Criminele Inlichtingen (TCI) een rol krijgt bij het verzamelen van informatie
rondom TSK, inclusief informatie relevant voor het inschatten van het risico op recidive
bij veroordeelden. Zorg ervoor dat informatie bij verschillende diensten op structurele
wijze bij elkaar worden gebracht.
Bij livestream seksueel kindermisbruik zijn financiële transacties een belangrijke
indicator voor het detecteren van het misdrijf en de pleger. De FIU (Financial Intelligence
Unit) zou hierbij een belangrijke rol kunnen spelen.
Benutten en uitbreiden bevoegdheden
Kijk naar landen als Australië en de VS voor bevoegdheden die nodig zijn om TSK te
detecteren, zoals het inzien van telefoons bij inreizen van mogelijke plegers en het
koppelen van informatie over reisbewegingen en financiële transacties bijvoorbeeld.
Het onderzoek van Bureau Beke uit 2022 geeft een goed inzicht in effectieve maatregelen
op dit gebied die in andere landen worden ingezet.44
Berechten in Nederland
Het uitgangspunt dat vervolging bij voorkeur geschiedt in het land waar kindermisbruik
heeft plaatsgevonden verdient heroverweging, zeker in geval van livestreaming van
seksueel kindermisbruik omdat de plegers zich vaak in Nederland bevinden. Wanneer
het duidelijk is dat Nederlandse plegers in het land waarin zij een slachtoffer hebben
gemaakt, hoogstwaarschijnlijk niet vervolgd zullen worden, zou Nederland minder terughoudend
moeten zijn om de – al bestaande – mogelijkheid om deze plegers in Nederland te vervolgen
in te zetten. Onderzoek bijvoorbeeld de mogelijkheid om digitale middelen te gebruiken
voor het horen van slachtoffers en getuigen in het buitenland, of benut mogelijkheden
om dit te doen met hulp van opsporingsdiensten in deze landen. Het TBKK heeft immers
met die laatste mogelijkheid al ervaring opgedaan. De huidige terughoudendheid is
niet in het belang van de slachtoffers en is nadelig als het gaat om preventie van
recidive.
Monitoren van veroordeelden
Zorg voor adequate risicotaxatie en bij hoog recidiverisico voor mogelijkheden om
barrières op te werpen. Zorg dat meer gebruik wordt gemaakt van mogelijkheden voor
green notices, reisverboden, inname paspoorten. Zorg ervoor dat informatie over Nederlanders
die veroordeeld zijn in het buitenland wordt gedeeld met de opsporing in Nederland.
Zoals gezegd is dit een korte weergave van mogelijkheden in de aanpak van TSK en livestream
seksueel kindermisbruik. Ik licht deze punten graag nader toe in een gesprek.»
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
S.F.F. Meijer, adjunct-griffier