Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over LVVN-inzet in de EU (Kamerstuk 21501-32-1812)
21 501-32 Landbouw- en Visserijraad
Nr. 1824
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 3 juli 2026
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur over de brief van 8 juni 2026 over LVVN-inzet in de EU (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1812).
De vragen en opmerkingen zijn op 10 juni 2026 aan de Minister van Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van 3 juli 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Steen
Adjunct-griffier van de commissie, Bosman
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vraag
De leden van de D66-fractie zijn van mening dat kracht en weerbaarheid ontstaan bij
diversiteit: in de natuur, in de economie en in ons voedselsysteem. Hoe afhankelijker
Europa is van slechts enkele landen voor grondstoffen als kunstmest en krachtvoer,
hoe kwetsbaarder het continent is voor externe schokken. De geopolitieke ontwikkelingen
van de afgelopen jaren maken deze kwetsbaarheid pijnlijk zichtbaar. Deze leden zijn
dan ook van mening dat het nieuwe Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB) een cruciale
kans biedt om Europese voedselzekerheid structureel weerbaarder te maken door te investeren
in grondgebondenheid, diversificatie van voedselproductie en verduurzaming.
De leden van de D66-fractie hechten specifiek aan grondgebondenheid als middel om
zowel de voedselzekerheid als de natuur- en milieudoelen te versterken. Grondgebonden
landbouw vermindert de afhankelijkheid van externe inputs van buiten Europa zoals
kunstmest en krachtvoer en draagt bij aan een schokbestendiger voedselsysteem. Deze
leden constateren echter dat grondgebondenheid op dit moment geen centrale plek lijkt
te hebben in de Europese GLB-discussie. Is de Minister bereid om grondgebondenheid
als beleidsprioriteit actief te agenderen in de Europese GLB-onderhandelingen? Zo
ja, op welke wijze geeft hij daar concreet invulling aan?
Antwoord
Grondgebondenheid is een breed thema dat zowel in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid
(GLB) als in andere Europese regelgeving, zoals de Nitraatrichtlijn en de Vogel- en
Habitatrichtlijn (VHR), relevant is. Daarnaast is het voornemen voor een norm van
grondgebondenheid ook opgenomen in het addendum van het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn. Ook wordt binnen de onderhandelingen over het toekomstige
GLB reeds gesproken over het stimuleren van extensivering als middel om GLB-doelen
voor bijvoorbeeld waterkwaliteit te realiseren. Grondgebondenheid is in de gesprekken
daarbij geen doel op zich, maar een middel om overkoepelende doelen te realiseren.
Vraag
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brieven van
de Minister over de eco-regeling (Kamerstukken 28 625, nrs. 383 en 384). Deze leden onderschrijven het belang van de eco-regeling als instrument voor de
verduurzaming van de landbouw en steunen de inzet van de Minister om de regeling voorspelbaarder
en rechtvaardiger te maken voor deelnemende boeren. De Minister schrijft dat hij de
eco-regeling per 2027 wil aanpassen via een flexibelere punten-instapeis, het afschaffen
van de medaillesystematiek en de uitbetaling van de werkelijk behaalde waarde. Deze
leden juichen deze aanpassingen toe, maar vragen of dit voldoende is om de regeling
ook inhoudelijk scherper te richten op duurzaamheidsdoelen. Overweegt de Minister
naast de aangekondigde aanpassingen ook een inhoudelijke herijking van de set aan
eco-activiteiten en de bijbehorende puntentoekenning, zodat de regeling beter aansluit
op de meest impactvolle verduurzamingsdoelen? Hoe wordt Wageningen University & Research
(WUR) daarin betrokken?
De leden van de D66-fractie constateren dat de eco-activiteit «voedselbos» momenteel
niet voldoende punten oplevert om de eco-premie te ontvangen. Aan voedselbossen is
een biodiversiteitsscore van 1 toegekend door de WUR, waarbij gewezen is op de risico’s
van uitheemse soorten. Deze leden wijzen er echter op dat de WUR in het rapport «Richtlijnen
voor risicobeperking invasieve exoten in agroforestry», opgesteld in opdracht van
het ministerie, heeft geconcludeerd dat het beperkte risico van invasieve exoten niet
opweegt tegen de voordelen van agroforestry voor biodiversiteit en de Nederlandse
natuur, mits de aanbevolen negatieve soortenlijsten worden gehanteerd1.
Antwoord
De aangekondigde wijzigingen voor 2027 zijn primair gericht op het robuuster, voorspelbaarder
en beter uitvoerbaar maken van de eco-regeling. Wageningen University & Research (WUR)
speelt hierbij een belangrijke rol, onder meer bij het beoordelen van de bijdragen
van eco-activiteiten aan de eco-doelen. Zo worden ook de inzichten van het WUR-rapport
over de risico’s van invasieve exoten binnen agroforestry-systemen betrokken bij de
beoordeling van de eco-activiteit voedselbos. Daarbij wordt ook gekeken naar de puntentoekenning
van deze eco-activiteit. De Minister zal de Kamer binnenkort informeren over het advies
van de WUR over de eco-activiteit voedselbos. Een bredere herijking van alle eco-activiteiten
maakt op dit moment geen deel uit van de systeemwijzigingen voor 2027. De resultaten
van monitoring, evaluaties en onderzoeken van onder meer WUR blijven echter een belangrijke
basis voor de doorontwikkeling van de eco-regeling in het GLB vanaf 2028.
Vraag
De leden van de D66-fractie hechten aan een zorgvuldige, onafhankelijke onderbouwing
van de puntentoekenning voor eco-activiteiten, maar vragen of de meerwaarde van voedselbossen
voor biodiversiteit bij de huidige score voldoende is gewogen. Is de Minister bereid
om voor het aanvraagjaar 2027 een second opinion van de WUR te vragen over de puntentoekenning
voor de eco-activiteit voedselbos, waarbij expliciet de voordelen voor biodiversiteit
worden afgezet tegen de risico’s van uitheemse soorten, uitgaande van de aanbevelingen
uit het eerdergenoemde agroforestry-rapport?
Antwoord
Er is reeds aan WUR gevraagd om een nieuw advies voor de puntentoekenning van de activiteit
voedselbos. Daarover zal de Minister de Kamer binnenkort informeren.
Vraag
Tot slot vragen deze leden hoe de Minister de relatie ziet tussen de huidige nationale
eco-regeling en de toekomstige GLB-systematiek, die in het voorstel van de Europese
Commissie (EC) voor 2028–2034 de eco-regelingen en het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer
(ANLb) samenvoegt in één systeem van vrijwillige agromilieu- en klimaatacties. Deze
leden zijn van mening dat het behoud, de verbreding en de versterking van een ambitieuze
eco-regeling cruciaal zijn voor een duurzame, weerbaardere landbouw.
Antwoord
Het Europese voorstel verplicht lidstaten niet om regelingen samen te voegen. Het
samenvoegen gaat slechts over de onderliggende juridische financiële voorwaarden voor
uitbetaling van Europese gelden voor deze regelingen. In de voorstellen van de Europese
Commissie (hierna: de Commissie) voor de vrijwillige agromilieu- en klimaatacties
blijft een individuele en breed toegankelijke regeling gericht op duurzame maatregelen
op bedrijfsniveau rondom water, klimaat, landschap, bodem, lucht en biodiversiteit,
zoals de eco-regeling, mogelijk. De Minister onderzoekt momenteel hoe een dergelijke
regeling in samenhang met het agrarisch natuurbeheer kan worden doorontwikkeld in
het toekomstige GLB, waarbij hij rekening houdt met het doelbereik van de regeling
en de complexiteit voor de uitvoerende instanties en agrariërs.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brieven over de Nederlandse
inzet in de Europese Unie (EU) op het terrein van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur (LVVN), de reactie op het Deense EU-voorzitterschap, de stand van zaken
van het LB en de eco-regeling. Deze leden onderschrijven het belang van een sterke
landbouw- en visserijsector die kan rekenen op een gelijk speelveld, ruimte voor innovatie
en een toekomstbestendig verdienvermogen. Zij hebben naar aanleiding van de stukken
nog enkele vragen.
Vraag
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de aangekondigde
Europese stresstest van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Deze leden zien hierin een
belangrijke kans om de uitvoerbaarheid van de Europese natuurwetgeving en de gevolgen
daarvan voor vergunningverlening kritisch te evalueren. Zij constateren dat de C hierbij
expliciet kijkt naar de toepassing van artikel 6 van de Habitatrichtlijn en de gevolgen
daarvan voor Natura 2000-gebieden, passende beoordelingen en vergunningverlening.
Deze leden vragen hoe de Minister deze stresstest beoordeelt. Welke concrete Nederlandse
inzet kiest het kabinet in dit traject?
Antwoord
Het kabinet verwelkomt de stresstest van de VHR. De stresstest bouwt voort op de in
2016 uitgevoerde VHR Fitness-check. Hierin is de VHR «fit-for-purpose» bevonden. De
stresstest focust op hoe de bestaande VHR-doelstellingen op een kostenefficiëntere
manier behaald kunnen worden, inclusief door mogelijkheden te verkennen voor het verminderen
van onnodige administratieve lasten in de uitvoering. De stresstest is een technisch
onderzoek en heeft niet als doel om de inhoudelijke doelstellingen of het bestaande
beschermingsniveau aan te passen. De resultaten van de stresstest zullen daarmee aantonen
of wijzigingen in de VHR nodig zijn om administratieve lasten te verlagen of de richtlijnen
kostenefficiënter uit te voeren. De Commissie vraagt lidstaten inbreng te leveren,
onder andere via een technisch-inhoudelijke consultatie. De voorbereidingen daarop
zijn momenteel nog in volle gang.
De VHR-stresstest is een belangrijk traject om ervaringen met de uitvoering van de
VHR onder de aandacht van de Commissie te brengen. De stresstest biedt de mogelijkheid
om de Commissie inzage te bieden in de specifieke uitdagingen waar Nederland mee te
maken heeft, aan de hand van data, feiten en concrete casuïstiek. Daarnaast biedt
de stresstest de kans om de verbeteringen, goede praktijken en oplossingsrichtingen
die Nederland de afgelopen jaren heeft ontwikkeld, onder de aandacht te brengen.
Vraag
Is de Minister voornemens de Nederlandse knelpunten rond vergunningverlening, die
mede zijn ontstaan door de opeenstapeling van jurisprudentie rondom artikel 6 van
de Habitatrichtlijn, nadrukkelijk onder de aandacht van de EC te brengen?
Antwoord
De Minister is voornemens om de Nederlandse knelpunten rond vergunningverlening onder
de aandacht te brengen. Deze knelpunten kennen overigens een veelheid aan oorzaken,
waaronder de slechte staat van natuur en het achterblijven van natuurherstelmaatregelen.
De goede werking van de Habitatrichtlijn zou kunnen verbeteren indien bepaalde begrippen
verhelderd en eenduidig uitgelegd worden.
Vraag
Deze leden vragen voorts of de Minister bereid is zich ervoor in te zetten dat projecten
die aantoonbaar leiden tot emissiereductie eenvoudiger vergund kunnen worden.
Antwoord
Het kabinet zet zich in om vergunningverlening mogelijk te maken. Waar activiteiten
aantoonbaar niet leiden tot significante negatieve effecten op de natuur is vergunningverlening
reeds mogelijk. Met het maatregelpakket van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur
en Stikstof zal dit op meer plekken het geval worden. Bovendien zet het kabinet zich
op Europees niveau ervoor in om verduurzamingsprojecten die aantoonbaar bijdragen
aan emissiereductie te vergemakkelijken, wanneer dergelijke inzet niet leidt tot extra
schade aan gezondheid, natuur en milieu.
Vraag
Ook vragen zij of de Minister mogelijkheden ziet om meer duidelijkheid te verkrijgen
over de beoordeling van significante effecten en meer rechtszekerheid te creëren voor
maatregelen die op gebieds- of systeemniveau leiden tot stikstofreductie.
Antwoord
In het kader van de stresstest heeft de Minister bij de Commissie onder de aandacht
gebracht dat het voor initiatiefnemers soms een zware last is om aan te tonen dat
significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. De bijbehorende
onderzoekslasten worden door kleine initiatiefnemers regelmatig als disproportioneel
zwaar ervaren. Daardoor kan het ook voorkomen dat kleinere of minder draagkrachtige
initiatiefnemers zich geen vergunningaanvraag kunnen veroorloven en meer draagkrachtigen
wel. Een meer expliciete koppeling met de gebiedsgerichte ecologische randvoorwaarden
in de VHR, in plaats van een sterke focus op afzonderlijke soorten en habitattypen,
kan bijdragen aan een eerlijker en effectiever natuurbeleid. Dit heeft de Minister
tevens meegenomen in de Nederlandse inbreng voor de stresstest.
Vraag
Daarnaast vragen zij of de Kamer periodiek geïnformeerd kan worden over de voortgang
van de stresstest en de Nederlandse inzet daarbij.
Antwoord
De Minister zal de Kamer periodiek informeren over de voortgang van de stresstest
en de Nederlandse inzet.
Vraag
De leden van de VVD-fractie steunen de inzet van het kabinet om in Europees verband
te werken aan toelating van Renure, aanpassing van de Nitraatrichtlijn en het verkrijgen
van een nieuwe derogatie. Deze leden constateren tegelijkertijd dat het kabinet zelf
aangeeft dat gesprekken met de EC tot op heden niet hebben geleid tot een wijziging
van de Europese positie. Kan de Minister aangeven welke concrete signalen hij momenteel
ontvangt vanuit de EC en andere lidstaten over de kansen voor Renure en een nieuwe
derogatie?
Antwoord
Op 2 maart jl. is de Europese regelgeving voor Renure in werking getreden en op 12 juni
jl. is de nationale regeling voor het gebruik van Renure-meststoffen in werking getreden.
Hiermee wordt het mogelijk voor agrariërs om onder voorwaarden 80 kilogram stikstof
per hectare boven de stikstofgebruiksruimte voor dierlijke mest aan te wenden met
goedgekeurde Renure-meststoffen (binnen de totaal stikstofgebruiksnorm). De productietechnieken voor Renure die met de recente aanpassing van de Nitraatrichtlijn
zijn toegestaan, zijn op dit moment met name geschikt voor productie en gebruik op
de lokale markt.
Het kabinet zet zich in om de reikwijdte van de circulaire productie en het gebruik
van meststoffen afkomstig uit dierlijke mest uit te breiden. In het Actieplan Meststoffen
van de Commissie is een mogelijke verbreding van de reikwijdte van Renure naar bepaalde
vormen van digestaat aangekondigd. De Kamer is op 26 juni jl. geïnformeerd over de
kabinetsappreciatie van dit Actieplan via een BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 4394).
In de Kamerbrief van 8 april 2026 (Kamerstuk 33 037, nr. 643) heeft de Minister aangegeven momenteel geen ruimte te zien voor een nieuwe mestderogatie.
Naar aanleiding van een verzoek voor een nieuwe derogatie van zijn ambtsvoorganger,
heeft de Commissie gereageerd dat Nederland momenteel niet voldoet aan de voorwaarden
voor een nieuwe derogatie en de Commissie benoemt daarbij de relatie met de stikstofopgave.
Vraag
Voorts vragen deze leden welke alternatieve scenario’s het kabinet voorbereidt indien
een nieuwe derogatie uitblijft. Wat zijn in dat geval de gevolgen voor grondgebonden
melkveebedrijven en de mestmarkt?
Antwoord
In reactie op het verzoek voor een nieuwe derogatie van de ambtsvoorganger van de
Minister, heeft de Commissie aangegeven dat Nederland niet voldoet aan de voorwaarden
voor een nieuwe derogatie. Volgens de Commissie heeft Nederland nog een grote opgave
ten aanzien van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit en zij benoemt ook de stikstofopgave
in Nederland. Gelet hierop ziet de Minister geen ruimte voor een nieuwe mestderogatie
voor Nederland en is het dus niet mogelijk om boven de stikstofgebruiksruimte van
170 kilogram stikstof per hectare meer dierlijke mest te plaatsen. Zoals aangegeven
in de Kamerbrief van 8 april 2026 (Kamerstuk 33 037, nr. 643), heeft het aflopen van de derogatie een grote invloed op de Nederlandse landbouw,
in het bijzonder de melkveehouderij. Om perspectief te bieden aan deze groep agrariërs
ziet de Minister mogelijkheden voor de opschaling van de productie en aanwending van
Renure-meststoffen, waarvan de nationale regelgeving 11 juni jl. in werking is getreden.
Vraag
Daarnaast vragen deze leden welke coalities Nederland momenteel vormt met andere lidstaten
om te komen tot aanpassing van de Nitraatrichtlijn en een meer doelgerichte benadering
van nutriëntenbeleid.
Antwoord
De evaluatie van de Nitraatrichtlijn zal naar verwachting binnenkort worden afgerond.
De Commissie zal een verslag over de resultaten van de evaluatie en een eventueel
opvolgend traject publiceren. Momenteel is het nog niet duidelijk of de evaluatie
daadwerkelijk zal leiden tot een herziening van de Nitraatrichtlijn. De Minister wil
de resultaten van deze evaluatie afwachten en zal de Kamer hierover informeren.
Vraag
De leden van de VVD-fractie constateren dat de eco-regeling een belangrijk instrument
is binnen het GLB om boeren te belonen voor verduurzamingsinspanningen. Tegelijkertijd
hebben veel boeren de afgelopen periode zorgen geuit over afkeuringen van eco-activiteiten
en de werking van het Areaalmonitoringssysteem (AMS). Deze leden zijn positief over
de toezegging van de Minister om alle 1.345 dossiers waarin afwijzing van de eco-activiteit
Groenbedekking heeft geleid tot een lagere premie alsnog handmatig te beoordelen.
Zij vragen of de Minister inmiddels kan aangeven in hoeveel gevallen deze aanvullende
beoordeling heeft geleid tot aanpassing van de beschikking.
Antwoord
De herbeoordeling van de 1.345 dossiers waarin de eco-activiteit Groenbedekking zonder
menselijke tussenkomst is afgekeurd, is nog gaande.
Van de totale groep van 3.724 betrokken percelen is inmiddels circa 60% opnieuw beoordeeld.
Op basis van de tot nu toe afgeronde herbeoordelingen is in ongeveer 2% van de gevallen
de eco-activiteit alsnog goedgekeurd. In de overige gevallen is de oorspronkelijke
beoordeling gehandhaafd.
Nadat de inhoudelijke beoordeling is afgerond, moeten de uitkomsten nog administratief
worden verwerkt in het bredere dossier van de aanvrager. Daardoor kan enige tijd zitten
tussen het afronden van de herbeoordeling en het verzenden van een eventuele herbeschikking
aan de betreffende ondernemer. Hierover is de Kamer geïnformeerd op 5 juni jl. (Kamerstuk
28 625, nr. 384).
Vraag
Zij vragen daarnaast of de Minister bereid is ook andere eco-activiteiten waarbij
bodembedekking een belangrijke voorwaarde is, zoals Groenbemesting, in vergelijkbare
situaties van een menselijke beoordeling te voorzien. Uit voorlopige gegevens van
de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) blijkt volgens de Land- en Tuinbouworganisatie
(LTO) dat het aantal deelnemers aan de eco-regeling in 2026 met ruim 6 procent afneemt
ten opzichte van het voorgaande jaar. Welke conclusies verbindt de Minister aan deze
ontwikkeling?
Antwoord
Voor alle andere eco-activiteiten dan Groenbedekking geldt dat er geen percelen zijn
afgekeurd zonder beoordeling door een medewerker van Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland (RVO). Omdat de uitkomsten van die beoordelingen ook niet afwijken van de
controles ter plaatse door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in 2025
en voorgaande jaren, ziet de Minister geen reden om de andere activiteiten opnieuw
te laten beoordelen.
Ten aanzien van de ontwikkeling in deelname aan de eco-regeling in 2026, heeft RVO
een analyse uitgevoerd naar de afname van het aantal deelnemers aan de eco-regeling
in 2026. Hieruit blijkt dat er geen eenduidige verklaring is voor de daling. 37% van
de agrariërs die in 2026 niet meer deelnemen aan de eco-regeling, hebben ook geen
basisinkomenssteun meer aangevraagd. Daarnaast is er een groep van 2.723 relaties
die wel basisinkomenssteun heeft aangevraagd, maar niet meer deelneemt aan de eco-regeling.
Van deze groep hebben 1.162 deelnemers een lagere uitbetaling ontvangen dan was aangevraagd
in 2025.
Vraag
Deelt de Minister de opvatting dat een brede deelname aan de eco-regeling essentieel
is voor het realiseren van verduurzamingsdoelen binnen de landbouw?
Antwoord
De Minister deelt de opvatting dat een brede deelname aan de eco-regeling van belang
is voor het realiseren van de verduurzamingsdoelen binnen het GLB. De eco-regeling
is een belangrijk instrument om boeren te helpen met verduurzamingsmaatregelen die
bijdragen aan klimaat, milieu, bodem en biodiversiteit. Tegelijkertijd moet de regeling
uitvoerbaar, voorspelbaar en rechtmatig zijn ingericht om ook op langere termijn voldoende
deelname te borgen.
Vraag
Welke aanvullende maatregelen overweegt hij om deelname aantrekkelijk te houden?
Antwoord
Om deelname en vertrouwen in de eco-regeling te borgen, werkt de Minister aan verschillende
maatregelen die eerder met de Kamer zijn gedeeld (Kamerstuk 28 625, nr. 383). Het gaat daarbij onder meer om een flexibele punten-instapeis en het afschaffen
van de medaillesystematiek, zodat de financiële gevolgen van het niet behalen van
één individuele eco-activiteit worden beperkt. Daarnaast zet de Minister samen met
RVO in op het verder verbeteren van de communicatie richting deelnemers, zodat vooraf
meer duidelijkheid bestaat over de voorwaarden, de monitoring en de beoordeling van
eco-activiteiten.
Vraag
Voorts vragen deze leden of de Minister blijft vasthouden aan het gebruik van het
AMS-systeem?
Antwoord
De inzet van het Areaal Monitoring Systeem (AMS) wordt voortgezet als onderdeel van
de uitvoering van de eco-regeling. Het AMS draagt op een efficiënte en uniforme manier
bij aan een doelmatige uitvoering van de regeling en een rechtmatige besteding van
Europese middelen. Tegelijkertijd is en blijft het systeem ondersteunend aan de uitvoering
door medewerkers van RVO, die ook andere gegevens ter beschikking hebben om een beoordeling
te maken.
Vraag
Welke verbeteringen worden momenteel doorgevoerd om fouten in de beoordeling van dood
of verdroogd gewas te voorkomen?
Antwoord
RVO onderzoekt momenteel hoe de beoordeling van (mogelijk) doodgevroren gewas binnen
de eco-activiteit Groenbedekking kan worden geborgd. De uitkomsten worden betrokken
bij de verdere doorontwikkeling van de eco-activiteit binnen deze programmaperiode
en het gebruik van AMS bij de uitvoeringspraktijk.
Vraag
De leden van de VVD-fractie vragen tevens wat de wetenschappelijke basis is voor de
eis dat groenbedekking op minimaal 80 procent van een perceel aanwezig moet zijn.
In hoeverre wordt daarbij rekening gehouden met verschillen in bodemtype, droogte,
wateroverlast en andere weersomstandigheden?
Antwoord
De norm van 80% heeft geen wetenschappelijke onderbouwing. Bij de ontwikkeling van
deze eco-activiteit is bewust gekozen voor een bedekkingsgraad van 80%, zodat het
ontbreken van groenbedekking op bijvoorbeeld kopakkers of rijpaden niet leidt tot
afkeuring. Daarnaast is rekening gehouden met regionale verschillen. Het is aan de
ondernemer om een passend mengsel te kiezen dat aansluit bij de betreffende grondsoort.
De eco-activiteit is voorafgaand aan de start van de programmaperiode getoetst via
een praktijktoets. Indien een agrariër door extreme weersomstandigheden niet aan de
vereiste 80% kan voldoen, kan een beroep op overmacht worden gedaan.
Vraag
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast of de Minister bereid is bij de beoordeling
van aanvragen in 2026 rekening te houden met uitzonderlijke weersomstandigheden en
ervoor te zorgen dat boeren zo vroeg mogelijk worden geïnformeerd wanneer een perceel
mogelijk niet aan de voorwaarden voldoet, zodat zij tijdig hun aanvraag kunnen aanpassen
of een beroep kunnen doen op overmacht.
Antwoord
Vorig jaar is mede naar aanleiding van de droge omstandigheden in het voorjaar, de
start van de beoordeling voor de bedekkingsgraad bij de eco-activiteit Groenbedekking
opgeschoven van 31 mei naar 1 juli. Eveneens beziet de Minister voor dit jaar of de
beoordelingsmomenten en uitvoeringspraktijk voldoende aansluiten bij de agronomische
realiteit en de uitvoerbaarheid van de subsidievoorwaarden.
Tegelijkertijd blijven deelnemers zelf verantwoordelijk voor het actueel houden van
hun aanvraag en voor het melden van wijzigingen wanneer niet aan de subsidievoorwaarden
kan worden voldaan. RVO ondersteunt landbouwers daarbij met informatie over de voorwaarden,
controles en beoordeling. Waar mogelijk worden observaties door RVO gebruikt om boeren
te informeren, maar dit kan niet in alle gevallen voorafgaand aan de beoordeling plaatsvinden.
Voor de eco-activiteit Groenbedekking geldt bijvoorbeeld dat de relevante beoordelingsperiode
veelal ligt vóór het moment waarop de subsidieaanvraag wordt ingediend.
Vraag
De leden van de VVD-fractie constateren dat de voorbereidingen voor het GLB na 2027
in volle gang zijn. Deze leden vinden het van belang dat het toekomstige GLB eenvoudiger
wordt, minder administratieve lasten oplevert en beter aansluit bij de praktijk op
het boerenbedrijf. De Minister geeft aan dat verschillende knelpunten rond samenwerking
tussen melkveehouders en akkerbouwers beter kunnen worden meegenomen bij de vormgeving
van het GLB na 2027. Kan de Minister aangeven welke concrete wijzigingen Nederland
hiervoor in Brussel wil bepleiten?
Antwoord
Het kabinet zet zich in voor vereenvoudiging en vermindering van administratieve lasten.
Hoewel de GLB-verordening ruimte laat aan de lidstaten, zijn de Europese definities
in de verordening over de samenwerking tussen melkveehouders en akkerbouwers beperkend.
De Minister zet zich daarom in voor definities die de genoemde samenwerking beter
mogelijk maken.
Vraag
Daarnaast vragen deze leden hoe het kabinet zich ervoor inzet dat innovatie, kennisontwikkeling
en samenwerking ook in het toekomstige GLB stevig verankerd blijven. Zij wijzen daarbij
onder meer op het belang van het Europees Innovatiepartnerschap en andere samenwerkingsinstrumenten.
Antwoord
De GLB-interventies voor kennisuitwisseling en innovatie betreffen o.a. de volgende
regelingen: Samenwerken aan innovatie (Europese Innovatie Partnerschappen, EIP), SABE
(Subsidiemodule Agrarische Bedrijfsadvisering en Educatie) en het AKIS (Agrarisch
kennis- en Innovatiesysteem). Deze regelingen moeten in de voorstellen voor het nieuwe
GLB verplicht worden ondersteund. De budgetten hiervoor zitten niet in het afgeschermde
(geoormerkte) deel voor het GLB. De ondersteuning vanuit het GLB voor EIP bevordert
nieuwe samenwerkingen en is essentieel voor de bottom-up innovatie in de praktijk.
De SABE-regeling bevordert de advisering aan de agrarische ondernemers en de kennisuitwisselingen
in (leer-)netwerken. Daarnaast speelt AKIS een belangrijke rol omdat het kennispartners
uit de praktijk, van kennisinstellingen en van overheidsorganisaties, samenbrengt
en onderzoeks- en projectresultaten verspreidt onder deze kennispartners. In Europees
verband zet de Minister zich in voor het belang van innovatie en kennisontwikkeling
om de samenwerking en het gezamenlijk gebruiken en benutten van innovaties en verdere
kennisdeling te stimuleren. Zo worden de GLB-interventies voor kennisuitwisseling
en innovatie nauw betrokken bij de invulling van het Nationale en Regionale Partnerschapsplan
(NRPP).
Vraag
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast hoe Nederland zich in de onderhandelingen
over het toekomstige GLB zich inzet voor een gelijk Europees speelveld op het gebied
van verduurzamingsmaatregelen. Welke mogelijkheden ziet de Minister om ervoor te zorgen
dat boeren die bijdragen aan natuur-, milieu- en klimaatdoelen hiervoor passend worden
beloond, zonder dat dit leidt tot concurrentienadelen voor Nederlandse ondernemers?
Antwoord
Het afspreken van (duurzame) doelen op Europees niveau is van belang, zodat hier een
vergelijkbare inzet op kan plaatsvinden. Uiteraard kan het per lidstaat verschillen
welke inzet nodig is om de doelen te realiseren en hebben lidstaten verschillende
uitdagingen hierbij. Hierbij zet de Minister zich conform motie Podt/Bromet ook in
voor geleidelijke verlaging van de bandbreedte voor degressieve areaalgebonden inkomenssteun
om meer financiële ruimte te maken voor regelingen zoals de eco-regeling en agrarisch-natuur
en landschapsbeheer. Daarbij is het belangrijk dat boeren beloond worden voor de publieke
diensten die zij leveren voor natuur, milieu en klimaat, in het geval deze diensten
vanuit de markt onvoldoende beloning opleveren.
Vraag
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van een toekomstbestendige visserijsector
met ruimte voor innovatie. Deze leden steunen de inzet van het kabinet om in Europees
verband aandacht te blijven vragen voor pulsvisserij en andere innovatieve technieken.
Kan de Minister aangeven welke concrete stappen sinds het verschijnen van de EU-inzetbrief
zijn gezet om draagvlak te verwerven voor hernieuwde discussie over pulsvisserij?
Welke lidstaten tonen zich hierbij ontvankelijk?
Antwoord
De Kamerbrief over de LVVN EU-inzet van 8 juni jl. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1812) is zeer recent met de Kamer gedeeld. Sindsdien zijn er geen concrete stappen te
vermelden. De afgelopen periode is er echter wel veelvuldig inzet gepleegd voor de
pulskorvisserij. De Kamer is hierover geïnformeerd in de diversenbrief van 12 juni
jl. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1815). Gesprekken met andere lidstaten worden vertrouwelijk gevoerd. Het delen van de
ontvankelijkheid van andere lidstaten zou niet bijdragen aan het verwerven van draagvlak.
Wanneer concrete afspraken gemaakt zijn, zal de Kamer daarover geïnformeerd worden.
Vraag
Daarnaast vragen zij welke kansen de lopende evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid
(GVB) biedt om innovatie, verduurzaming en vermindering van administratieve lasten
beter te faciliteren.
Antwoord
De evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) is afgerond. De Staatssecretaris
heeft de Kamer recent geïnformeerd over zijn verdere inzet voor het GVB in de brief
van 11 juni jl. (Kamerstuk 26 737, nr. 13).
Vraag
De leden van de VVD-fractie ondersteunen de inzet van het kabinet om Europese regelgeving
eenvoudiger en beter uitvoerbaar te maken voor boeren, tuinders en vissers. Deze leden
constateren dat dit een belangrijke prioriteit vormt binnen de Nederlandse EU-inzet.
Zij vragen welke concrete resultaten inmiddels zijn geboekt op het gebied van vermindering
van administratieve lasten en vereenvoudiging van regelgeving.
Antwoord
De Commissie beoogt vermindering van administratieve lasten en vereenvoudiging van
regelgeving via onder andere de zogenaamde Omnibuspakketten. Voorbeelden die reeds
in werking zijn getreden, zijn de Europese vereenvoudigingsvoorstellen voor het GLB.
Met deze wijzigingen in het GLB is bijvoorbeeld het aantal controles verminderd voor
de biologische sector als het gaat om de Goede Landbouw- en Milieucondities (GLMC’s),
zijn agrarische bedrijven met een maximale omvang van dertig hectaren landbouwareaal
vrijgesteld van controles en sancties op de verplichte gewasrotatie, en kunnen tijdelijke
afwijkingen van de GLMC-normen worden toegestaan wanneer plantenziekten of plagen
het onmogelijk maken om voor agrarische ondernemers aan de vereisten te voldoen. Het
beperken van administratieve lasten is tevens onderdeel van de inzet voor het toekomstige
GLB. Daarnaast lopen de onderhandelingen op de Omnibus veiligheid van voedsel en diervoeder.
De Nederlandse inzet op dit voorstel ziet o.a. op het wegnemen van onnodige regeldruk
en het versnellen van het op de markt brengen van biocontrol gewasbeschermingsmiddelen.
Tevens wordt binnenkort een Raadspositie verwacht op het Commissievoorstel tot wijziging
van de biologische verordening. Het kabinet steunt alle voorstellen tot vereenvoudiging
van biologische productieregels die hierin zijn opgenomen.
Vraag
Welke Nederlandse voorstellen zijn inmiddels overgenomen in Europese wetgeving of
voorstellen, waaronder de recente vereenvoudigingen binnen het GLB?
Antwoord
Het uiteindelijke resultaat van de vereenvoudiging van het GLB sloot aan bij de inzet
van Nederland. Deze inzet was namelijk gericht op vereenvoudiging van de GLMC’s zonder
afbreuk te doen aan de natuur-, milieu- en klimaatdoelen, een grotere verantwoordelijkheid
voor lidstaten voor steunverlening in geval van natuurrampen en andere calamiteiten
zonder een direct beroep op de landbouwreserve, en aanpassing van de schadeberekening
voor de Brede Weersverzekering. Tevens sloot meer flexibiliteit voor lidstaten in
het beheer van de nationale strategische GLB-plannen, inclusief het schrappen van
de jaarlijkse prestatiegoedkeuring, aan bij de Nederlandse inzet. Daarnaast zet Nederland
ook bij andere voorstellen in op vereenvoudiging, zoals bijvoorbeeld bij het voorstel
voor wijziging van de biologische verordening, waar binnenkort een Raadspositie op
wordt vastgesteld. Hier worden verschillende dierlijke productieregels vereenvoudigd
die met steun van Nederland en andere lidstaten zijn ingebracht. Een specifiek Nederlands
voorstel dat is overgenomen, betreft de uitzondering van certificering voor webshops
van fysieke kleine verkooppunten.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de LVVN-inzet in de EU. Deze
leden hebben vragen en opmerkingen over de herziening van het GLB, de steun voor groene
activiteiten en de onderhandelingsstrategie in Brussel.
Vraag
De leden van de PRO-fractie zijn van mening dat publiek geld te allen tijde moet bijdragen
aan het behalen van publieke doelen. In de motie-Bromet/Podt (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1780) wordt gepleit voor het verlagen van de bandbreedte voor inkomenssteun om zo de ruimte
voor ecosysteemdiensten te vergroten. Deze leden vragen de Minister hoe hij deze motie
uitvoert en op welke momenten hij kansen ziet om dit als zijn inbreng mee te geven.
Antwoord
De Minister voert deze motie uit door deze positie in te brengen bij de Landbouw-
en Visserijraad en bij de voorbereidende overleggen van de Landbouw- en Visserijraad,
zoals het Speciaal Comité Landbouw en de Raadswerkgroepen. Naast deze formele overleggen
bepleit de Minister deze inzet ook bij bilateralen met andere lidstaten.
Vraag
Het is volgens hen van belang dat zowel de boven- en ondergrens kan worden verlaagd.
Is dit ook hoe de Minister de eerdergenoemde motie leest?
Antwoord
Zowel het verlagen van de bovengrens als het verlagen van de ondergrens van de degressieve
areaalgebonden inkomenssteun is onderdeel van de inzet. Hierbij lijkt het verlagen
van de ondergrens voor meerdere lidstaten bespreekbaar te zijn. Het verlagen van de
bovengrens kan tot nu toe op zeer beperkte steun van andere lidstaten rekenen, wat
onverlet laat dat de Minister zich hiervoor actief blijft inzetten.
Vraag
Ook stellen deze leden de generieke hectarepremies ter discussie. Volgens hen is dit
een voorbeeld van ongerichte steun die beter gericht voor publieke belangen ingezet
kunnen worden. Is de Minister het daar mee eens? Daarnaast vragen zij met welke EU-lidstaten
de Minister op dit punt samenwerkt of voornemens is samen te werken.
Antwoord
Het is van belang om GLB-steun zo doelgericht en efficiënt mogelijk in te zetten.
Dat betekent meer inzet op het beter belonen van diensten die agrarische ondernemers
leveren, in plaats van puur voor de hoeveelheid grond die zij bezitten. Hier zoekt
de Minister uiteraard zoveel mogelijk de samenwerking op met andere lidstaten. De
basisbetaling heeft tegelijk een stabiliserende functie voor het inkomen van boeren.
Het agrarisch bedrijf heeft te maken met weers- en marktinvloeden die een extra risico
voor het inkomen en daarmee voortbestaan van een bedrijf kunnen vormen. De basisbetaling
wil de Minister daarom in het totaal van de GLB-regelingen blijven zien. Er zijn geen
lidstaten die de basisbetaling als instrument ter discussie stellen.
Vraag
De leden van de PRO-fractie zijn voorstander van het inzetten van het GLB-budget om
de natuur te versterken. Deze leden pleiten ervoor om hiertoe zo veel als mogelijk
budget te oormerken voor groene en juridische doelen (zoals beschreven in artikel
10 van de GLB-verordening). Welke mogelijkheden ziet de Minister om, met behoud van
het huidige budget, alsnog meer middelen vrij te maken voor groene en juridische doelen?
Antwoord
In algemene zin is het Nederlandse kabinet geen voorstander van verdere oormerking
van budgetten voor specifieke doeleinden binnen het NRPP. Specifiek binnen de gereserveerde
GLB-envelop pleit Nederland wel voor versterking van artikel 10-maatregelen zoals
de eco-regeling en het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. De Minister onderzoekt
wat goede oplossingen zijn om negatieve prikkels uit de Europese wetsvoorstellen weg
te nemen die het moeilijker maken voor lidstaten om deze interventies te kiezen, om
op die manier artikel 10-maatregelen te versterken in het toekomstige GLB. Een mogelijke
oplossing is binnen de GLB-envelop een vast percentage te reserveren (oormerken) voor
groene interventies, zodat lidstaten minimaal een bepaald percentage van het geoormerkte
GLB-budget aan deze groene interventies moeten besteden. In de huidige GLB-periode
bestaat er ook een aparte oormerking voor groene doelen. Herintroductie van een dergelijk
principe zou kunnen bijdragen aan meer gezamenlijke ambitie op Europees niveau voor
de groene doelen van het GLB.
Vraag
De leden van de PRO-fractie vragen daarnaast of de vrije ruimte in de Nationale en
Regionale Partnerschapsplannen (NRPP) kan worden besteed aan het behalen van de doelen
uit de Natuurherstelverordening. Ziet de Minister kansen om de vrije ruimte hier (nog
meer) voor te benutten? Zo ja, hoe kan dit tot inzet worden gemaakt in Europees verband?
De Minister spreekt in de Kamerbrief van «synergie» tussen verschillende doelen. Wat
wordt hiermee bedoeld?
Antwoord
Het Commissievoorstel biedt de mogelijkheid aan lidstaten om de vrije ruimte in het
NRPP in te zetten voor de implementatie van de Natuurherstelverordening. Tevens moet
in het NRPP worden toegelicht hoe deze plannen in lijn zijn met bestaande wetgeving
en doelen, zoals bijvoorbeeld de natuurherstelplannen die momenteel in het kader van
de Natuurherstelverordening worden ontwikkeld. Hoewel de onderhandelingen in Brussel
over het Meerjarig Financieel Kader (MFK) en het NRPP nog lopen, wordt reeds gewerkt
aan de invulling van het Nederlandse NRPP, waarbij er ook aandacht is voor natuur.
Met synergie tussen doelen wordt bedoeld dat maatregelen waar mogelijk meerdere doelen
dienen zonder het doelbereik van andere doelen te schaden.
Vraag
De leden van de PRO-fractie maken zich zorgen over het halen van de juridische doelen
voor de natuur. In de Kamerbrief over de EU-inzet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1812) schrijft de Minister: «Ook kijken we binnen de onderhandelingen over het volgend
Meerjarig Financieel Kader (MFK) hoe EU-middelen optimaal kunnen bijdragen aan de
uitvoering van Europese natuurwetgeving.» Deze leden vragen de Minister om dit uitgebreider
toe te lichten. Hoe zouden EU-middelen optimaal voor dit doel benut kunnen worden?
Welke mogelijkheden ziet de Minister om op dit punt invloed uit te oefenen? Zij vragen
welk aandeel van de EU-middelen realistisch gezien zouden kunnen worden geoormerkt
voor dit doel.
Antwoord
In het volgende MFK vervallen een afzonderlijk bestedingsdoel voor biodiversiteit
en LIFE als eigenstandig fonds. Het kabinet zet zich in voor een zichtbare bijdrage
aan biodiversiteit via aparte monitoring van biodiversiteitsuitgaven, zoals in het
huidige MFK. Ook benadrukt het kabinet het belang van de in de NRPP-verordening opgenomen
vereiste dat in de NRP-plannen moet worden toegelicht hoe deze plannen in lijn zijn
met de natuurherstelplannen die momenteel in het kader van de Natuurherstelverordening
worden ontwikkeld. Verschillende lidstaten hebben zich uitgesproken voor een ambitieuzere
en zichtbaardere bijdrage aan natuur. Het kabinet vindt dat het volgende MFK een betekenisvolle
bijdrage moet leveren aan de uitvoering van Europese natuurwetgeving en kijkt constructief
naar voorstellen van andere lidstaten die hieraan bijdragen.
Vraag
De leden van de PRO-fractie lezen dat «de ambities van LVVN dwinge[n] tot duidelijke
en betrouwbare beleidskeuzes op nationaal niveau.» Uiteraard steunen deze leden dit,
maar zij vragen wat de Minister verstaat onder «duidelijk» en «betrouwbaar.»
Antwoord
Het kabinet vindt het belangrijk dat ondernemers in de agrarische en visserijsectoren
de ontwikkeling kunnen maken naar duurzame en toekomstbestendige landbouw en visserij,
waarvoor ze ook de nodige investeringen kunnen doen. Dit betekent dat het kabinet
met het voorgenomen beleid langere termijn zekerheid voor deze ondernemers nastreeft.
Om investeringen mogelijk te maken is consistentie van beleid van belang. Een van
de stappen die het kabinet hiertoe heeft gezet, is het onlangs gepresenteerde maatregelenpakket
van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Vraag
Zij wijzen erop dat de EC vorig jaar nog Nederland tot de orde heeft geroepen om vaart
te maken met het verduurzamen van de landbouw en het verlagen van stikstofuitstoot.
Zij zijn benieuwd welke gevolgen het niet consequent niet halen van deze doelen heeft
op de geloofwaardigheid en slagkracht van Nederland in Europees verband. Hoe verwacht
de Minister te bewijzen dat Nederland de doelen wel gaat halen? Wanneer ligt er een
pakket dat dusdanig stevig is dat het acceptabel is voor de EC?
Antwoord
Het kabinet is hard aan het werk om de stikstofproblematiek op te lossen. Om dit ook
echt te kunnen doen, zijn bij de kabinetsformatie voldoende middelen vrijgemaakt om
een stevig pakket vorm te geven. Onlangs heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over
dit pakket. Het kabinet legt hier een stevige, samenhangende aanpak neer, waarmee
ingezet wordt op zowel stikstofreductie als natuurherstel. Met dit pakket wordt de
stikstofuitstoot fors teruggedrongen en wordt getracht verslechtering van Natura 2000-gebieden
te stoppen. In Europees verband laat Nederland met dit pakket zijn toewijding zien
aan de Europese natuur- en milieudoelen, hetgeen bijdraagt aan de positieve relatie
met de Commissie.
Vraag
De leden van de PRO-fractie snappen dat na het kabinet-Schoof, waarin het natuur-
en stikstofbeleid getraineerd en gefrustreerd werd, het kabinet-Jetten zich richt
op het herstellen van de vertrouwensband in Europa. Echter wijzen deze leden erop
dat vertrouwen herstellen niet als gevolg mag hebben dat Nederland zich neerlegt bij
voorstellen en compromissen waar eigenlijk niet achter staat. Kan de Minister concreet
maken hoe het belang van relatiemanagement de onderhandelingen die Nederland voert
beïnvloedt?
Antwoord
In de onderhandelingen die Nederland voert in Brussel, beoordeelt het kabinet voorstellen
of compromissen altijd aan de hand van het Nederlandse standpunt en het belang van
deze voorstellen voor Nederland. Naar aanleiding van deze inhoudelijke beoordeling
kan Nederland bepaalde compromissen of voorstellen van andere lidstaten of de Commissie
soms steunen. Het kan echter ook betekenen dat Nederland bepaalde voorstellen niet
kan steunen of pogingen doet om deze in onderhandelingen aan te passen. Het kabinet
pleegt inzet om richting de andere lidstaten en de Commissie uit te leggen wat de
Nederlandse positie is en hen hiervan te overtuigen. Relatieopbouw met de Commissie
en andere lidstaten gaat volgens het kabinet verder dan het steunen van voorstellen
en compromissen. Het gaat ook over het creëren van begrip voor elkaars standpunt,
vervolgens te kijken hoe daarop verder kan worden samengewerkt, en het nakomen van
afspraken.
Vraag
Hoe kan de Minister kritisch zijn op voorstellen van de EC en andere lidstaten als
dit belang ook zwaar weegt?
Antwoord
Het kabinet blijft voorstellen van de Commissie en lidstaten inhoudelijk beoordelen,
onder andere aan de hand van hoe deze voorstellen bijdragen aan toekomstbestendige
agrarische en visserijsectoren en het herstellen van de natuur. Het consistent uitdragen
van deze inhoudelijke lijnen draagt bij aan het zijn van een betrouwbare partner in
Brussel, waarmee relaties kunnen worden opgebouwd.
Vraag
De leden van de PRO-fractie steunen een ambitieuze, onversneden groene agenda in Europees
verband, waar het versterken van de natuur het zwaarstwegende belang is. Is de Minister
het hiermee eens?
Antwoord
Het kabinet zet zich Europees verband in voor beleid voor een toekomstbestendige land-
en tuinbouw en visserijsector en het herstellen van de biodiversiteit. Het versterken
van de natuur is een belangrijk onderdeel van deze inzet.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vraag
De leden van de PVV-fractie hebben met kritische belangstelling kennisgenomen van
de geagendeerde stukken. Hoewel het huidige kabinet inmiddels meer dan 100 dagen actief
is en spreekt over een actieve en strategische aanpak in de EU, vragen deze leden
wat de concrete resultaten tot nu toe zijn voor de Nederlandse boer en visser. Zij
constateren dat er veelvuldig gesproken wordt over het aftasten van dossiers en constructieve
dialogen, maar dat de druk vanuit Brussel op de Nederlandse voedselproductie onverminderd
groot blijft. Kan het kabinet toelichten welke tastbare verbeteringen in de Brusselse
regelgeving zij na deze eerste periode voor de sector heeft weten te verzilveren?
Antwoord
De Kamer is reeds geïnformeerd over het bereikte akkoord over het Commissievoorstel
tot wijziging van de GLB-Nationale Strategische Plannen en de horizontale regelgeving
in relatie tot meststoffen (Kamerstuk 22 112, nr. 4390). De verstoorde situatie op de mondiale mestmarkt als gevolg van het conflict in
West-Azië heeft de beschikbaarheid en betaalbaarheid van kunstmest ernstig onder druk
gezet. Dit akkoord biedt boeren gerichte ondersteuning om de hogere kosten op te vangen
en de continuïteit van de voedselproductie te waarborgen. Dit is een tastbaar resultaat,
direct ten gunste van de Nederlandse agrarische sector. Het kabinet wijst voorts op
de aanname van de verordening Nieuwe Genomische Technieken (NGTs). Dit is een dossier
van grote strategische betekenis voor de Nederlandse landbouw en de plantaardige sector.
Nederland behoort tot de wereldtop in plantveredeling en de zaad- en uitgangsmateriaalbranche
vormt een van de stille motoren van de Nederlandse economie. Het nieuwe wetgevingskader
biedt de benodigde voorspelbaarheid die nodig is om innovatie aan te jagen, versnelt
de ontwikkeling en vermindert de afhankelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen. Op
het dossier visserij is het kabinet ook proactief aan het werk gegaan. Nederland heeft
zich vroegtijdig gepositioneerd in de Europese discussie over de Visie voor visserij
en aquacultuur 2040, waarover de Kamer recentelijk is geïnformeerd (Kamerstuk 26 737, nr. 13). De Nederlandse inzet is erop gericht dat deze toekomstvisie recht doet aan de belangen
van de Nederlandse visserijsector en de concurrentiepositie van de sector niet verder
aantast.
Vraag
De leden van de PVV-fractie maken zich grote zorgen ten aanzien van de toekomst van
het GLB na 2027 over het «Single Fund» of «Single National Plan» idee van de EC. Dit
plan beoogt landbouwsubsidies te koppelen aan brede nationale hervormingen op gebieden
als de woningmarkt of de rechtsstaat, wat de voorspelbaarheid en stabiliteit voor
de sector ondermijnt. De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is
zich onvoorwaardelijk aan te sluiten bij de elf lidstaten, waaronder Italië en Frankrijk,
die zich expliciet hebben uitgesproken voor het behoud van de twee-pijlerstructuur
en een gereserveerd budget voor het GLB en het GVB. Kan de Minister garanderen dat
de Nederlandse inzet voor het MFK een formeel veto bevat tegen elke koppeling van
landbouwgelden aan niet-sectorrelevante hervormingen?
Antwoord
In het NRPP-voorstel staat dat lidstaten hun betalingen aan eindbegunstigden voort
moeten zetten als de betaling vanuit de EU aan de lidstaat wordt opgeschort. Dit laatste
kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het niet behalen van hervormingen. Volgens het
kabinet ligt hiermee de prikkel op de juiste plek, namelijk op het niveau van de lidstaten.
Het niet behalen van nationale hervormingen zal daarmee geen effect hebben op eindbegunstigden
van Uniemiddelen en gaat daarmee niet ten koste van de stabiliteit en voorspelbaarheid
van uitbetalingen.
Bovendien wordt met het NRPP-voorstel van de Commissie een aantal GLB-subsidies uitgezonderd
van kortingen als gevolg van hervormingen (artikel 35.12).
Zoals aangegeven in het BNC-fiche over het NRPP-voorstel (Kamerstuk 22 112, nr. 4144), is Nederland voorstander van de modernere structuur, de integratie van verschillende
fondsen in het NRPP en de koppeling met hervormingen.
Vraag
De leden van de PVV-fractie vragen of in plaats van telkens te blijven inzetten op
het «smeken» om tijdelijke uitzonderingen (derogatie) die door de EC als onvoldoende
worden gewogen de Minister bereid is de Nitraatrichtlijn fundamenteel aan te vechten.
Deelt de Minister de mening dat het beleid gebaseerd moet zijn op de werkelijke waterkwaliteit
in plaats van op verouderde, generieke Brusselse normen?
Antwoord
De Minister deelt de mening dat beleid gebaseerd moet zijn op de werkelijke waterkwaliteit.
Nederland heeft nog een grote opgave ten aanzien van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit,
onder andere als het gaat om de belasting met nutriënten afkomstig uit de landbouw.
Op dit moment werkt de Minister daarom aan het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn om een verbetering van de waterkwaliteit door een
verlaging van de nutriëntenbelasting afkomstig uit de landbouw te realiseren.
Daarnaast loopt er op dit moment een evaluatietraject van de Nitraatrichtlijn. Hiertoe
zijn onderzoeken, publieke consultaties en afstemming met lidstaten via een expertgroep
uitgevoerd om suggesties en voorstellen op te halen. De evaluatie zal naar verwachting
binnenkort worden afgerond. Het is nog niet zeker of de evaluatie daadwerkelijk zal
leiden tot een herziening van de Nitraatrichtlijn. De Minister wil de resultaten van
deze evaluatie afwachten en zal de Kamer hierover informeren.
Vraag
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het Deense Landbouwakkoord, waarin
een CO2-heffing op vee wordt ingevoerd die oploopt tot 40 euro per ton CO2-equivalent in 2035. Hoewel de Minister aangeeft dat dit akkoord niet direct toepasbaar
is op Nederland, spreekt hij wel over innovatiesamenwerking en afrekenbare normen
voor broeikasgassen. Kan de Minister klip en klaar uitsluiten dat er, naar Deens voorbeeld,
ooit een CO2-heffing of andere extra belasting op de Nederlandse veestapel of voedselproductie
zal worden ingevoerd?
Antwoord
Het kabinet kijkt naar verschillende manieren om de landbouw verder te verduurzamen
en de broeikasgasuitstoot te reduceren. Op dit moment kiest het kabinet er niet voor
om een CO2-heffing of een nationaal emissiehandelssysteem zoals een ETS voor de landbouw in
te voeren, zoals ook opgenomen in de reactie op het advies van het Nationaal Burgerberaad
Klimaat (Kamerstuk 2026D25917).
Het kabinet werkt in het kader van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof
aan bedrijfsspecifieke emissienormen gericht op ammoniak en broeikasgassen. U bent
hier recentelijk over geïnformeerd middels de kamerbrief van 26 juni jl. (Kamerstuk
36 800 XIV, nr. 87).
Vraag
De leden van de PVV-fractie maken zich grote zorgen over het «Single Fund»-concept
van de EC, waarbij landbouwsubsidies dreigen te worden gekoppeld aan brede nationale
hervormingen op gebieden als de woningmarkt. Kan de Minister garanderen dat de Nederlandse
inzet voor het MFK een formeel veto bevat tegen elke vorm van koppeling van landbouwgelden
aan niet-sectorrelevante hervormingen, om zo de stabiliteit en voorspelbaarheid voor
onze boeren te waarborgen?
Antwoord
In het NRPP-voorstel staat dat lidstaten hun betalingen aan eindbegunstigden voort
moeten zetten als de betaling vanuit de EU aan de lidstaat wordt opgeschort. Dit laatste
kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het niet behalen van hervormingen. Volgens het
kabinet ligt hiermee de prikkel op de juiste plek, namelijk op het niveau van de lidstaten.
Het niet behalen van nationale hervormingen zal daarmee geen effect hebben op eindbegunstigden
van Uniemiddelen en gaat daarmee niet ten koste van de stabiliteit en voorspelbaarheid
van uitbetaling.
Vraag
De leden van de PVV-fractie wijzen op de uitvoering van de motie-Flach (Kamerstuk
36 600 XIV, nr. 55) over de consistentie in vergoedingen voor de eco-regeling. Kan de Minister bevestigen
dat, ondanks de budgetverhoging van 50 miljoen euro voor 2026, lagere tarieven nog
steeds niet kunnen worden uitgesloten bij een hoge inschrijving?
Antwoord
De Minister kan bevestigen dat de afgesproken tarieven in het Nationaal Strategisch
Plan (NSP) dit jaar uitbetaald kunnen worden. Dat betekent een basispremie van 171
euro per hectare en in de eco-regeling 60 euro per hectare voor brons, 100 euro voor
zilver en 200 euro voor goud. Dankzij de budgetverhoging die vorig jaar is doorgevoerd,
passen de aanvragen binnen het beschikbare budget.
Vraag
De leden van de PVV-fractie vragen ook naar de voortgang van de motie-Grinwis (Kamerstuk
30 252, nr. 182) over samenwerking tussen akkerbouwers en melkveehouders. Waarom worden structurele
wijzigingen om samenwerking in het GLB te faciliteren pas meegenomen voor de periode
post-2027, terwijl de noodzaak nu hoog is?
Antwoord
De veehouderij en de akkerbouw zijn in Nederland nauw met elkaar verbonden. Een sterke
samenwerking tussen beide sectoren is essentieel voor het sluiten van regionale kringlopen
en het versterken van een duurzame landbouw. Om deze samenwerking verder te stimuleren,
is het van belang dat akkerbouwers en veehouders binnen een regio structureel met
elkaar kunnen samenwerken. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 6 februari 2026 (Kamerstuk
28 625, nr. 380), is er een aantal fundamentele belemmeringen die niet direct kunnen worden weggenomen.
Door nu af te stappen van het medaillesysteem en de agrariër de waarde te betalen
voor de uitgevoerde eco-activiteiten kan deze aanpassing de samenwerking al beter
faciliteren. Signaal uit de sector was dat het veel moeite kost voor de leden van
een samenwerkingsverband om ervoor te zorgen dat alle leden dezelfde medaille halen.
Door de afschaffing van het medaillesysteem wordt het transparanter dat de agrariër
wordt vergoed voor de activiteiten die worden uitgevoerd zonder daar een waardeoordeel
van brons, zilver of goud aan te hangen.
Vraag
De leden van de PVV-fractie constateren wat betreft de uitvoering van het GLB dat
het AMS en het gebruik van algoritmes leiden tot massale afwijzingen en een onterechte
bewijslast bij de boer leggen. Hoe rijmt de Minister het voornemen om vanaf 2027 een
strenger sanctiebeleid zonder waarschuwingen in te voeren met haar ambitie om het
vakmanschap van de boer te waarderen en de regeling minder bureaucratisch te maken?
Antwoord
Het voornemen om vanaf 2027 het sanctiebeleid aan te scherpen door het vervallen van
de eerste waarschuwing maakt onderdeel uit van een bredere doorontwikkeling van de
eco-regeling. Het huidige sanctiebeleid was bedoeld als overgangsfase bij de invoering
van de huidige eco-regeling in 2023. Vanaf 2027 wordt deze overgangsfase alleen beëindigd
voor activiteiten die niet volledig kunnen worden gecontroleerd. De aanscherping ziet
uitsluitend op situaties waarin bij een steekproefcontrole door RVO of NVWA wordt
vastgesteld dat een opgegeven eco-activiteit niet (volledig) conform de voorwaarden
is uitgevoerd. Alleen in die gevallen kan vanaf 2027 per direct een sanctie worden
toegepast. Hiermee beoogt de Minister boeren te stimuleren hun aanvraag actueel te
houden en eco-activiteiten tijdig terug te trekken wanneer niet langer aan de voorwaarden
kan worden voldaan. Dat is nodig om de regeling uitvoerbaar, voorspelbaar en rechtmatig
te houden. Bij activiteiten die worden beoordeeld met AMS, verandert er in dit verband
niets.
Vraag
De leden van de PVV-fractie steunen de oproep van brancheorganisatie Cumela voor betere
mogelijkheden om innovaties gezamenlijk te benutten. Kan de Minister toelichten waarom
de GLB-steun primair gericht blijft op individuele agrariërs, terwijl juist de loonwerksector
een cruciale rol speelt bij de verspreiding van innovatieve technieken op het erf?
Antwoord
De Minister erkent het belang van de rol van de loonwerksector bij de ontwikkeling,
toepassing en verspreiding van innovatieve technieken op het erf. Het GLB is primair
gericht op boeren, omdat de GLB-wetgeving bepaalt dat de inkomenssteun en areaal-
en bedrijfsgebonden subsidies zijn bedoeld voor de actieve agrarische ondernemers.
Binnen het GLB bestaan echter ook GLB-interventies voor samenwerkingsverbanden, kennisdeling
en innovatieprojecten, waarbij loonwerkbedrijven kunnen participeren, zoals EIP, SABE
en AKIS. De Minister blijft zich inzetten voor deze GLB-interventies en de mogelijkheden
om de loonwerksector hier actief bij te blijven betrekken.
Vraag
De leden van de PVV-fractie uiten hun grote ongenoegen over de werking van het AMS
en het gebruik van algoritmes die leiden tot massale afwijzingen. Het feit dat er
1.345 dossiers van de activiteit «Groenbedekking» alsnog handmatig moeten worden beoordeeld
na de motie-Koorevaar c.s. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1789), bewijst volgens deze leden dat de techniek niet feilloos is. Zij vragen waarom
de bewijslast volledig bij de boer wordt gelegd via ingewikkelde bezwaarprocedures
als het algoritme (bijvoorbeeld bij doodgevroren gewas) faalt.
Antwoord
Er zijn geen aanwijzingen voor structureel onjuiste beoordelingen door het AMS (Kamerstuk
28 625, nr. 384). De Minister heeft vertrouwen in de professionele uitvoering van de regeling door
RVO, met behulp van het AMS. Dat neemt niet weg dat geen enkel systeem of proces feilloos
is. Daarom hebben aanvragers altijd de gelegenheid om bezwaar te maken.
Vraag
De leden van de PVV-fractie vragen ook een reactie op het voornemen om vanaf 2027
een strenger sanctiebeleid in te voeren zonder waarschuwingen vooraf. Hoe rijmt de
Minister dit met zijn ambitie om de regeling voorspelbaarder te maken en het vakmanschap
van de boer te waarderen?
Antwoord
Bij activiteiten die worden beoordeeld met AMS verandert er in dit verband niets.
Het voornemen om vanaf 2027 het sanctiebeleid aan te scherpen door het vervallen van
de eerste waarschuwing maakt onderdeel uit van een bredere doorontwikkeling van de
eco-regeling. Het huidige sanctiebeleid was bedoeld als overgangsfase bij de invoering
van de huidige eco-regeling in 2023. Vanaf 2027 wordt deze overgangsfase alleen beëindigd
voor activiteiten die niet volledig kunnen worden gecontroleerd. De aanscherping ziet
uitsluitend op situaties waarin bij een steekproefcontrole door RVO of NVWA wordt
vastgesteld dat een opgegeven eco-activiteit niet (volledig) conform de voorwaarden
is uitgevoerd. Alleen in die gevallen kan vanaf 2027 per direct een sanctie worden
toegepast. Hiermee beoogt de Minister boeren te stimuleren hun aanvraag actueel te
houden en eco-activiteiten tijdig terug te trekken wanneer niet langer aan de voorwaarden
kan worden voldaan. Dat is nodig om de regeling uitvoerbaar, voorspelbaar en rechtmatig
te houden.
Vraag
Kan de Minister garanderen dat de voorgenomen afschaffing van de medaille-systematiek
(brons, zilver, goud) in 2027 niet zal leiden tot een verdere bureaucratisering of
een feitelijke verlaging van de totale uitbetalingen aan boeren?
Antwoord
Met de afschaffing van de medaille-systematiek wordt overgestapt naar een systeem
waarin de uitbetaling plaatsvindt op basis van daadwerkelijk gerealiseerde waarde
van correct uitgevoerde eco-activiteiten. In het huidige systeem kan het gebeuren
dat een deelnemer door niet-naleving van één eco-activiteit, in een lagere medaillecategorie
terechtkomt en daarmee een lagere eco-premie ontvangt. Het doel van het verwijderen
van deze stapsgewijze verschillen in uitbetaling is om de eco-premie eenvoudiger en
rechtvaardiger te maken. Het totaalbudget van de eco-regeling wordt in 2027 onverkort
gehandhaafd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk
overleg EU-LVVN en hebben hierbij nog enkele vragen.
Vraag
De leden van de CDA-fractie willen de Minister vragen naar zijn inschatting van de
onderhandelingen van het GLB. Welke risico’s ziet de Minister voor tijdige invoering
van het nieuwe GLB per 1 januari 2028, mede in het licht van de moeizaam verlopende
MFK-onderhandelingen en de ervaringen met de uitgestelde invoering van het huidige
GLB?
Antwoord
Boeren moeten ruim van tevoren weten waar ze aan toe zijn. Er zijn nu al enkele overgangsbepalingen
in de NRPP-verordeningen opgenomen om een soepele overgang te borgen. Het kabinet
streeft ernaar dat het GLB voor de begunstigden een betrouwbaar en efficiënt instrument
blijft. Tijdig duidelijkheid op EU-niveau over de juridische kaders is daarvoor een
belangrijke voorwaarde. Dat blijft de aandacht hebben van het kabinet.
Vraag
De leden van de CDA-fractie merken op dat Nederland een uniek platteland heeft met
eigen sociaaleconomische uitdagingen. Hoe zet de Minister zich in de onderhandelingen
in Europa specifiek in voor plattelandsgemeenschappen wat recht doet aan de kenmerken
van het Nederlandse platteland?
Antwoord
De leefbaarheid en brede welvaart in de landelijke gebieden van Nederland zijn van
groot belang, net als aandacht voor sociaaleconomische aspecten als een essentieel
onderdeel van het beleid om landbouw en natuur in balans te brengen. Inzet op een
sociaal en economisch vitaal platteland zijn integraal onderdeel van de samenhangende
aanpak landbouw, natuur en stikstof2 waarover de Kamer is geïnformeerd. In Europees verband vraagt het kabinet aandacht
voor het unieke karakter van het Nederlandse platteland, dat dichtbevolkter en minder
afgelegen is dan in andere delen van Europa. Daarbij zet het kabinet zich er doorlopend
voor in dat Europese onderhandelingen rond de plattelandsthematiek aansluiten bij
deze Nederlandse realiteit. Dit doet het kabinet bijvoorbeeld binnen de discussies
over het MFK, het GLB en LEADER.
Met de Commissie en andere lidstaten en regio’s werkt Nederland ook actief mee aan
de realisatie van de langetermijnvisie voor plattelandsgebieden van de Commissie,
die sterkere, verbonden, veerkrachtige en welvarende plattelandsgebieden tot doel
heeft.
Nederland heeft zich in 2026 als een van de eerste lidstaten aangesloten bij het EU
Rural Pact. Het Ministerie van LVVN ondersteunt ook het Rural Pact Nederland, waar
bewoners en ondernemers, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en overheden
samenwerken aan concrete, duurzame verbeteringen voor plattelandsgebieden. Samen met
de Commissie is aan de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)
gevraagd onderzoek te doen naar de staat van het Nederlandse platteland en mogelijke
versterking van plattelandsbeleid. Dit vormt een belangrijk aangrijpingspunt voor
toekomstig beleid. Ten slotte hecht de Minister waarde aan internationale uitwisseling
rondom plattelandsontwikkeling, bijvoorbeeld via het Landbouw Attaché Netwerk.
Vraag
De leden van de CDA-fractie hebben geconstateerd dat in het huidige GLB en door Eurocommissaris
voor Landbouw Christophe Hansen wordt ingezet op het stimuleren en versterken van
de positie van vrouwen in de landbouw en op het platteland. Hoe zet de Minister daar
in Nederland op in? Hoe gaat de Minister zich daarvoor inzetten in de onderhandelingen
richting het nieuwe GLB?
Antwoord
Vrouwen spelen een belangrijke rol in de landbouwsector, die niet altijd goed zichtbaar
is. Zij dragen in verschillende rollen bij aan de economische weerbaarheid van agrarische
bedrijven, als eigenaar, mede-eigenaar en/of partner. Daarnaast zijn het vaak vrouwen
in de sector die nevenactiviteiten opstarten en nieuwe verdienmodellen verkennen.
Zij zorgen regelmatig voor extra verbinding tussen de boerderij en de maatschappij
en zijn onmisbaar om deel te nemen in het bedrijf vanwege de grote behoefte aan een
nieuwe generatie bedrijfsopvolgers.
Op dit moment wordt een evaluatie uitgevoerd naar verschillende landbouwregelingen,
om inzicht te krijgen in data over deelname van vrouwen. Na de zomer zal de Minister
de resultaten van deze evaluatie aan de Kamer verzenden. Daarnaast heeft het Ministerie
van LVVN dit jaar (in het kader van het UN Year of the Female Farmer) stakeholders
uit de landbouwsector opgeroepen om zichzelf doelen te stellen om de positie van vrouwen
in de landbouw te versterken. Deze worden dit jaar gepresenteerd tijdens een groot
evenement van LTO vrouw & bedrijf in oktober. Daar presenteert ook het Ministerie
van LVVN welke doelen het departement nastreeft.
De Minister vindt het belangrijk om in de EU te verkennen hoe de positie van vrouwen
in de landbouw en op het platteland in het nieuwe GLB verder kan worden versterkt,
bijvoorbeeld door betere databeschikbaarheid over de positie van vrouwen in de landbouw.
Vraag
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister op
de brief van Cumela over het verbreden van het GLB naar loonwerkers en ketenpartners.
Is de Minister bereid zich in de onderhandelingen over het MFK 2028–2034 in te zetten
voor GLB-toegang voor loonwerkers en ketenpartners zodat ook deze partijen hun bijdrage
kunnen leveren aan innovatie en verduurzaming?
Antwoord
Het GLB is primair gericht op boeren, omdat de verordening bepaalt dat de inkomenssteun
en areaal- en bedrijfsgebonden subsidies zijn bedoeld voor de actieve boeren. GLB-interventies
zoals AKIS, SABE en EIP bevorderen samenwerkingsverbanden en kennisdeling tussen landbouwers,
loonwerkers en ketenpartners. In het toekomstige GLB blijft de Minister zich actief
inzetten voor het belang van deze GLB-interventies, zodat loonwerkers en ketenpartners
actief kunnen deelnemen aan de hiervoor genoemde samenwerkingsverbanden en kennisdeling
en zo hun bijdrage kunnen leveren aan innovatie en verduurzaming.
Vraag
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister over
de herbeoordeling van eco-regelingen naar aanleiding van de motie-Koorevaar (Kamerstuk
21 501-32, nr. 1789). Deze leden vragen zich af wat de reden was dat 2 procent van de afgekeurde eco-regelingen
na menselijke beoordeling alsnog is toegekend.
Antwoord
Medewerkers van RVO hebben bij de beoordeling van eco-activiteiten naast de informatie
uit het AMS ook andere gegevens ter beschikking, zoals luchtfoto’s, gewascodes en
weersinformatie. Het oordeel van de medewerker kan daardoor afwijken van het algoritme.
Daarom blijft de menselijke beoordeling van meerwaarde.
Vraag
Ook vragen zij hoe groot de groep ondernemers was die hun goud- of zilverstatus verloren
doordat één eco-activiteit werd afgekeurd.
Antwoord
Definitieve gegevens over afwijzingen en de gevolgen voor medailles zijn nog niet
beschikbaar, omdat de afhandeling van 2025 nog niet is afgerond. Het is ook niet altijd
mogelijk de lagere subsidievaststelling te herleiden naar één activiteit of één fout.
In het algemeen is het belangrijk dat aanvragers alle subsidievoorwaarden naleven.
Anderzijds is het zo dat de financiële consequenties in het huidige systeem niet altijd
in verhouding staan tot de niet-naleving.
Vraag
Is de Minister bereid dit systeem te herzien als blijkt dat de financiële consequenties
van afkeuringen door het medaillesysteem niet in verhouding staan met de afkeuring
van een enkele activiteit?
Antwoord
De constatering dat de financiële gevolgen van het huidige medaillesysteem in sommige
gevallen niet in verhouding staan tot het niet correct uitvoeren van één eco-activiteit,
is aanleiding geweest om de systematiek van de eco-regeling aan te passen. Met de
voorgenomen wijziging per 2027, waarover de Kamer is geïnformeerd (Kamerstuk 28 625, nr. 383), wordt overgestapt naar een systematiek waarbij agrarische ondernemers worden betaald
voor de daadwerkelijk gerealiseerde waarde van alle correct uitgevoerde eco-activiteiten.
Vraag
Ook zijn zij benieuwd hoe de Minister de daling van 6 procent in het aantal ondernemers
dat zich aanmeldt voor eco-regelingen duidt en wat hij gaat doen om de eco-regelingen
weer populairder te maken.
Antwoord
RVO heeft een analyse uitgevoerd naar de afname van het aantal deelnemers aan de eco-regeling
in 2026. Hieruit blijkt dat er geen eenduidige verklaring is voor de daling. 37% van
de agrariërs die in 2026 niet meer deelnemen aan de eco-regeling, heeft ook geen basisinkomenssteun
meer aangevraagd. Daarnaast is er een groep van 2.723 relaties die wel basisinkomenssteun
heeft aangevraagd, maar niet meer deelneemt aan de eco-regeling. Van deze groep, hebben
1.162 aanvragers een lagere uitbetaling ontvangen dan was aangevraagd in 2025. Om
de eco-regeling aantrekkelijk en toegankelijk te houden, werkt de Minister aan verschillende
maatregelen. Onderdeel hiervan is betere communicatie over de voorwaarden en beoordeling
van eco-activiteiten en de aangekondigde aanpassingen van de regeling voor 2027.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk
overleg EU-LVVN.
Vraag
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de brief over het GLB in 2026.
Voor veel agrariërs zijn GLB-gelden van groot belang voor inkomen, bedrijfszekerheid
en voedselproductie. De Minister schrijft dat agrariërs in 2026 bij vergelijkbare
deelname kunnen rekenen op 171 euro basispremie per hectare en eco-premies van 60,
100 en 200 euro. Tegelijk sluit de Minister lagere tarieven niet uit bij hogere inschrijving.
Deze leden vragen de Minister daarom of kan worden gegarandeerd dat de GLB-gelden
in 2026 en 2027 op niveau blijven. Zo nee, welke risico’s ziet de Minister concreet
voor verlaging van de basispremie of eco-premies?
Antwoord
De inschrijving voor de GLB-subsidies is op 18 mei 2026 gesloten. Conform de Kamerbrief
van 5 juni jl. (Kamerstuk 28 625, nr. 384) passen de aanvragen dit jaar binnen het budget en zullen de afgesproken tarieven
in het NSP dit jaar uitbetaald kunnen worden. Dat betekent een basispremie van 171 euro
per hectare en in de eco-regeling 60 euro per hectare voor brons, 100 euro voor zilver
en 200 euro voor goud. Omdat het budget per definitie beperkt is, hangen de tarieven
in 2027 opnieuw af van het aantal aanvragen. Op basis van de nu beschikbare informatie
is er geen reden om aan te nemen dat het budget in 2027 niet toereikend is.
Vraag
Ook vragen zij hoe de Minister voorkomt dat agrariërs relatief laat duidelijkheid
krijgen over de uiteindelijke tarieven. Kan de Minister toezeggen dat agrariërs tijdig
zekerheid krijgen over budget, voorwaarden en vergoedingen?
Antwoord
Het budget voor de basispremie en de eco-regeling van het GLB wordt evenredig verdeeld
over de aanvragers. Om de tarieven zodanig te kunnen bepalen dat optimaal gebruik
kan worden gemaakt van de Europese middelen, moet er een voldoende stabiel beeld zijn
van de daadwerkelijke, rechtmatige aanspraak op subsidies. Dat is het geval in februari
van het jaar volgend op het aanvraagjaar. Dan worden ook de tarieven vastgesteld.
Het eerder vaststellen zorgt voor een onverantwoord risico op onderbesteding, waarmee
dus Europese middelen niet benut worden, of op overbesteding, hetgeen door de Commissie
zal worden verhaald op Nederland.
Vraag
Tot slot vragen zij hoe de Minister zich in Brussel inzet voor een sterk GLB na 2027.
Antwoord
De Minister zet zich in voor een GLB met stevige ambities op de gemeenschappelijke
doelen, waarbij lidstaten ruimte krijgen om zelf te bepalen met welke mix van GLB-instrumenten
die doelen worden gehaald. Hierdoor kunnen lidstaten op een doelgerichte, efficiënte
manier de meeste publieke doelen helpen ondersteunen. Tevens onderdeel van deze inzet
is de lange termijnweerbaarheid van de landbouw, beter belonen voor natuur en milieu,
voedselzekerheid, generatievernieuwing en steun voor kennis en innovatie.
Vraag
De leden van de JA21-fractie lezen dat het kabinet in Europees verband wil blijven
werken aan acceptatie van vaccinatie tegen hoogpathogene vogelgriep. Deze leden steunen
inzet op preventie.
De leden van de JA21-fractie vragen de Staatssecretaris hoe binnen de EU-draagvlak
wordt gecreëerd voor vaccinatie tegen vogelgriep. Welke lidstaten steunen deze lijn
inmiddels en waar bestaan nog bezwaren?
Antwoord
Er wordt met de Commissie en met de lidstaten al enkele jaren gesproken over vaccinatie.
Frankrijk is drie jaar geleden gestart met het op grote schaal vaccineren van eenden
voor de nationale markt. Nederland heeft wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit
uitgevoerd en is een pilot vaccinatie vogelgriep gestart, om ervaring op te doen met
het hele vaccinatieprogramma inclusief surveillance en om te zien hoe derde landen
reageren op het feit dat in Nederland legpluimvee is gevaccineerd.
In een aantal andere lidstaten wordt een plan opgesteld om pluimvee in deelsectoren
te vaccineren. Deze plannen worden te zijner tijd ter informatie aan de lidstaten
en de Commissie toegestuurd. Welke lidstaat nu concreet vaccinatie overweegt is niet
bekend.
Er is veel belangstelling voor de Franse ervaringen en de Nederlandse activiteiten.
Het staat lidstaten vrij om hun eigen vaccinatieprogramma uit te voeren, afhankelijk
van de marktpositie en de epidemiologische situatie. Het is een groot goed dat lidstaten
dat zelf kunnen bepalen. Daarbij is het wel zaak dat ze zich houden aan de Europese
Verordening 2023/361. De Commissie stimuleert noch ontmoedigt vaccinatie. De Commissie
geeft nadrukkelijk aan dat het de voorwaarden om te kunnen vaccineren heeft opgesteld
en dat het aan de lidstaat zelf is om vaccinatie al dan niet uit te voeren.
Er lijkt echter wel een tendens te zijn in de EU dat er meer en meer wordt ingezet
op vaccinatie als additionele maatregel om het aantal uitbraken in de toekomst terug
te dringen.
Vraag
Ook vragen deze leden hoe de Staatssecretaris ervoor zorgt dat er voldoende zicht
blijft op handel met belangrijke afzetlanden binnen en buiten de EU. Worden hierover
concrete afspraken gemaakt voordat vaccinatie breder wordt toegepast?
Antwoord
Het is van groot belang dat er geen onrechtmatige handelsbelemmeringen worden opgeworpen.
Daarom is LVVN op ambtelijk niveau al enkele jaren bezig om afspraken te maken met
derde landen om de afzet in producten van gevaccineerd en ook ongevaccineerd pluimvee
mogelijk te maken of te houden. Tevens heeft de Staatssecretaris het initiatief genomen
om met een aantal belangrijke handelspartners en de Commissie concreet te praten over
voorwaarden waaronder de handel in producten van gevaccineerd én ongevaccineerd pluimvee
door moet kunnen gaan. Deze gesprekken zijn in januari van dit jaar gestart. Ook de
komende maanden en vermoedelijk jaren wordt daarover nog veelvuldig met derde landen
gesproken. Het doel is te komen tot concrete afspraken in bijvoorbeeld bilaterale
certificaten. Over de voortgang zal de Kamer regelmatig worden geïnformeerd.
Vraag
De leden van de JA21-fractie vragen verder op welke schaal kuikens of legkippen op
dit moment worden gevaccineerd en hoe de Staatssecretaris de verdere opschaling voor
zich ziet. Wanneer ontvangt de Kamer het aangekondigde plan voor bredere toepassing
van vaccinatie tegen vogelgriep?
Antwoord
De enige kippen die op dit moment tegen vogelgriep zijn gevaccineerd zijn de leghennen
op het pilotbedrijf. Er wordt gewerkt aan een plan van aanpak om vaccinatie bij legpluimvee
op grote schaal, in Nederland, mogelijk te maken. De aspecten die moeten worden uitgewerkt
staan in de recente Kamerbrief van mei jl. (Kamerstuk 22 807, nr. 326) uiteengezet. Voorzien is het plan eind dit jaar aan de Kamer te sturen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk
overleg EU-LVVN en hebben hier nog enkele vragen over.
Vraag
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de EU-inzet van de Minister
omtrent het GLB. Eerder gaf de Minister aan dat publieke gelden wat hem betreft moeten
worden ingezet «waar ze het meeste verschil kunnen maken», waarbij hij denkt aan natuur
en milieu (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1794). Tegelijkertijd zien deze leden dat het GLB vooral wordt gebruikt om het huidige
landbouwsysteem in stand te houden en zijn de aanzetten tot vergroening in hoge mate
symbolisch zijn gebleken. Erkent de Minister dat het huidige GLB-instrumentarium tekortschiet
wat betreft doelmatigheid?
Antwoord
GLB-subsidies kunnen een belangrijke rol spelen in het beter belonen van publieke
diensten voor natuur en milieu, die onvoldoende beloond worden door de markt. Dit
gebeurt nu al via diverse GLB-regelingen, zoals de eco-regeling, het agrarisch-natuur-
en landschapsbeheer (ANLb) en regelingen voor niet-productieve investeringen, kennis
en innovatie. Monitoring en evaluatie zijn standaard onderdeel van de beleidsvorming
en er zijn altijd verbeteringen door te voeren. Lessen uit de huidige periode worden
meegenomen om het volgende GLB nog beter te maken.
Vraag
Kan de Minister aangeven hoe hij zich ervoor gaat inzetten dat de GLB-gelden zullen
worden gebruikt voor de transitie naar een toekomstbestendige landbouw, in plaats
van het in stand houden van het huidige systeem?
Antwoord
Het GLB heeft meerdere doelen en veel verschillende regelingen. Verschillende typen
landbouwbedrijven ontvangen steun om kleine of grotere te stappen te zetten richting
een duurzame landbouw. In het toekomstige GLB blijft de Minister toegankelijkheid
van steun voor verduurzaming voor een brede groep ondernemers belangrijk vinden. Tegelijkertijd
is het bereiken van zoveel mogelijk doelbereik voor het beschikbare budget ook van
belang. Daarbinnen zal de juiste balans gevonden worden samen met medeoverheden in
het interbestuurlijk programma dat het toekomstige GLB gaat vormgeven binnen het NRPP.
Vraag
De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister of hij zich inzet voor het afschaffen
van de hectarebetalingen, aangezien dit geld voor een groot deel bij de grootste landbouwbedrijven
en landeigenaren terecht komt.
Antwoord
De leden van de PvdD-fractie verwijzen naar het Europese gemiddelde als wordt aangegeven
dat de hectarebetalingen vooral bij de grootste landbouwbedrijven terecht komen. Door
de opbouw van de Nederlandse agrarische sector is de verdeling in Nederland veel gematigder.
De Minister zet zich in voor meer doelgerichte betalingen in het GLB, bijvoorbeeld
voor ecosysteemdiensten. Conform de motie Podt/Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1780) zet de Minister zich dan ook in voor stapsgewijze verlaging van de bandbreedte voor
de degressieve areaalgebonden inkomenssteun en voor het vergroten van ruimte voor
regelingen zoals de eco-regeling en het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Ook
steunt de Minister de beweging richting het beter belonen voor prestaties en diensten
die agrarische ondernemers leveren.
Vraag
De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris of hij binnen het nieuwe GLB
ruimte ziet voor het gebruik van middelen voor de transitie naar een dierwaardige
veehouderij? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet? Is hij bereid om dierwaardigheid
expliciet mee te nemen in het nationale GLB-programma?
Antwoord
De onderhandelingen over het nieuwe GLB lopen nog, maar het is duidelijk dat in de
meest recente tekstvoorstellen er technisch gezien voldoende ruimte is om middelen
te besteden aan de transitie naar een dierwaardige veehouderij. Dit is ook onderdeel
van de Nederlandse inzet in de onderhandelingen. De hoeveelheid geld binnen het GLB-budget
is echter beperkt en de keuzes over invulling van het NRPP, waarin het GLB zal opgaan,
moeten nog worden gemaakt. Dierenwelzijn wordt daar als prioriteit nadrukkelijk bij
betrokken.
Vraag
De leden van de PvdD-fractie vragen waarom de transitie naar biologische, gifvrije
landbouw niet is opgenomen in de LVVN-inzet van dit kabinet in de EU. Onderschrijft
de Staatssecretaris het belang van de transitie naar landbouw zonder schadelijke bestrijdingsmiddelen,
zowel op nationaal als op Europees niveau?
Antwoord
De Kamerbrief met de LVVN EU-inzet betreft de onderwerpen en prioriteiten die de komende
tijd leidend zullen zijn voor de inzet van het Ministerie van LVVN. Daarin worden
een aantal prioriteiten genoemd zoals het nieuwe GLB en het verlagen van regeldruk.
De voorbeelden die daarbij worden genoemd zijn niet uitputtend. Zo is biologische
landbouw onderdeel van de gesprekken over de voorstellen van het nieuwe GLB en heeft
uw Kamer begin dit jaar een BNC fiche ontvangen over het vereenvoudigen van de biologische
basisverordening waarover in Brussel momenteel wordt onderhandeld. Verder zet de Minister
in op het vergroten van het Nederlandse areaal biologische landbouw via het actieplan
biologische landbouw en worden daarover ook in Brussel gesprekken gevoerd: naar verwachting
zal de Commissie het komende half jaar met de EU-lidstaten voorstellen bespreken voor
een nieuw EU organic action plan. Tot slot zet de Staatssecretaris in op het afsluiten
van een convenant met de land- en tuinbouwsector, maatschappelijke organisaties en
overheden om het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen fors te verminderen.
Daarbij gaat het primair om vermindering van de belasting van het milieu.
Vraag
Ziet de Staatssecretaris ruimte om meer GLB-middelen in te zetten voor de transitie
naar biologische landbouw?
Antwoord
Het GLB ondersteunt het toekomstbestendig maken van de agrarische sector. Zo draagt
het GLB bij aan het realiseren van grote maatschappelijke opgaven zoals de transitie
naar duurzame landbouw. De Minister is positief over de opname van biologische landbouw
in het voorstel, zowel bij de mogelijkheid steun te bieden voor de handhaving van
bestaande duurzame landbouwpraktijken als voor landbouwers die omschakelen naar (verschillende
vormen van) duurzame en extensieve landbouwpraktijken. De nationale keuzes voor het
volgende GLB, dat binnen het NRPP gaat vallen, dienen in samenhang gewogen te worden.
De transitie naar biologische landbouw wordt daar nadrukkelijk bij betrokken.
Vraag
Ziet de Minister ruimte om, in het kader van de eiwitstrategie, meer GLB-middelen
in te zetten voor het telen van gewassen zoals bonen en erwten, en andere duurzame
teelten, zoals vlas en hennep?
Antwoord
De voorstellen voor het toekomstige GLB geven ruimte om in de nationale planvorming
maatregelen te introduceren die bijdrage aan de doelen van de Europese eiwitstrategie.
De Commissie stelt daartoe voor de samenwerking tussen boeren in producentenorganisaties
in de eiwitsector te versterken en lidstaten de mogelijkheden te geven tot ontwikkeling
van sectorale interventies in deze sector.
Vraag
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de EC een niet-wetgevende veeteeltstrategie
heeft aangekondigd, met daarin aspecten die raken aan dierenwelzijn. Wat verwacht
de Staatssecretaris van de veeteeltstrategie?
Antwoord
De verwachting is dat de Commissie in haar Veeteeltstrategie aan zal gaan geven hoe
zij de ontwikkeling van de veehouderij binnen Europa ziet. Daarnaast verwacht het
kabinet dat de Commissie gaat aangeven hoe zij bij gaat dragen aan deze ontwikkeling.
Vraag
Hoe verhoudt deze strategie zich met de aangekondigde herzieningen van de Europese
dierenwelzijnsverordeningen, die al jarenlang worden aangekondigd maar nog altijd
niet zijn gepubliceerd? De leden van de PvdD-fractie roepen de Minister op om opnieuw
en zeer krachtig te pleiten voor een snelle publicatie van alle beloofde voorstellen.
Antwoord
De verwachting is dat in de Veeteeltstrategie de Commissie ook duidelijkheid zal verschaffen
over op welke vlakken zij nieuwe dan wel aangepaste EU-dierenwelzijnswetgeving voorzit
voor bepaalde sectoren in de veehouderij. De Veeteeltstrategie wordt op korte termijn
verwacht.
Vraag
De leden van de PvdD-fractie lezen dat de Staatssecretaris een herziening van het
GVB van belang vindt. Deze leden roepen met klem op om te waarborgen dat er niet opnieuw
een omnibus komt die leidt tot verslechtering van de bescherming van de natuur, in
dit geval onze zeeën en oceanen. Zij ontvangen graag een reactie op dit punt.
Antwoord
De Staatssecretaris zet zich in voor een uitvoerbaar, handhaafbaar en doeltreffend
GVB dat in staat is om de biologische rijkdommen van de zee te beschermen. Op dit
moment is het GVB onvoldoende effectief, zijn de administratieve lasten te hoog en
is het te rigide. Daarom pleit de Staatssecretaris voor een herziening, zodat we in
Europa maatregelen afspreken die wel leiden tot gewenst resultaat. Een goed voorbeeld
hiervan is de aanlandplicht, een maatregel die in het leven is geroepen om ongewenste
bijvangst te voorkomen, maar die onwerkbaar is in de Nederlandse visserij.
Vraag
Zij wijzen er tevens op dat de wetenschappelijke consensus laat zien dat vissen pijn
kunnen lijden. Desondanks is er geen wettelijke bescherming om het lijden van vissen
tegen te gaan. Kan de Staatssecretaris aangeven voor welke vissenwelzijnsmaatregelen
hij zich zal inzetten op Europees niveau en bij een eventuele herziening van het GVB?
Antwoord
In Nederland loopt er een onderzoek naar methoden om het welzijn van vissen te verbeteren,
zoals het bedwelmen van vissen aan boord van vissersschepen. Wanneer deze methoden
beschikbaar en getest zijn voor veilig gebruik aan boord van vissersschepen, kan de
Staatssecretaris hiervoor in Europa aandacht vragen. Mocht er een voorstel voor een
herziening van het GVB komen, dan zal de kamer via het reguliere BNC-traject worden
geïnformeerd over de Nederlandse inzet.
Vraag
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de EC naar verwachting op korte termijn
zal aangeven hoe zij de toekomst van de bontindustrie in de EU voor zich ziet en dat
de signalen erop wijzen dat de EC afkoerst op aanscherping van welzijnsstandaarden
in de bontfokkerijen in plaats van een productie- en importverbod. Deze leden wijzen
erop dat ruim 1,5 miljoen Europeanen het burgerinitiatief «Fur Free Europe» hebben
ondertekend, dat uitdrukkelijk oproept tot een EU-breed verbod. Vindt het kabinet
dat met aanscherpingen van welzijnsstandaarden recht wordt gedaan aan het burgerinitiatief
Bontvrij Europe, dat door ruim 1,5 miljoen Europeanen is ondertekend?
Antwoord
Nederland is voorstander van een EU-breed verbod op de pelsdierhouderij en op het
op de markt brengen van bont en bontproducten. Nederland is van mening dat dat de
enige juiste wijze is waarop invulling gegeven kan worden aan het burgerinitiatief.
Vraag
Is het kabinet voornemens om uit te spraken dat zo’n aanpak onvoldoende is?
Antwoord
Mocht de Commissie inderdaad niet overgaan tot een verbod maar kiezen voor aanscherpingen
van welzijnsstandaarden, dan zal Nederland zich hier tegen uitspreken.
Vraag
Blijft Nederland zich hardmaken voor een EU-breed fok- en importverbod? Zo ja, hoe?
Antwoord
Nederland spreekt zich al jaren uit voor een verbod op de pelsdierhouderij en de Staatssecretaris
zal dat dan ook onverminderd blijven doen op de momenten die zich hiervoor lenen,
bijvoorbeeld tijdens de Landbouw- en Visserijraad. Zo heeft de Staatssecretaris dit
ook aangegeven tijdens het overleg en marge van de Raad op 30 maart jl. met Eurocommissaris
Várhelyi over de onderwerpen bont en dieren in kooien. Zie daarvoor het verslag van
deze Landbouw- en Visserijraad (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1775).
Vraag
De meeste lidstaten, waaronder Nederland, hebben bontfokkerij al uitgefaseerd, of
zijn bontfokkerijen aan het uitfaseren. Hoe beoordeelt het kabinet de kans dat de
EC een meerderheid vindt voor een voorstel om (slechts) welzijnsstandaarden te verhogen,
ook met oog op een gelijk speelveld en de onwenselijkheid dat nertsenhouders zich
verplaatsen van lidstaten met een verbod naar lidstaten zonder een verbod?
Antwoord
De Staatssecretaris wil nog niet vooruitlopen op de uitkomsten van een keuze die de
Commissie nog niet heeft gemaakt. Het klopt dat meerdere lidstaten al een verbod hebben
op de pelsdierhouderij of deze aan het uitfaseren zijn, dus de Staatssecretaris acht
de kans groot dat een aanzienlijk deel van deze lidstaten zich zal uitspreken voor
een verbod.
Vraag
Hoe zwaar hechten andere lidstaten die al een nationaal verbod hebben ingesteld aan
een Europees verbod? Is er een meerderheid te vinden in de Europese Raad voor een
fok- en importverbod?
Antwoord
Hoe zwaar alle andere lidstaten die al een nationaal verbod hebben ingesteld op de
pelsdierhouderij, hechten aan een Europees verbod weet de Staatssecretaris niet. In
het verleden (tijdens de Landbouwraad van juni 2023) hebben veel lidstaten al aangegeven
een verbod te hebben op pelsdierhouderij en daaruit vloeide grote steun voort om dit
ook op EU-niveau te doen. In de Landbouwraad van januari jl. wezen veel lidstaten
er nogmaals op reeds een verbod op de pelsdierhouderij te hebben en riepen verscheidene
lidstaten op tot een EU-verbod op de pelsdierhouderij voor bontproductie. Ook benadrukten
verscheidene lidstaten dat er een ongelijk speelveld ontstaat, doordat er een verschil
is tussen maatregelen binnen de EU met die van buiten de EU. De Staatssecretaris heeft
goede hoop dat er een meerderheid onder de lidstaten bestaat voor een EU-verbod op
de pelsdierhouderij en een handelsverbod voor bont.
Vraag
De leden van de PvdD-fractie vragen welke concrete stappen het kabinet zal ondernemen
als de EC afziet van een fok- en importverbod voor bont.
Antwoord
De Staatssecretaris wil niet vooruitlopen op het besluit van de Commissie. Dit wacht
hij eerst af voordat hij iets kan zeggen over eventuele vervolgacties.
Vraag
Tevens vragen deze leden naar de stand van zaken omtrent de aangenomen motie-Van Esch
(Kamerstuk 36 254, nr. 16) waarmee de regering wordt verzocht om met een plan te komen om producten waarin
bont, dons van levend geplukte dieren, angorawol of kangoeroeleer is verwerkt, uit
de Nederlandse winkels te weren. Zij wijzen erop dat uit onderzoek is gebleken dat
deze productie gepaard gaat met structurele dierenwelzijnsrisico’s en certificeringssystemen
onvoldoende effectief zijn (2025D48257). De toenmalige Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) stelde dat
dit «aanknopingspunten» bevat voor onder meer regulering van verkoop en import van
materialen met ernstige dierenwelzijnsproblemen (Kamerstuk 32 852, nr. 394). Deze leden verzoeken de Staatssecretaris om, in samenwerking met de bewindspersoon
van I&W, alsnog uitvoering te geven aan de aangenomen motie en met een plan te komen
om deze producten die leiden tot vreselijk dierenleed uit de Nederlandse winkels te
weren.
Antwoord
De Staatssecretaris is in overleg met andere betrokken ministeries over de wijze waarop
invulling gegeven kan worden aan de motie-Van Esch. Ten aanzien van het weren van
producten waarin bont verwerkt is, ziet de Staatssecretaris dit graag op Europees
niveau aangepakt worden. Hij wacht daarom eerst de reactie van de Commissie af, voordat
hij eventueel nationaal stappen onderneemt. Dit is de meest effectieve wijze om bontproducten
te weren, omdat een Europese aanpak zorgt voor een geharmoniseerd regelgevend kader
binnen de interne markt.
Vraag
De leden van de PvdD-fractie constateren dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven
(CBb) op 28 mei jongstleden de uitspraak heeft gedaan in de procedure rondom de Nederlandse
huis- en hobbydierenlijst voor zoogdieren (ECLI:NL:CBB:2026: nrs. 210 t/m 213). Het
CBb heeft daarbij bevestigd dat de gehanteerde wetenschappelijke beoordelingsmethode
gebruikt kan worden voor het bepalen van welke diersoorten geschikt zijn om als huisdier
te houden. Het stemt deze leden positief dat er eindelijk, na jarenlang onderzoek,
een wetenschappelijke, objectieve methodiek is die juridisch houdbaar is.
De leden van de PvdD-fractie zijn van mening dat nu er een juridisch houdbare methodiek
is, er, conform de wens van de Kamer, zo spoedig mogelijk werk moet worden gemaakt
van een nationale positieflijst voor de andere diercategorieën, waaronder reptielen,
vogels en vissen. Daarnaast wijzen de leden erop dat de handel in exotische dieren
bij uitstek een grensoverschrijdend karakter heeft en dat het belangrijk is om niet
alleen een sterke nationale positieflijst in te voeren, maar ook een EU-brede positieflijst.
De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij de recente uitspraak
van het CBb betrekt bij zijn inzet in de Raad en in bilaterale gesprekken met Ministers
van andere lidstaten. Is de Staatssecretaris bereid de positieve ervaringen met de
Nederlandse positieflijst actief onder de aandacht te brengen in Europa? Zo nee, waarom
niet?
De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris voorts of hij bereid is zich
in Europees verband concreet in te zetten voor de totstandkoming van een EU-brede
positieflijst voor huis- en hobbydieren.
Antwoord
De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) over de huis-
en hobbydierenlijst is inderdaad positief en bevestigt dat de lijst op een zorgvuldige
manier tot stand is gekomen. De Staatssecretaris zal de ervaring die in Nederland
is opgedaan met het ontwikkelen van de huis- en hobbydierenlijst blijven delen met
andere lidstaten. Als hij een geschikte mogelijkheid ziet zal hij ook het belang van
een Europese positieflijst onder de aandacht brengen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractie
De leden van de CU-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de onderliggende
stukken en hebben diverse vragen.
Vraag
De leden van de CU-fractie zijn benieuwd naar de inzet van de Minister in de EU op
het gebied van agrarisch natuur en landschapsbeheer. Deze leden hebben grote waardering
voor het ANLb en andere regelingen om boeren een eerlijke vergoeding te geven voor
natuur en landschapsbeheer. Zij hebben vragen over de prikkels die uitgaan van de
huidige vormgeving van de GLB-voorstellen binnen het MFK. Inkomenssteun kan volledig
uit het Europese GLB-budget worden gefinancierd, terwijl voor maatregelen onder artikel
10, waaronder het ANLb en de eco-regeling komen te vallen, verplichte nationale cofinanciering
van 30 procent geldt.
De leden van de CU-fractie zien dat hierdoor minder makkelijk geld vanuit het GLB
beschikbaar komt voor ANLb en de eco-regeling. Daarnaast beloont inkomenssteun in
de vorm van hectarepremies primair het bezit van grond en heeft het een opdrijvend
effect op grondprijzen. Kan de Minister reflecteren op dit verschil en de gevolgen
daarvan voor de inzet op natuur- en milieudoelen?
Is de Minister bereid in EU-verband te pleiten voor het afschaffen of verlagen van
de verplichte nationale cofinanciering voor artikel 10-maatregelen? Welke andere mogelijkheden
ziet hij om in EU-verband te pleiten voor een eerlijke vergoeding voor agrarisch natuurbeheer?
Antwoord
De Minister wil de optimale voorwaarden in de verordening scheppen voor lidstaten
om GLB-steun in te kunnen zetten voor natuur en milieu. Hij onderzoekt momenteel meerdere
mogelijkheden om negatieve prikkels uit de wetsvoorstellen te verminderen. Het is
tevens belangrijk voor Nederland om de mogelijkheid te behouden als lidstaat om vrijwillig
nationale co-financiering in te kunnen zetten voor het agrarisch-natuur en landschapsbeheer.
Dat doet Nederland als lidstaat ook. Flexibiliteit om vrijwillig nationale middelen
te kunnen toevoegen is ook van belang voor de eco-regeling.
Een mogelijke oplossing is een vast percentage te reserveren (oormerken) voor groene
interventies binnen de GLB-envelop, zodat lidstaten minimaal een bepaald percentage
van het geoormerkte GLB-budget aan deze groene interventies moeten besteden. In de
huidige GLB-periode bestaat een aparte oormerking voor groene doelen ook. Het kabinet
is in algemene zin geen voorstander van verdere oormerking van budgetten voor specifieke
doeleinden binnen het NRPP. Specifiek binnen de gereserveerde GLB-envelop pleit Nederland
wel voor versterking van artikel 10-maatregelen zoals de eco-regeling en het agrarisch
natuur- en landschapsbeheer. Herintroductie van een dergelijk principe zou kunnen
bijdragen aan meer gezamenlijke ambitie op Europees niveau voor de groene doelen van
het GLB.
Vraag
De leden van de CU-fractie hebben ook vragen over de voorgestelde herschikking binnen
het GLB, waarbij wordt voorgesteld om de pijlers te laten vervallen en waardoor de
eco-regeling en ANLb uit dezelfde pot worden gefinancierd (artikel 10 van de GLB-verordening).
Klopt het dat hiermee de middelen voor agrarisch natuurbeheer relatief kleiner worden?
Acht de Minister dit wenselijk?
Antwoord
Het klopt niet dat de middelen voor het agrarisch natuurbeheer hierdoor kleiner worden.
Het gaat slechts om het gelijktrekken van de juridische voorwaarden voor deze regelingen
en zegt niets over verdeling van middelen. Wel is de aparte oormerking binnen de GLB-envelop
voor de eco-regeling en voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer verdwenen.
Deze was er in de vorige periode wel en fungeerde als een minimumniveau voor lidstaten
voor hoeveel geld zijn aan deze regelingen konden besteden. Lidstaten hebben nu meer
keuzevrijheid om te kiezen hoeveel geld zij inzetten voor artikel 10 (eco-regeling
en agrarisch natuur- en landschapsbeheer), wat ten koste kan gaan van voldoende gezamenlijke
inzet op Europees niveau op de grensoverschrijdende doelen voor natuur en milieu via
deze regelingen.
Vraag
Is de Minister bereid te pleiten voor het vergroten van de ruimte binnen het herziene
GLB voor beloning van ecosysteemdiensten middels agrarisch natuurbeheer door de bandbreedte
voor inkomenssteun stapsgewijs te verlagen, in lijn met de aangenomen motie-Bromet/Podt
(Kamerstuk 21 501-32 nr. 1780)?
Antwoord
Het kabinet voert deze motie momenteel al uit.
Vraag
Is de Minister bereid zich in EU-verband in te zetten voor een gerichte oormerking
van middelen binnen artikel 10 van de GLB-verordening?
Antwoord
In algemene zin is het kabinet geen voorstander van verdere oormerking van budgetten
voor specifieke doeleinden binnen het NRPP. Specifiek binnen de GLB-envelop zet Nederland
zich in Europees verband in voor gerichte oormerking van groene interventies zoals
de eco-regeling en het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Herintroductie hiervan
zou kunnen bijdragen aan meer gezamenlijke ambitie op Europees niveau voor de groene
doelen van het GLB.
Vraag
De leden van de CU-fractie zijn ook benieuwd naar de inzet van de Minister rondom
de uitvoering van de stress test voor de Vogel- en Habitatrichtlijn door de EC. Hoe
beoordeelt de Minister de aangekondigde stress test van de Vogel- en Habitatrichtlijn?
Antwoord
De Minister kijkt positief naar de stresstest van de Vogel- en Habitatrichtlijnen
(VHR). De stresstest bouwt voort op de VHR Fitness-check die in 2016 is afgerond en
waarin de VHR «fit-for-purpose» is bevonden. De stresstest focust op hoe de bestaande
VHR-doelstellingen op een kostenefficiënte manier behaald kunnen worden, inclusief
door mogelijkheden te verkennen voor het verminderen van administratieve lasten, terwijl
de ambitie en natuurbeschermingsstandaarden onverminderd hoog blijven. De Commissie
vraagt lidstaten inbreng te leveren, onder andere via een technisch-inhoudelijke consultatie.
De voorbereidingen daarop zijn momenteel nog in volle gang.
De Minister ziet de VHR-stresstest als een belangrijk traject om onze ervaringen met
de uitvoering van de VHR onder de aandacht bij de Commissie te brengen. De stresstest
biedt de Commissie inzage in de specifieke uitdagingen waar Nederland mee te maken
heeft, aan de hand van data, feiten en concrete casuïstiek. Daarnaast kan Nederland
laten zien welke verbeteringen de afgelopen jaren zijn doorgevoerd en welke goede
praktijken en oplossingsrichtingen Nederland heeft ontwikkeld. Het is daarbij belangrijk
dat het onderzoek op feitelijke input wordt gebaseerd.
De Commissie vraagt in het kader van de stresstest niet om wijzigingsvoorstellen.
De stresstest is een technisch vooronderzoek, om te bezien waar mogelijke kostenefficiënte
stappen gezet kunnen worden, zonder dat de inhoudelijke doelstellingen of het bestaande
beschermingsniveau worden aangetast. De resultaten van de stresstest zullen een indicatie
zijn of wijzigingen in de VHR nodig zijn, om de bredere vereenvoudigingsdoelstellingen
van de Commissie te behalen.
Vraag
Is de Minister voornemens om de Nederlandse knelpunten voor vergunningsverlening die
zijn ontstaan door opstapelende jurisprudentie volgend uit de habitatrichtlijn onder
de aandacht te brengen?
Antwoord
De Minister is inderdaad voornemens om de Nederlandse knelpunten rond vergunningverlening
onder de aandacht te brengen. Deze kennen overigens een veelheid aan oorzaken, waaronder
de slechte staat van natuur en het achterblijven van natuurherstelmaatregelen.
Vraag
Is de Minister bereid om in dit kader voorstellen te doen die de vergunningverlening
van projecten die bijdragen aan emissiereductie vergemakkelijken, meer duidelijkheid
geven over de beoordeling van significante effecten en meer rechtszekerheid bieden
voor maatregelen die op gebieds- of systeemniveau leiden tot een vermindering van
stikstofemissies?
Antwoord
Het kabinet werkt hard aan de transities die nodig zijn. Nu komt het voor dat projecten
die aantoonbaar tot emissiereductie leiden soms niet vergunbaar zijn. Dit lijkt een
rem te zetten op de transitie die nodig is naar een meer duurzame economie. De richting
waarin de Commissie-voorstellen zoals bij het Grids Package gaan, zouden dit probleem
naar verwachting op kunnen lossen voor de energiesector. Ook voor andere sectoren
wordt over soortgelijke oplossingen nagedacht. Daarbij wil het kabinet wel aandacht
houden voor de mogelijke gevolgen voor natuur en biodiversiteit, zodat noodzakelijke
klimaat- en verduurzamingsambities niet onbedoeld leiden tot extra schade aan de natuur.
De goede werking van de Habitatrichtlijn zou kunnen verbeteren indien bepaalde begrippen
verhelderd en eenduidig uitgelegd worden. Nederland vraagt hier aandacht voor.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Landbouw- en Visserijraad. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
Vraag
De leden van de BBB-fractie constateren dat veel knelpunten voor Nederlandse boeren,
tuinders en vissers hun oorsprong vinden in Europese wet- en regelgeving. Denk daarbij
aan regels rond mest, natuur, gewasbescherming, diergezondheid, waterkwaliteit, visserij
en de steeds verdergaande stapeling van verplichtingen. Kan de Minister aangeven op
welke Europese dossiers hij op dit moment actief inzet op wijziging, vereenvoudiging
of herziening van bestaande Europese wetgeving?
Antwoord
Op dit moment lopen er verschillende onderhandelingen in Brussel over vereenvoudigingsvoorstellen,
zoals de Omnibus veiligheid van voedsel en diervoeder en de Milieuomnibus. Het kabinet
pleegt in deze onderhandelingen actief inzet voor vereenvoudiging van deze regelgeving.
De Kamer is via de relevante BNC-fiches hierover geïnformeerd. Daarnaast onderzoekt
het kabinet op dit moment welke mogelijkheden er zijn voor vereenvoudiging van visserijregelgeving,
en zet zich in voor een gerichte herziening van het GVB.
Vraag
Kan de Minister specifiek ingaan op de inzet van de Minister en de taskforce ten aanzien
van het aanpassen van Europese wet- en regelgeving? Wordt dit spoor nog actief bewandeld,
zoals de Ministeriële Commissie voor Economie en Natuurherstel (MCEN) dit deed en
zo ja, op welke concrete punten? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Binnen de Taskforce is aandacht voor de Europese dimensie van de besluitvorming. Het
kabinet informeert de Commissie proactief over de Nederlandse aanpak van stikstof
en natuurherstel. Ook is er contact met de Commissie over maatregelen die raken aan
de staatssteunkaders. Ook verkent het kabinet de mogelijkheden om op Europees niveau
de beoogde verduurzaming mogelijk te maken.
Vraag
Kan de Minister aangeven welke concrete voorstellen Nederland in Brussel heeft gedaan
of voorbereidt om Europese regelgeving beter uitvoerbaar, betaalbaar en haalbaar te
maken voor boeren, tuinders en vissers? Kan de Minister aangeven hoe de taskforce
prioriteiten stelt? Wordt daarbij vooral gekeken naar juridische haalbaarheid, naar
economische schade voor boeren en vissers, naar uitvoerbaarheid voor medeoverheden,
of naar de snelheid waarmee verlichting kan worden bereikt?
Antwoord
Het kabinet heeft een samenhangende aanpak vormgegeven waarbij impact, snelheid, draagvlak
en uitvoerbaarheid worden gewogen. Concreet betekent dit dat de aanpak, naast stikstofreductie
en natuurherstel, ook inzet op maatregelen waarmee er perspectief is voor de sector
en voor regio’s. Met dit samenhangende pakket werkt het kabinet aan het stoppen van
de verslechtering van natuur en aan het stapsgewijs en per gebied weer meer mogelijk
maken van vergunningverlening. Het kabinet kijkt daarbij ook wat op Europees niveau
gedaan kan worden om de beoogde verduurzaming mogelijk te maken. Het kabinet zet zich
in de EU onder andere in om regelgeving te stroomlijnen en administratieve lasten
te verlagen.
Vraag
Kan de Minister aangeven met welke lidstaten Nederland optrekt om Europese landbouw-
en natuurregelgeving te vereenvoudigen? Zijn er vaste coalities van gelijkgezinde
lidstaten, en zo ja, op welke dossiers?
Antwoord
Het vormen van coalities is een belangrijk onderdeel van de Europese inzet. De samenstelling
van deze coalities verschilt per dossier. Per dossier zal worden gekeken met welke
lidstaten Nederland het best kan optrekken, en waar nodig dossiers in samenhang moeten
worden bezien. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de positie van de Commissie.
Vraag
Kan de Minister aangeven hoe hij de positie van jonge boeren en bedrijfsopvolgers
meeneemt in de Nederlandse inzet in Brussel? Wordt bij Europese voorstellen standaard
gekeken of deze de instroom van jonge boeren bevorderen of juist verder bemoeilijken?
Antwoord
Generatievernieuwing is voor het kabinet een prioriteit, zowel nationaal als Europees.
Daarom ondersteunt de Minister in de voorstellen van het GLB na 2027 zeer de insteek
om integraal te kijken naar de steun die jonge boeren kunnen krijgen. Ook is er voor
bepaalde interventies meer steun mogelijk als de aanvragers jonge boeren zijn. In
het kader van de discussie over het toekomstige MFK pleit Nederland in Brussel voor
een oormerking van 6% van de GLB-envelop voor jonge boeren. Dit is een concreet voorbeeld
dat het kabinet generatievernieuwing in de landbouw serieus neemt. Generatievernieuwing
in de landbouw behoort ook nationaal tot de prioriteiten. De Minister richt zich daarbij
in het GLB primair op de vestigingssteun. Dit is een belangrijk instrument om jonge
boeren te ondersteunen bij het starten van nieuwe bedrijven of het overnemen van bestaande
bedrijven.
Vraag
Kan de Minister aangeven hoe vaak hij met de EC spreekt over de gevolgen van Europese
regelgeving voor Nederlandse boeren, tuinders en vissers? Welke knelpunten heeft hij
daarbij het meest nadrukkelijk ingebracht?
Antwoord
In de gesprekken met de Commissie wordt het Nederlandse standpunt op verschillende
dossiers naar voren gebracht, zoals over het GLB en het GVB. Het beperken van regeldruk,
administratieve lasten en uitvoeringslasten is onderdeel van deze Nederlandse inzet.
De Kamer is geïnformeerd over deze inzet via BNC-fiches en Kamerbrieven.
Vraag
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Minister de strategische waarde van de Nederlandse
visserijsector beoordeelt voor de voedselzekerheid van Nederland en Europa, gelet
op de geopolitieke ontwikkelingen en het belang van Europese voedselautonomie.
Antwoord
Een groot deel van de door de Nederlandse visserijsector in Nederland aangelande vis
wordt geëxporteerd. De afgelopen jaren zijn de exportwaarde en het exportvolume van
vis gegroeid. En ook de importwaarde en het volume zijn gestegen. Voor vis is de EU
met 80% de belangrijkste afzetmarkt. Het is van strategisch belang om de aanvoer van
vis op peil te houden om zowel de toeleverende industrie als de verwerkende industrie
voor verse vis in Nederland te behouden. In de uitwerking van de agenda voedselzekerheid
zal het visserijaspect en voedsel uit zee worden betrokken. Afhankelijkheden en kansen
van het huidige systeem van vis als onderdeel van ons voedselsysteem kunnen zo in
kaart worden gebracht. Vis, schaal- en schelpieren vormen nu en naar de toekomst toe
een waardevol bestanddeel van een gezond dieet.
Vraag
De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister deelt dat voedsel uit zee een belangrijke
bijdrage kan leveren aan een robuust, duurzaam en betaalbaar Europees voedselsysteem
en hoe dit wordt ingebracht in de Europese discussies.
Antwoord
Voedsel uit zee dat gewonnen wordt binnen de draagkracht van het ecosysteem vormt
een duurzaam onderdeel van het voedselsysteem en is een waardevol bestanddeel van
een gezond dieet. Met het vaststellen van de uitvoeringsagenda behorende bij de visie
Voedsel uit Zee en grote wateren werken sector, keten, ngo’s, bestuurlijk platform
visserij en het Ministerie van LVVN gezamenlijk aan een betere positionering van vis,
schaal- en schelpdieren in nationaal en Europees beleid en voor de consument. Het
in gezamenlijkheid optrekken zal bijdragen aan het versterken van de positie van de
Nederlandse visserijsector en het belang van marien voedsel in diverse gremia. Recent
is de inbreng voor de Vision 2040 for Fisheries and aquaculture met de Kamer gedeeld
(Kamerstuk 26 737, nr. 13), waarin dit onderwerp ook is opgenomen. De Kamer zal worden geïnformeerd over de
voortgang van de diverse acties.
Vraag
De leden van de BBB-fractie vragen wat de stand van zaken is van de uitvoering van
de aangenomen motie-Van der Plas/Den Hollander (Kamerstuk 21 501-32 nr. 1738).
Antwoord
De Staatssecretaris heeft de Kamer geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering
van bovenstaande motie in de diversenbrief van 12 juni jl. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1815).
Vraag
De leden van de BBB-fractie vragen of er inmiddels met andere lidstaten is gesproken
over gezamenlijk onderzoek naar innovatieve visserijtechnieken, waaronder pulsvisserij
en welke concrete resultaten deze gesprekken hebben opgeleverd.
Antwoord
De eerste gesprekken met andere lidstaten over gezamenlijk onderzoek en eventuele
doorontwikkeling van het pulskortuig zijn gevoerd. De Staatssecretaris heeft de Kamer
geïnformeerd over de voorlopige resultaten van deze gespreken in de diversenbrief
van 12 juni jl. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1815).
Vraag
De leden van de BBB-fractie vragen welke regelingen en instrumenten voor verduurzaming
en innovatie van de visserijsector worden meegenomen in de onderhandelingen over het
MFK.
Antwoord
Als onderdeel van het MFK 2028–2034 wordt het Nationaal Regionaal Partnerschapsfonds
uitgewerkt via NRPP. Hoewel de onderhandelingen over het MFK nog gaande zijn, is het
kabinet reeds gestart met de uitwerking van deze plannen (Kamerstuk 22 112, nr. 4357). Binnen het Nederlandse plan zal aandacht worden besteed aan de visserij- en aquacultuursector.
Vraag
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris de Europese regelgeving
voor habitattype H1110 interpreteert.
Antwoord
Habitattype H1110 is een habitattype dat op bijlage I van de Europese Habitatrichtlijn
is vermeld. De verplichtingen voor H1110 staan in de Habitatrichtlijn zelf, waaronder
dat alle lidstaten speciale beschermingszones moeten aanwijzen voor de instandhouding
van het habitattype. De Habitatrichtlijn is in Nederland geïmplementeerd via de Omgevingswet.
De Nederlandse interpretatie van het habitattype 1110, Permanent met zeewater van
geringe diepte overstroomde zandbanken, is opgenomen in het habitatprofieldocument
H1110. Over de Landelijke staat van instandhouding van H1110 heeft de Staatssecretaris
de Kamer recent geïnformeerd (Kamerstuk 33 576, nr. 472).
Vraag
De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris eerst met zijn Duitse en
Deense collega’s in gesprek wil gaan over de jacht op de zwarte zee-eend voordat mogelijke
gebiedssluitingen worden overwogen vanwege de staat van deze populatie.
Antwoord
In Nederland zijn er Natura 2000-gebieden aangewezen voor deze soort, waar maatregelen
worden genomen om de instandhoudingsdoelen te kunnen behalen. Deze maatregelen worden
opgenomen in een Natura 2000-beheerplan. Deze soort is in Nederland kwetsbaar door
afname van voedselbronnen en door verstoring. Maar in andere lidstaten komen de soorten
mogelijk robuuster voor. Een lidstaat als Denemarken kan onder voorwaarden toch jacht
toestaan op een beschermde vogel, bijvoorbeeld als de populatie lokaal erg groot is
of de soort voor schade of veiligheidsrisico’s zorgt. Dat is in Nederland niet aan
de orde. Het kabinet zal dit verder betrekken bij de uitvoering van de motie Van der
Plas (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1748).
Vraag
De leden van de BBB-fractie vragen welk deel van de gebiedssluitingen voortvloeit
uit Europese verplichtingen en welk deel het gevolg is van nationale beleidskeuzes.
Antwoord
In het Noordzeeakkoord (NZA) zijn nationaal afspraken gemaakt die invulling geven
aan verplichtingen uit Europees natuurbeleid. In het NZA is afgesproken om 15% van
de Nederlandse Noordzee te vrijwaren van bodemberoerende visserij in ecologisch waardevolle
gebieden in 2030. Deze maatregel draagt ook bij aan wettelijke natuurverplichtingen
zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) en
de Natuurherstelverordening. Op dit moment voldoet Nederland niet aan de Goede Milieu
Toestand onder de KRM en wordt de staat van instandhouding van diverse habitattypes
en vogelsoorten op de Noordzee niet gehaald. Zolang de staat van de natuur niet verbetert
op de Noordzee, zullen drukfactoren in de zin van menselijk gebruik, waaronder visserij,
bezien moeten worden. Uiteraard wordt bij het nemen van maatregelen altijd een afweging
gemaakt tussen ecologische effectiviteit en sociaaleconomische belangen. Dit is een
vereiste onder het GVB.
Vraag
De leden van de BBB-fractie vragen ervoor te zorgen dat extra uitvoeringskosten als
gevolg van de implementatie van een nieuw GVB niet worden afgewenteld op vissers.
Antwoord
Er is op dit moment geen sprake van een nieuw GVB. Mocht er een voorstel voor een
herziening van het GVB worden gedaan, dan zal de Kamer geïnformeerd worden over de
Nederlandse inzet via het reguliere BNC-proces.
Vraag
De leden van de BBB-fractie vragen of de Nederlandse visie op voedsel uit zee wordt
ingebracht bij de ontwikkeling van de Europese visie op visserij en aquacultuur.
Antwoord
De Staatssecretaris heeft onlangs de Nederlandse inbreng op de Vision 2040 for fisheries
en aquaculture met de Kamer gedeeld (Kamerstuk 26 737, nr. 13). Deze is opgesteld met de Nederlandse Visie op voedsel uit zee en grote wateren
als uitgangspunt.
Vraag
De leden van de BBB-fractie vragen welke concrete maatregelen de Staatssecretaris
wil invoeren om de visserijsector te versterken.
Antwoord
Op 13 mei jl. heeft de Staatssecretaris de Kamer de gezamenlijk met de sector, ketenpartijen,
visserijgemeenschappen en natuurorganisaties vastgestelde uitvoeringsagenda bij de
Visie op voedsel uit zee en grote wateren doen toekomen (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1793). In deze agenda zijn ook de concrete maatregelen van LVVN vermeld die zullen worden
getroffen om de visserijsector te versterken; dat wil zeggen meer toekomstbestendig
maken en robuust.
Vraag
De leden van de BBB-fractie vragen wat de Staatssecretaris precies verwacht van de
aangekondigde Europese visie op visserij en aquacultuur, welke mogelijkheden deze
biedt voor de pulsvisserij en welke inzet Nederland hiervoor pleegt.
Antwoord
De Staatssecretaris heeft de Kamer geïnformeerd over de inzet voor de Visie 2040 voor
Visserij en Aquacultuur in een brief van 11 juni jl. (Kamerstuk 26 737, nr. 13). In deze brief benadrukt de Staatssecretaris onder meer het belang van de pulskorvisserij
voor de energietransitie van de visserijsector.
Vragen en opmerkingen van het lid Keijzer
Het lid Keijzer heeft kennisgenomen van de brief over de inzet van het kabinet op
landbouw-, visserij-, voedselzekerheids- en natuurbeleid in de Europese Unie. Dit
lid heeft hierover de volgende vragen aan de Minister.
Vraag
Het lid Keijzer constateert dat het kabinet inzet op een toekomstbestendige landbouwsector,
versterking van het verdienvermogen van boeren, vermindering van regeldruk en ruimte
voor innovatie. Tegelijkertijd staat Nederland nog altijd op slot door de stikstofproblematiek,
met grote gevolgen voor boeren, woningbouw, infrastructuur en economische ontwikkeling.
Welke concrete ruimte wil het kabinet in Brussel verkrijgen om Nederland van het stikstofslot
af te krijgen? Op welke Europese regelgeving, interpretaties of Europese verplichtingen
richt deze inzet zich specifiek?
Antwoord
Via het maatregelenpakket uit de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof moet vergunningverlening
binnen Nederland stapsgewijs weer mogelijk worden. Waar het kabinet behulpzame mogelijkheden
ziet in Brussel die aantoonbaar niet leiden tot extra schade aan gezondheid, natuur
en milieu zet het kabinet zich ook daarvoor in. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden
aan verduidelijkingen rond de Vogel- en Habitatrichtlijnen (VHR). Het kabinet zet
zich in Brussel in om verduurzaming en stikstofreductie mogelijk te maken. Rond de
VHR wordt dit jaar ook een Europese stresstest van de VHR uitgevoerd. Daarbij zal
het kabinet bij de Commissie onder de aandacht brengen dat de bewijslast om aan te
tonen dat significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten,
voor initiatiefnemers groot is.
Vraag
Welk concreet resultaat wil het kabinet voor het einde van deze kabinetsperiode hebben
bereikt ten aanzien van vergunningverlening voor landbouw, woningbouw en infrastructuur?
Antwoord
Op korte termijn wil het kabinet waarborgen dat verduurzaming en stikstofreductie
doorgang kunnen vinden als onderdeel van het bredere pakket van maatregelen van het
Rijk. Daarbij werkt het kabinet samen met provincies aan een aanpak gericht op het
bieden van ruimte aan verduurzamingsactiviteiten. Een andere route hierbij is verduurzaming
van activiteiten aan te merken als een passende maatregel voor het waarborgen van
behoud van N2000-gebieden. Dit kan nu al gebeuren door bevoegde gezagen. Verder werkt
het kabinet aan interbestuurlijke afspraken over het verbeteren van de kenbaarheid
en bruikbaarheid van natuurinformatie ten behoeve van vergunningverlening. Er moet
op gebiedsniveau van overheidswege inzicht worden geboden in wat nodig is voor de
natuur, wat de maatregelen zijn die daarvoor getroffen worden, wanneer die effect
hebben en of dat effect voldoende zal zijn voor de natuur. Dit geeft de basis voor
de onderbouwing van additionaliteit per gebied. Daarnaast worden andere manieren verkend
om additionaliteit aan te tonen, zoals met een meer generieke onderbouwing. Dit is
een belangrijke stap in het op den duur weer breder mogelijk maken van vergunningverlening
voor de verschillende sectoren.
Vraag
Is het kabinet van mening dat de huidige Europese kaders voldoende ruimte bieden om
Nederland structureel van het stikstofslot af te krijgen? Zo ja, waarop baseert het
kabinet deze verwachting? Indien de huidige Europese kaders daarvoor onvoldoende ruimte
bieden, is het kabinet dan bereid zich in te zetten voor aanpassing van Europese regelgeving,
richtsnoeren of interpretaties? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Het kabinet is ervan overtuigd met het recent verschenen maatregelenpakket uit de
Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof toe te werken naar een toekomstbestendige agrarische
sector en het structureel herstellen van de natuur. Daarbij moet ook vergunningverlening
weer stapsgewijs mogelijk worden voor de andere opgaven waar Nederland voor staat.
Bij de vormgeving van dit pakket is rekening gehouden met de huidige Europese kaders,
waarbinnen het pakket ook zal worden geïmplementeerd. De stikstofproblematiek is in
eerste instantie een nationale opgave, maar het kabinet kijkt wat op Europees niveau
gedaan kan worden om de beoogde verduurzaming mogelijk te maken, waar dit aantoonbaar
niet leidt tot extra schade aan gezondheid, natuur en milieu.
Vraag
Het lid Keijzer leest dat het kabinet de EC proactief zal informeren over de Nederlandse
aanpak van stikstof en natuurherstel. Welke concrete boodschap brengt het kabinet
daarbij over aan de EC?
Antwoord
Het kabinet bespreekt met de Commissie de samenhangende aanpak en het maatregelenpakket
voortkomend uit de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof. Hierin wordt de Commissie
meegenomen in de maatregelen die Nederland nu voorziet te nemen ten aanzien van natuurherstel,
emissiereductie en het weer mogelijk maken van vergunningsverlening. Hiermee laat
Nederland zien dat het serieuze stappen zet om te kunnen voldoen aan Europese kaders
ten aanzien van natuur en waterkwaliteit. Daarnaast onderzoekt het kabinet in deze
gesprekken wat op Europees niveau gedaan kan worden om de met dit pakket beoogde verduurzaming
mogelijk te maken en te ondersteunen. Daarbij wordt met de Commissie onder andere
gesproken over aspecten van het maatregelenpakket die raken aan de staatssteunkaders.
Vraag
Is het doel van het kabinet uitsluitend om binnen de bestaande Europese kaders te
opereren, of zet het kabinet ook actief in op verruiming van de ruimte voor vergunningverlening
en economische ontwikkeling? Welke lidstaten trekken met Nederland op in deze discussie?
Welke coalitie probeert Nederland in Brussel te vormen om meer ruimte te creëren voor
nationale oplossingen?
Antwoord
Vanzelfsprekend hanteert het kabinet de bestaande Europese kaders bij zijn opereren.
Het kabinet kijkt wat op Europees niveau gedaan kan worden om de beoogde verduurzaming
mogelijk te maken, waar dit aantoonbaar niet leidt tot extra schade aan gezondheid,
natuur en milieu.
Vraag
Voorts constateert het lid Keijzer dat het kabinet inzet op de verdere ontwikkeling
en toepassing van Renure en andere circulaire meststoffen. Welke concrete resultaten
wil het kabinet de komende twee jaar bereiken ten aanzien van de toelating en toepassing
van Renure?
Antwoord
Op 12 juni jl. is de nationale regelgeving voor het gebruik van Renure-meststoffen
in werking getreden. Om de productie van Renure op te schalen wordt de Regeling Hoogwaardige
Mestverwerking eind dit jaar opengesteld voor grootschalige installaties voor mestverwaarding
tot Renure-producten en wordt gewerkt aan een subsidieregeling voor het opstarten
van kleine installaties op veehouderijbedrijven. Het kabinet zet zich er daarnaast
voor in om de reikwijdte van de circulaire productie en het gebruik van meststoffen
afkomstig uit dierlijke mest uit te breiden. In het Actieplan Meststoffen van de Commissie
is een mogelijke verbreding van de reikwijdte van Renure naar bepaalde vormen van
digestaat aangekondigd. De Kamer is op 26 juni jl. geïnformeerd over de kabinetsappreciatie
van dit Actieplan via een BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 4394).
Vraag
Welke belemmeringen in Europese regelgeving staan momenteel verdere toepassing van
Renure in de weg? Welke stappen gaat de Minister zetten om deze belemmeringen weg
te nemen?
Antwoord
Op 2 maart jl. is de Europese regelgeving voor Renure in werking getreden, na een
aanpassing van de Nitraatrichtlijn. Met deze regeling wordt het mogelijk om onder
voorwaarden 80 kilogram stikstof per hectare bovenop de stikstofgebruiksruimte voor
dierlijke mest aan te wenden met goedgekeurde Renure-meststoffen (binnen de totaal
stikstofgebruiksnorm). Op 12 juni jl. is ook de nationale regeling voor het gebruik
van Renure in werking getreden. De Europese regelgeving voor Renure staat op dit moment
drie productietechnieken toe. Voor het kabinet zijn de Renure-criteria, zoals in 2020
opgesteld door het Joint Research Centre, leidend. Het kabinet zet zich er daarom
voor in om de reikwijdte van de circulaire productie en het gebruik van meststoffen
afkomstig uit dierlijke mest (Renure) uit te breiden.
Vraag
Wanneer verwacht de Minister dat Nederlandse boeren daadwerkelijk de voordelen van
verruimde Renure-toepassingen zullen merken? Welk effect verwacht de Minister hiervan
op de mestmarkt, de afhankelijkheid van kunstmest en het verdienvermogen van boeren?
Antwoord
Op 12 juni jl. is de nationale regeling voor het gebruik van Renure-meststoffen in
werking getreden. Hiermee wordt het mogelijk voor agrariërs om onder voorwaarden 80 kilogram
stikstof per hectare bovenop de stikstofgebruiksruimte voor dierlijke mest aan te
wenden met goedgekeurde Renure-meststoffen (binnen de totaal stikstofgebruiksnorm). Op korte termijn (1 á 2) jaar zal de productiecapaciteit van Renure nog onvoldoende
zijn om kunstmest grootschalig te kunnen vervangen. Het kabinet ziet Renure-technologie
en circulaire mestverwerking voor de langere termijn als een instrument om de Nederlandse
landbouw minder afhankelijk te maken van kunstmest en werkt daarom ook aan een subsidieregeling
om de productiecapaciteit van Renure-producten te stimuleren.
Vraag
Het lid Keijzer merkt daarnaast op dat het kabinet veelvuldig spreekt over het belang
van een gelijk speelveld binnen Europa. Is de Minister van mening dat Nederlandse
boeren momenteel onder gelijkwaardige voorwaarden concurreren met boeren in andere
lidstaten? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo nee, op welke terreinen ondervinden Nederlandse
boeren volgens de Minister een concurrentienadeel? Welke concrete inzet kiest het
kabinet om deze verschillen te verkleinen?
Antwoord
Het kabinet zet zich in voor een gelijk speelveld binnen de EU. Binnen de interne
markt gelden voor veel onderwerpen geharmoniseerde Europese regels, maar er kunnen
verschillen ontstaan door nationale keuzes bij de implementatie van Europese richtlijnen.
Ook verschillen de omstandigheden tussen Europese lidstaten, bijvoorbeeld als het
gaat om het bestaansminimum, arbeidskosten en lokale milieuregels. Deze factoren hebben
invloed op de productiekosten van boeren. Het kabinet maakt keuzes met het oog op
maatschappelijke doelen en maakt afwegingen tussen de beoogde maatschappelijke meerwaarde
en de gevolgen voor het verdienvermogen en de concurrentiepositie van Nederlandse
boeren. Daarbij is het ook van belang dat investeringen die boeren doen om aan aanvullende
eisen of hogere standaarden te voldoen, waar mogelijk worden gewaardeerd en beloond
in de markt. Daarom blijft het kabinet zich in Europees verband inzetten voor verdere
harmonisatie van regels waar dat wenselijk en mogelijk is, het verminderen van onnodige
verschillen tussen lidstaten en het versterken van een gelijk speelveld binnen de
EU. Ook blijft het kabinet aandacht vragen voor de gevolgen van nieuwe regelgeving
voor de concurrentiepositie van Nederlandse boeren.
Vraag
Kan de Minister toezeggen dat hij zich zal verzetten tegen nieuwe Europese verplichtingen
die leiden tot extra lasten voor Nederlandse boeren zonder dat sprake is van een aantoonbaar
gelijk speelveld binnen de EU?
Antwoord
Het kabinet beoordeelt nieuwe Europese voorstellen kritisch op gevolgen voor de administratieve
lasten, uitvoerbaarheid, concurrentiekracht en het gelijke speelveld binnen de Europese
Unie. Daarbij zet het kabinet zich in voor proportionele regelgeving en geen nationale
koppen. Het kabinet kan niet op voorhand toezeggen zich tegen iedere nieuwe verplichting
te verzetten. Per voorstel zal een afweging worden gemaakt tussen de beoogde doelen
van het voorstel, de gevolgen voor boeren, de impact op het concurrentievermogen en
de bijdrage aan een gelijk speelveld binnen de Europese Unie. Daarbij blijft het uitgangspunt
dat onnodige lasten zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.
Vraag
Het lid Keijzer constateert voorts dat het kabinet inzet op natuurherstel en implementatie
van Europese natuur- en milieuwetgeving. Hoe voorkomt het kabinet dat de implementatie
van de Natuurherstelverordening en andere Europese natuurwetgeving leidt tot aanvullende
beperkingen voor boeren, tuinders en vissers?
Antwoord
Voor natuur- en biodiverisiteitsherstel wordt in Nederland uitvoering gegeven aan
verschillende Europese verplichtingen, zoals de Vogel en Habitatrichtlijn, de Kaderrichtlijn
Water, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie, en de Natuurherstelverordening. Het uitwerken
van herstelmaatregelen voor de Natuurherstelverordening gebeurt in samenhang met het
maatregelenpakket dat wordt opgesteld door de Ministeriele Taskforce Landbouw, Natuur
en Stikstof in het kader van het coalitieakkoord 2026–2030. Het integrale maatregelenpakket
dat hieruit voortkomt, waar een bedrag van 20 miljard euro voor is gereserveerd, zal
ook financiële steun bieden aan belanghebbenden, zoals boeren, tuinders en vissers.
Deze groepen kunnen te maken krijgen met herstelmaatregelen of nieuwe verplichtingen
uit de Natuurherstelverordening. Om negatieve gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen
en te beperken, is het belangrijk om voortdurend met betrokken partijen in gesprek
te blijven om afspraken te maken over passende maatregelen, zoals perspectief in nieuwe
verdienmodellen, en ondersteuning bij de omschakeling naar andere werkwijzen. Het
doel van het kabinet is om hier, in lijn met het coalitieakkoord, waar mogelijk op
in te zetten.
Vraag
Kan de Minister uitsluiten dat bij de implementatie van Europese natuurwetgeving nationale
koppen worden toegevoegd die verder gaan dan Europese verplichtingen? Welke ruimte
ziet de Minister binnen de Europese regelgeving om natuurdoelen, voedselproductie
en economische ontwikkeling beter met elkaar in balans te brengen?
Antwoord
Europese natuurwetgeving, zoals de Natuurherstelverordening, kent verplichtingen die
voor Nederland uitdagend zijn om te bereiken. Zoals aangegeven in het coalitieakkoord
zet het kabinet zich in om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen.
In het coalitieakkoord is afgesproken dat Nederland de Natuurherstelverordening uitvoert.
Nederland beperkt zich hierbij tot de noodzakelijke maatregelen om te voldoen aan
de eisen van de verordening, in overeenstemming met de motie Van Campen (Kamerstuk
21 501-32, nr. 1657).
Bij de inzet voor het uitvoeren van de Natuurherstelverordening, en Europese regelgeving
in de brede zin, wordt binnen de bestaande wettelijke kaders ook een bredere afweging
gemaakt met andere belangen zoals economie, ruimte, woningbouw, en defensie. In een
klein en dicht bevolkt land als Nederland vraagt dit om duidelijke en betrouwbare
beleidskeuzes, waarbij de juiste balans tussen verschillende opgaven gevonden moet
worden. In de Ministeriele Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof ontwikkelt het kabinet
in samenwerking met betrokken partijen een samenhangende aanpak om stikstof- en brede
milieuproblematiek aan te pakken. Hierbij is er oog voor de verschillende opgaves
waar Nederland voor staat en de uiteenlopende belangen die daarbij spelen.
Vraag
Is het verkrijgen van meer nationale beleidsruimte voor lidstaten onderdeel van de
Nederlandse inzet in de onderhandelingen over het volgende MFK en het toekomstige
GLB? Welke concrete bevoegdheden of beleidsruimte wil het kabinet terugleggen bij
de lidstaten? Acht de Minister meer nationale beleidsvrijheid noodzakelijk om Nederland
van het stikstofslot af te krijgen en de concurrentiepositie van Nederlandse boeren
te versterken?
Antwoord
Het verkrijgen van meer nationale beleidsruimte is een prioriteit van de inzet voor
het toekomstig GLB. Hierbij richt het kabinet zich op gezamenlijke Europese doelen,
waarbij de lidstaten zelf kunnen bepalen op welke wijze die gehaald worden. Voorbeelden
daarvan zijn de keuzevrijheid om te bepalen welke GLB-interventies in te zetten voor
welke doelen, en de ruimte om te bepalen op welke wijze subsidieaanvragen worden vormgegeven
en gecontroleerd, zodat dit goed past bij de nationale situatie. Het GLB kan daarbij
ondersteunend zijn aan de nationale inzet op stikstof. Dat kan met verschillende door
de Commissie voorgestelde regelingen en voorwaarden, zoals steun voor kennisdeling
en voor het Europees Innovatiepartnerschap voor productiviteit en duurzaamheid in
de landbouw.
Vraag
Het lid Keijzer merkt tot slot op dat voedselzekerheid, strategische autonomie en
geopolitieke weerbaarheid steeds belangrijker worden binnen Europa. Dit lid is van
mening dat een sterke landbouwsector een essentiële voorwaarde vormt voor de voedselzekerheid
van Nederland en Europa. Deelt de Minister de opvatting dat voedselzekerheid een strategisch
publiek belang is dat zwaarder moet meewegen binnen Europese besluitvorming?
Antwoord
Nederland en de EU kennen een hoge mate van voedselzekerheid, maar mede door geopolitieke
spanningen en klimaatverandering neemt het risico op verstoringen toe. Daarom is het
belangrijk de weerbaarheid en de open strategische autonomie van het Europese voedselsysteem
te versterken om zo ook in de toekomst onze voedselzekerheid te borgen. Het kabinet
zet zich hier op Europees niveau voor in. Daarnaast werkt de Staatssecretaris, mede
in reactie op de toenemende geopolitieke spanningen, aan een Strategische Agenda Voedselzekerheid.
De Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de contouren en het proces.
Vraag
Deelt de Minister de opvatting dat een sterk en zelfstandig GLB met een eigen en toereikend
budget noodzakelijk is om de voedselzekerheid van Europa te waarborgen?
Antwoord
Nederland is voorstander van de modernere structuur en de integratie van verschillende
fondsen in het NRPP, zoals opgenomen in BNC-fiche NRPP (Kamerstuk 22 112, nr. 4144) en herbevestigd in de brief «Update Nederlandse inzet volgend MFK/EMB» (Kamerstuk 22 112, nr. 4357).
Voedselzekerheid is een primair beleidsdoel van dit kabinet. Daarom is het van belang
om voldoende productie van belangrijke voedselproducten in Nederland en Europa te
handhaven op een duurzame wijze. Het GLB vormt daarvoor een belangrijke basis. Daarom
zet het kabinet in op een toekomstig GLB met voldoende aandacht voor voedselzekerheid,
onder meer door de inzet op generatievernieuwing en het versterken van de lange termijn
veerkracht van de sector.
Vraag
Is de Minister bereid zich expliciet uit te spreken tegen voorstellen waarbij GLB-middelen
opgaan in bredere fondsen of afhankelijk worden gemaakt van andere nationale beleidsdoelen?
Welke inzet kiest Nederland in de onderhandelingen over het toekomstige GLB na 2027?
Met welke lidstaten trekt Nederland op om te komen tot een sterk, zelfstandig en voldoende
gefinancierd GLB?
Antwoord
Nederland is voorstander van de modernere structuur en de integratie van verschillende
fondsen in het NRPP, zoals opgenomen in BNC-fiche NRPP (Kamerstuk 22 112, nr. 4144) en herbevestigd in de brief «Update Nederlandse inzet volgend MFK/EMB» (Kamerstuk 22 112, nr. 4357). Nederland pleit voor een GLB met voldoende gemeenschappelijke inzet voor de economische
en groene doelen van het GLB evenals voor voldoende inzet voor het stimuleren van
generatievernieuwing. Hierin zal Nederland de samenwerking opzoeken in Europees verband.
Hierbij is de Nederlandse inzet dat de voorwaarden in de Europese verordening mogelijk
maken dat Nederland een zo goed mogelijke mix van GLB-instrumenten kan maken. Zo kunnen
de GLB-instrumenten doelgericht en efficiënt worden ingezet.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
J. Bosman, adjunct-griffier