Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 947 Wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met het verhogen van het aandeel van gas uit hernieuwbare bronnen in de totale leveringen van gas aan afnemers (Wet bijmengverplichting groen gas)
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 3 juli 2026
Inhoudsopgave
I.
ALGEMEEN DEEL
2
1.
Inleiding
3
1.1.
Essentie van het wetsvoorstel
4
2.
Hoofdlijnen van het voorstel
5
2.1.
Groen gas als onderdeel van het toekomstige energiesysteem
5
2.2.
Doelstelling
8
2.3.
Werking van de verplichting
11
2.4.
Inrichting van het systeem van de bijmengverplichting
12
2.5.
Flexibiliteit binnen de bijmengverplichting
12
3.
Verhouding tot hoger recht
13
3.1.
EU ETS2
13
3.2.
RED richtlijn 2018/2001
13
3.3.
ESR-verordening 2023/857
14
3.4.
Notificatie op grond van Richtlijn (EU) 2015/1535
14
3.5.
Internationale handelsbetrekkingen
14
4.
Gevolgen van de bijmengverplichting
14
4.1.
Effecten van de bijmengverplichting voor producenten en afnemers
14
4.2.
Klimaat- en milieueffecten en Sustainable Development Goals
15
4.3.
Financiële effecten van de bijmengverplichting voor producenten en afnemers
15
4.4.
Regeldrukeffecten
18
5.
Uitvoering
18
5.1.
Uitvoering door de NEa
18
5.2.
Uitvoering door VertiCer
18
5.3.
Uitvoering in het kader van wisselen tussen de bijmengverplichting en subsidiering
18
6.
Toezicht en handhaving
19
6.1.
Toezicht op ketenemissiereductie
19
6.2.
Betrouwbaarheid van gegevens
19
6.3.
Toezicht door de NEa op de verplichting
19
6.4.
Handhaving
20
7.
Financiële gevolgen
20
8.
Advies en consultatie
20
8.1.
Internetconsultatie
20
9.
Evaluatie
21
10.
Inwerkingtreding en overgangsrecht
21
11.
Overig
21
II.
ARTIKELSGEWIJS
22
I. ALGEMEEN DEEL
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft in het kader van het voorbereidend
onderzoek van dit wetsvoorstel het lid Van den Berg tot wetgevingsrapporteur benoemd.
De wetgevingsrapporteur heeft ten behoeve van het verslag een schriftelijke inbreng
opgesteld. De commissie heeft besloten de inbreng van de wetgevingsrapporteur over
te nemen en in het verslag als in breng van de commissie op te nemen1. De commissie is de wetgevingsrapporteur erkentelijk voor zijn bijdrage aan het verslag.
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende
wetsvoorstel. Deze leden beschouwen de bijmengverplichting voor groen gas als een
belangrijke stap naar een schoon, betaalbaar en onafhankelijk energiesysteem. Met
deze verplichting wordt de afhankelijkheid van fossiel aardgas uit instabiele landen
verminderd, de productie van duurzame energie van eigen bodem gestimuleerd en nieuw
perspectief geboden aan boeren en de industrie. Deze leden hebben nog enkele vragen
over het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorliggende
wetsvoorstel en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet bijmengverplichting
groen gas. Deze leden hebben op een aantal punten nog vragen en opmerkingen.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel
en hebben enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel
en hebben daarover enkele vragen. Deze leden onderschrijven het belang van opschaling
van groen gas als onderdeel van de energietransitie. Tegelijkertijd roept het wetsvoorstel
vragen op over onder andere de mate waarin de voorgestelde bijmengverplichting daadwerkelijk
zal bijdragen aan extra productie van groen gas in Nederland en over de gevolgen voor
de energierekening van huishoudens en bedrijven.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.
Zij hebben nog enkele vragen, met name over de gevolgen van het voorstel voor de glastuinbouw.
De leden van de PvdD-fractie hebben met zorg kennisgenomen van de Wet bijmengverplichting
groen gas.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig
wetsvoorstel. Deze leden hebben een aantal vragen.
1. Inleiding
De leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat de verplichte levering
van groen gas aan eindgebruikers, oplopend tot ruim 0,8 miljard m3 in 2031, zorgt voor de benodigde stimulering om te investeren in productie-installaties,
in de Europese Unie maar ook specifiek in Nederland. Ook lezen de leden van de commissie
dat het wenselijk is dat het wetsvoorstel significant bijdraagt aan de benodigde investeringen
in productiecapaciteit in Nederland en niet alleen maar zorgt voor stimulering van
buitenlandse groengasproductie. De leden van de commissie vragen of dat de reden is
dat de regering in een eerdere versie van het wetsvoorstel buitenlands gas had uitgesloten
van de bijmengverplichting. Kan de regering in meer detail ingaan waarop de verwachting
is gebaseerd dat dit wetsvoorstel zorgt voor investeringen in Nederland in productie-installaties?
Wat als de kosten van buitenlands gas dermate laag zijn dat er geen prikkel is om
te investeren in productie-installaties in Nederland? Op welke manieren kan de regering
onder dit wetsvoorstel bijsturen als de bijmengverplichting – door het toestaan van
buitenlands gas – niet leidt tot de beoogde investeringen in productiecapaciteit in
Nederland?
De leden van commissie merken op dat de regering in het nader rapport naar aanleiding
van een vraag van de Afdeling advisering van de Raad van State ingaat op de evaluatie
van het wetsvoorstel. Daarin staat dat uitgegaan wordt van een evaluatie in 2029.
Indien voldoende informatie ontbreekt kan deze evaluatie uitgesteld worden tot uiterlijk
vijf jaar na inwerkingtreding. De leden van de commissie hebben daarover de volgende
vragen. Als het wetsvoorstel in werking treedt met ingang van 1 januari 2027 en de
evaluatie pas na 5 jaar zal plaatsvinden, zal de evaluatie niet eerder beschikbaar
zijn dan in 2032. De regering geeft aan dat de huidige looptijd van de bijmengverplichting
loopt tot en met 2035. Gezien de gemiddelde doorlooptijd van wetgeving, lijkt het
doorvoeren van eventuele wijzigingen weinig zinvol, omdat de dan resterende tijd beperkt
is. De leden van de commissie vragen of de regering kan aangeven in hoeverre tussentijds
gemonitord gaat worden hoe het wetsvoorstel uitwerkt in de praktijk? Dit mede in het
licht van hetgeen wordt beschreven in paragraaf 2.2.2 van de memorie van toelichting.
Hierin wordt aangegeven dat een exponentieel groeipad gehanteerd wordt om toe te groeien
naar de streefdoelstelling in 2031. Het groeipad zal worden opgenomen en uitgewerkt
in de algemene maatregel van bestuur op basis van onderhavig wetsvoorstel. Hoewel
het uitgangspunt is dat het groeipad tot 2031 vast zal staan, kunnen er onvoorziene
omstandigheden in de groengas markt plaatsvinden die aanpassing van het groeipad noodzakelijk
maken. Onvoorziene omstandigheden kunnen er bijvoorbeeld toe leiden dat de groengasproductie
drastisch afneemt of stagneert. Kan de regering aangeven wat de gevolgen voor het
groeipad zijn als de evaluatie pas in 2032 plaatsvindt? De leden van de commissie
vragen of de regering kan aangeven aan welke onvoorziene omstandigheden gedacht wordt.
Kan de regering aangeven wat een mogelijke neerwaartse bijstelling betekent voor het
achterliggende Europese doel voor de broeikasgasemissiereductie?
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering om een reactie op hun algemene
zorg dat het wetsvoorstel een nieuwe wettelijke kostenverplichting introduceert voor
huishoudens en ondernemers, terwijl de betaalbaarheid, binnenlandse productiecapaciteit,
vergunningverlening, stikstofruimte, netcapaciteit en uitvoerbaarheid nog onvoldoende
hard zijn geborgd. Deze leden onderschrijven dat groen gas een rol kan spelen in een
betrouwbaar energiesysteem, maar vragen waarom de regering kiest voor het verplichten
van de vraag voordat de aanbodzijde aantoonbaar op orde is.
De leden van de JA21-fractie verzoeken om te onderbouwen waarom de voorgestelde bijmengverplichting
groen gas (BMV) per 1 januari 2027 zou moeten ingaan. Is de regering bereid de inwerkingtreding
te heroverwegen als vóór die datum onvoldoende zekerheid bestaat over betaalbaarheid,
uitvoerbaarheid en daadwerkelijk realiseerbare productie?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat onderhavig wetsvoorstel beoogt om de
groei van groengasproductie in Nederland te stimuleren. Het verbruik van buitenlands
groen gas is echter niet uitgesloten. Deze leden vragen welk doel de regering nu precies
beoogt met onderhavig wetsvoorstel. Wil de regering de binnenlandse productie stimuleren
of vooral de consumptie van een bepaald volume groen gas garanderen, ongeacht waar
het groen gas vandaan komt? Kan de regering tevens uiteenzetten wat het verwachte
aandeel is van import de komende jaren? Hoe voorkomt de regering dat deze import niet
(investeringen in) Nederlandse productie verdringt?
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn in beginsel voorstander van vraagnormering.
In het geval van groengasproductie merken deze leden wel op dat randvoorwaarden, zoals
voldoende ruimte op het stroomnet en snelle vergunningverlening, op orde moeten zijn.
Deze leden vragen of de randvoorwaarden volgens de regering op orde zijn voor de opschaling
van groengasproductie? Zo nee, is de verwachte opschaling (die nodig is voor het halen
van de gewenste CO2-ketenemissiereductie) haalbaar volgens de regering? Zo ja, kan de regering dit onderbouwen,
onder meer met de gebruikte aannames voor de doorlooptijd van vergunningverlening
en de bouw van vergisters?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welke keuzes andere lidstaten maken om
de productie en consumptie te stimuleren? Kan de regering per lidstaat uiteenzetten
welke maatregelen worden overwogen of reeds worden geïmplementeerd.
1.1. Essentie van het wetsvoorstel
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering de keuze voor een wettelijke afnameverplichting
als hoofdroute voor opschaling nader te motiveren. Welke minder belastende alternatieven,
zoals gerichte productiestimulering, aanpassing van de Stimuleringsregeling Duurzame
Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) of sectorale ketenafspraken, zijn integraal
vergeleken op effectiviteit, maatschappelijke kosten en uitvoerbaarheid?
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering duidelijk te maken welk probleem
de BMV oplost dat niet eerst via vergunningverlening, stikstofruimte, netcapaciteit
en investeringszekerheid opgelost zou moeten worden. Waarom acht de regering het verantwoord
om de vraag wettelijk te verplichten als verschillende knelpunten zich juist aan de
aanbodzijde voordoen?
2. Hoofdlijnen van het voorstel
2.1. Groen gas als onderdeel van het toekomstige energiesysteem
De leden van de commissie lezen dat mest ingezet kan worden als grondstof voor groen
gas. De verwachting is dat op de korte termijn het stikstofdeel van het digestaat
(een restproduct van mestvergisting) een bijdrage kan leveren aan de vervanging van
kunstmest op basis van fossiele bronnen. De leden van de commissie lezen in de memorie
van toelichting dat hiervoor gewacht moet worden op een wijziging van de Nitraatrichtlijn.
De leden vragen of het klopt dat deze Europese regelgeving in februari van dit jaar
al is aangenomen in Europa? Kan de regering aangeven of dit klopt, wat de huidige
stand van zaken is, en wat dit precies betekent voor dit wetsvoorstel?
De leden van de commissie lezen dat uit het onderzoek van CE Delft volgt dat een bijmengverplichting
het meest effectieve instrument is om de productie van groen gas flink op te schalen
in Nederland. Uit het onderzoek zelf blijkt echter dat het onderzoek zich niet richtte
op de vraag wat het meest effectieve instrument is. In de in het onderzoek aangehaalde
Routekaart Groen Gas worden verschillende beleidsinstrumenten beschreven, waaronder
de bijmengverplichting maar onder andere ook een verlaging van de energiebelasting
op groen gas om de productie van groen gas te stimuleren. Aan CE Delft is verzocht
de voor- en nadelen van een bijmengverplichting verder uit te diepen en ontwerpopties
in kaart te brengen. De leden van de commissie vragen of er alternatieven zijn overwogen
voor de bijmengverplichting, zoals deze onder andere in de Routekaart Groen Gas zijn
beschreven?
De leden van de PRO-fractie constateren dat de regering verwacht dat het overgrote
deel van de benodigde groengasproductie zal komen uit mestvergisting. Ze vragen de
regering hoe wordt voorkomen dat een financieel aantrekkelijke bijmengverplichting
daarmee ook een structurele prikkel wordt om de omvang van de veestapel op peil te
houden of te vergroten, terwijl het kabinetsbeleid elders juist is gericht op reductie
van de stikstofuitstoot. Kan de regering toelichten hoe de bijmengverplichting zich
verhoudt tot de bredere landbouwtransitie en welke waarborgen de regering ziet om
te voorkomen dat deze twee sporen van beleid elkaar tegenwerken?
De leden van de CDA-fractie constateren ten aanzien van de binnenlandse productie
van groen gas dat de regering het stimuleren van groengasproductie in Nederland als
expliciete doelstelling van het wetsvoorstel benoemt. Tegelijkertijd erkent de memorie
van toelichting dat, door de openstelling van de bijmengverplichting voor groen gas
uit andere EU-lidstaten, niet goed te voorspellen is in welke mate de extra vraag
naar groen gas daadwerkelijk zal leiden tot extra productie in Nederland. Een nadere
kwantitatieve analyse van het verwachte aandeel Nederlandse productie, de rol van
import en de bijdrage van verschillende productieroutes, waaronder mestvergisting
ontbreekt. Deze leden vragen de regering om hier wel een nadere analyse van voor te
leggen aan de Kamer.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de memorie van toelichting juist ten aanzien
van (mono)mestvergisting bijzonder positief is. De regering stelt dat vermeden methaanemissies
in de systematiek worden meegewogen, waardoor mestvergisting een relatief sterke stimulans
krijgt en de businesscase voor deze techniek aanzienlijk verbetert. Daarnaast wijst
de regering op de bredere maatschappelijke voordelen van mestvergisting, zoals methaan-
en stikstofreductie, extra inkomsten voor agrarische ondernemers en een betere benutting
van reststromen. Tegen deze achtergrond vragen deze leden welk aandeel van de beoogde
productiegroei naar verwachting afkomstig zal zijn uit mono- en mestvergisting. Kan
de regering nader inzicht geven in de mate waarin de bijmengverplichting daadwerkelijk
zal bijdragen aan de realisatie van het beschikbare Nederlandse mestpotentieel? Welke
vergunningstechnische, ruimtelijke, financiële of netgerelateerde knelpunten belemmeren
momenteel verdere opschaling en welke maatregelen acht de regering noodzakelijk om
deze weg te nemen?
De leden van de CDA-fractie merken voorts op dat de regering in de brief over het
maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 87) heeft aangekondigd de productie van groen gas via (mono)mestvergisting de komende
jaren actief te stimuleren, onder meer in combinatie met de opschaling van Renure.
Deze leden steunen deze aanpak, omdat zij niet alleen bijdraagt aan de productie van
hernieuwbaar gas, maar ook aan de reductie van methaan- en ammoniakemissies. Ook de
samenwerking van de regering met onder andere Land- en Tuinbouworganisatie Nederland
(LTO), Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) en Rabobank aan een versnellingsplan,
gericht op snellere vergunningverlening en het wegnemen van belemmeringen voor opschaling,
kan op hun instemming rekenen. Wel vragen deze leden de regering nader toe te lichten
hoe zij invulling zal geven aan deze versnellingsaanpak, welke concrete maatregelen
zij daarbij neemt, welke bijdrage zij daarvan verwacht aan de reductie van stikstof-,
methaan- en ammoniakemissies en de realisatie van de stikstofdoelstellingen, en op
welke termijn deze maatregelen naar verwachting effect zullen hebben.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering om vooruitlopend op de evaluatie van
het wetsvoorstel, periodiek inzicht te geven in de ontwikkeling van de binnenlandse
groengasproductie, uitgesplitst naar productieroute. Voorts vragen zij de regering
om duidelijk te maken welke aanvullende beleidsopties kunnen worden overwogen om investeringen
in binnenlandse productie, en in het bijzonder in (mono)mestvergisting, verder te
stimuleren indien blijkt dat een substantieel deel van de vraag wordt ingevuld door
import en de Nederlandse productie achterblijft. Deze leden merken in dit kader op
dat de memorie van toelichting benoemt dat als het aandeel Nederlandse productie binnen
de bijmengverplichting tegenvalt, dat gegeven zal worden meegewogen in de evaluatie
van het wetsvoorstel. Deze leden vragen de regering te preciseren welke criteria of
kritieke grens zij hanteert om te bezien of en in welke mate het aandeel van de Nederlandse
productie binnen de bijmengverplichting tegenvalt.
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te verduidelijken welke rol de
regering groen gas op lange termijn toedicht in het energiesysteem. Hoe wordt geborgd
dat schaarse volumes groen gas primair terechtkomen bij toepassingen waar alternatieven
ontbreken of zeer kostbaar zijn, en niet via een generieke verplichting worden ingezet
op plekken waar goedkopere of doelmatigere alternatieven bestaan?
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te beoordelen wat de BMV betekent
voor sectoren die met gas ook een systeembelang vervullen, zoals de glastuinbouw met
warmtekrachtkoppeling (WKK). Heeft de regering onderzocht of hogere gaskosten ertoe
kunnen leiden dat WKK’s minder worden ingezet en daarmee de leveringszekerheid en
congestiemanagement op het elektriciteitsnet onder druk komen te staan?
De leden van de SGP-fractie horen graag waarom het niet mogelijk is gebleken de bijmengverplichting
alleen te richten op Nederlands groen gas. Wat betekent de import van groen gas voor
de bijdrage aan de Nederlandse CO2-reductieopgave? Hoe groot is de kans dat import van groen gas aantrekkelijker wordt
dan productie in eigen land?
De leden van de PvdD-fractie verzoeken de regering om toe te lichten waarom groen
gas in dit wetsvoorstel wordt gepositioneerd als noodzakelijk onderdeel van het toekomstige
energiesysteem. Deze leden wijzen erop dat de klimaattransitie volgens hen vooral
moet worden gebaseerd op energiebesparing, elektrificatie, warmtepompen, warmtenetten
en duurzame opwek, en niet op het structureel in stand houden van meststromen.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het rapport van Guidehouse het eindbeeld
dat inzet van groen gas het meest logisch lijkt in de piekvoorziening elektriciteit,
in de piekvoorziening voor warmtenetten, in de keramieksector en de staalsector. Waarom
sluit de regering hier met onderhavig wetsvoorstel niet bij aan?2
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom is gekozen voor de afbakening voor
de ETS2-sectoren. Deze leden lezen dat niet gekozen is om ETS1-industrie onder de
bijmengverplichting te laten vallen, onder meer vanwege de verslechterde internationale
concurrentiepositie die de kostenverhogende maatregel die niet geldt in andere landen
tot gevolg kan hebben. Deze leden vragen of de regering zo exact mogelijk uiteen kan
zetten wat de gevolgen van onderhavig wetsvoorstel zijn voor de internationale concurrentiepositie
van de glastuinbouw en hoe wordt geborgd dat onderhavig wetsvoorstel niet bijdraagt
aan een ongelijk(er) speelveld. Ook vragen zij naar de verwachte gevolgen voor de
voedselproductie van de sector en voor de prijzen van de producten die worden verbouwd
door de glastuinbouw.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om tevens breder te reflecteren
op de situatie van de glastuinbouw. De sector heeft zelf met de overheid bindende
afspraken gemaakt over de CO2-reductie middels het Convenant Energietransitie Glastuinbouw 2022–2030. Een deel
van de afgesproken randvoorwaarden zijn nog niet op orde, maar de sector heeft wel
te maken met stijgende kosten, onder meer via de opt-in van de sector in ETS2, waardoor
de sector ook onder de bijmengverplichting valt. Hoe kijkt de regering naar deze stapeling?
Deze leden vragen de regering naar de plannen voor de compensatie van de glastuinbouw.
Op welke manier borgt de regering dat de extra energiekosten voor alle telers evenredig
wordt gecompenseerd?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom gekozen is om de bijmengverplichting
niet te laten gelden voor leveranciers van gas aan de ETS2-sectoren, maar de verplichting
enkel te koppelen aan het gasverbruik voor elektriciteitsproductie, waarbij de bijmengverplichting
dus geldt voor leveranciers van gas aan gascentrales en WKK’s. In plaats van het wetsvoorstel
aan te laten sluiten bij de afbakening van ETS2, zou dan worden aangesloten bij de
afbakening van de Wet fiscale klimaatmaatregelen glastuinbouw. Deze leden vragen de
regering om deze variant uit te werken. Hoe zou deze eruit komen te zien? Aan welke
juridische, uitvoeringstechnische en budgettaire kaders moeten deze leden denken?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering in dat kader om het verwachte
jaarlijkse gasverbruik van gascentrales en WKK’s inzichtelijk te maken voor de jaren
2027 tot en met 2035. Wat is de verwachte CO2-ketenemissiereductie in 2031 specifiek voor de glastuinbouw als groen gas gericht
wordt ingezet in WKK’s en gascentrales?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat, als bovenstaande variant
wordt doorgerekend, de verwachte stijging van de energierekening is voor huishoudens
en bedrijven? Ook vragen deze leden naar een vergelijking van de verwachte administratieve
lasten met het huidige voorstel.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering welke flankerende maatregelen
nodig zouden zijn om te voorkomen dat een bijmengverplichting voor gascentrales en
WKK’s leidt tot meer inzet van kolencentrales of meer import van grijze elektriciteit.
Kan de regering daarbij ingaan op de mogelijkheden van een hogere kolenbelasting?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om nader toe te lichten waarom
er niet voor is gekozen om de SDE++-subsidie aan te passen om de opschaling van groen
gas te stimuleren? Zou de regering willen uiteenzetten welke CO2-ketenemissiereductie wordt verwacht als enkel de SDE++-subsidie wordt aangepast?
2.2. Doelstelling
De leden van de commissie constateren dat de regering gekozen heeft voor sturing op
basis van CO2-reductie in de keten in plaats van voor een doel op basis van volume waarbij de CO2-reductie volgt uit de hoeveelheid aardgas die vervangen wordt door groen gas. De
regering geeft in de memorie van toelichting aan dat deze keuze fraudegevoeliger is
en moeilijker controleerbaar en dat door de extra toezichtstaken die hiermee samenhangen
de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) als uitvoeringsorganisatie zwaarder belast
zal worden. Ook constateren de leden van de commissie dat de NEa negatief adviseert
over de keuze voor CO2-ketenemissiesturing. De regering geeft aan dat de op pagina 10 van de memorie van
toelichting genoemde voordelen zwaarder wegen dan de nadelen en dat de nadelen zoveel
mogelijk beperkt worden. De leden van de commissie vragen wat de gevolgen zijn als
bij de evaluatie blijkt dat er daadwerkelijk (op grote schaal) fraude heeft voorgedaan,
ook in relatie tot de achterliggende, Europese verplichting van broeikasgasemissiereductie.
Kan en wordt er ook gemonitord op fraude en zijn er mogelijkheden om tussentijds bij
te sturen? Kan op een later moment alsnog gekozen worden voor een doel op basis van
volume? De leden van de commissie lezen ook dat de regering de argumenten van de NEa
valide acht, waaronder de zorgen van de NEa over de toenemende uitvoeringslast. Kan
de regering aangeven of en op welke wijze de zorgen van de NEa hierover zijn weggenomen?
De leden van de D66-fractie lezen dat de bijmengverplichting naar verwachting investeringen
in nieuwe productiecapaciteit stimuleert, samenwerking in de keten bevordert en ondernemers
meer zekerheid biedt over de toekomstige markt. Hoe waarborgt de regering dat deze
prikkel daadwerkelijk leidt tot extra productie van groen gas en voldoende investeringszekerheid,
met maximale stimulering van binnenlandse productie binnen de Europese kaders?
De leden van de D66-fractie lezen dat de bijmengverplichting in ieder geval tot 2035
wordt voortgezet om producenten en investeerders voldoende zekerheid te bieden, maar
dat het verdere opbouwpad na 2031 en de toekomst van de verplichting na 2035 nog niet
vaststaan. Zij wijzen erop dat ook na 2035 verdere opschaling van de groengasproductie
nodig blijft voor de klimaatdoelen en een onafhankelijk energiesysteem. Wanneer geeft
de regering duidelijkheid over het pad na 2035 en de toekomstige rol van de bijmengverplichting,
zodat nieuwe investeringsonzekerheid wordt voorkomen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering aangeeft dat het in de praktijk
lastig is om de sterk wisselende business cases van groengasproducenten uitputtend
te ondersteunen in een subsidie-instrument. Op welke manier draagt het voorliggende
wetsvoorstel bij aan het verbeteren van de business case van met name kleinere producenten
van groen gas die buiten het subsidie-instrument vallen? Hoe wordt gegarandeerd dat
de bijmengverplichting daadwerkelijk leidt tot extra productie van groen gas in Nederland?
De leden van de PRO-fractie constateren dat de voorgestelde jaarverplichting een vaste,
absolute hoeveelheid CO2-ketenemissiereductie betreft. Zij vragen de regering te verhelderen wat dit betekent
voor het aandeel groen gas in de resterende gasleveringen wanneer de totale gasvraag
sneller daalt dan nu voorzien, bijvoorbeeld door versnelde elektrificatie, isolatie
en de aanleg van warmtenetten in de gebouwde omgeving. Groeit het aandeel groen gas
dan automatisch mee doordat dezelfde absolute hoeveelheid wordt gedeeld door een kleinere
totale vraag, of ontstaat het risico dat een vaste, niet-oplopende verplichting per
saldo een steeds kleiner deel van de resterende, krimpende gasmarkt vergroent? Kan
de regering toezeggen dat de uitrol van de bijmengverplichting steeds in samenhang
wordt bezien met de voortgang van elektrificatie, warmtenetten en woningisolatie,
zodat groen gas geen rem wordt op alternatieven die beschikbaar en betaalbaarder zijn?
En waarom stelt de regering alleen een doel tot 2035, en niet tot 2040?
De leden van de CDA-fractie constateren dat met de opschaling van de productie van
groen gas wordt gestuurd op CO2-ketenemissiereductie. Voorts constateren zij dat CO2-reductie in de keten slechts kan worden berekend in plaats van gemeten en iedere
kilogram reductie een financiële waarde vertegenwoordigt en dat de CO2-ketenemissiereductie daardoor moeilijk controleerbaar en fraudegevoelig is. De regering
maakt in de memorie van toelichting duidelijk dat zij accepteert dat niet alle risico’s
op fraude kunnen worden weggenomen en dat zij deze risico’s zoveel mogelijk zal proberen
te beperken. Kan de regering concreet aangeven welke maatregelen zij zal treffen om
frauderisico’s zoveel mogelijk te beperken? Hoe zal na invoering van het wetsvoorstel
worden gecontroleerd op mogelijke fraude en in hoeverre is daar aanvullende handhavingscapaciteit
voor nodig?
De leden van de CDA-fractie constateren dat de bijmengverplichting nadrukkelijk bedoeld
is als instrument om investeringen in nieuwe groen gasproductie uit te lokken en investeerders
voldoende zekerheid te bieden om hun investeringen terug te verdienen. Om die reden
wordt de bijmengverplichting volgens de memorie van toelichting in ieder geval tot
en met 2035 voortgezet. Tegelijkertijd kiest de regering ervoor om het verplichtingsniveau
na 2031 vooralsnog niet verder te verhogen, omdat onzeker is hoeveel groen gas op
langere termijn beschikbaar zal zijn en welke rol andere instrumenten, zoals ETS1
en ETS2, daarbij zullen spelen. Voor de periode na 2035 bevat de memorie geen nadere
beleidsmatige doorkijk, terwijl investeringsbeslissingen in groen gasprojecten, en
in het bijzonder in (mono)mestvergisting, vaak een lange terugverdientijd kennen.
Tegen deze achtergrond vragen deze leden hoe de regering de noodzaak beoordeelt van
een structurele vraagprikkel voor groen gas na 2035, mede met het oog op investeringszekerheid
voor producenten van groen gas en (mono)mestvergisting.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering op welk moment zij meer duidelijkheid
verwacht te kunnen bieden over de toekomst van de bijmengverplichting en de marktordening
voor groen gas in de periode na 2035. Deze leden vragen tevens welke mogelijkheden
de regering ziet om reeds op kortere termijn meer langjarige zekerheid aan marktpartijen
te bieden. Op welke wijze kan volgens de regering een balans worden gevonden tussen
de benodigde flexibiliteit voor toekomstige beleidsaanpassingen en de investeringszekerheid
die nodig is voor nieuwe groen gasprojecten? Is de regering bijvoorbeeld bereid te
verkennen of bijvoorbeeld door een indicatief doel of groeipad voor de periode na
2035 vast te leggen in lagere regelgeving of beleidskaders meer lange termijn zekerheid
geboden kan worden? Kan de regering tevens ingaan op de mogelijkheid om dergelijke
doelstellingen periodiek te evalueren en zo nodig bij te stellen wanneer ontwikkelingen
in aanbod, technologie, ETS1, ETS2 of de energiemarkt daartoe aanleiding geven?
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering om een actuele cijfermatige onderbouwing
van de verwachte binnenlandse productiecapaciteit tot en met 2031, waarbij onderscheid
wordt gemaakt tussen bestaande productie, vergunde capaciteit, projecten met financiering,
projecten met een netaansluiting en projecten die nog afhankelijk zijn van vergunningverlening
of stikstofruimte. Welke productie is vóór 1 januari 2027 daadwerkelijk realiseerbaar?
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering toe te lichten hoe de regering
de uiteenlopende ramingen van het productiepotentieel weegt, variërend van circa 1,4
tot 1,6 miljard kubieke meter tot 3 miljard kubieke meter en hogere ambities richting
5 miljard kubieke meter. Welk deel van deze verwachtingen is gebaseerd op bestaande,
commercieel bewezen technieken en welk deel is afhankelijk van verdere opschaling
van vergassing of andere nog minder volwassen technologieën?
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering uiteen te zetten hoe de positie
van mestvergisting in de productieprognoses is verwerkt. Zijn de prognoses herijkt
op basis van de actuele stikstofsituatie en de gevolgen daarvan voor vergunningverlening,
en ziet de regering aanleiding het groeipad van de BMV aan te passen als mestvergisting
niet tijdig op schaal kan worden gerealiseerd?
De leden van de SGP-fractie constateren dat vergunningverlening voor onder meer mestvergistingsprojecten
moeizaam tot stand komt door de stikstofproblematiek en bestemmingsplanprocedures.
Deze leden vragen hoe de regering ervoor gaat zorgen dat deze vergunningverlening
tijdig vlotgetrokken wordt.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen de inschatting dat de beoogde CO2-ketenemissiereductie in 2031 kan worden bereikt met een groengasproductie van ongeveer
0,84 bcm in 2031, met een aandeel van 36% mestvergisting, 36% vergassing en 27% overig.
De huidige groengasproductie is momenteel ca. 0,3 bcm, vrijwel enkel door vergisting
van biomassa. Kan de regering per jaar onderbouwd uiteenzetten wat de verwachte Nederlandse
productie per techniek is, bijvoorbeeld op basis van wat brancheorganisaties aangeven
over voorgenomen investeringsbeslissingen? Acht de regering het aannemelijk dat de
doelstellingen vanaf 2028 zonder grootschalige toepassing van de «buy-out» kan worden
gehaald? Zo ja, waarop baseert zij deze verwachting? Zo nee, welke financiële gevolgen
verwacht de regering hiervan voor eindgebruikers?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de gevolgen van de aangekondigde
stikstofaanpak van het kabinet voor de productie van groen gas. Is bij deze aanpak
rekening gehouden bij de vormgeving van de verwachte productievolumes?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering tevens naar de verwachte productie
richting 2050. Kan de regering uiteenzetten wat de verwachte productievolumes zijn
voor de verschillende technieken richting 2050?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering toe te lichten in hoeverre
de voorgestelde bijmengverplichting mede is bedoeld om investeringen in de vergassingstechniek
te stimuleren. Mocht dit het geval zijn, waarom kiest de regering dan voor onderhavig
wetsvoorstel en niet voor gerichte stimulering van deze techniek?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom niet is gekozen voor
een voorhangbepaling bij de algemene maatregel van bestuur die de jaarlijks voorgestelde
verplichting en buy-outprijs regelt, om de parlementaire betrokkenheid te vergroten.
Daarnaast vragen deze leden wanneer de evaluatiemomenten zijn om het tijdpad eventueel
aan te passen en wat de criteria zijn aan de hand waarvan wordt besloten om het tijdpad
aan te passen. Is de regering bijvoorbeeld bereid om de verplichting te verlagen als
de productie achterblijft?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wanneer de regering verwacht duidelijkheid
te kunnen geven over de bijmengverplichting na 2035?
2.3. Werking van de verplichting
De leden van de commissie lezen dat de bijmengverplichting voor de leverancier wordt
bepaald aan de hand van zijn marktaandeel in de totale gasleveringen van alle energieleveranciers
gezamenlijk aan de ETS2-sectoren. De leden van de commissie constateren dat de NEa
vanuit het oogpunt van de uitvoerbaarheid voorkeur heeft voor een procentueel doel
boven een absoluut doel, en dat de NEa aangeeft dat, indien wordt vastgehouden aan
een absoluut doel, de NEa aandringt op het verschuiven van de verplichtingsdata en
het vastleggen van heldere criteria in het geval dat gegevens ontbreken. De verplichtingsdata
waren: (a) deadline vaststellen bijmengverplichting 15 mei en (b)1 juli voldoen aan
die bijmengverplichting. Alleen de deadline om de bijmengverplichting vast te stellen
is opgeschoven naar 1 juni. De leden van commissie horen graag van de regering of
voor de NEa het alleen opschuiven van de datum 15 mei naar 1 juni voldoende tijd biedt
om de bijmengverplichting voor elke energieleverancier vast te stellen en vervolgens
om aan de verplichting te voldoen door het inleveren van voldoende groengaseenheden
(GGE’s).
De leden van de VVD-fractie weten dat er zorgen zijn over de openstelling van groen
gas uit het buitenland om de Nederlandse bijmengverplichting te halen. Hoe reflecteert
op die zorgen? Op welke manier stimuleert de regering de groen gasproductie van Nederlandse
ondernemers in het voorliggende wetsvoorstel?
Daarnaast kijken de leden van de VVD-fractie met interesse naar innovatieve bedrijven
die op stortplaatsen groen gas kunnen produceren. Heeft de regering gekeken welke
kansen het voorliggende wetsvoorstel heeft voor innovaties zoals de productie van
groen gas op stortplaatsen?
De leden van de VVD-fractie lezen in tabel 1 de jaarlijks voorgestelde bijmengverplichting.
Hoe heeft de regering gewogen of de Nederlandse productie aan de indicatie hoeveelheid
groen gas in miljard kubieke meter (bcm) kan voldoen? Op welke manier is de sector
van groengasproducenten betrokken bij de vaststelling van de voorgestelde bijmengverplichting?
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te verduidelijken hoe wordt voorkomen
dat de BMV bij achterblijvende productie vooral leidt tot het betalen van hogere certificaatprijzen
of een «buy-out», zonder dat de beoogde extra productie en broeikasgasreductie daadwerkelijk
worden gerealiseerd. Kan de regering aangeven of en hoe de jaarlijkse verplichting
wordt gekoppeld aan de feitelijk gerealiseerde productie?
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering aan te geven welke prijs- en volumeontwikkelingen
de regering verwacht bij een tekort aan GGE’s. Worden kosten van schaarste of buy-out
volledig doorberekend aan eindgebruikers, en hoe wordt voorkomen dat huishoudens en
ondernemers betalen voor een verplichting terwijl het aanbod achterblijft?
2.4. Inrichting van het systeem van de bijmengverplichting
De leden van de commissie lezen dat om te waarborgen dat aan de consument de juiste
hoeveelheid hernieuwbare energie wordt geleverd, gebruik wordt gemaakt van Garanties
van Oorsprong (GvO) als bewijs van levering. Dit is een bewijs van hernieuwbaarheid
richting de consument en dient ter voorkoming van dubbeltelling van de hoeveelheid
hernieuwbare energie door meerdere afnemers of lidstaten. Iedere lidstaat moet op
grond van de RED een GvO-systeem inrichten. Een GvO moet elektronisch worden afgegeven,
overgedragen en geschrapt en moet nauwkeurig, betrouwbaar en fraudebestendig zijn.
De leden van de commissie vragen of de regering kan aangeven of er een onderzocht
is welke risico’s er zijn bij het gebruik van dit systeem zijn (op fraude, uitval,
administratieve verschillen, etc) en welke maatregelen er in dat geval genomen zijn
om de risico’s te mitigeren?
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering precies aan te geven welke essentiële
onderdelen van het stelsel nog in lagere regelgeving worden uitgewerkt. Wanneer ontvangt
de Kamer de algemene maatregel van bestuur en de ministeriële regelingen over het
groeipad, de «buy-out», (GvO’s), GGE’s, duurzaamheidsinformatie, gegevensuitwisseling
en rapportageverplichtingen?
Deze leden van verzoeken de regering te motiveren waarom de Kamer het wetsvoorstel
al zou moeten behandelen voordat deze lagere regelgeving bekend is. Hoeveel voorbereidingstijd
hebben energieleveranciers, producenten, de NEa, VertiCer en andere ketenpartijen
nodig nadat de lagere regelgeving definitief is vastgesteld?
2.5. Flexibiliteit binnen de bijmengverplichting
De leden van de commissie lezen dat het aan de ene kant nodig is om flexibiliteit
in te bouwen maar aan de andere kant deze flexibiliteit niet te groot mag zijn. De
leden van de commissie vragen in hoeverre de regering zicht heeft op de (potentiële)
groengasmarkt. Welke prijsontwikkeling verwacht de regering? Wat is de bandbreedte
van wat de regering acceptabel vindt aan prijspieken en -dalen? Kan de regering aangeven
wanneer er sprake is van te veel flexibiliteit en welke mogelijkheden heeft de regering
om bij te sturen op de groengasproductiemarkt?
De leden van de commissie merken op dat de «buy-out»-mogelijkheid ook al in de eerste
versie van het wetsvoorstel was opgenomen. De leden van de commissie vragen of de
regering de mogelijkheid van de «buy-out» heeft heroverwogen met de tweede versie
van het wetsvoorstel waarbij ook buitenlands geproduceerd gas beschikbaar is om aan
de bijmengverplichting te voldoen. Ook in het licht van de risico’s die beschreven
worden en de toename van complexiteit van het stelsel.
De leden van de VVD-fractie lezen met interesse de geschetste marktwerking van de
regering met betrekking tot de prijs van de GGE’s. Hoe heeft de regering deze totstandkoming
gewogen? Specifiek, hoe voorkomt de regering dat de prijs van de GGE’s die verhandelbaar
zijn voor de «buy-out» een te hoge of te lage prijs krijgen? Op welke manier verwacht
de regering dat de Nederlandse productie van groen gas en de mogelijkheid om deze
makkelijk te transporteren naar het gasnet invloed heeft op de prijs van de GGE’s?
Op welke manier verwacht de regering dat de productiekosten van groen gas in het buitenland
invloed heeft op de verhandelbaarheid van GGE’s?
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering concreet te maken onder welke omstandigheden
het groeipad kan worden aangepast. Is de regering bereid het groeipad jaarlijks te
corrigeren wanneer binnenlandse productie achterblijft, de kosten disproportioneel
stijgen of uitvoeringsinstanties aangeven dat het stelsel niet tijdig betrouwbaar
kan functioneren?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de berekening van de
buy-outprijs van 450 euro/ton CO2. Aan de hand van welke criteria besluit de regering tot een eventuele hogere of latere
buy-outprijs? Wanneer zijn de evaluatiemomenten om de buy-outprijs eventueel bij te
stellen? Deze leden vragen om inzichtelijk te maken wat de meerkosten voor huishoudens
en bedrijven zouden zijn bij een buy-outprijs van respectievelijk 250, 350 en 550 euro.
3. Verhouding tot hoger recht
3.1. EU ETS2
De leden van de JA21-fractie verzoeken om een integrale betaalbaarheidstoets waarin
de BMV samen wordt bezien met het Europese emissiehandelssysteem voor gebouwen, wegvervoer
en kleine industrie (ETS2), stijgende netbeheerkosten, energiebelasting en andere
kostenverhogende klimaatmaatregelen op de energierekening. Waarom is de stapeling
van lasten voor huishoudens en midden- en kleinbedrijf (mkb) niet vooraf als harde
randvoorwaarde opgenomen?
Deze leden verzoeken de regering uiteen te zetten welk cumulatief effect de regering
verwacht voor huishoudens met een laag, gemiddeld en hoog gasverbruik, en voor kleine
ondernemers met een relatief hoge gasvraag. Welke maximale jaarlijkse lastenstijging
acht de regering nog aanvaardbaar?
3.2. RED richtlijn 2018/2001
De leden van de commissie lezen dat de Uniedatabank al in werking had moeten zijn,
maar dat de inwerkingtreding al een paar keer is uitgesteld. Kan de regering aangeven
wat de reden van dit uitstel is?
3.3. ESR-verordening 2023/857
De leden van de JA21-fractie verzoeken om te verduidelijken hoe de broeikasgasreductie
onder de Effort Sharing Regulation (ESR) wordt toegerekend wanneer groen gas uit andere
Europese lidstaten wordt ingezet. Klopt het dat Nederlandse eindgebruikers kunnen
betalen voor geïmporteerd groen gas terwijl de reductie in de Europese systematiek
niet of slechts beperkt aan Nederland wordt toegerekend?
3.4 Notificatie op grond van Richtlijn (EU) 2015/1535
De leden van de commissie lezen dat de regering geen beletsel ziet om door te gaan
met het wetsvoorstel, omdat er onder meer geen sprake meer is van een «standstill»-periode
waarin de lidstaat zich moet onthouden van onomkeerbare handelingen. Tegelijk lezen
de leden van de commissie dat een deel van de vragen van de Europese Commissie over
het wetsvoorstel nader wordt uitgewerkt in onderliggende regelgeving, met name in
de toelichting. Ook begrijpen de leden van de commissie dat deze onderliggende regelgeving
separaat worden genotificeerd. De leden van de commissie vragen zich af wat de gevolgen
zijn voor het wetsvoorstel als in de notificatieprocedure van de onderliggende regelgeving
bezwaren naar voren komen die mogelijk raken aan de inhoud van het wetsvoorstel. Ook
vragen de leden van de commissie zich af wat de stand van zaken en planning van de
onderliggende regeling is, mede in relatie tot de beoogde inwerkingtreding van 1 januari
2027. Klopt het dat op de onderliggende regelgeving een standstilltermijn van drie
maanden van toepassing is? De leden van de commissie begrijpen dat de onderliggende
regelgeving na de zomer wordt genotificeerd. Kan de regering een gedetailleerde planning
geven, waarbij ook ingegaan wordt op de vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn
van minimaal twee maanden?
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering om een actuele stand van zaken
van de notificatieprocedure en om toe te lichten welke bezwaren of opmerkingen van
de Europese Commissie nog juridisch relevant zijn. Kan de regering uitsluiten dat
het wetsvoorstel of de lagere regelgeving later opnieuw moet worden aangepast vanwege
Europese bezwaren?
3.5. Internationale handelsbetrekkingen
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te verduidelijken of het primaire
doel van de BMV het stimuleren van binnenlandse productie is of het realiseren van
een volume groen gas ongeacht herkomst. Hoe voorkomt de regering dat goedkopere import
Nederlandse investeringen verdringt en dat Nederlandse huishoudens betalen voor economische
baten die vooral in het buitenland neerslaan?
4. Gevolgen van de bijmengverplichting
4.1. Effecten van de bijmengverplichting voor producenten en afnemers
De leden van de PVV-fractie lezen dat de bijmengverplichting naar verwachting zal
zorgen voor een stijging in de energierekening voor afnemers in verband met de hogere
kosten van groen gas. Zij vragen wat, concreet met cijfers onderbouwd, het effect
van deze plannen op de (on)betaalbaarheid van energie (energiearmoede) is. Daarnaast
vragen zij of de regering het met hen eens is dat (1) de energierekening reeds torenhoog
en voor velen onbetaalbaar is, (2) een verdere stijging van de energierekening onacceptabel
is en (3) de energierekening juist omláág moet.
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering uiteen te zetten welke concrete
knelpunten voor producenten vóór 1 januari 2027 zijn opgelost. Hoeveel projecten lopen
op dit moment vast op vergunningverlening, stikstofruimte, netcongestie of onvoldoende
investeringszekerheid, en welke bijdrage verwacht de regering dat de BMV zelf levert
aan het oplossen van deze knelpunten?
Deze leden verzoeken de regering te onderbouwen waarom de BMV naar verwachting leidt
tot extra binnenlandse productie en niet vooral tot hogere betalingsbereidheid, import
of verschuiving van bestaande volumes. Welke objectieve criteria hanteert de regering
om vast te stellen of de verplichting daadwerkelijk additionele productie in Nederland
realiseert?
De leden van de SGP-fractie missen inzicht in de gevolgen van het voorliggende wetsvoorstel
voor afnemers in het mkb. Kan de regering aangeven wat de bijmengverplichting betekent
voor de energierekening van energie-intensieve bedrijven in het mkb?
De leden van de SGP-fractie vragen aandacht voor de gevolgen van de bijmengverplichting
voor glastuinbouwbedrijven. Deze kosten kunnen oplopen tot bijna 200 miljoen euro.
Dat zijn aanzienlijke kostenstijgingen op bedrijfsniveau. Deze leden willen erop wijzen
dat de sector al verschillende lastenverhogingen voor de kiezen krijgt. Is de veronderstelling
juist dat Nederlandse glastuinbouwbedrijven met de voorgestelde lastenverzwaring een
relatief hoge energierekening hebben ten opzichte van hun concurrenten in het buitenland?
Deze leden willen erop wijzen dat de bijmengverplichting het gebruik van WKK’s in
de glastuinbouw duurder maakt, terwijl deze WKK’s flexibel vermogen leveren die nodig
is voor het balanceren van de elektriciteitsvoorziening. Het belang van deze bijdrage
neemt eerder toe dan af. Hoe waardeert de regering in dit licht deze lastenverzwaring
voor glastuinbouwbedrijven? Is de regering bereid de glastuinbouw uit te zonderen
van de voorgestelde bijmengverplichting? Zo nee, waarom niet? Welke garanties kan
de regering geven voor eventuele volwaardige compensatie van glastuinbouwbedrijven?
4.2. Klimaat- en milieueffecten en Sustainable Development Goals
De leden van de PvdD-fractie vragen wat het bredere systeemeffect zal zijn van de
bijmengverplichting ten aanzien van het klimaat, wanneer de verplichting leidt tot
«lock-in» van de intensieve veehouderij. Deze leden wijzen erop dat de sector grote
methaanemissies veroorzaakt en dat methaan een zeer krachtig broeikasgas is, tot 80
keer sterker dan CO2. Juist daarom moet beleid gericht zijn op het terugdringen van de bron, in plaats
van op het verwaarden van mest.
De leden van de PvdD-fractie vragen de regering uiteen te zetten wat de huidige staat
van de bodem van landbouwgrond in Nederland is en welke trend hierin is te zien. Daarbij
vragen deze leden naar de gevolgen van (grootschalige) mestvergisting voor de bodemkwaliteit
in Nederland.
4.3. Financiële effecten van de bijmengverplichting voor producenten en afnemers
De leden van de D66-fractie lezen dat de bijmengverplichting kan leiden tot een hogere
energierekening, met maximale meerkosten van naar schatting 90 euro per huishouden
in 2031. Tegelijkertijd zullen de werkelijke kosten naar verwachting lager uitvallen,
doordat de prijs van groen gas waarschijnlijk onder de maximale «buy-outprijs» blijft
en ook groen gas uit andere EU-lidstaten kan worden ingezet. Hoe borgt de regering
dat de energierekening voor huishoudens betaalbaar blijft en dat de productie van
groen gas gecontroleerd wordt opgeschaald, in lijn met de ontwikkeling van de vraag?
De leden van de VVD-fractie kijken met enige zorgen naar de meerkosten voor producenten,
en afnemers van groen gas. Kan de regering nader toelichten hoe zij tot de meerkosten
voor energieleveranciers en huishoudens is gekomen? Op welke manier verwacht de regering
dat de meerkostprijs van groen gas zich de komende jaren zal ontwikkelen? Welke randvoorwaarde
zijn volgens de regering van belang om de meerkosten van groen gas zo laag mogelijk
te houden? Een betaalbare energierekening is voor de VVD van groot belang. Hoe gaat
de regering de betaalbaarheid van de energierekening van huishoudens borgen als de
bijmengverplichting wordt ingevoerd?
Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie dat het voorliggende wetsvoorstel met
name voor kleine installaties kan leiden tot mogelijke extra administratieve lasten.
Heeft de regering overwogen om de administratieve lasten en extra regeldruk voor kleine
installaties te verlagen?
De leden van de PRO-fractie lezen dat de bijmengverplichting is gekoppeld aan de doelgroep
van ETS2, waardoor de lasten over een bredere groep afnemers worden gespreid. Tegelijkertijd
zullen de meerkosten van de energierekening nog steeds zwaarder drukken op huishoudens
die niet gemakkelijk van het gas af kunnen, zoals huurders en bewoners van monumentale
panden. Welke concrete maatregelen overweegt de regering om deze huishoudens te ontzien,
bijvoorbeeld via gerichte ondersteuning?
De leden van de PRO-fractie hebben daarnaast vragen over de bestemming van de opbrengsten
van de «buy-out». De regering geeft aan dat deze middelen terugvloeien naar de schatkist
en dat het huidige begrotingsbeleid geen ruimte biedt om deze inkomsten direct in
te zetten voor compensatie van de energierekening. Waarom niet? Is de regering bereid
om te verkennen of oormerking van deze middelen mogelijk is?
De leden van de PRO-fractie vragen of de regering, gegeven de opeenstapeling van kostenverhogende
factoren voor de energierekening (de bijmengverplichting, de stijgende nettarieven
en de invoering van ETS2) bereid is een integrale doorrekening van deze cumulatieve
effecten aan de Kamer te sturen, specifiek voor de laagste inkomensgroepen, vóór het
moment waarop de bijmengverplichting daadwerkelijk in werking treedt. Is de regering
daarnaast bereid de voorziene evaluatie van de hoogte van de «buy-out», nu voorzien
voor uiterlijk 2029, te vervroegen indien de meerkosten voor huishoudens sneller oplopen
dan nu geraamd?
De leden van de CDA-fractie vragen ook aandacht voor de gevolgen van de bijmengverplichting
voor de betaalbaarheid van de energierekening van huishoudens en bedrijven. In de
memorie van toelichting wordt erkend dat de kosten van de bijmengverplichting naar
verwachting zullen worden doorberekend aan afnemers, maar bevat slechts een globale
inschatting van de gevolgen voor een gemiddeld huishouden. Een nadere analyse van
de effecten voor verschillende typen huishoudens en bedrijven ontbreekt. Deze leden
vragen daarom of de regering de verwachte gevolgen voor de energierekening nader kan
uitsplitsen naar verschillende huishoudtypen, inkomensgroepen, woningtypen en gasverbruiksprofielen,
alsmede naar verschillende sectoren en typen bedrijven, waaronder het mkb, de glastuinbouw,
de industrie en andere gasintensieve sectoren.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast nadrukkelijk aandacht voor de stapeling
van effecten van klimaat- en energiemaatregelen op de energierekening. Huishoudens
en bedrijven worden de komende jaren niet alleen geconfronteerd met de gevolgen van
de bijmengverplichting groen gas, maar ook met andere ontwikkelingen die invloed hebben
op de energierekening, waaronder de invoering van ETS2, stijgende netbeheerkosten
en aanpassingen in energiebelastingen. Juist de cumulatie van deze maatregelen bepaalt
uiteindelijk de betaalbaarheid voor huishoudens en de concurrentiepositie van bedrijven.
In dat verband wijzen deze leden op de recent aangenomen gewijzigde motie-Jumelet
c.s. waarin de regering wordt verzocht periodiek inzicht te geven in de cumulatieve
effecten van klimaat- en energiemaatregelen op de energierekening van huishoudens
en bedrijven (Kamerstuk 29 023, nr. 704). Kan de regering toezeggen dat jaarlijks inzichtelijk wordt gemaakt welk deel van
de ontwikkeling van de energierekening samenhangt met de bijmengverplichting, zo vragen
deze leden.
Voorts vragen de leden van de CDA-fractie op welke wijze de regering wil sturen op
de betaalbaarheid indien blijkt dat de stapeling van maatregelen leidt tot hogere
lasten dan voorzien. Is de regering bereid vooraf duidelijk te maken welke indicatoren,
signaleringswaarden of beoordelingscriteria worden gehanteerd om vast te stellen wanneer
de betaalbaarheid voor huishoudens of specifieke sectoren te veel onder druk komt
te staan? Welke handelingsopties ziet de regering in dat geval in de vorm van flankerend
beleid? Tot slot vragen deze leden of de regering kan toezeggen dat de evaluatie van
de Wet bijmengverplichting groen gas niet alleen zal ingaan op de gerealiseerde productie
van groen gas en de behaalde klimaatwinst, maar ook expliciet op de betaalbaarheid
voor huishoudens en bedrijven, de verdeling van de lasten over verschillende groepen
afnemers en de samenloop met andere klimaat- en energiegerelateerde lastenontwikkelingen.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de bijmengverplichting groen gas ingrijpende
gevolgen heeft voor de glastuinbouwsector. In combinatie met de ETS2-opt-in leidt
deze tot hogere energielasten dan voor concurrerende telers in andere Europese lidstaten,
waardoor de concurrentiepositie van de Nederlandse glastuinbouw verder onder druk
komt te staan. Het kabinet heeft toegezegd deze extra lasten volledig te compenseren,
maar er bestaan zorgen of de voorgestelde regeling daarvoor toereikend is. Deze leden
vragen de regering toe te lichten hoe zij voorkomt dat de combinatie van de ETS2-«opt-in»
en de bijmengverplichting groen gas de concurrentiepositie van de Nederlandse glastuinbouw
verder verslechtert ten opzichte van buitenlandse concurrenten. Wat is de huidige
stand van zaken van de gesprekken met de sector over een volledige en uitvoerbare
compensatieregeling? Deze leden vragen in hoeverre er zicht is op een oplossing waar
zowel de glastuinbouw als de regering mee uit de voeten kan.
De leden van de JA21-fractie verzoekende regering de kostenraming voor huishoudens
en ondernemers te actualiseren. Welke aannames hanteert de regering over de prijs
van groen gas, de beschikbaarheid van GGE’s, de inzet van de buy-out en de mate waarin
leveranciers kosten doorberekenen aan eindgebruikers?
De leden van de JA21-fractie verzoeken om te beoordelen hoe de BMV uitwerkt voor de
glastuinbouw en andere energie-intensieve mkb-sectoren. Is onderzocht bij welke lastenstijging
Nederlandse bedrijven hun concurrentiepositie verliezen ten opzichte van buitenlandse
concurrenten die niet met dezelfde nationale kosten worden geconfronteerd?
4.4. Regeldrukeffecten
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te actualiseren welke administratieve
lasten en compliancekosten de BMV veroorzaakt voor energieleveranciers, producenten
en uitvoeringsinstanties. Hoe wordt voorkomen dat onduidelijkheid over invoering en
lagere regelgeving al in 2026 leidt tot risicopremies in energiecontracten voor 2027?
5. Uitvoering
5.1. Uitvoering door de NEa
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te bevestigen dat de NEa per 1 januari
2027 volledig is toegerust om de BMV uit te voeren en te controleren. Beschikt de
NEa op dat moment over voldoende capaciteit en juridische grondslagen om ook ketenemissiereductie
en geïmporteerd groen gas effectief te controleren?
5.2. Uitvoering door VertiCer
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering aan te geven welke afhankelijkheden
bestaan tussen producenten, VertiCer, NEa en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
(RVO) bij het tijdig opleveren van gegevens. Kan de regering garanderen dat voorlopige
opgaven, jaarrapportages, definitieve GvO’s en afboekingen tijdig beschikbaar zijn
voor de nalevingscyclus?
De leden van de PvdD-fractie verzoeken de regering nader in te gaan op de rol van
VertiCer en de betrouwbaarheid van de registratie- en certificeringssystematiek. Deze
leden vragen of de regering kan garanderen dat de keten voldoende transparant is om
«lock-in», dubbeltelling en onwenselijke prikkels te voorkomen.
De leden van de PvdD-fractie wijzen op eerdere fraude-incidenten rond biobrandstoffen
en mestvergisters. Deze leden vragen de regering hoe wordt geborgd dat een vergelijkbaar
risico bij de productie van groen gas wordt voorkomen3?
5.3. Uitvoering in het kader van wisselen tussen de bijmengverplichting en subsidiering
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te verduidelijken hoe de BMV zich
verhoudt tot de SDE++ en het verbod op stapeling. Welk deel van de huidige en toekomstige
groen-gasproductie blijft naar verwachting onder SDE++ vallen en is daardoor niet
beschikbaar voor de BMV, en is overwogen de SDE++ eerst zodanig aan te passen dat
productie daadwerkelijk kan groeien? Wat zal de regering doen als door de SDE++ het
aanbod groen gas voor de BMV te laag blijft?
6. Toezicht en handhaving
6.1. Toezicht op ketenemissiereductie
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering nader toe te lichten hoe de NEa
de opgegeven CO2-equivalent-ketenemissiereductie controleert, zeker wanneer grondstoffen, productie,
certificering of levering deels buiten Nederland plaatsvinden. Hoe wordt voorkomen
dat administratieve emissiereductie wordt opgevoerd zonder voldoende fysieke en duurzame
onderbouwing?
De leden van de SGP-fractie constateren dat de Afdeling advisering van de Raad van
State de vinger legt bij de effectiviteit van het toezicht op de ketenemissiereductie.
Als deze leden het goed begrijpen, gaat de NEa binnen Nederland zelf ook toezicht
houden op de gecertificeerde schakels in de keten, maar moet voor geïmporteerd gas
vertrouwd worden op de (buitenlandse) certificeringsorganen en het toezicht van buitenlandse
toezichthouders. Hoe groot acht de regering het risico dat gemeten wordt met twee
maten en Nederlandse producenten hierdoor op achterstand komen te staan? Is de regering
van mening dat met de voorgestelde samenwerking met buitenlandse toezichthouders greenwashing
helemaal voorkomen kan worden?
De leden van de PvdD-fractie verzoeken de regering om expliciet uit te leggen hoe
toezicht op ketenemissiereductie plaatsvindt en hoe de meetbaarheid van die reducties
wordt gewaarborgd. Deze leden vragen of de regering erkent dat dit type sturing fraude-
en interpretatiegevoelig kan zijn, en hoe toezicht op misstanden concreet wordt georganiseerd.
6.2. Betrouwbaarheid van gegevens
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering aan te geven hoe dubbele inzet
van GvO’s, GGE’s of duurzaamheidsinformatie wordt voorkomen. Is de Uniedatabank tijdig
en volledig genoeg operationeel om controle op import betrouwbaar mogelijk te maken,
en welke restrisico’s accepteert de regering als dat niet het geval is?
6.3. Toezicht door de NEa op de verplichting
Hoe kijkt de regering naar de opmerking van de NEa over de onduidelijkheid over de
grenzen die gesteld worden aan de inzetbaarheid van specifieke grondstoffen, zoals
bijvoorbeeld voedsel- en voedergewassen? Deze leden hopen dat de regering met duidelijke
kaders komt zodat ondernemers vooraf duidelijkheid krijgen over de mogelijkheid tot
productie van groen gas.
De leden van de PRO-fractie hechten aan een betrouwbaar en fraudebestendig systeem
van groen gas. Kan de regering aangeven hoe zij het toezicht op de duurzaamheid van
groen gas heeft geborgd? Acht de regering dit als voldoende om fraude tegen te gaan?
Hoe borgt de regering de betrouwbaarheid van groen gas internationaal? Hoe zit het
met de Uniedatabank, die de tracering van groen gas door de hele Europese keten mogelijk
moet maken, maar nog niet volledig operationeel is? Kan de regering een actuele planning
geven voor de inwerkingtreding van de Uniedatabank, en aangeven welke waarborgen zij
treft zolang deze databank niet volledig werkt, specifiek voor buitenlandse schakels
in de keten waarop het Nederlandse toezicht geen grip heeft?
6.4. Handhaving
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te verduidelijken hoe proportioneel
de handhaving uitwerkt wanneer leveranciers niet kunnen voldoen door aantoonbaar tekortschietend
aanbod. Wordt in dat geval de verplichting aangepast of blijft handhaving plaatsvinden
via financiële afkoop die uiteindelijk bij eindgebruikers terechtkomt?
7. Financiële gevolgen
De leden van de commissie lezen dat de bijmengverplichting tot meerkosten voor huishoudens
en bedrijven leidt, en dat de impact hiervan integraal gewogen wordt binnen het bredere
klimaat- en energiebeleid. Ten slotte lezen de leden van de commissie dat dit eventueel
aanleiding kan geven voor aanvullende maatregelen die zien op de kosten voor eindgebruikers,
waarbij dit moet worden ingepast binnen de geldende budgettaire kaders.
De leden van de commissie vragen of de regering in meer detail kan ingaan aan welke
aanvullende maatregelen gedacht wordt?
De leden van de PVV-fractie zien dat de regering kiest voor het niet bijstaan van
huishoudens op het gebied van de stijging van de energierekening en vinden dit zorgwekkend.
Zij vragen of de regering het met hen eens is dat de energierekening niet verder omhoog
mag, maar juist omláág moet – door een lagere btw op energie én een lagere energiebealsting.
De leden van de JA21-fractie verzoeken om uiteen te zetten welke budgettaire effecten
de BMV heeft voor de overheid en welke bestemming eventuele «buy-out»-opbrengsten
krijgen. Worden die opbrengsten gebruikt om binnenlandse productie te stimuleren of
lasten voor huishoudens en mkb te verlichten?
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering aan te geven welke gerichte compensatie
wordt overwogen voor kwetsbare huishoudens en voor ondernemers die disproportioneel
geraakt worden. Waarom is compensatie niet vooraf onderdeel gemaakt van het wetsvoorstel
als de regering erkent dat groen gas duurder is dan aardgas?
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering om, gelet op de stapeling van onzekerheden
rond betaalbaarheid, productie, import, uitvoering en toezicht, een alternatief beleidspakket
uit te werken dat aantoonbaar binnenlandse groen-gasproductie stimuleert voordat een
afnameverplichting wordt ingevoerd. Is de regering bereid daarbij producenten, afnemers,
netbeheerders, consumentenorganisaties en uitvoeringsinstanties te betrekken en de
uitkomsten vóór verdere behandeling met de Kamer te delen?
8. Advies en consultatie
8.1. Internetconsultatie
De leden van de D66-fractie lezen dat netcongestie de ontwikkeling van groengasprojecten
kan belemmeren, omdat productie-installaties en groengasboosters afhankelijk zijn
van een elektriciteitsaansluiting. Tegelijkertijd kan opschaling van groen gas de
druk op het elektriciteitsnet helpen beperken, doordat niet alle verduurzaming via
elektrificatie hoeft plaats te vinden. Deelt de regering deze analyse? Welke concrete
maatregelen neemt de regering om ervoor te zorgen dat groengasprojecten ook in gebieden
met netcongestie tijdig toegang krijgen tot de benodigde elektriciteitsaansluiting?
9. Evaluatie
De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering kijkt naar het advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State over brandstofleveranciers. Hoe voorkomt de regering
een stapeling van emmissiereductieverplichtingen voor brandstofleveranciers die relatief
veel groen gas aan de sector wegvervoer leveren?
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering de evaluatie niet pas achteraf
als herstelmechanisme te gebruiken, maar vooraf duidelijke toetsmomenten vast te leggen.
Is de regering bereid de Kamer jaarlijks te informeren over gerealiseerde binnenlandse
productie, import, kosten voor eindgebruikers, gebruik van de «buy-out», uitvoeringsproblemen
en voortgang van vergunningverlening?
De leden verzoeken de regering objectieve stop- of bijstelcriteria in de evaluatie
op te nemen. Bij welke kostenstijging, productietekort of uitvoeringsproblemen wordt
het groeipad aangepast of de verplichting tijdelijk gepauzeerd?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of in de evaluatie de effecten van de
bijmengverplichting worden vergeleken ten opzichte van effecten van alternatieve beleidsopties,
als een aanpassing van de SDE++subsidie of een bijmengverplichting voor gascentrales
en WKK’s in plaats van voor ETS2-sectoren.
10. Inwerkingtreding en overgangsrecht
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te bevestigen dat het juridisch
mogelijk is de inwerkingtreding van de BMV uit te stellen of afhankelijk te maken
van vooraf vastgestelde randvoorwaarden. Is de regering bereid de wet pas in werking
te laten treden nadat de Kamer een integrale betaalbaarheidstoets, een productie-
en vergunningenplan, een uitvoerings- en fraudetoets en de lagere regelgeving heeft
ontvangen?
Deze leden verzoeken de regering om de Kamer voorafgaand aan inwerkingtreding expliciet
te laten oordelen over de algemene maatregel van bestuur waarin het groeipad wordt
vastgelegd. Is de regering bereid te voorzien in een voorhangprocedure of ander parlementair
controlemoment?
11. Overig
De leden van de PvdD-fractie hebben vernomen dat de regering inzet op een enorme opschaling
van mestvergisting van de huidige 5% naar 50% van het totale mestvolume4. Deze leden hebben hier een aantal vragen over. Deze leden vragen welk deel van de
melkveehouders een mestvergister zal moeten aanschaffen om te voldoen aan het door
het kabinet gestelde doel voor mestvergisting.
De leden van de PvdD-fractie vragen wat voor stalsystemen de regering voor ogen heeft
voor boeren met een rendabele mestvergister op het eigen bedrijf en voor boeren die
zich aansluiten bij een mestvergisters-hub.
De leden van de PvdD-fractie vragen hoeveel mestvergisterhubs de regering voor ogen
heeft om het opschalingsdoel te bereiken. Hoeveel boeren zullen zich gemiddeld bij
één hub moeten aansluiten? Hoeveel koeien zijn er in totaal nodig om een hub rendabel
te laten lopen?
De leden van de PvdD-fractie vragen de regering hoeveel koeien gemiddeld nodig zijn
om op één melkveebedrijf met dagontmesting een monomestvergister rendabel te laten
draaien. Deze leden vragen of het hierbij uitmaakt of koeien hun leven op stal staan
of ook naar buiten mogen.? Zo ja, kan de regering een onderscheid maken in de benodigde
hoeveelheid koeien om een mestvergister te laten renderen, wanneer zij hun hele leven
op stal staan, en wanneer zij naar buiten mogen, uitsplitst naar aantal uren weidegang?
De leden van de PvdD-fractie lezen in de media dat dat banken hebben aangegeven dat
een stal met vierhonderd koeien nog een te groot financieel risico met zich meebrengt
om te investeren in een mestvergister5. Herkent de regering dit signaal?
De leden van de PvdD-fractie vragen op welke manieren boeren de mest kunnen opvangen,
zodat de mest naar de mestvergister kan?
De leden van de PvdD-fractie vragen of het klopt dat dit voornamelijk in stalsystemen
zal gebeuren waarbij koeien in de stal staan, in combinatie met een systeem als dagontmesting?
De leden van de PvdD-fractie wijzen op de uitspraak van de Minister van Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bij het plenaire debat over de samenhangende
aanpak Landbouw, Natuur en stikstof (dd. 1 juli 2026): «Voor juist die hoogproductievere
boeren zou mestvergisting een heel interessante optie kunnen zijn, zonder dat het
betekent dat je koeien nooit meer in de wei komen.»
De leden van de PvdD-fractie vragen of het klopt dat een mestvergister niet of nauwelijks
rendabel is wanneer koeien weidegang krijgen.
De leden van de PvdD-fractie vragen of het klopt dat in een systeem waarin mest uit
stallen moet worden opgevangen om een mestvergister goed te laten renderen, het loont
om koeien vaker en langer binnen te houden. Zo nee, waarom niet?
II. ARTIKELSGEWIJS
Artikel I
Artikel 9.9.2.1
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering toe te lichten hoe de omvang van
de jaarverplichting per jaar wordt vastgesteld en welke ruimte de regering heeft om
daarvan af te wijken. Kan worden vastgelegd dat de verplichting niet hoger mag zijn
dan redelijkerwijs haalbaar is op basis van daadwerkelijk beschikbare duurzame productie?
Artikel 9.9.3.1 en artikel 9.9.4.1
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te verduidelijken welke voorwaarden
gelden voor het creëren en inboeken van GGE’s. Hoe wordt voorkomen dat certificaten
uit bestaande of gesubsidieerde productie worden ingezet op een wijze die geen additionele
productie oplevert?
Artikel 9.9.5.1
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te bevestigen wanneer het GGE-register
volledig operationeel, getest en toegankelijk is voor alle betrokken partijen. Wat
gebeurt er als het register of de gegevensketen niet tijdig gereed is?
Artikel II
De leden van de JA21-fractie verzoeken de regering te motiveren waarom overtredingen
onder de Wet op de economische delicten moeten worden gebracht zolang essentiële uitvoeringsregels
nog niet definitief zijn. Hoe wordt geborgd dat marktpartijen niet strafrechtelijk
of economisch zwaar worden geraakt door onduidelijkheden die voortkomen uit late regelgeving
of onvoldoende aanbod?
De voorzitter van de commissie, Zwinkels
Adjunct-griffier van de commissie, Teske
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Zwinkels, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
C.M. Teske, adjunct-griffier