Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het onderwerp Kwaliteitszorg (inclusief Patiënten- en cliëntenrechten) (Kamerstuk 31765-976)
31 765 Kwaliteit van zorg
Nr. 990
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 2 juli 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over
de brief van 9 april 2026 over het onderwerp Kwaliteitszorg (inclusief Patiënten-
en cliëntenrechten) (Kamerstuk 31 765, nr. 976).
De vragen en opmerkingen zijn op 26 mei 2026 aan de Minister van Langdurige Zorg,
Jeugd en Sport voorgelegd. Bij brief van 2 juli 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Heller
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
6
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
6
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
12
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
12
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
14
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
14
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
14
II.
Reactie van de Minister
15
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken
op de agenda van het schriftelijk overleg over kwaliteitszorg. Deze leden hebben hierover
enkele vragen opgesplitst per onderwerp.
Transparantie van keuze-informatie
De leden van de D66-fractie lezen in de brief van de Minister over transparantie van
keuze-informatie voor patiënten dat de Minister toewerkt naar een toekomstbeeld waarin
patiënten vanuit huis inzicht hebben in behandelopties en verschillen tussen zorgaanbieders,
zodat zij samen met hun zorgverlener een goed geïnformeerde keuze kunnen maken. Deze
leden vinden het daarbij cruciaal dat er blijvende aandacht is voor uitkomsten die
voor patiënten zelf van betekenis zijn, waaronder kwaliteit van leven, ervaren functioneren
en de impact van behandelingen op het dagelijks leven. Deze leden waarderen dan ook
dat de Minister expliciet aangeeft dat juist dit soort informatie onderdeel moet zijn
van toekomstige keuze-informatie voor patiënten.
Tegelijkertijd constateren deze leden dat de praktijk nog ver verwijderd is van dit
toekomstbeeld. Uit onderzoek van het Zorginstituut Nederland en de Patiëntenfederatie
blijkt immers dat voor een groot deel van de ziektelast binnen de medisch specialistische
zorg nog geen kwaliteitsdata openbaar beschikbaar is. Ook lezen deze leden dat informatie
over verschillen tussen zorgaanbieders vaak ontbreekt of onvoldoende begrijpelijk
beschikbaar is voor patiënten. Kan de Minister aangeven welke concrete doelen zij
zichzelf stelt voor de komende jaren om deze achterstand in te lopen? Op welke momenten
en manieren wordt inzichtelijk gemaakt welke aandoeningen inmiddels beschikken over
begrijpelijke en openbaar beschikbare keuze-informatie voor patiënten en welke nog
niet?
Verder lezen deze leden dat de Minister veldpartijen aanmoedigt om versnelling aan
te brengen in het realiseren van meer openbare en begrijpelijke keuze-informatie voor
patiënten. Kan de Minister nader toelichten welke instrumenten hierbij concreet gebruikt
worden? Welke mogelijkheden heeft de Minister wettelijk beschikbaar om naast aanmoediging
ook meer sturende of dwingende instrumenten in te zetten om openbaarmaking van kwaliteitsinformatie
te bevorderen?
Ook lezen deze leden in de brief over keuze-informatie voor patiënten dat de Wet kwaliteitsregistraties
zorg een belangrijke rol moet spelen in het beter benutten van bestaande kwaliteitsregistraties
voor keuze-informatie voor patiënten. Is deze wet volgens de Minister voldoende toegerust
om daadwerkelijk versnelling te realiseren? Op welke wijze kan deze wet concreet worden
ingezet om verdere stappen te zetten richting meer transparantie voor patiënten? Welke
beperkingen in het optreden van de overheid op het openbaar maken van kwaliteitsdata
blijven volgens de Minister bestaan, ook na de inwerkingtreding van deze wet? Kan
de Minister daarbij ook ingaan op de balans tussen transparantie en uitvoerbaarheid?
Tot slot vragen deze leden aandacht voor het feit dat de huidige inzet zich primair
richt op de medisch specialistische zorg. Bestaat inmiddels meer duidelijkheid over
een eventuele uitbreiding van de Wet kwaliteitsregistraties zorg naar andere sectoren,
zoals de eerstelijnszorg, wijkverpleging of de geestelijke gezondheidszorg (ggz)?
Wanneer verwacht de Minister de Kamer hierover verder te informeren?
Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz)
De leden van de D66-fractie lezen in de evaluatie van de Wmcz 2018 dat op verschillende
punten ruimte voor verbetering bestaat in de wijze waarop medezeggenschap binnen zorginstellingen
functioneert.
Deze leden onderschrijven het belang van goede medezeggenschap, omdat dit eraan bijdraagt
dat zorg beter aansluit bij de behoeften van patiënten en cliënten. In de evaluatie
wordt onder meer geadviseerd de inspraakcultuur binnen instellingen verder te versterken.
Ook wordt gewezen op het belang van tijdige, volledige en begrijpelijke informatievoorziening
richting cliëntenraden. Kan de Minister aangeven hoe zij concreet gevolg geeft aan
deze aanbevelingen?
Daarnaast lezen deze leden dat de huidige wet onvoldoende basis biedt voor medezeggenschap
binnen regionale samenwerkingsverbanden. Juist nu samenwerking tussen verschillende
zorgdomeinen steeds belangrijker wordt, bijvoorbeeld om capaciteitsvraagstukken aan
te pakken en zorg beter rondom de patiënt te organiseren, achten deze leden dit een
relevant knelpunt. Welke stappen zijn inmiddels gezet om medezeggenschap binnen regionale
samenwerkingsverbanden beter te organiseren? Acht de Minister aanvullende wet- of
regelgeving nodig om cliënten en patiënten ook binnen regionale samenwerking goed
vertegenwoordigd te laten zijn?
De leden van de D66-fractie merken daarnaast op dat een deel van de ervaren regeldruk
in de zorg ook voortkomt uit verplichtingen die vanuit de overheid worden opgelegd,
maar die weinig toevoegen. In deze evaluatie wordt bijvoorbeeld benoemd dat in de
eerstelijnszorg cliëntenraden relatief veel tijd kosten terwijl de toegevoegde waarde
beperkt wordt ervaren. Is de Minister bereid kritisch te kijken naar mogelijke knelpunten
in de Wmcz 2018 voor de eerstelijnszorg, en te bezien of daar meer proportionele vormen
van medezeggenschap mogelijk zijn? Is zij daarnaast bereid breder te kijken naar manieren
om administratieve lasten, bijvoorbeeld rond jaarverantwoordingen en rapportages,
verder te verminderen?
Uitkomstgerichte Zorg
De leden van de D66-fractie lezen in de voortgangsrapportages over Uitkomstgerichte
Zorg en de begeleidende brief dat het programma Uitkomstgerichte Zorg bedoeld is om
zorg beter af te stemmen op de behoeften, voorkeuren en waarden van patiënten en daarmee
een belangrijke bouwsteen vormt voor passende zorg. Deze leden steunen die beweging
nadrukkelijk. Zij zien hierin een belangrijke stap in de transitie van een systeem
waarin productie centraal staat naar een systeem waarin de best mogelijke uitkomsten
voor patiënten leidend zijn.
In de begeleidende brief van de rapportage uit 2024 lezen deze leden dat zorginstellingen
actief zijn opgeroepen gebruik te maken van de WensenScan om instellingen te ondersteunen
bij samen beslissen en het werken met uitkomstinformatie. Kan de Minister aangeven
of inmiddels zichtbaar is geworden dat dit instrument daadwerkelijk heeft bijgedragen
aan zorg die beter aansluit bij de behoeften en voorkeuren van patiënten? Hoe heeft
dit instrument zich de afgelopen jaren verder ontwikkeld? Zijn er inmiddels ook andere
instrumenten ontwikkeld of breder ingezet om zorginstellingen actief te ondersteunen
bij uitkomstgericht werken?
Verder lezen deze leden dat het programma sterk inzet op databeschikbaarheid en op
betere toegankelijkheid van uitkomstinformatie voor patiënten en zorgverleners. Kan
de Minister toelichten op welke wijze de randvoorwaarden voor uitkomstgerichte zorg
worden meegenomen in bredere digitaliseringsvraagstukken binnen de zorg, bijvoorbeeld
in relatie tot de uitwerking van de European Health Data Space (EHDS)? Hoe wordt voorkomen
dat verschillende trajecten naast elkaar ontstaan zonder voldoende samenhang in databeschikbaarheid,
standaarden en governance?
Daarnaast merken deze leden op dat het programma zich vooralsnog richtte op de medisch
specialistische zorg. Welke mogelijkheden ziet de Minister om de lessen en ervaringen
uit dit programma breder toe te passen, bijvoorbeeld in de eerstelijnszorg, wijkverpleging
en de ggz?
Tot slot constateren deze leden dat het programma Uitkomstgerichte Zorg richting afronding
gaat. Hoewel belangrijke stappen zijn gezet, zijn deze leden van mening dat de zorg
als geheel nog niet klaar is met de omslag naar uitkomstgerichte zorg. Instellingen
blijven volgens de rapportages zelfstandig doorgaan met verdere ontwikkeling, maar
deze leden vragen de Minister hoe deze ontwikkeling structureel wordt geborgd. Op
welke wijze blijft de Minister deze ontwikkeling actief stimuleren en ondersteunen,
ook nu het programma formeel afloopt? Welke rol ziet de Minister hierin voor haar
eigen ministerie, Zorginstituut Nederland, zorgverzekeraars en eventueel voor andere
betrokken partijen?
VVT
De VVT-sector werkt met het Generiek Kompas om richting te geven aan passende zorg,
waarbij er meer nadruk wordt gelegd op het open gesprek met de cliënt, kwaliteit van
leven en de kracht van samen, waardoor er meer regie bij de cliënt komt te liggen.
De leden van de D66-fractie vragen op welke wijze de Minister beoogt dat de randvoorwaarden
die relevant zijn voor het Generiek Kompas, zoals leren en ontwikkelen en de inzet
van technologie, voldoende worden gerealiseerd?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de verschillende
brieven aangaand de onderwerpen die betrekking hebben op kwaliteitszorg. Zij zijn
van mening dat het verbeteren van het inzicht in de kwaliteit van zorg een van de
belangrijkste manieren is om de belofte van de Zorgverzekeringswet waar te maken.
Daarom vinden zij het goed dat hier aandacht voor is. Over de geagendeerde brieven
hebben zij nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat het verbeteren van de beschikbaarheid
van keuze-informatie voor patiënten een belangrijke stap is in het verbeteren van
niet alleen de kwaliteit van zorg, maar ook van het vertrouwen daarin. Daarom zijn
deze leden blij met het geschetste toekomstbeeld. Deze leden zien dat in Denemarken
sprake is van een vergevorderde persoonlijke gezondheidsomgeving. Kan de Minister
aangeven in welke mate hier lessen uit getrokken kunnen worden voor de Nederlandse
situatie? Zo ja, welke lessen zijn dit? Zo nee, welke verschillen zijn er tussen de
Nederlandse en Deense situatie die het trekken van lessen onmogelijk maken?
Hoewel de leden van de VVD-fractie aan de ene kant blij zijn met de afspraken met
medische specialistische zorg (msz)-partijen om tot meer keuze-informatie te komen
voor patiënten, hebben zij vragen bij de effectiviteit hiervan. Kan de Minister aangeven
of zij enigszins vrijblijvende afspraken voldoende acht, of zal zij op een bepaald
moment meer dwingende maatregelen nodig achten? Kan zij hierbij ook een reflectie
geven op het gebrek aan vooruitgang op dit vlak sinds de invoering van de Zorgverzekeringswet.
De leden van de VVD-fractie hebben eerder hun zorgen geuit over de gebrekkige voortgang
in het programma Uitkomstgerichte Zorg. Sinds 2017 lijkt hier nauwelijks voortgang
in geboekt, met name vanwege bestuurlijke drukte. Deze leden zijn blij dat er in 2025
meer resultaten geboekt zijn. Tegelijkertijd begrijpen zij dat – wederom – in Denemarken
grote vooruitgang is geboekt op dit vlak, in het kader van de Danish Health Care Quality
Programma (DHCQP). Kan de Minister aangeven welke lessen zij hieruit trekt? Is hier
wederom vrijblijvendheid voldoende om deze informatie beschikbaar te krijgen? Zo ja,
waarom wel? Zo nee, welke stappen wil de Minister verder nemen?
De leden van de VVD-fractie zijn verheugd te lezen dat het kabinet zich zo inzet voor
vrouwen en dan specifiek voor de groep vrouwen met een dicht borstweefsel. Deze leden
zijn ook blij te lezen dat er opdracht is gegeven tot het opstellen en uitvoeren van
het implementatieplan. De leden van de VVD-fractie delen de frustratie van het kabinet
over de tijd die alsnog nodig is om dit allemaal te realiseren. Zij erkennen dat dit
voor een groot deel invloeden zijn die buiten het kabinet vallen en zijn verheugd
te lezen dat het kabinet vaart maakt waar zij dit kan. Ziet de Minister mogelijkheden
om de implementatie van MRI-scans voor vrouwen met dicht borstweefsel sneller te realiseren?
En zo ja, welke?
De leden lezen dat het kabinet extra alert is op dataveiligheid voornamelijk door
een hack in het baarmoederhalskankeronderzoek. Door deze hack is het vertrouwen in
bevolkingsonderzoeken gedaald. Hoe gaat de Minister hier mee om? Denkt zij dat dit
gevolgen heeft voor dit specifieke onderzoek? Hoe gaat zij ervoor zorgen dat er in
dit onderzoek voldoende vertrouwen is?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de stukken voor het
schriftelijk overleg over kwaliteitszorg (inclusief patiënten- en cliëntenrechten).
Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de huidige subsidieregeling
patiënt- en gehandicaptenorganisaties (PG) loopt tot en met 31 juli 2028. In het coalitieakkoord
is echter afgesproken dat de subsidiebudgetten bij departementen worden verlaagd,
wat voor de begroting van het Ministerie van VWS een bezuiniging van 30 miljoen euro
zou betekenen vanaf 2027. Genoemde leden hebben signalen ontvangen van pg-organisaties
dat zij zich hier zorgen over maken in verband met hun posities. Zou nader toegelicht
kunnen worden op welke wijze deze bezuiniging van € 30 miljoen verdeeld zal worden
bij VWS en kan expliciet toegezegd worden dat de voorgenomen bezuiniging geen gevolgen
gaat hebben voor de subsidieregeling PG’s?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich ernstig zorgen over de huidige
personeelstekorten binnen de zorg en eventuele gevolgen voor patiëntveiligheid. Zou
nader toegelicht kunnen worden op welke wijze de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
(IGJ) toezicht houdt op situaties waarin er structureel sprake is van onderbezetting,
met als gevolg dat er verhoogde veiligheidsrisico’s zijn? Hoe reflecteert de Minister
op de huidige meldcultuur binnen zorginstellingen? Op welke concrete wijze wordt ook
voldoende toezicht gehouden op zorginstellingen waarbij zorg wordt verleend aan kwetsbare
personen, die niet altijd (verbaal) melding kunnen maken van overschrijdend gedrag
of klachten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Patiëntveiligheid
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe zij in algemene zin beoordeelt
of patiëntveiligheid in Nederland daadwerkelijk verbetert. Welke indicatoren gebruikt
de Minister om vast te stellen of patiënten nu veiliger zijn dan enkele jaren geleden?
Welke signalen, meldingen of incidenten laten volgens de Minister juist zien dat verbetering
nog steeds noodzakelijk is?
Rapport labonderzoeksrapport RIVM naar mesh-implantaten
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het RIVM-onderzoek naar mesh-implantaten.
Deze leden vinden het belangrijk dat patiënten met langdurige klachten na plaatsing
van een implantaat serieus worden genomen, ook wanneer klachten ingewikkeld zijn,
moeilijk aantoonbaar zijn of niet meteen binnen een standaard medisch kader passen.
Kan de Minister aangeven wat er sinds het verschijnen van dit rapport concreet is
veranderd voor patiënten met klachten na mesh-implantaten?
De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel meldingen over mesh-implantaten sinds het
rapport zijn ontvangen, bij welke instanties deze meldingen terechtkomen en wat daar
vervolgens mee gebeurt. Hoe wordt voorkomen dat patiënten van loket naar loket worden
gestuurd? Is er voor deze groep één duidelijke route voor melding, erkenning, medische
beoordeling en nazorg?
Deze leden vragen of patiënten voorafgaand aan plaatsing van een implantaat voldoende
begrijpelijke informatie krijgen over risico’s, alternatieven en mogelijke langetermijnklachten.
Hoe wordt gecontroleerd of informed consent in de praktijk meer is dan een handtekening onder een formulier? Wordt ook achteraf
actief gevolgd hoe het met patiënten gaat?
Patiënten- en cliëntenrechten
De leden van de PVV-fractie vinden dat patiënten- en cliëntenrechten niet alleen op
papier moeten bestaan. Kan de Minister aangeven welke rechten patiënten en cliënten
in de praktijk het vaakst niet weten te vinden of niet goed kunnen afdwingen? Welke
concrete verbeteringen zijn de afgelopen jaren doorgevoerd om patiënten en cliënten
sterker te maken tegenover grote zorgorganisaties, zorgverzekeraars of geschilleninstanties?
Deze leden vragen hoe de Minister kijkt naar de informatiepositie van patiënten. Is
de Minister het met deze leden eens dat patiënten vaak afhankelijk zijn van informatie
die door dezelfde instelling wordt geleverd waarover zij een keuze moeten maken of
waartegen zij een klacht willen indienen? Hoe wordt die afhankelijkheid verminderd?
Beleidskader subsidiëring pg-organisaties
Kan de Minister aangeven hoeveel geld jaarlijks naar pg-organisaties gaat en hoe wordt
gemeten wat patiënten en cliënten daar concreet aan hebben? Welke eisen worden gesteld
aan bereik, representativiteit en aantoonbare meerwaarde? Wordt ook gekeken of organisaties
daadwerkelijk gedragen worden door hun achterban?
Rapportage ontwikkeltraject vertrouwenswerk en klachtenopvang
De leden van de PVV-fractie vragen wat het ontwikkeltraject vertrouwenswerk en klachtenopvang
concreet heeft opgeleverd voor cliënten en patiënten. Is de toegang tot vertrouwenswerk
eenvoudiger geworden? Weten mensen beter waar zij terechtkunnen? Zijn doorlooptijden
korter geworden?
Deze leden vragen of de Minister erkent dat het huidige landschap van vertrouwenswerk,
klachtenfunctionarissen, geschilleninstanties en toezichthouders voor gewone mensen
ingewikkeld kan zijn. Is de Minister bereid om te werken aan één herkenbare en laagdrempelige
route voor mensen die vastlopen in de zorg?
Evaluatie Wkkgz en verslag schriftelijk overleg
Deze leden vragen specifiek naar de positie van patiënten en cliënten in een klachtenprocedure.
Staat de patiënt in de praktijk niet vaak tegenover een professionele zorgaanbieder
met meer kennis, meer tijd en meer middelen? Hoe wordt die ongelijkheid gecorrigeerd?
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast naar de klachtenfunctionaris. Hoe onafhankelijk
is een klachtenfunctionaris wanneer deze door of namens de zorgaanbieder wordt ingezet?
Hoe wordt voorkomen dat patiënten het gevoel krijgen dat zij hun klacht moeten indienen
binnen hetzelfde systeem waarover zij klagen?
Ook vragen deze leden hoe vaak klachten onder de Wet kwaliteit, klachten en geschillen
zorg (Wkkgz) leiden tot concrete herstelmaatregelen, excuses, aanpassing van beleid,
schadevergoeding of toezicht door de IGJ. Kan de Minister deze cijfers geven, uitgesplitst
naar type zorgaanbieder?
De leden van de PVV-fractie vragen ook naar kleinere zorgaanbieders en solistisch
werkende zorgverleners. Welke verplichtingen onder de Wkkgz zijn volgens de Minister
noodzakelijk voor patiëntveiligheid en welke verplichtingen leveren vooral administratieve
belasting op? Is de Minister bereid om de uitvoeringslast voor kleinere aanbieders
te verlagen zonder de bescherming van patiënten te verminderen?
Onbedoelde en ongewenste uitkomsten in de zorg, normhandhaving, leren en herstel
Deze leden vragen hoe vaak de IGJ de afgelopen jaren heeft ingegrepen na herhaalde
signalen van patiënten of nabestaanden. Hoe wordt voorkomen dat instellingen vooral
intern reflecteren, terwijl patiënten vooral behoefte hebben aan erkenning, openheid
en herstel?
Voortgangsrapportages Uitkomstgerichte Zorg
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de voortgangsrapportages over
uitkomstgerichte zorg. Deze leden vinden het uitgangspunt begrijpelijk: patiënten
moeten beter kunnen meewegen wat een behandeling betekent voor hun gezondheid, kwaliteit
van leven en dagelijks functioneren. Tegelijkertijd vragen deze leden de Minister
waarom dit na zoveel jaren nog steeds vooral klinkt als een programma in ontwikkeling.
Kan de Minister concreet aangeven wat patiënten vandaag meer weten dan vóór de start
van het programma? Welke informatie over behandeluitkomsten is inmiddels openbaar,
begrijpelijk en bruikbaar voor patiënten? Voor welke aandoeningen of behandelingen
kan een patiënt nu daadwerkelijk beter kiezen?
Deze leden vragen hoeveel geld sinds de start van het programma is besteed aan uitkomstgerichte
zorg en welke meetbare resultaten daar tegenover staan. Kan de Minister aangeven welke
onderdelen aantoonbaar succesvol zijn en welke onderdelen zijn gestopt omdat zij onvoldoende
opleverden?
De leden van de PVV-fractie vragen ook hoe wordt voorkomen dat uitkomstgerichte zorg
leidt tot extra registratiedruk voor zorgverleners. Welke registraties zijn geschrapt
of vereenvoudigd? Hoe wordt geborgd dat verpleegkundigen, artsen en andere zorgverleners
niet nog meer tijd achter het scherm doorbrengen?
Eindevaluatie Citrienfonds 2019–2022
De leden van de PVV-fractie vragen wat de eindevaluatie van het Citrienfonds concreet
betekent voor patiënten. Welke projecten hebben geleid tot blijvende verbetering in
de zorg? Welke resultaten zijn structureel ingebed? Welke projecten zijn niet voortgezet
omdat zij onvoldoende meerwaarde hadden?
Deze leden vragen hoeveel geld met het Citrienfonds gemoeid was en hoe de Minister
beoordeelt of dit geld doelmatig is besteed. Is de Minister bereid om bij toekomstige
fondsen vooraf scherper vast te leggen welke concrete uitkomsten voor patiënten moeten
worden bereikt?
Onderzoek geschilleninstanties Wkkgz en reactie daarop
De leden van de PVV-fractie maken zich zorgen over de positie van patiënten en cliënten
bij geschilleninstanties. Wie een geschil begint, staat vaak tegenover een professionele
zorgaanbieder met meer kennis, meer tijd en meer middelen. Kan de Minister aangeven
hoe wordt gewaarborgd dat de procedure eerlijk en begrijpelijk is voor gewone mensen?
Deze leden vragen waarom verdere professionalisering van geschilleninstanties nodig
is als het stelsel al jaren bestaat. Wat zegt dit over de bescherming die patiënten
en cliënten tot nu toe hebben gehad? Welke tekortkomingen zijn geconstateerd en wanneer
zijn deze opgelost?
De leden van de PVV-fractie vragen of uitspraken van geschilleninstanties inmiddels
op één vaste en goed vindbare plaats openbaar worden gemaakt. Zo nee, waarom is dit
nog steeds niet geregeld? Zo ja, hoe wordt gezorgd dat patiënten hier daadwerkelijk
iets aan hebben?
Deze leden vragen ook of de Minister bereid is om de onafhankelijkheid, deskundigheid,
doorlooptijden, kosten en begrijpelijkheid van geschilleninstanties periodiek openbaar
te laten beoordelen.
Stichting Zorggeschil en Stichting Fokus
De leden van de PVV-fractie lezen dat in de kabinetsreactie op het Q-Consult-onderzoek
naar sociale veiligheid, communicatie en bejegening binnen Fokus is aangegeven dat
Fokus werkt aan herstel van vertrouwen en sociale veiligheid, dat het ministerie de
relatie met Fokus heeft herijkt en dat VWS als systeemverantwoordelijke randvoorwaarden
stelt aan het transformatieplan van Fokus en toezicht houdt op de uitvoering daarvan.
Kan de Minister aangeven wat op dit moment de actuele stand van zaken is bij de opvolging
van de aanbevelingen uit het onderzoek?
Welke concrete stappen heeft Fokus sinds de kabinetsreactie gezet, welke aanbevelingen
zijn inmiddels uitgevoerd en welke aanbevelingen vragen nog opvolging? Kan de Minister
daarbij ook ingaan op de stand van zaken van het transformatieplan en de externe ondersteuning
op locaties waar veel meldingen zijn ontvangen?
De leden van de PVV-fractie vragen hoe VWS de voortgang van de opvolging van de aanbevelingen
bewaakt. Welke randvoorwaarden heeft het ministerie aan het transformatieplan gesteld,
op welke momenten wordt beoordeeld of de verbeteringen daadwerkelijk effect hebben
en wanneer wordt de Kamer daarover opnieuw geïnformeerd?
Kan de Minister daarnaast aangeven of er sinds de kabinetsreactie van 12 februari
2026 nog meldingen, signalen of klachten over Fokus bij VWS zijn binnengekomen? Zo
ja, hoeveel meldingen betreft dit, wat is de aard daarvan en op welke wijze zijn deze
opgepakt?
Handreikingen over vertegenwoordiging
De leden van de PVV-fractie vragen wat de handreikingen over vertegenwoordiging concreet
veranderen voor patiënten, cliënten, naasten en zorgverleners. Hoe wordt gezorgd dat
deze handreikingen niet in een la verdwijnen, maar daadwerkelijk worden gebruikt in
de praktijk?
Deze leden vragen hoe wordt omgegaan met situaties waarin familie, vertegenwoordigers
en zorgverleners verschillen van mening over wat in het belang van de cliënt is. Is
de huidige ondersteuning voor vertegenwoordigers voldoende?
Laboratoriumdiagnostiek
Deze leden vragen of er signalen zijn dat druk op tarieven, personeelstekorten, concentratie
van laboratoria of afhankelijkheid van leveranciers gevolgen hebben voor patiënten.
Hoe wordt geborgd dat huisartsen, ziekenhuizen en patiënten tijdig toegang houden
tot noodzakelijke diagnostiek?
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast hoe wordt voorkomen dat diagnostiek steeds
verder van de patiënt af komt te staan. Wat betekent concentratie van laboratoriumdiagnostiek
voor regionale beschikbaarheid, snelheid van uitslagen en de positie van huisartsen
en streekziekenhuizen?
Onderzoek naar effecten van behandelingen en medicatie op vrouwen
De leden van de PVV-fractie vinden het belangrijk dat medische kennis ook voldoende
is gebaseerd op vrouwen. Deze leden vragen welke concrete acties zijn ondernomen om
verschillen tussen mannen en vrouwen in onderzoek, diagnostiek, medicatie en behandeling
beter mee te nemen.
Kan de Minister aangeven bij welke aandoeningen of geneesmiddelen inmiddels concrete
verbeteringen zijn doorgevoerd? Hoe wordt voorkomen dat vrouwengezondheid blijft steken
in erkenning van het probleem, zonder afdwingbare verandering in onderzoek en praktijk?
Deze leden vragen ook hoe de Minister borgt dat richtlijnen, geneesmiddelenonderzoek
en behandelprotocollen voldoende rekening houden met verschillen tussen mannen en
vrouwen. Wie is hierop aanspreekbaar als verbetering uitblijft?
Alternatieve behandelwijzen en aanpak kwakzalverij
De leden van de PVV-fractie vinden keuzevrijheid belangrijk, maar patiënten mogen
niet worden misleid, zeker niet wanneer zij ernstig ziek, kwetsbaar of wanhopig zijn.
Kan de Minister aangeven hoe vaak de afgelopen jaren is opgetreden tegen misleidende
medische claims of aanbieders van onbewezen behandelingen?
Deze leden vragen of het huidige toezicht voldoende is om patiënten te beschermen
tegen aanbieders die onbewezen behandelingen presenteren als alternatief voor noodzakelijke
reguliere zorg. Welke rol hebben de IGJ, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), de Autoriteit
Consument & Markt (ACM) en andere toezichthouders hierbij? Is die rol duidelijk genoeg?
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is om steviger op te treden
tegen aanbieders die valse hoop verkopen, zeker bij kanker, chronische ziekten, kinderen
of andere kwetsbare groepen.
Misstanden bij een zorgaanbieder en de geschillencommissie zorg
De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister omgaat met signalen dat mensen
niet alleen vastlopen bij een zorgaanbieder, maar vervolgens ook bij de geschillencommissie.
Welke mogelijkheden hebben patiënten of cliënten nog als zowel de zorgaanbieder als
de klachten- of geschillenroute geen oplossing biedt?
Deze leden vragen of de Minister bereid is om te onderzoeken of er een laagdrempelige
escalatiemogelijkheid nodig is voor ernstige of langdurige casussen waarin patiënten
of cliënten aantoonbaar vastlopen. Hoe wordt voorkomen dat kwetsbare mensen het simpelweg
opgeven omdat de procedure te ingewikkeld, te duur of te langdurig is?
Meer weten, beter kiezen
De leden van de PVV-fractie vinden het belangrijk dat patiënten begrijpelijke keuze-informatie
krijgen. Een patiënt die een ziekenhuis of behandeling moet kiezen, heeft niets aan
ingewikkelde rapporten of informatie die alleen voor professionals begrijpelijk is.
Kan de Minister aangeven welke keuze-informatie op dit moment openbaar, begrijpelijk
en goed vindbaar is voor patiënten in de medisch specialistische zorg? Voor welke
aandoeningen is informatie beschikbaar over kwaliteit, wachttijden, complicaties en
behandeluitkomsten?
Deze leden vragen waarom het realiseren van begrijpelijke keuze-informatie zo lang
duurt. Welke afspraken zijn inmiddels gemaakt met ziekenhuizen, zorgverzekeraars en
andere partijen? Wat gebeurt er als partijen onvoldoende leveren?
De leden van de PVV-fractie vragen ook hoe wordt voorkomen dat keuze-informatie vooral
wordt ontwikkeld vanuit het perspectief van systemen en instellingen, in plaats van
vanuit de patiënt die gewoon wil weten waar hij goed en snel geholpen wordt.
Uitvoeringstoets MRI voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel
De leden van de PVV-fractie vragen naar de actuele stand van zaken bij de uitvoering
van het besluit om vrouwen met zeer dicht borstweefsel vanaf 2030 aanvullend een MRI
aan te bieden binnen het bevolkingsonderzoek borstkanker. Ligt het aangekondigde tijdpad
nog op koers en wanneer ontvangt de Kamer het implementatieplan van het RIVM en Bevolkingsonderzoek
Nederland?
Deze leden wijzen erop dat de Kamer op 10 maart 2026 de motie-Paulusma c.s. heeft
aangenomen, waarin wordt verzocht vrouwen binnen het huidige bevolkingsonderzoek borstkanker,
waar dat met bestaande onderzoeken en apparatuur mogelijk is, actief te informeren
of bij hen sprake is van zeer dicht borstweefsel. Kan de Minister aangeven welke opvolging
inmiddels aan deze motie wordt gegeven? Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de
uitwerking en implementatie?
Kan de Minister aangeven of uitvoering van deze motie ertoe kan leiden dat vrouwen
al vóór 2030 informatie krijgen over zeer dicht borstweefsel? Zo nee, welke belemmeringen
staan daaraan in de weg? Zo ja, op welke termijn kan dit worden gerealiseerd en hoe
wordt daarbij helder gecommuniceerd wat zeer dicht borstweefsel betekent voor de betrouwbaarheid
van de mammografie en het handelingsperspectief voor vrouwen?
Ziet de Minister mogelijkheden om de MRI voor vrouwen met dicht borstweefsel te versnellen?
Bijvoorbeeld middels een pilot?
Kan de Minister tot slot toelichten hoe de uitvoering van de aangenomen motie-Paulusma
c.s. zich verhoudt tot het eerder gekozen ingroeimodel voor MRI-screening, de capaciteitsgestuurde
instroom en de wens om de start van het MRI-aanbod zo veel mogelijk te versnellen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brieven van
de Minister over kwaliteitszorg. Deze leden hebben op dit moment geen aanvullende
vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Algemeen
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geagendeerde
stukken voor het schriftelijk overleg Kwaliteitszorg (inclusief Patiënten- en cliëntenrechten).
Deze leden hechten aan goede kwaliteit van zorg, stevige patiënten- en cliëntenrechten
en proportionele regelgeving. Zij willen de Minister daarom nog enkele vragen voorleggen.
Beleidskader subsidiëring pg-organisaties
De leden van de JA21-fractie constateren dat in het schriftelijk overleg ook het Beleidskader
subsidiëring patiënt- en gehandicaptenorganisaties (pg-organisaties) is geagendeerd.
Deze leden vragen de Minister welke betekenis de aangekondigde verlaging van subsidiebudgetten
bij departementen vanaf 2027 kan hebben voor de subsidieregeling voor pg-organisaties.
Kan de Minister daarbij expliciet ingaan op de continuïteit van de regeling, de rol
van pg-organisaties bij informatievoorziening, ondersteuning, signalering en belangenbehartiging?
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister hoe wordt geborgd dat patiënten, cliënten,
mensen met een beperking en hun naasten ook in de komende beleidsperiode voldoende
onafhankelijk vertegenwoordigd blijven in beleid en uitvoering. Kan de Minister aangeven
op welke wijze ervaringskennis wordt meegewogen bij de herziening van het beleidskader
en de daarop volgende subsidieregeling?
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister of bij de voorbereiding van het nieuwe
beleidskader voor de Kamer inzichtelijk wordt gemaakt welke financiële scenario’s
worden onderzocht, welke criteria daarbij worden gehanteerd en welke gevolgen deze
scenario’s kunnen hebben voor kleinere en middelgrote pg-organisaties.
Wetsevaluatie Wmcz 2028
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de Wetsevaluatie Wmcz 2018.
Deze leden onderschrijven het belang van inspraak van cliënten en patiënten, maar
vinden dat medezeggenschap ook uitvoerbaar, proportioneel en passend bij de schaal
en aard van de zorgaanbieder moet zijn.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister of het juist is dat de evaluatie in
belangrijke mate is gebaseerd op gesprekken met enkel leden van cliëntenraden. Hoeveel
eerstelijnszorgverleners zijn daadwerkelijk gehoord of betrokken geweest bij de evaluatie?
De leden van de JA21-fractie constateren dat eerstelijnszorgaanbieders signaleren
dat het instellen en in stand houden van een cliëntenraad in de praktijk tijdrovend
en belastend kan zijn, terwijl zij vaak al via laagdrempelig en direct patiëntcontact,
patiëntenpanels of patiëntenenquêtes input ophalen. Hoe beoordeelt de Minister deze
signalen? Welke concrete meerwaarde ziet de Minister van een formele cliëntenraad
bij kleinschalige eerstelijnspraktijken waar dit laagdrempelige contact al bestaat?
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister hoe zij de uitkomsten beoordeelt van
de flitspeiling van de Eerstelijnscoalitie, waaruit volgens de coalitie blijkt dat
het draagvlak voor het inrichten van een cliëntenraad beperkt is, onder meer omdat
het moeilijk is voldoende leden te vinden, het oprichten en onderhouden veel tijd
kost en de gesprekken volgens respondenten weinig nieuwe informatie opleveren. Heeft
het ministerie deze uitkomsten ontvangen en betrokken bij de beleidsreactie? Zo ja,
op welke wijze?
De leden van de JA21-fractie vragen waarom bij de Wmcz 2018 is gekozen voor de verplichting
tot het instellen van een cliëntenraad vanaf meer dan vijfentwintig zorgverleners.
Waarom is destijds niet aangesloten bij de grens voor het verplicht hebben van een
ondernemingsraad, te weten meer dan vijftig personen in dienst? Is de Minister van
mening dat de grens van vijfentwintig bij de wetsbehandeling arbitrair is gekozen?
Wat zouden de juridische, praktische en financiële gevolgen zijn van het ophogen van
deze grens?
De leden van de JA21-fractie ontvangen signalen dat zorgverleners afzien van het aanbieden
van een stageplaats, een extra opleidingsplek of uitbreiding van hun praktijk om onder
de grens van vijfentwintig zorgverleners te blijven en daarmee de verplichting tot
het instellen van een cliëntenraad te vermijden. Is de Minister hiervan ook op de
hoogte? Acht zij dit wenselijk, mede gelet op de personeelstekorten en de noodzaak
om voldoende opleidingsplekken in de zorg beschikbaar te houden?
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister erkent dat de organisatie, schaal
en aard van eerstelijnszorg wezenlijk verschillen van instellingen zoals ziekenhuizen
en verpleeghuizen. In hoeverre acht de Minister het passend dat praktijkhouders die
primair zorgverlener zijn, tijd moeten besteden aan formele overlegstructuren wanneer
die tijd niet aan patiëntenzorg kan worden besteed en de opbrengst volgens betrokkenen
beperkt is?
De leden van de JA21-fractie vragen welke ruimte de huidige Wmcz 2018 biedt aan kleinschalige
zorgaanbieders, zoals huisartsen en tandartsen, om medezeggenschap op een lichtere
of alternatieve manier vorm te geven zonder volledige formele structuur met advies-
en instemmingsrechten. Kan de Minister uiteenzetten welke vormen van cliënten- of
patiënteninspraak binnen de huidige wet als toereikend kunnen worden beschouwd?
De leden van de JA21-fractie wijzen erop dat de Wet op de ondernemingsraden (WOR)
voor ondernemingen met tien tot vijftig medewerkers een lichter medezeggenschapsregime
kent. Is de Minister bereid te onderzoeken in hoeverre een vergelijkbaar lichter regime
binnen de Wmcz 2018 mogelijk en wenselijk is voor kleinschalige eerstelijnszorgaanbieders?
Zo nee, waarom niet?
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister mogelijkheden ziet om praktijkoverstijgend
een cliëntenraad in te stellen wanneer de verplichting bestaat, bijvoorbeeld op wijk-,
regio- of samenwerkingsverbandniveau. Kan de Minister aangeven of dit binnen de huidige
wettelijke kaders mogelijk is, en of dit volgens haar kan bijdragen aan minder administratieve
lasten en meer inhoudelijke meerwaarde?
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister te reageren op een praktijkervaring
die deze leden heeft bereikt, waarbij een huisartsenpraktijk met ongeveer veertig
zorgverleners en de cliëntenraad na meerdere bijeenkomsten gezamenlijk tot de conclusie
kwamen dat het nut en de noodzaak van voortzetting beperkt waren, omdat de belangrijkste
onderwerpen inmiddels waren besproken en de agenda opdroogde. Welke wettelijke ruimte
bestaat er in zo’n situatie om de cliëntenraad te beëindigen, tijdelijk te laten rusten
of op een lichtere wijze voort te zetten? Welke gevolgen heeft dit voor verslaglegging,
accreditatie en toezicht door de IGJ?
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister inzicht heeft in de administratieve
lasten en kosten die eerstelijnszorgaanbieders maken voor het oprichten, werven, ondersteunen
en onderhouden van een cliëntenraad. Zo ja, kan zij dit inzichtelijk maken? Zo nee,
is zij bereid dit alsnog te laten onderzoeken, en wel voornamelijk voor eerstelijnszorgaanbieders?
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister bereid is te bezien of de Wmcz
2018 voor kleinschalige zorgaanbieders moet worden aangepast, en zo ja onder welke
voorwaarden. Kan de Minister daarbij betrekken dat cliënten- en patiënteninspraak
waardevol is, maar dat deze inspraak ook proportioneel moet zijn en niet onnodig ten
koste mag gaan van beschikbare tijd voor patiëntenzorg?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de geagendeerde stukken over kwaliteitszorg.
Zij hebben hier nog een aantal vragen en opmerkingen over.
De leden van de SP-fractie constateren dat er de afgelopen jaren, onder druk van vrouwen
en vrouwenrechtenorganisaties, meer aandacht is gekomen voor vrouwengezondheid. Tegelijkertijd
zien ze dat de huidige kabinetsinzet nog fors achterloopt op wat er daadwerkelijk
nodig is, met name als het gaat om de financiering voor vrouwengezondheid. Is de Minister
al bereid om vrouwengezondheid de prioriteit (en dus ook de financiering) te geven
die het verdient?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de onderliggende brieven en stukken bij het schriftelijk
overleg over kwaliteitszorg gelezen en zij hebben daarover vooralsnog geen vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken en
wachten de beantwoording van de Minister met belangstelling af en hebben voor nu geen
vragen en/of opmerkingen.
II. Reactie van de Minister
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken
op de agenda van het schriftelijk overleg over kwaliteitszorg. Deze leden hebben hierover
enkele vragen opgesplitst per onderwerp.
Transparantie van keuze-informatie
De leden van de D66-fractie lezen in de brief van de Minister over transparantie van
keuze-informatie voor patiënten dat de Minister toewerkt naar een toekomstbeeld waarin
patiënten vanuit huis inzicht hebben in behandelopties en verschillen tussen zorgaanbieders,
zodat zij samen met hun zorgverlener een goed geïnformeerde keuze kunnen maken. Deze
leden vinden het daarbij cruciaal dat er blijvende aandacht is voor uitkomsten die
voor patiënten zelf van betekenis zijn, waaronder kwaliteit van leven, ervaren functioneren
en de impact van behandelingen op het dagelijks leven. Deze leden waarderen dan ook
dat de Minister expliciet aangeeft dat juist dit soort informatie onderdeel moet zijn
van toekomstige keuze-informatie voor patiënten.
Tegelijkertijd constateren deze leden dat de praktijk nog ver verwijderd is van dit
toekomstbeeld. Uit onderzoek van het Zorginstituut Nederland en de Patiëntenfederatie
blijkt immers dat voor een groot deel van de ziektelast binnen de medisch specialistische
zorg nog geen kwaliteitsdata openbaar beschikbaar is. Ook lezen deze leden dat informatie
over verschillen tussen zorgaanbieders vaak ontbreekt of onvoldoende begrijpelijk
beschikbaar is voor patiënten. Kan de Minister aangeven welke concrete doelen zij
zichzelf stelt voor de komende jaren om deze achterstand in te lopen?
Het kabinet wil de achterstand in openbaar beschikbare kwaliteits- en keuze-informatie
inlopen door bestaande kwaliteitsgegevens sneller openbaar en begrijpelijk beschikbaar
te maken voor patiënten1. De belangrijkste concrete doelen zijn:
1. Meer kwaliteitsinformatie openbaar maken via het Openbaar Databestand van het Zorginstituut.
Gegevens die al worden verzameld in kwaliteitsregistraties (bijvoorbeeld over resultaten
van behandelingen en complicaties) worden openbaar gemaakt, tenzij er bijvoorbeeld
niet aan statistische randvoorwaarden wordt voldaan.
2. De informatie vertalen naar begrijpelijke keuze-informatie.
Openbare kwaliteitsgegevens zijn niet alleen beschikbaar voor zorgverleners, maar
ook voor patiënten en moeten worden omgezet in begrijpelijke informatie waarmee patiënten
behandelingen en zorgaanbieders kunnen vergelijken.
3. Meer samenhang in kwaliteitsprogramma’s.
Op langere termijn wil het kabinet komen tot één geïntegreerde governancestructuur
voor kwaliteitsprogramma’s, zodat kwaliteitsinformatie beter wordt gebruikt voor de
doelen:
– leren en verbeteren van zorg,
– samen beslissen tussen patiënt en zorgverlener,
– keuze-informatie voor patiënten.
4. Toewerken naar de landelijke ambitie van uitkomsten over 50% van de ziektelast transparant.
Partijen in de medisch-specialistische zorg hebben al jaren de afspraak dat voor 50%
van de ziektelast openbare kwaliteitsinformatie beschikbaar moet zijn. Uit een nulmeting
blijkt dat dit in 2026 slechts 11,5% is. Het inhalen van deze achterstand is daarom
een expliciete doelstelling voor de komende jaren2.
5. Wettelijke verplichting aanscherpen.
Zoals in de beleidsbrief aangegeven, werkt het kabinet aan een samenhangend pakket
aan wet- en regelgeving dat passende zorg altijd en overal de norm maakt. Het kabinet
verwacht na het zomerreces een advies van het Zorginstituut over het herijken van
de kwaliteitstaken3. Mocht uit het advies van het Zorginstituut blijken dat het wettelijke bevoegdheden
om keuze-informatie af te dwingen mist, dan is het kabinet bereid een wetsvoorstel
tot wijziging van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) voor te bereiden.
Daarmee kan ook het doel in de medisch specialistische zorg van openbaar inzichtelijke
uitkomsten voor 50% van de ziektelast worden afgedwongen.
Op welke momenten en manieren wordt inzichtelijk gemaakt welke aandoeningen inmiddels
beschikken over begrijpelijke en openbaar beschikbare keuze-informatie voor patiënten
en welke nog niet?
Een afspraak vanuit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is om jaarlijks
te monitoren wat de stand van zaken is met betrekking tot transparantie. De eerste
meting, de zogeheten nulmeting, is gedaan4. Voor 2025 was er volgens de meting voor 25 aandoeningen ten minste één openbare
uitkomstmaat beschikbaar. Het kabinet zal de Kamer jaarlijks rapporteren over de resultaten
van de herhaalmeting.
Verder lezen deze leden dat de Minister veldpartijen aanmoedigt om versnelling aan
te brengen in het realiseren van meer openbare en begrijpelijke keuze-informatie voor
patiënten. Kan de Minister nader toelichten welke instrumenten hierbij concreet gebruikt
worden?
In het kader van het AZWA zijn over de versnelling afspraken met veldpartijen gemaakt.
De afspraken die partijen in de medisch-specialistische zorg hebben gemaakt, zijn
erop gericht om op relatief korte termijn verdere stappen te zetten in de beschikbaarheid
en bruikbaarheid van keuze-informatie. Partijen van het Bestuurlijk Overleg Kwaliteit
zetten in op volledige transparantie voor patiënten. In beginsel betekent dit dat
alle indicatoren in een kwaliteitsregistratie transparant worden gemaakt via het Zorginstituut
en voor patiënten op een nader te bepalen vindplaats. Voorwaarden daarbij zijn dat:
– voldaan is aan de statistische randvoorwaarden (bijvoorbeeld te kleine aantallen,
onvoldoende betrouwbaarheid en waar relevant wordt een casemixcorrectie toegepast).
– de informatie is voorzien van een goede en begrijpelijke uitleg voor de patiënt (zodat
de patiënt daadwerkelijk iets met de informatie kan).
– het leidt tot betrouwbare informatie voor patiënten en geen misinformatie geeft over
behandelingen, zorgaanbieders en zorgprofessionals.
– de administratieve lasten voor zorgaanbieders niet extra omhooggaan.
Partijen werken ook aan meer samenhang tussen kwaliteitsprogramma’s om tot één geïntegreerde
governancestructuur voor kwaliteitsprogramma’s te komen, zodat kwaliteitsinformatie
beter wordt gebruikt voor de doelen:
– leren en verbeteren van zorg,
– samen beslissen tussen patiënt en zorgverlener,
– keuze-informatie voor patiënten.
Daarmee wordt door partijen in de medisch-specialistische zorg ingezet op uitkomsten
over 50% van de ziektelast transparant.
Welke mogelijkheden heeft de Minister wettelijk beschikbaar om naast aanmoediging
ook meer sturende of dwingende instrumenten in te zetten om openbaarmaking van kwaliteitsinformatie
te bevorderen?
De Wkkgz biedt een grondslag voor het Zorginstituut voor verschillende sturende of
dwingende instrumenten om de beschikbaarheid en openbaarmaking van kwaliteitsinformatie
te bevorderen. Zo zijn zorgaanbieders op grond van de Wkkgz verplicht kwaliteitsinformatie
aan te leveren overeenkomstig in het Register van kwaliteitsstandaarden en meetinstrumenten
opgenomen meetinstrumenten en kan het Zorginstituut deze informatie openbaar beschikbaar
maken. Daarnaast kan het Zorginstituut via de Meerjarenagenda sturen op de ontwikkeling
van meetinstrumenten en, indien veldpartijen onvoldoende voortgang boeken, gebruik
maken van zijn wettelijke doorzettingsmacht. Zoals in de beleidsbrief aangegeven,
werkt het kabinet aan een samenhangend pakket aan wet- en regelgeving dat passende
zorg altijd en overal de norm maakt. Het kabinet verwacht na het zomerreces een advies
van het Zorginstituut over het herijken van de kwaliteitstaken5. Mocht uit het advies van het Zorginstituut blijken dat het wettelijke bevoegdheden
om keuze-informatie af te dwingen mist, dan is het kabinet bereid een wetsvoorstel
tot wijziging van de Wkkgz voor te bereiden.
Ook lezen deze leden in de brief over keuze-informatie voor patiënten dat de Wet kwaliteitsregistraties
zorg een belangrijke rol moet spelen in het beter benutten van bestaande kwaliteitsregistraties
voor keuze-informatie voor patiënten. Is deze wet volgens de Minister voldoende toegerust
om daadwerkelijk versnelling te realiseren?
Met de per 2026 gewijzigde Wkkgz (naar aanleiding van de inwerkingtreding van het
wetsvoorstel kwaliteitsregistraties zorg) zijn zorgaanbieders verplicht om data aan
te leveren aan kwaliteitsregistraties die het Zorginstituut opneemt in het Register
voor kwaliteitsregistraties. Kwaliteitsregistraties in dat register mogen data verwerken
voor de doelen leren en verbeteren en samen beslissen. Omdat deze data al wordt verzameld,
kan deze data ook voor keuze-informatie voor patiënten worden gebruikt, zonder dat
de administratieve lasten voor zorgaanbieders stijgen.
Tegelijkertijd verwacht het kabinet niet dat de gewijzigde Wkkgz op zichzelf voldoende
is om alle uitdagingen rondom keuze-informatie voor patiënten op te lossen. Er lopen
twee trajecten om te kijken of het wettelijke instrumentarium toereikend is: het project
herijken van de kwaliteitstaken van het Zorginstituut en het project één governance.
Binnen het project één governance worden drie kwaliteitsprogramma’s (Kwaliteitsregistraties,
Uitkomstgerichte Zorg en samenwerkingsafspraken Transparantiekalender) samengevoegd
tot één governancestructuur. Er wordt daarmee gestuurd op het verbreden van kwaliteitsregistraties
door naast de doelen leren en verbeteren en samen beslissen ook in te zetten op keuze-informatie.
Op welke wijze kan deze wet concreet worden ingezet om verdere stappen te zetten richting
meer transparantie voor patiënten?
Als data door een kwaliteitsregistratie, die is opgenomen in het Register voor kwaliteitsregistraties,
is verzameld, kan de data zonder extra administratieve lasten voor zorgaanbieders,
ook gebruikt worden voor transparantie voor patiënten via het openbare databestand
(ODB). Dat geldt bijvoorbeeld voor de minimale indicatorenset die de partijen van
het Bestuurlijk Overleg Kwaliteit Medisch Specialistische Zorg hebben vastgesteld.
Welke beperkingen in het optreden van de overheid op het openbaar maken van kwaliteitsdata
blijven volgens de Minister bestaan, ook na de inwerkingtreding van deze wet?
Ten behoeve van keuze-informatie voor patiënten, blijft het noodzakelijk dat wordt
bepaald welke uitkomsten relevant, betrouwbaar en voldoende vergelijkbaar zijn om
openbaar te maken. Daarbij spelen ook methodologische vraagstukken, zoals casemixcorrectie
en de interpretatie van uitkomsten, een belangrijke rol. Hierbij is ook de inbreng
van kwaliteitsregistraties en veldpartijen nodig.
Daarnaast leidt de beschikbaarheid van kwaliteitsdata niet automatisch tot bruikbare
keuze-informatie voor patiënten. Het omzetten van gegevens naar begrijpelijke, vergelijkbare
en toegankelijke informatie vraagt aanvullende keuzes over presentatie, duiding en
ontsluiting. Ook hiervoor is inbreng van het veld onmisbaar.
Kan de Minister daarbij ook ingaan op de balans tussen transparantie en uitvoerbaarheid?
Door kwaliteitsregistraties zo optimaal mogelijk te gebruiken, wordt juist ingezet
op de uitvoerbaarheid. Op die manier worden extra administratieve lasten voor zorgaanbieders
zo veel mogelijk voorkomen. De data aan kwaliteitsregistraties moeten immers al worden
aangeleverd.
Tot slot vragen deze leden aandacht voor het feit dat de huidige inzet zich primair
richt op de medisch specialistische zorg. Bestaat inmiddels meer duidelijkheid over
een eventuele uitbreiding van de Wet kwaliteitsregistraties zorg naar andere sectoren,
zoals de eerstelijnszorg, wijkverpleging of de geestelijke gezondheidszorg (ggz)?
Wanneer verwacht de Minister de Kamer hierover verder te informeren?
Voor de ggz is de verkenning naar een systeem van kwaliteitsregistraties onlangs afgerond,
en deze is met de Kamerbrief over het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord op 22 juni
aan de Tweede Kamer verzonden. Komende periode wordt toegewerkt naar het vertalen
in wet- en regelgeving, zodat behandelaren beter in staat worden gesteld om te leren
en verbeteren.
Er zijn geen plannen voor verbreding van de reikwijdte van de wet voor andere sectoren.
Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz)
De leden van de D66-fractie lezen in de evaluatie van de Wmcz 2018 dat op verschillende
punten ruimte voor verbetering bestaat in de wijze waarop medezeggenschap binnen zorginstellingen
functioneert.
Deze leden onderschrijven het belang van goede medezeggenschap, omdat dit eraan bijdraagt
dat zorg beter aansluit bij de behoeften van patiënten en cliënten. In de evaluatie
wordt onder meer geadviseerd de inspraakcultuur binnen instellingen verder te versterken.
Ook wordt gewezen op het belang van tijdige, volledige en begrijpelijke informatievoorziening
richting cliëntenraden. Kan de Minister aangeven hoe zij concreet gevolg geeft aan
deze aanbevelingen?
De onderzoekers concluderen dat de Wmcz 2018 meer juridische basis voor het versterken
van de cliëntenraad en ruimte voor maatwerk biedt. Het daadwerkelijk invloed op de
besluitvorming bij instellingen en jeugdhulpaanbieders kunnen uitoefenen, is voor
een groot deel afhankelijk van de bestuurscultuur, bestuurshouding en de praktische
invulling van de rechten. De onderzoekers zien geen reden om de wettekst aan te passen,
maar geven aanbevelingen aan bestuurders en het ministerie om het animo bij cliëntenraden
te vergroten en een cultuurverandering te bereiken. Voor de zomer wordt de Kamer geïnformeerd
over de vervolgstappen naar aanleiding van dit rapport.
Daarnaast lezen deze leden dat de huidige wet onvoldoende basis biedt voor medezeggenschap
binnen regionale samenwerkingsverbanden. Juist nu samenwerking tussen verschillende
zorgdomeinen steeds belangrijker wordt, bijvoorbeeld om capaciteitsvraagstukken aan
te pakken en zorg beter rondom de patiënt te organiseren, achten deze leden dit een
relevant knelpunt. Welke stappen zijn inmiddels gezet om medezeggenschap binnen regionale
samenwerkingsverbanden beter te organiseren? Acht de Minister aanvullende wet- of
regelgeving nodig om cliënten en patiënten ook binnen regionale samenwerking goed
vertegenwoordigd te laten zijn?
In het Integraal Zorgakkoord (IZA) zijn concrete afspraken gemaakt om burgers en cliënten
op landelijk en regionaal niveau beter te betrekken. Vanaf juni 2023 is het onder
het toenmalige kabinet gestart met het ontwikkelen van een landelijk dekkende infrastructuur
van regionale participatiehubs. Dit zijn regionale netwerken van bestuurders, professionals,
inwoners, cliëntenraden, patiëntenbewegingen en burgerinitiatieven die werken aan
meer gelijkwaardige betrokkenheid van degene om wie het gaat bij regionale vraagstukken
over gezondheid, zorg en ondersteuning. Doel van dit programma is om participatie
van mensen om wie het gaat bij de regionale transities in zorg en ondersteuning te
bevorderen. Het veld van regionale samenwerking is volop in ontwikkeling. Daarbij
wil het kabinet dat instellingen en cliënten op gelijkwaardig niveau, ieder vanuit
zijn of haar eigen rol en verantwoordelijkheid, samenwerken aan toekomstbestendige
zorg. De cliëntenraad kan daar in het netwerk van de participatiehubs een rol in spelen.
Juist in een zorglandschap in transformatie, is de stem van de cliënt bij deze transities
belangrijk.
De leden van de D66-fractie merken daarnaast op dat een deel van de ervaren regeldruk
in de zorg ook voortkomt uit verplichtingen die vanuit de overheid worden opgelegd,
maar die weinig toevoegen. In deze evaluatie wordt bijvoorbeeld benoemd dat in de
eerstelijnszorg cliëntenraden relatief veel tijd kosten terwijl de toegevoegde waarde
beperkt wordt ervaren. Is de Minister bereid kritisch te kijken naar mogelijke knelpunten
in de Wmcz 2018 voor de eerstelijnszorg, en te bezien of daar meer proportionele vormen
van medezeggenschap mogelijk zijn?
In het voorjaar zijn door VWS gesprekken met het veld gevoerd. Ook is gesproken met
de vertegenwoordigers van de Eerstelijnscoalitie (ELC).6 De ELC heeft ook haar eigen «ELC flitspeiling Cliëntenraad» aan het kabinet toegestuurd.
Dit is een onderzoek dat zij bij haar eigen leden heeft uitgezet. In die flitspeiling
constateert de ELC als eerste reden waarom geen cliëntenraad is ingericht door haar
leden is gegeven dat haar leden onbekend zijn met de Wmcz 2018. Het kabinet ziet,
net als de onderzoekers van de evaluatie, de onbekendheid van de Wmcz 2018 als een
belangrijk knelpunt voor de juiste toepassing van de wet door eerstelijns zorgaanbieders.
Door een onjuiste toepassing wordt de meerwaarde van de wet niet gezien en leggen
zij zichzelf mogelijk onnodige regeldruk op. De Wmcz 2018 biedt juist ruimte om medezeggenschap
proportioneel in te richten voor elke aanbieder. De wetsevaluatie laat zien dat de
Wmcz 2018 voldoet, maar dat de daadwerkelijke invloed op de besluitvorming van instellingen
sterk afhankelijk is van bestuurscultuur, bestuurshouding en praktische invulling
van de rechten. Het kabinet neemt daarom vervolgstappen, en roept bovenal alle besturen
van instellingen op om zich in te zetten voor de benodigde cultuurverandering en werk
te maken van inspraak en medezeggenschap. Luisteren naar cliënten is immers onderdeel
van goed bestuur, het draagt bij aan het verlenen van goede zorg aan cliënten. Voor
de zomer wordt de Kamer geïnformeerd over de vervolgstappen naar aanleiding van deze
knelpunten en aanbeveling.
Is zij daarnaast bereid breder te kijken naar manieren om administratieve lasten,
bijvoorbeeld rond jaarverantwoordingen en rapportages, verder te verminderen?
Bij brief van 11 mei 2026 heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd dat op basis van
de invoeringstoets wordt geconstateerd dat er een proportionele openbare jaarverantwoording
is ontstaan.7 Het kabinet blijft in afstemming met betrokken partijen monitoren of de balans tussen
regeldruk en een goede informatiepositie voldoende behouden blijft.
Uitkomstgerichte Zorg
De leden van de D66-fractie lezen in de voortgangsrapportages over Uitkomstgerichte
Zorg en de begeleidende brief dat het programma Uitkomstgerichte Zorg bedoeld is om
zorg beter af te stemmen op de behoeften, voorkeuren en waarden van patiënten en daarmee
een belangrijke bouwsteen vormt voor passende zorg. Deze leden steunen die beweging
nadrukkelijk. Zij zien hierin een belangrijke stap in de transitie van een systeem
waarin productie centraal staat naar een systeem waarin de best mogelijke uitkomsten
voor patiënten leidend zijn.
In de begeleidende brief van de rapportage uit 2024 lezen deze leden dat zorginstellingen
actief zijn opgeroepen gebruik te maken van de WensenScan om instellingen te ondersteunen
bij samen beslissen en het werken met uitkomstinformatie. Kan de Minister aangeven
of inmiddels zichtbaar is geworden dat dit instrument daadwerkelijk heeft bijgedragen
aan zorg die beter aansluit bij de behoeften en voorkeuren van patiënten? Hoe heeft
dit instrument zich de afgelopen jaren verder ontwikkeld? Zijn er inmiddels ook andere
instrumenten ontwikkeld of breder ingezet om zorginstellingen actief te ondersteunen
bij uitkomstgericht werken?
De WensenScan is een digitale vragenlijst die eenmalig in 2024 is uitgezet. De resultaten
geven inzicht in de mate waarin samen beslissen is ingebed in medisch-specialistische
zorginstellingen en welke ambities en ondersteuningsbehoeften er vanuit de instellingen
zijn. Uit de resultaten blijkt dat alle instellingen8 samen beslissen in enige vorm toepassen, maar dat de mate van implementatie sterk
verschilt. Hoewel er brede ambitie is om uitkomstinformatie structureel te gebruiken,
stagneert de uitvoering door onder meer beperkte vaardigheden, tijdsdruk en technische
en ICT-gerelateerde knelpunten.
Op basis hiervan heeft het programma Uitkomtgerichte zorg in 2024 het UZ-loket opgericht.
Dit loket bestaat uit implementatieadviseurs van het programma Uitkomstgerichte Zorg,
die medisch-specialistische instellingen zowel technische als veranderkundige ondersteuning
bieden bij de implementatie van samen beslissen. Daarnaast liet de WensenScan een
duidelijke behoefte zien aan scholing. Hierop is door het programma Uitkomstgerichte
Zorg ingezet op aanvullend scholingsaanbod en verdiepende sessies, gericht op het
versterken van vaardigheden en het beter toepassen van samen beslissen in de praktijk.
Deze sessies worden landelijk aan zorgverleners aangeboden. Zo vond er onlangs een
verdiepingssessie «gespreksvaardigheden en diversiteit sensitief communiceren plaats»,
waarbij medisch specialisten, physician assistants, verpleegkundigen en AIOS aan de
slag zijn gegaan met situaties uit de praktijk.
Verder lezen deze leden dat het programma sterk inzet op databeschikbaarheid en op
betere toegankelijkheid van uitkomstinformatie voor patiënten en zorgverleners. Kan
de Minister toelichten op welke wijze de randvoorwaarden voor uitkomstgerichte zorg
worden meegenomen in bredere digitaliseringsvraagstukken binnen de zorg, bijvoorbeeld
in relatie tot de uitwerking van de European Health Data Space (EHDS)? Hoe wordt voorkomen
dat verschillende trajecten naast elkaar ontstaan zonder voldoende samenhang in databeschikbaarheid,
standaarden en governance?
De randvoorwaarde voor succesvolle Uitkomstgerichte zorg (UZ) is dat zorginformatie
eenduidig en eenmalig aan de bron wordt geregistreerd in het primaire proces. De aansluiting
op bredere digitaliseringsontwikkelingen verloopt o.a. via:
– Standaardisatie aan de bron. Bij het opstellen van de Uitkomstgerichte Zorg-sets (UZ-sets)
is aangesloten op bestaande standaarden binnen het informatiestelsel, zoals SNOMED
CT en de Zorginformatiebouwstenen (ZIB's / BGZ). Dit zorgt ervoor dat uitkomstdata
technisch en semantisch uitwisselbaar zijn.
– De komst van de European Health Data Space (EHDS) kan fungeren als vliegwiel voor
UZ. De infrastructuur die voor EHDS wordt opgetuigd (voor zowel primair als secundair
datagebruik), faciliteert het hergebruiken van uitkomstdata voor samen beslissen.
– Het Gezondheidsinformatiestelsel (GIS) is opgesteld om versnippering te voorkomen.
Dit is randvoorwaardelijk voor primaire en secundaire gegevensuitwisseling. UZ lift
mee op de landelijke kaders voor privacy, architectuur en wetgeving (zoals de Wegiz).
Het Gezondheidsinformatiestelsel (GIS) borgt een samenhang op databeschikbaarheid,
standaarden en datagovernance in het Nederlandse informatiezorgstelsel. In de verschillende
kwaliteitsprogramma’s, zoals UZ, is het uitgangspunt om aan te sluiten bij het GIS.
Onder het bestuurlijk overleg Kwaliteit en informatiebeleid (BO K&I) monitort een
werkgroep of de samenhang goed gaat en hoe kwaliteit en informatiebeleid elkaar kunnen
versterken in bestaande projecten en programma’s.
Daarnaast merken deze leden op dat het programma zich vooralsnog richtte op de medisch
specialistische zorg. Welke mogelijkheden ziet de Minister om de lessen en ervaringen
uit dit programma breder toe te passen, bijvoorbeeld in de eerstelijnszorg, wijkverpleging
en de ggz?
Gedurende de looptijd van het programma Uitkomstgerichte Zorg is veel kennis opgedaan
en zijn diverse producten, instrumenten en praktische handreikingen voor met name
samen beslissen ontwikkeld. Samen dragen deze opbrengsten bij aan het versterken van
UZ in de praktijk en het ondersteunen van zorgprofessionals en instellingen bij samen
beslissen en het gebruik van uitkomstinformatie in de spreekkamer.
Het kabinet ziet vooral kansen in het breder toepassen van samen beslissen en de ontwikkelde
leermaterialen hiervoor. Zo is er vanuit het programma Uitkomstgerichte Zorg een toolkit
Gezondheidsvaardigheden gepubliceerd en is er een toolkit Samen Beslissen ontwikkeld
om dit te ondersteunen tijdens bijeenkomsten met patiënten. Deze opgedane kennis uit
de medisch-specialistische zorg is beschikbaar en kan worden gebruikt door andere
sectoren om stappen te zetten in het samen beslissen.
Tot slot constateren deze leden dat het programma Uitkomstgerichte Zorg richting afronding
gaat. Hoewel belangrijke stappen zijn gezet, zijn deze leden van mening dat de zorg
als geheel nog niet klaar is met de omslag naar uitkomstgerichte zorg. Instellingen
blijven volgens de rapportages zelfstandig doorgaan met verdere ontwikkeling, maar
deze leden vragen de Minister hoe deze ontwikkeling structureel wordt geborgd. Op
welke wijze blijft de Minister deze ontwikkeling actief stimuleren en ondersteunen,
ook nu het programma formeel afloopt? Welke rol ziet de Minister hierin voor haar
eigen ministerie, Zorginstituut Nederland, zorgverzekeraars en eventueel voor andere
betrokken partijen?
Eind 2026 loopt het programma Uitkomstgerichte Zorg af. Sinds 2018 heeft het programma
zorginstellingen ondersteund bij het toepassen van uitkomstgericht werken. Vanaf 2026
start een nieuwe fase waarin instellingen zelfstandig verdergaan met het borgen en
doorontwikkelen van deze manier van werken die passend is binnen de gemaakte afspraken
in het Azwa. In deze laatste maanden van het programma Uitkomstgerichte Zorg ligt
de nadruk op een duurzame verankering van uitkomstgericht werken binnen instellingen.
Dit gebeurt onder meer door het beschikbaar stellen van trainingsmaterialen na afloop
van de leersessies «Samen beslissen in de praktijk»; het ontwikkelen van blauwdrukken
die instellingen concrete handvatten bieden voor implementatie van bijvoorbeeld PROMs
(Patient-Reported Outcome Measure) en dashboard en het blijvend online toegankelijk
houden van alle producten die tijdens de programmaperiode zijn ontwikkeld.
Met de beweging naar het normeren van passende zorg9 blijft er vanuit het kabinet aandacht voor samen beslissen. Samen beslissen draagt
bij aan passende zorg doordat zorgverleners en patiënten beter inzicht krijgen in
de uitkomsten die voor patiënten relevant zijn, waardoor zorgkeuzes beter kunnen worden
afgestemd op de situatie en wensen van de patiënt. Dit vraagt iets van de patiënt
en hun naasten. Hiermee gaat de zorg niet meer om wat medisch kan, maar meer om wat
daadwerkelijk waarde toevoegt aan de kwaliteit van leven. Over de uitwerking van de
beweging naar passende zorg en wat dit betekent voor de verschillende partijen zoals
het Zorginstituut Nederland en zorgverzekeraars, zal het kabinet de Kamer dit najaar
verder informeren.
VVT
De VVT-sector werkt met het Generiek Kompas om richting te geven aan passende zorg,
waarbij er meer nadruk wordt gelegd op het open gesprek met de cliënt, kwaliteit van
leven en de kracht van samen, waardoor er meer regie bij de cliënt komt te liggen.
De leden van de D66-fractie vragen op welke wijze de Minister beoogt dat de randvoorwaarden
die relevant zijn voor het Generiek Kompas, zoals leren en ontwikkelen en de inzet
van technologie, voldoende worden gerealiseerd?
Met de kwaliteitsstandaard het Generiek Kompas wordt door het veld gewerkt aan kwaliteit
van bestaan van ouderen. VWS ondersteunde de implementatie met subsidie en ondersteunt
nu ook de doorontwikkeling van het Kompas met subsidie.
In het kader van het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg wordt momenteel gewerkt aan de
uitvoering van afspraken die aansluiten bij het Generiek Kompas, zoals de inzet van
technologie in de ouderenzorg, de ontwikkeling van een kwaliteitsdocument over reablement,
en richtlijnenontwikkeling om de passende zorg een impuls te geven.
Richtlijnen zijn belangrijk om de kwaliteit van zorg te garanderen, omdat zij de basis
zijn voor het praktisch handelen van zorgverleners. Daarom ondersteunt VWS de Stichting
Kwaliteitsontwikkeling Langdurige Zorg (SKILZ) en het programma Richtlijnen Artsen
Langdurige Zorg (RAILZ) financieel om de kwaliteit van de Wlz ouderenzorg te borgen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de verschillende
brieven aangaand de onderwerpen die betrekking hebben op kwaliteitszorg. Zij zijn
van mening dat het verbeteren van het inzicht in de kwaliteit van zorg een van de
belangrijkste manieren is om de belofte van de Zorgverzekeringswet waar te maken.
Daarom vinden zij het goed dat hier aandacht voor is. Over de geagendeerde brieven
hebben zij nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat het verbeteren van de beschikbaarheid
van keuze-informatie voor patiënten een belangrijke stap is in het verbeteren van
niet alleen de kwaliteit van zorg, maar ook van het vertrouwen daarin. Daarom zijn
deze leden blij met het geschetste toekomstbeeld. Deze leden zien dat in Denemarken
sprake is van een vergevorderde persoonlijke gezondheidsomgeving. Kan de Minister
aangeven in welke mate hier lessen uit getrokken kunnen worden voor de Nederlandse
situatie? Zo ja, welke lessen zijn dit? Zo nee, welke verschillen zijn er tussen de
Nederlandse en Deense situatie die het trekken van lessen onmogelijk maken?
Het kabinet is bekend met de ontwikkelingen in Denemarken. Ook in Nederland wordt
binnen de Nationale Visie en Strategie (NVS) voor het gezondheidsinformatiestelsel
gewerkt aan betere databeschikbaarheid voor burgers. Daarbij vindt het kabinet het
belangrijk dat burgers meer regie krijgen over hun eigen gezondheidsgegevens.
De Deense situatie verschilt van de Nederlandse context. Denemarken beschikt over
een nationale infrastructuur waarmee bepaalde gezondheidsgegevens landelijk beschikbaar
worden gesteld, terwijl Nederland werkt aan een landelijk dekkend netwerk voor gegevensuitwisseling.
Hiervoor wordt onder meer voortgebouwd op het MedMij-afsprakenstelsel en wordt gewerkt
aan Mijn Gezondheidsoverzicht10, zodat burgers veilig en eenvoudig toegang krijgen tot hun gezondheidsgegevens. Daarnaast
zet het kabinet in op betere databeschikbaarheid via PGO's11 en de verdere ontwikkeling van de onderliggende digitale infrastructuur, in samenhang
met de European Health Data Space (EHDS). VWS blijft daarbij actief kennis uitwisselen
met andere landen, onder meer via de Global Digital Health Partnership en het eHealth
Network. Ook in Denemarken wordt de nationale regie verder versterkt, mede met het
oog op de implementatie van de EHDS. De ervaringen daar onderstrepen dat centrale
regie noodzakelijk is om duurzame en goed functionerende gegevensuitwisseling mogelijk
te maken. Deze inzichten zijn recent ook besproken tijdens een werkbezoek van VWS
aan Denemarken, waar ervaringen zijn uitgewisseld over de inrichting van het gezondheidsinformatiestelsel
en de randvoorwaarden voor succesvolle gegevensuitwisseling.
Hoewel de leden van de VVD-fractie aan de ene kant blij zijn met de afspraken met
medische specialistische zorg (msz)-partijen om tot meer keuze-informatie te komen
voor patiënten, hebben zij vragen bij de effectiviteit hiervan. Kan de Minister aangeven
of zij enigszins vrijblijvende afspraken voldoende acht, of zal zij op een bepaald
moment meer dwingende maatregelen nodig achten? Kan zij hierbij ook een reflectie
geven op het gebrek aan vooruitgang op dit vlak sinds de invoering van de Zorgverzekeringswet.
Het kabinet deelt het belang dat de VVD-fractie hecht aan goede en toegankelijke keuze-informatie
voor patiënten. De afspraken die met partijen in de medisch-specialistische zorg zijn
gemaakt, zijn erop gericht om op relatief korte termijn verdere stappen te zetten
in de beschikbaarheid en bruikbaarheid van kwaliteits- en keuze-informatie. Daarbij
vindt het kabinet het van belang dat zorgaanbieders, patiëntenorganisaties, zorgverzekeraars
en andere betrokken partijen gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor de totstandkoming
van deze informatie.
Tegelijkertijd constateert het kabinet dat vooruitgang op dit terrein sinds de invoering
van de Zorgverzekeringswet achterblijft bij de oorspronkelijke verwachtingen. Hoewel
er in de afgelopen jaren diverse kwaliteitsregistraties, indicatorensets en informatieproducten
zijn ontwikkeld, heeft dit nog onvoldoende geleid tot breed beschikbare, vergelijkbare
en voor patiënten goed bruikbare keuze-informatie. De oorzaken hiervan zijn divers,
waaronder de administratieve belasting die gepaard gaat met gegevensverzameling, verschillen
in informatiebehoeften van betrokken partijen en de versnipperde governance van het
kwaliteitsdomein.
Het kabinet beschouwt de huidige afspraken met de msz-partijen niet als vrijblijvend
en verwacht dat afspraken tussen partijen tot concrete resultaten leiden. Het kabinet
zal de voortgang daarvan monitoren. Mocht blijken dat de voortgang onvoldoende is
of dat noodzakelijke keuze-informatie uitblijft, dan is het kabinet bereid te bezien
of meer sturende of verplichtende maatregelen nodig zijn. De uitkomsten van het traject
rond de herijking van de kwaliteitstaken van het Zorginstituut12 kunnen daarbij mede richting geven aan de vraag welke rol de overheid en het Zorginstituut
in de toekomst moeten vervullen om de beschikbaarheid van relevante keuze-informatie
beter te borgen.
De leden van de VVD-fractie hebben eerder hun zorgen geuit over de gebrekkige voortgang
in het programma Uitkomstgerichte Zorg. Sinds 2017 lijkt hier nauwelijks voortgang
in geboekt, met name vanwege bestuurlijke drukte. Deze leden zijn blij dat er in 2025
meer resultaten geboekt zijn. Tegelijkertijd begrijpen zij dat – wederom – in Denemarken
grote vooruitgang is geboekt op dit vlak, in het kader van de Danish Health Care Quality
Programma (DHCQP). Kan de Minister aangeven welke lessen zij hieruit trekt? Is hier
wederom vrijblijvendheid voldoende om deze informatie beschikbaar te krijgen? Zo ja,
waarom wel? Zo nee, welke stappen wil de Minister verder nemen?
Het kabinet herkent dat de voortgang van het programma Uitkomstgerichte Zorg minder
snel is verlopen dan aanvankelijk beoogd. Tegelijkertijd zijn belangrijke stappen
gezet op het gebied van samen beslissen, uitkomstinformatie en implementatieondersteuning.
Het kabinet deelt de constatering dat in 2025 zichtbare resultaten zijn geboekt en
wil hier de komende jaren op voortbouwen.
De leden van de VVD-fractie vragen naar de lessen die kunnen worden getrokken uit
de ervaringen in Denemarken. De Deense aanpak kenmerkt zich door sterke landelijke
regie, duidelijke kwaliteitsdoelen en een intensief gebruik van kwaliteits- en uitkomstinformatie
voor leren en verbeteren13. Deze lessen sluiten aan bij de koers die het kabinet heeft ingezet.
Het kabinet vindt dat kwaliteitsinformatie beter moet bijdragen aan keuze-informatie
voor patiënten, samen beslissen en van leren en verbeteren. Hiervoor werkt het kabinet
aan het samenbrengen van verschillende kwaliteitsprogramma’s, waaronder Uitkomstgerichte
Zorg, kwaliteitsregistraties en de Transparantiekalender, binnen één overkoepelende
governance. Ook ondersteunt de wetswijziging kwaliteitsregistraties zorg, die per
1 januari 2026 in werking is getreden deze ontwikkeling door meer uniformiteit in
gegevensverzameling af te dwingen.
Tegelijkertijd blijkt uit de nulmeting van de openbare kwaliteitsinformatie in de
medisch-specialistische zorg dat de transparantie voor patiënten nog achterblijft14. Het kabinet onderzoekt daarom, via het project Herijken kwaliteitstaken Zorginstituut Nederland, hoe het Zorginstituut zijn kwaliteitstaken beter kan inzetten om de beschikbaarheid
van kwaliteitsinformatie te vergroten. Mocht blijken dat het Zorginstituut hiervoor
onvoldoende bevoegdheden heeft, dan is het kabinet bereid de Wkkgz aan te passen.
Het kabinet zal de Kamer dit najaar informeren over het advies van het Zorginstituut
en de kabinetsreactie daarop.
Het kabinet ziet de Deense ervaringen daarmee vooral als een bevestiging van de ingezette
koers: meer samenhang in kwaliteitsinformatie en een sterkere verbinding tussen keuze-informatie
voor patiënten, samen beslissen en leren en verbeteren.
De leden van de VVD-fractie zijn verheugd te lezen dat het kabinet zich zo inzet voor
vrouwen en dan specifiek voor de groep vrouwen met een dicht borstweefsel. Deze leden
zijn ook blij te lezen dat er opdracht is gegeven tot het opstellen en uitvoeren van
het implementatieplan. De leden van de VVD-fractie delen de frustratie van het kabinet
over de tijd die alsnog nodig is om dit allemaal te realiseren. Zij erkennen dat dit
voor een groot deel invloeden zijn die buiten het kabinet vallen en zijn verheugd
te lezen dat het kabinet vaart maakt waar zij dit kan. Ziet de Minister mogelijkheden
om de implementatie van MRI-scans voor vrouwen met dicht borstweefsel sneller te realiseren?
En zo ja, welke?
Op dit moment ziet het kabinet geen mogelijkheden om de implementatie van het aanvullende
MRI-aanbod voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel te versnellen. De huidige planning
is erop gericht om de eerste MRI’s in 2030 aan te bieden, gebaseerd op de uitvoeringstoets
van het RIVM van 1 oktober 202515. Deze planning is gebaseerd op de tijd die nodig is voor een zorgvuldige voorbereiding
en implementatie. Met de brief van 13 november 2025 is uw Kamer geïnformeerd over
de stappen die daarvoor noodzakelijk zijn, waaronder het opstellen van een implementatieplan,
het doen van een vergunningsaanvraag en starten van de aanbesteding.16 Deze stappen zijn nodig om de hoge kwaliteit en continuïteit van het bestaande bevolkingsonderzoek
te waarborgen en om te voorkomen dat vrouwen die om andere redenen een MRI nodig hebben,
worden verdrongen.
Op 26 mei 202617 heeft het kabinet met de Kamer gedeeld hoe zij invulling geeft aan de motie van het
lid Paulusma c.s. over het meten en rapporteren van borstdensiteit in het bevolkingsonderzoek
borstkanker18. In deze brief is toegelicht dat door uitvoering te geven aan deze motie, het aanbieden
van MRI’s in 2030 in ieder geval een halfjaar vertraging zal oplopen.
Bovenstaande laat onverlet dat het kabinet elke mogelijkheid benut om de implementatie
van MRI’s in de borstkankerscreening te versnellen.
De leden lezen dat het kabinet extra alert is op dataveiligheid voornamelijk door
een hack in het baarmoederhalskankeronderzoek. Door deze hack is het vertrouwen in
bevolkingsonderzoeken gedaald. Hoe gaat de Minister hier mee om? Denkt zij dat dit
gevolgen heeft voor dit specifieke onderzoek? Hoe gaat zij ervoor zorgen dat er in
dit onderzoek voldoende vertrouwen is?
Het kabinet betreurt dat het vertrouwen in het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker
mogelijk negatief is beïnvloed door de datahack bij één van de laboratoria. Samen
met Bevolkingsonderzoek Nederland en het RIVM zet het kabinet zich in voor herstel
van dit vertrouwen. Dit gebeurt enerzijds door het blijvend aanbieden van een kwalitatief
goed en toegankelijk bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. Anderzijds door steeds
zo duidelijk en transparant mogelijk te communiceren over wat er is gebeurd bij het
getroffen laboratorium en hoe dat wordt verbeterd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de stukken voor het
schriftelijk overleg over kwaliteitszorg (inclusief patiënten- en cliëntenrechten).
Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de huidige subsidieregeling
patiënt- en gehandicaptenorganisaties (PG) loopt tot en met 31 juli 2028. In het coalitieakkoord
is echter afgesproken dat de subsidiebudgetten bij departementen worden verlaagd,
wat voor de begroting van het Ministerie van VWS een bezuiniging van 30 miljoen euro
zou betekenen vanaf 2027. Genoemde leden hebben signalen ontvangen van pg-organisaties
dat zij zich hier zorgen over maken in verband met hun posities. Zou nader toegelicht
kunnen worden op welke wijze deze bezuiniging van € 30 miljoen verdeeld zal worden
bij VWS en kan expliciet toegezegd worden dat de voorgenomen bezuiniging geen gevolgen
gaat hebben voor de subsidieregeling PG’s?
De huidige subsidieregeling heeft inderdaad de vervaldatum van 1 augustus 2028. Om
de zoveel jaar wordt de subsidieregeling voor patiënten- en gehandicaptenorganisaties
(hierna: pg-organisaties) herzien. Op dat moment wordt op basis van evaluatie ook
bepaald welke aanpassingen nodig zijn om de patiënten- en gehandicaptenbeweging zo
goed mogelijk te ondersteunen en mee te bewegen met de ontwikkelingen in de sector.
De sector heeft echter ook tijd nodig om ontwikkelingen door te maken en vorm te geven,
voordat deze eventueel een plek kunnen krijgen in een nieuwe subsidieregeling. Het
kabinet is daarom voornemens om de huidige subsidieregeling een extra jaar te laten
doorlopen. Zodoende wordt de gelegenheid gecreëerd om beweging in de sector te stimuleren
en de nieuwe subsidieregeling aan te laten sluiten op de behoefte van de patiënten-
en gehandicaptenbeweging. Het voornemen om de huidige subsidieregeling te verlengen
zal in voorhang bij de Tweede Kamer worden aangeboden.
Op dit moment vindt interne besluitvorming plaats over de invulling van de bezuiniging
van 30 miljoen euro op subsidiebudgetten vanaf 2027. De definitieve invulling zal
landen in de Ontwerpbegroting 2027. Het kabinet kan daarom nog geen uitspraken doen
over de gevolgen voor de subsidieregeling voor pg-organisaties.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich ernstig zorgen over de huidige
personeelstekorten binnen de zorg en eventuele gevolgen voor patiëntveiligheid. Zou
nader toegelicht kunnen worden op welke wijze de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
(IGJ) toezicht houdt op situaties waarin er structureel sprake is van onderbezetting,
met als gevolg dat er verhoogde veiligheidsrisico’s zijn? Hoe reflecteert de Minister
op de huidige meldcultuur binnen zorginstellingen? Op welke concrete wijze wordt ook
voldoende toezicht gehouden op zorginstellingen waarbij zorg wordt verleend aan kwetsbare
personen, die niet altijd (verbaal) melding kunnen maken van overschrijdend gedrag
of klachten?
Wanneer de Inspectie in haar toezicht veiligheidsrisico’s signaleert, vraagt zij altijd
om verbetermaatregelen. Aanhoudende veiligheidsrisico’s kunnen reden zijn tot handhaving.
Ook bij structurele onderbezetting vraagt de Inspectie om verbeteringen om veiligheidsrisico’s
weg te nemen. Dat kan bijvoorbeeld door extra personeel in te zetten, de zorg af te
schalen of de zorg anders te organiseren. Daarbij moet zowel op de korte als op de
lange termijn een passende oplossing worden gerealiseerd om de veiligheid en continuïteit
van zorg te waarborgen.
Het kabinet hecht groot belang aan een open en veilige meldcultuur binnen de IGJ.
Patiënten, cliënten, jongeren, kinderen, gebruikers van medicijnen en medische hulp
en andere betrokkenen kunnen bij Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) een klacht over de
zorg en jeugdhulp melden. Het kabinet vindt het van belang dat meldingen serieus,
zorgvuldig en onafhankelijk worden behandeld en dat iedereen zich gehoord en beschermd
voelt wanneer zij hun zorgen uiten.
Het LMZ heeft in 2025 12.244 klachten ontvangen. Het aantal klachten is de afgelopen
jaren gemiddeld 20% per jaar gestegen. Deze stijging hangt deels samen met de toename
van het aantal klachten over de jeugdhulp, een sector die momenteel sterk onder druk
staat. Mogelijke andere verklaringen zijn de toegenomen naamsbekendheid van het Landelijk
Meldpunt Zorg en de zichtbaarheid van de IGJ in de media.
Bij het maken van keuzes in het toezicht heeft de IGJ nadrukkelijk oog voor mensen
in een kwetsbare positie. Vooral op het moment dat het systeem onvoldoende rekening
met hen houdt. In 2026 kiest de IGJ ervoor om in het toezicht sectoroverstijgend twee
doelgroepen centraal te stellen: mensen met psychische problemen en kwetsbare ouderen.
De IGJ houdt actief en risicogestuurd toezicht op zorginstellingen, controleert de
kwaliteit van de zorg en grijpt in bij misstanden of onveilige situaties. Aandachtsgebieden
zijn onder andere: gedwongen zorg in de gehandicaptenzorg, mentale problematiek in
de jeugdpreventieketen, kwetsbare ouderen thuis.
De klachten, vragen, meldingen en signalen van patiënten, cliënten, consumenten en
andere betrokken zijn een belangrijke bron van informatie voor de inspectie. Het zijn
signalen die de IGJ gebruikt voor het maken van keuzes in haar toezicht. Ook zorgaanbieders
en fabrikanten geven ons informatie over de kwaliteit en veiligheid van de zorg en
jeugdhulp. Sommige incidenten, misstanden of calamiteiten zijn zij verplicht aan de
IGJ te melden. Al deze informatie geeft IGJ zicht op wat er speelt. Tegelijkertijd
vormt het slechts een deel van het totaalbeeld. Het toezicht zelf is een belangrijke
bron van informatie. Daarbij wordt waar mogelijk ook met cliënten of hun vertegenwoordigers
gesproken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Patiëntveiligheid
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe zij in algemene zin beoordeelt
of patiëntveiligheid in Nederland daadwerkelijk verbetert. Welke indicatoren gebruikt
de Minister om vast te stellen of patiënten nu veiliger zijn dan enkele jaren geleden?
Welke signalen, meldingen of incidenten laten volgens de Minister juist zien dat verbetering
nog steeds noodzakelijk is?
Zorgorganisaties werken continu aan het verbeteren van de kwaliteit en veiligheid
van hun zorgverlening. Dit gebeurt in een context van uitdagingen zoals personeelstekorten,
een groeiende en complexere zorgvraag en vraagstukken rondom de continuïteit van zorg.
In 2025 ontving het Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) 12.244 klachten, een stijging van
gemiddeld 20% per jaar in de afgelopen jaren. Deze toename hangt deels samen met de
groeiende druk in de jeugdhulpsector, maar ook met de toegenomen naamsbekendheid van
het LMZ en de mediapresentie van de IGJ. Uit analyse van de klachten blijken veel
meldingen te gaan over organisatie en bestuur, diagnose en behandeling en het handelen
van professionals.
Patiëntveiligheid is mensenwerk: fouten zijn onvermijdelijk, maar het is essentieel
dat incidenten worden gebruikt om van te leren en herhaling te voorkomen. Zorgaanbieders
moeten incidenten grondig onderzoeken om onderliggende oorzaken te achterhalen en
passende maatregelen te nemen. De IGJ ziet dat de zorgsector de afgelopen jaren grote
vooruitgang heeft geboekt op dit gebied, waardoor de focus in het toezicht verschuift:
van of er goed onderzoek wordt gedaan, naar of er daadwerkelijk wordt geleerd en verbeterd.
Om de patiëntveiligheid in ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra (ZBC’s) te
meten, wordt sinds 2004 de Monitor Patiëntveiligheid gebruikt. Het meest recente project,
de Monitor Patiëntveiligheid medisch-specialistische zorg 2023–2027, brengt in kaart
wat de aard, ernst en omvang zijn van zorggerelateerde schade, potentieel vermijdbare
schade en sterfte. Deze indicatoren vormen de basis voor de beoordeling van patiëntveiligheid.
De uitkomsten van deze zesde monitor zullen aan de Kamer worden gerapporteerd.
Het Jaarbeeld LMZ 2025 van de IGJ geeft inzicht in de signalen en meldingen die tussen
2019 en 2025 zijn ontvangen. De meeste meldingen betroffen de eerstelijnszorg, geestelijke
gezondheidszorg, medisch-specialistische zorg, jeugdhulp en ouderenzorg. Het aantal
meldingen per sector zegt echter niets over de kwaliteit van zorg in die sector, omdat
sectoren sterk verschillen in omvang en aard van de klachten. Bijvoorbeeld: meldingen
in de medisch-specialistische zorg gingen vaak over meningsverschillen tussen patiënten
en zorgverleners over passende zorg, wat niet per definitie wijst op tekortkomingen
in de kwaliteit.
Rapport labonderzoeksrapport RIVM naar mesh-implantaten
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het RIVM-onderzoek naar mesh-implantaten.
Deze leden vinden het belangrijk dat patiënten met langdurige klachten na plaatsing
van een implantaat serieus worden genomen, ook wanneer klachten ingewikkeld zijn,
moeilijk aantoonbaar zijn of niet meteen binnen een standaard medisch kader passen.
Kan de Minister aangeven wat er sinds het verschijnen van dit rapport concreet is
veranderd voor patiënten met klachten na mesh-implantaten?
Het RIVM concludeerde in 2022 in haar rapport19over mesh-implantaten dat patiënten met langdurige klachten nog steeds problemen ervaren,
waaronder onvoldoende regie in de nazorg en onvoldoende erkenning en herkenning van
hun klachten. Het RIVM stelde daarbij vast dat multidisciplinaire samenwerking wenselijk
is, maar nog niet overal standaardpraktijk was.
De problematiek rondom mesh-implantanten heeft onder de voorgangers van het huidige
kabinet onder andere geleid tot terughoudend gebruik van mesh-implantaten in gespecialiseerde
ziekenhuizen, betere voorlichting via een specifieke patiënten folder20 en een leidraad21 om de nazorg van mesh te verbeteren.
Daarnaast blijft het Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten (MEBI)
meldingen verzamelen en analyseren en zijn factsheets en attenderingen gepubliceerd
om zorgverleners en patiënten beter te informeren.
De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel meldingen over mesh-implantaten sinds het
rapport zijn ontvangen, bij welke instanties deze meldingen terechtkomen en wat daar
vervolgens mee gebeurt.
Uit de MEBI-jaarrapportages blijkt dat sinds het verschijnen van het RIVM-rapport
meldingen zijn ontvangen over verschillende typen mesh-implantaten. In 2023 ging het
om zes meldingen over liesbreukmatjes en zes meldingen over bekkenbodemmatjes. In
2024 ging het om zes meldingen over liesbreukmatjes, drie over bekkenbodemmatjes,
drie over buikwandmatjes en drie tension-free vaginal tapes (TVT). In 2025 ontving
het MEBI meldingen over negen liesbreukmatten, acht TVT en vier darmmatten.
In 2023 ontving de IGJ vijf meldingen over liesbreukmatjes, vier meldingen over buikwandmatten,
twee meldingen over TVT en één melding over FSCA multi mesh. In 2024 ging het om twaalf
meldingen over liesbreukmatjes, twee meldingen over TVT, twee meldingen over FSCA
multimesh, twee meldingen over bekkenbodemmatten, één melding over borstmatten en
één melding over darmmatten. In 2025 ontving de IGJ drie meldingen over liesbreukmatten,
zes meldingen over TVT en twee meldingen over bekkenbodemmatten.
De genoemde aantallen kunnen dubbeltellingen bevatten omdat complicaties op verschillende
plekken kunnen worden gemeld.
Meldingen van vermoedelijke bijwerkingen van implantaten kunnen door burgers en zorgverleners
rechtstreeks worden gedaan bij het MEBI en het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ.
Daarnaast kan de IGJ ook signalen ontvangen van fabrikanten en buitenlandse toezichthouders.
Het MEBI beoordeelt de meldingen, vraagt waar nodig aanvullende informatie op en kan
nader onderzoek verrichten. Wanneer meldingen wijzen op nieuwe risico’s of een toename
van bekende risico’s kan het MEBI hierover attenderingen, factsheets of andere openbare
publicaties uitbrengen.
Wanneer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op basis van meldingen uit binnen-
of buitenland een veiligheidsrisico signaleert kan zij zorgaanbieders daarover informeren.
Zorgaanbieders kunnen vervolgens de betreffende patiënten informeren en zo nodig onderzoeken
of behandelen.
In een brief22 over de stand van zaken medische technologie heeft het vorige kabinet de Kamer geïnformeerd
dat deze meldstructuur beter kan. In deze brief werd aangegeven dat IGJ en MEBI in
gesprek zijn over een heldere meldstructuur die versnippering van signalen moet voorkomen.
Hoe wordt voorkomen dat patiënten van loket naar loket worden gestuurd?
Patiënten met klachten na een mesh-implantaat kunnen zich melden bij hun behandelend
arts. Binnen de beroepsgroep zijn verwijsroutes bekend naar centra met expertise op
het gebied van mesh-gerelateerde klachten. Indien klachten niet in de regio kunnen
worden behandeld, kunnen patiënten worden verwezen naar gespecialiseerde centra, waaronder
Amsterdam UMC en UMC Utrecht.
Is er voor deze groep één duidelijke route voor melding, erkenning, medische beoordeling
en nazorg?
Het RIVM heeft in samenwerking met patiëntenorganisaties en beroepsverenigingen van
medisch specialisten, waaronder de NVOG, een brochure opgesteld: «Brochure mesh-implantaten
en langdurige gezondheidsklachten»23. Hierin worden de centra vermeld waar patiënten naar toe kunnen met implantaat-gerelateerde
klachten. Afhankelijk van de aard van de klachten vindt zo nodig verwijzing plaats
naar een gespecialiseerd centrum.
Deze leden vragen of patiënten voorafgaand aan plaatsing van een implantaat voldoende
begrijpelijke informatie krijgen over risico’s, alternatieven en mogelijke langetermijnklachten.
Op grond van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) moeten patiënten
voorafgaand aan een behandeling worden geïnformeerd over de aard en het doel van het
onderzoek of de behandeling, de verwachte gevolgen en risico’s en mogelijke alternatieven.
De hulpverlener moet een duidelijke uitleg geven die de patiënt goed kan begrijpen.
Voor mesh-implantaten is daarnaast aanvullende informatie beschikbaar gesteld via
het RIVM, onder meer over mogelijke langdurige gezondheidsklachten en beschikbare
zorgmogelijkheden.24. Daarbij worden ze dus mondeling en schriftelijk voorgelicht en wordt dit besproken
in een indicatie-bespreking.
Hoe wordt gecontroleerd of informed consent in de praktijk meer is dan een handtekening
onder een formulier?
Patiënten worden vooraf uitgebreid geïnformeerd over implantaat gerelateerde ingrepen.
Zij krijgen mondelinge en schriftelijke informatie en er wordt geverifieerd of patiënten
de informatie hebben begrepen. De keuze voor de operatie die verricht gaat worden,
wordt in samenspraak met de patiënten gemaakt. Samen beslissen wordt vaak ondersteund
door keuzehulpen, folders, vragenlijsten en gesprekstechnieken die patiënten helpen
hun voorkeuren duidelijk te maken. Het doel is dat de uiteindelijke keuze zowel medisch
verantwoord is als aansluit bij wat voor de patiënt belangrijk is25.
Wordt ook achteraf actief gevolgd hoe het met patiënten gaat?
Ja. Patiënten met een mesh-implantaat worden actief gevolgd. Voor transvaginale mesh
geldt volgens het NVOG-standpunt een minimale follow-up van drie jaar. Daarnaast adviseert
de NVOG in de leidraad implantaten26 bij prolaps- en incontinentiechirurgie om patiënten langer te volgen, tot vijf à
zeven jaar. Daarnaast worden alle implantaten geregistreerd in het Landelijk Implantaten
Register (LIR) en in de Nederlandse Gynaecologische Registratie (NGR). Dit betekent
dat zorgverleners en ziekenhuizen en zorgverleners verplicht zijn om gegevens aan
te leveren.
Patiënten- en cliëntenrechten
De leden van de PVV-fractie vinden dat patiënten- en cliëntenrechten niet alleen op
papier moeten bestaan. Kan de Minister aangeven welke rechten patiënten en cliënten
in de praktijk het vaakst niet weten te vinden of niet goed kunnen afdwingen?
Daarop is moeilijk een antwoord te geven. Een indicator daarvoor kan zijn over welke
onderwerpen een klacht wordt ingediend door patiënten en cliënten. Het overgrote deel
van deze klachten wordt tussen zorgaanbieder en cliënt, al dan niet met hulp van een
klachtenfunctionaris, opgelost. Wanneer een cliënt er met zijn zorgaanbieder niet
uit komt, heeft een cliënt de mogelijkheid de klacht voor te leggen aan de geschilleninstantie
waar de zorgaanbieder bij is aangesloten. Ook kan een patiënt een melding doen bij
het LMZ van de IGJ.
Het LMZ ontving in 2025 12.244 klachten. Uit analyse van de klachten blijken veel
meldingen te gaan over organisatie en bestuur, diagnose en behandeling en het handelen
van professionals.
Welke concrete verbeteringen zijn de afgelopen jaren doorgevoerd om patiënten en cliënten
sterker te maken tegenover grote zorgorganisaties, zorgverzekeraars of geschilleninstanties?
In de reactie op de evaluatie van de Wkkgz is een aantal maatregelen aangekondigd
om de positie van de client verder te verstevigen.27 Zo wordt aangekondigd dat cliënten, diens vertegenwoordiger of nabestaanden voortaan
op verzoek een samenvatting van het calamiteitenonderzoek kunnen ontvangen. Inmiddels
is een wijziging van de Wkkgz in internetconsultatie geweest, waarin hiervoor een
voorstel is opgenomen. Overigens betekende de Wkkgz zelf als wet een belangrijke verbetering
van de positie van de client. Een zorgaanbieder werd met de Wkkgz verplicht om richting
een client openheid te geven over incidenten die voor de client merkbare gevolgen
hebben of kunnen hebben, zorgaanbieders moesten verplicht toegang geven tot een klachtenfunctionaris
en een laagdrempelige en effectieve klachtenregeling inrichten.
Wat betreft verbetering van de positie ten opzichte van zorgverzekeraars: per 2021
is de Wet verzekerden invloed Zorgverzekeringswet aangepast. Deze wet verplicht zorgverzekeraars
om hun verzekerden structureel inspraak te geven in het beleid. Dit betekent dat verzekerden
direct invloed kunnen uitoefenen op de bedrijfsvoering, klantenservice en afspraken
met zorgverleners. De informatieverstrekking aan verzekerden is geregeld in een regeling
van de NZa.28 Hierin is opgenomen welke informatie een verzekeraar moet geven aan verzekerden.
Deze regeling is in 2023 herzien. Hieraan verbonden is ook informatie over de contracteerstatus
in het overstapseizoen. In de Zorgverzekeringswet is geregeld dat verzekerden recht
hebben op zorgbemiddeling door een zorgverzekeraar. Zorgverzekeraars hebben hier de
afgelopen jaren steeds meer in geïnvesteerd. Ten slotte kunnen cliënten naast de zorgverzekeraar
met hun vragen ook terecht bij SKGZ. Vanaf 2024 heeft SKGZ één loket voor iedereen
met vragen of klachten over de zorgverzekering. Met één loket wordt het voor burgers
eenvoudiger en effectiever. De informatievoorziening door SGKZ is neutraal en onpartijdig.
Daarnaast kunnen klachten aan SGKZ worden voorgelegd, nadat een cliënt deze eerst
met de zorgverzekeraar heeft besproken. SKGZ is een onafhankelijke buitengerechtelijke
geschilleninstantie, die als doel heeft om problemen tussen een cliënt en een zorgverzekeraar
laagdrempelig op te lossen. Dit doen ze via bemiddeling door de Ombudsman Zorgverzekeringen
of geschilbeslechting door de Geschillencommissie Zorgverzekeringen.
Wat betreft de positie richting geschilleninstanties: uit de evaluatie van de Wkkgz
in 2021 en vervolgonderzoek door Kwink in 2023 kwam een zorgwekkend beeld naar voren
over de geschilbeslechting in de zorg. Het kabinet heeft naar aanleiding van het onderzoek
door de KWINK groep in een brief aan de kamer een aantal acties aangekondigd, waaronder
het verstevigen van de kwaliteitscriteria waaraan geschilleninstanties moeten voldoen
en het verbeteren van de clientondersteuning.29 De aangekondigde acties hebben onder meer geleid tot een wijziging van de Wkkgz,
die in 2025 in internetconsultatie is geweest. Kijkend naar de reacties uit die consultatie
wordt op dit moment vervolgonderzoek gedaan om de kwaliteitseisen concreter te maken
en om een mogelijke minimum caseload voor geschilleninstanties te verkennen. De uitkomsten
daarvan zullen met de Kamer worden gedeeld.
Deze leden vragen hoe de Minister kijkt naar de informatiepositie van patiënten. Is
de Minister het met deze leden eens dat patiënten vaak afhankelijk zijn van informatie
die door dezelfde instelling wordt geleverd waarover zij een keuze moeten maken of
waartegen zij een klacht willen indienen? Hoe wordt die afhankelijkheid verminderd?
Het kabinet vindt de informatiepositie van cliënten en patiënten belangrijk. Die informatiepositie
heeft betrekking op verschillende aspecten. In de eerste plaats de keuze voor zorgverlener
en zorgverzekeraar. Het streven is om de keuze-informatie voor cliënten continu te
verbeteren. Daarover is op 30 juni 2025 door het vorige kabinet een brief naar de
Kamer gestuurd. Ook de informatiepositie van de patiënt voorafgaand en tijdens de
behandeling is belangrijk. Het is de plicht van de zorgverlener om de cliënt op duidelijke
en begrijpelijke wijze te informeren over onder meer zijn gezondheidstoestand, mogelijke
behandelingen, de risico’s van deze mogelijke behandelingen, maar ook over de mogelijkheden
om niet te behandelen Dat volgt uit de WGBO. Sinds een aantal jaren is bovendien het
principe van «samen beslissen» in de WGBO opgenomen. Bij «samen beslissen» nemen de
client en de zorgverlener samen de beslissing over de zorg die het best bij de cliënt
past. Daarnaast moet een zorgaanbieder op grond van de Wkkgz een cliënt informeren
indien zich bij de zorgverlening een incident heeft voorgedaan die voor de client
merkbare gevolgen heeft of kan hebben.
De cliënt is niet uitsluitend afhankelijk van de instelling voor informatie. Wanneer
het gaat om keuze informatie voor een cliënt kan deze informatie ook beschikbaar zijn
via bijvoorbeeld de zorgverzekeraar of zorgkaart voor de keuze van een zorgverlener.
Of via betrouwbare websites als thuisarts.nl en patiëntenorganisaties over verschillende
soorten behandelingen. Daarbij is de relatie tussen zorgverlener en cliënt geen eenrichtingsverkeer
van de zorgverlener naar de cliënt. De zorgverlener doet meer dan alleen informeren:
in gesprek met de client beslist een zorgverlener samen met de patiënt wat passende
zorg is. Daarbij is de vertrouwensband juist de basis van een goede keuze.
Wanneer een cliënt een klacht heeft over een instelling, kan hij – indien hij dat
wenst – gebruik maken van de hulp van een klachtenfunctionaris. Een klachtenfunctionaris
voert zijn functie onafhankelijk ten opzichte van de zorgaanbieder uit en is gericht
op het komen tot een oplossing van de klacht met de zorgaanbieder. Daarnaast geeft
ook een organisatie als de Patiëntenfederatie veel informatie over de rechten van
een cliënt en wat te doen bij een klacht. Ook het Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) van
de IGJ biedt advies en informatie over klachten en vragen over de zorg. Het LMZ lost
de klacht van een cliënt niet op, maar kan wel helpen bij de vervolgstappen. Daarnaast
zijn er in de zorg cliëntondersteuners (Wet langdurige zorg), clientvertrouwenspersonen
(Wet zorg en dwang) en patiëntvertrouwenspersonen (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg)
die een cliënt informatie verschaffen en ondersteunen. De vertrouwenspersonen zijn
onafhankelijk ten opzichte van de zorgaanbieder. Op deze wijze wordt de onafhankelijkheid
van cliënten van informatie van de zorginstelling verminderd.
Beleidskader subsidiëring pg-organisaties
Kan de Minister aangeven hoeveel geld jaarlijks naar pg-organisaties gaat en hoe wordt
gemeten wat patiënten en cliënten daar concreet aan hebben? Welke eisen worden gesteld
aan bereik, representativiteit en aantoonbare meerwaarde? Wordt ook gekeken of organisaties
daadwerkelijk gedragen worden door hun achterban?
In het jaar 2026 is er in de subsidieregeling voor patiënten- en gehandicaptenorganisaties
ruim € 31 miljoen beschikbaar. Daarnaast kunnen patiënten- en gehandicaptenorganisaties
(hierna: pg-organisaties) gebruik maken van opleiding en advies verzorgd door Involv
(PGO-support) en kunnen zij via ZonMw projectsubsidies aanvragen voor specifieke ontwikkelingen
die bijdragen aan betere vertegenwoordiging van de patiënten en cliënten. Pg-organisaties
worden in deze ondersteuning gestimuleerd na te gaan of hun aanbod past bij de behoeften
van de mensen met een aandoening die zij vertegenwoordigen. Verder zijn in de regeling
eisen gesteld om in aanmerking te komen voor subsidie. Zo is een voorwaarde voor de
subsidie dat de organisatie en de aangeboden activiteiten landelijk bereik hebben.
Daarnaast moet een organisatie zich richten op mensen met een aandoening, om in aanmerking
te komen voor subsidie. Om na te gaan of organisaties worden gedragen door hun achterban,
geldt een minimumvereiste voor het aantal leden of donateurs.
Rapportage ontwikkeltraject vertrouwenswerk en klachtenopvang
De leden van de PVV-fractie vragen wat het ontwikkeltraject vertrouwenswerk en klachtenopvang
concreet heeft opgeleverd voor cliënten en patiënten.
Voor de conclusies over het ontwikkeltraject vertrouwenswerk en klachtenopvang verwijst
het kabinet graag naar de brief aan de Kamer van 12 september 202230.
Is de toegang tot vertrouwenswerk eenvoudiger geworden? Weten mensen beter waar zij
terechtkunnen?
Het kabinet gaat er vanuit dat hiermee de patiëntvertrouwenspersoon (Wet verplichte
geestelijke gezondheidszorg) en de cliëntvertrouwenspersoon (Wet zorg en dwang) worden
bedoeld. De klachtenfunctionaris is geen vertrouwenspersoon. In de beleidsreactie
aan de Kamer op de eerste evaluatie van de Wet verplichte ggz (Wvggz) en de Wet zorg
en dwang (Wzd) wordt een aantal maatregelen genoemd om de positie van deze vertrouwenspersonen
te verstevigen en een betere toegang en bekendheid te organiseren.31 Dat heeft er onder meer toe geleid dat de toegang tot de cliëntenvertrouwenspersoon
Wzd de afgelopen jaren eenvoudiger is geworden. Met name de samenwerking tussen de
vier verschillende aanbieders van cliëntenvertrouwenswerk Wzd heeft daaraan bijdragen.
De vier aanbieders werken sinds 1 januari 2025 samen onder de naam Stemgever, met
één gezamenlijk website, beeldmerk en informatiemateriaal. Het netwerk is landelijk
dekkend en mensen die op zoek zijn naar cliëntenvertrouwenswerk Wzd worden via één
loket naar de juiste aanbieder geleid.
Daarnaast heeft Vilans naar aanleiding van de bestuurlijke afspraken Uitvoering Wet
zorg en dwang (december 2023) samen met veldpartijen de folder «Leven in vrijheid
voor cliënten en hun naasten of vertegenwoordigers» uitgebracht.32 In de folder wordt in duidelijke taal uitgelegd wat de Wzd is en welke stappen zorgorganisaties
moeten doorlopen bij het inzetten van gedwongen zorg aan cliënten. Daarin wordt ook
nadrukkelijk ingegaan op de mogelijkheid om informatie, advies en ondersteuning te
krijgen van de cliëntenvertrouwenspersoon Wzd. Uit de jaarcijfers van Stemgever33 blijkt dat voor het vierde jaar op rij het aantal cliënten dat contact met Stemgever
opnam toenam. Dat geldt ook voor het aantal ondersteunings-vragen, locatiebezoeken
en voorlichtingen. Om die groei mogelijk te maken is het beschikbare budget voor het
cliëntenvertrouwenswerk Wzd de afgelopen jaren fors gestegen.
Zijn doorlooptijden korter geworden?
Daarover kan worden gezegd dat de patiëntvertrouwenspersoon en de cliëntvertrouwenspersoon
zo spoedig mogelijk contact opnemen als zij door een client worden benaderd. Het ligt
meer voor de hand om hier te spreken over beschikbaarheid in plaats van doorlooptijd.
Die beschikbaarheid is geborgd. Wat betreft de doorlooptijd van de klachtafhandeling:
de stichting PVP heeft recent gesignaleerd dat de termijn voor klachtafhandeling niet
altijd wordt gehaald. Dit signaal wordt meegenomen in het wetsvoorstel Evaluatiewet
Wvggz/Wzd.
Deze leden vragen of de Minister erkent dat het huidige landschap van vertrouwenswerk,
klachtenfunctionarissen, geschilleninstanties en toezichthouders voor gewone mensen
ingewikkeld kan zijn.
Ja, het kabinet erkent dat het huidige landschap ingewikkeld kan zijn voor gewone
mensen, des te belangrijker is goede informatie door alle personen die betrokken zijn
bij de afhandeling van klachten. Voor de cliënt moet duidelijk zijn waar hij terecht
kan en wat hij van de verschillende personen kan verwachten.
Is de Minister bereid om te werken aan één herkenbare en laagdrempelige route voor
mensen die vastlopen in de zorg?
Er is reeds een laagdrempelige route. Dat is de route uit de Wkkgz. Zorgaanbieders
zijn verplicht een regeling te treffen voor een effectieve en laagdrempelige opvang
en afhandeling van klachten. De zorgaanbieder moet deze onder de aandacht van cliënten
brengen. Ook zijn zij verplicht toegang te bieden tot een klachtenfunctionaris. Het
doel van de klachtenprocedure van de Wkkgz is klachten in een zo vroeg stadium op
te lossen en escalatie en juridisering te voorkomen.
Evaluatie Wkkgz en verslag schriftelijk overleg
Deze leden vragen specifiek naar de positie van patiënten en cliënten in een klachtenprocedure.
Staat de patiënt in de praktijk niet vaak tegenover een professionele zorgaanbieder
met meer kennis, meer tijd en meer middelen? Hoe wordt die ongelijkheid gecorrigeerd?
Het doel van de opvang en afhandeling van klachten is om deze in een zo vroeg mogelijk
stadium op te lossen. De KNMG geeft in een richtlijn aan dat artsen een klimaat moeten
bevorderen waar cliënten zich vrij voelen om klachten te uiten.34 De insteek is juist om als cliënt en zorgaanbieder of zorgverlener niet tegenover
elkaar te komen staan en samen het gesprek te voeren over wat er niet goed is gelopen.
Een gesprek is belangrijk om het vertrouwen tussen arts en cliënt te behouden of te
herstellen. Ook kan een goed en open gesprek helpen om escalatie te voorkomen.
De cliënt heeft toegang tot de klachtenfunctionaris. Die toegang is gratis. De klachtenfunctionaris
heeft meerdere taken: adviseren bij het indienen van een klacht, bijstaan bij het
formuleren van de klacht en het onderzoeken van de mogelijkheden om tot een oplossing
van de klacht te komen. De klachtenfunctionaris luistert en ondersteunt vanuit neutrale
rol.
De klachtenfunctionaris informeert transparant over allerlei mogelijkheden, maar juist
ook op het in contact brengen van zorgverlener en client. Zo vroeg en laagdrempelig
mogelijk, binnen een overzichtelijke termijn, van mens tot mens. Gesprekken gaan heel
vaak over toon, bejegening, informatie, waarin ook de zorgverlener kwetsbaar is. Er
wordt gelet op taalgebruik en non-verbale signalen. Door onpartijdige opstelling en
begeleiding draagt de klachtenfunctionaris bij aan een veilig en gelijkwaardig gesprek.
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast naar de klachtenfunctionaris. Hoe onafhankelijk
is een klachtenfunctionaris wanneer deze door of namens de zorgaanbieder wordt ingezet?
Hoe wordt voorkomen dat patiënten het gevoel krijgen dat zij hun klacht moeten indienen
binnen hetzelfde systeem waarover zij klagen?
Uitgangspunt van de Wkkgz is dat klachten worden opgelost waar zij zijn ontstaan.
In de Wkkgz is een artikel opgenomen dat waarborgt dat, indien een klachtenfunctionaris
in dienst is van de zorgaanbieder, de zorgaanbieder waarborgt dat hij zijn werkzaamheden
onafhankelijk en hem niet benadeelt wegens de wijze waarop hij zijn functie uitoefent.
In het Uitvoeringsbesluit Wkkgz is onder meer opgenomen dat een klachtenfunctionaris
de vrijheid heeft zijn werkzaamheden te verrichten overeenkomstig de voor hem geldende
beroepsnormen en taakomschrijvingen en zonder inmenging van de zorgaanbieder. Ook
in het beroepsprofiel en de beroepscode van de Vereniging van Klachtenfunctionarissen
in de Gezondheidszorg (VKIG) wordt ingegaan op de onafhankelijkheid van de klachtenfunctionaris
en op de do’s en dont’s. Zo mag een klachtenfunctionaris niet de zorgaanbieder vertegenwoordigen
in een procedure bij de geschilleninstantie.
Ook vragen deze leden hoe vaak klachten onder de Wet kwaliteit, klachten en geschillen
zorg (Wkkgz) leiden tot concrete herstelmaatregelen, excuses, aanpassing van beleid,
schadevergoeding of toezicht door de IGJ. Kan de Minister deze cijfers geven, uitgesplitst
naar type zorgaanbieder?
In 2025 ontving de IGJ meer dan 12.000 klachten over de zorg. Deze klachten, afkomstig
van patiënten, cliënten, consumenten en andere betrokkenen, vormen een belangrijke
informatiebron voor het toezicht. De IGJ gebruikt deze signalen om keuzes te maken
in haar werkzaamheden. Ook zorgaanbieders en fabrikanten delen informatie over de
kwaliteit en veiligheid van zorg en jeugdhulp, waarbij sommige incidenten, misstanden
of calamiteiten verplicht moeten worden gemeld.
Deze informatie biedt inzicht in wat er speelt in de sector, maar vormt slechts een
deel van het totaalbeeld. Het aantal klachten hoeft niet direct te duiden op onvoldoende
zorgkwaliteit: factoren zoals de omvang van de zorgaanbieder, de zwaarte van de zorg
of media-aandacht kunnen het aantal meldingen beïnvloeden. Omgekeerd betekent het
ontbreken van klachten niet automatisch dat alles goed verloopt. Daarom combineert
de IGJ klachtinformatie altijd met andere bronnen.
De IGJ heeft geen cijfers over hoe vaak klachten leiden tot concrete acties. Dit komt
doordat klachten te divers zijn (veel klachten hebben bijvoorbeeld geen schadecomponent),
het aantal zorgaanbieders te groot is (tienduizenden) en het registreren van deze
zaken zou leiden tot een enorme administratieve last voor zorgaanbieders én de IGJ.
De Wkkgz is gericht op leren en verbeteren ten behoeve van de zorgkwaliteit. In sommige
gevallen is wettelijk voorgeschreven dat een zorgaanbieder maatregelen moet nemen,
bijvoorbeeld bij melding van een calamiteit of geweld in de zorgrelatie. Daarnaast
bieden richtlijnen, zoals die van de KNMG en de Gedragscode openheid medische incidenten
(GOMA), aanbevelingen voor zorgverleners om in gevallen van fouten of tekortkomingen
spijt te betuigen en, waar gepast, excuses aan te bieden.
De leden van de PVV-fractie vragen ook naar kleinere zorgaanbieders en solistisch
werkende zorgverleners. Welke verplichtingen onder de Wkkgz zijn volgens de Minister
noodzakelijk voor patiëntveiligheid en welke verplichtingen leveren vooral administratieve
belasting op? Is de Minister bereid om de uitvoeringslast voor kleinere aanbieders
te verlagen zonder de bescherming van patiënten te verminderen?
Patiëntveiligheid:
Doel van de Wkkgz is het verbeteren van de kwaliteit van zorg door te leren en verbeteren.
In de Wkkgz is een hoofdstuk opgenomen waarin de kwaliteit en veiligheid van de zorg
centraal staan. Kernbegrip in de Wkkgz is goede zorg. De zorgaanbieder heeft de verplichting
om goede zorg te verlenen, dat is zorg die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig
en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van
de cliënt. Wat goede zorg is, wordt vervolgens in de Wkkgz in een aantal bepalingen
verder uitgewerkt. Zo heeft voor het verlenen van goede en veilige zorg de zorgaanbieder
de verplichting om:
– de zorg zodanig te organiseren, ook wat betreft personeel en materieel, dat dit redelijkerwijs
tot het verlenen van goede zorg;
– zich te vergewissen of de zorgverlener die zorg gaat verlenen geschikt is om zorg
te verlenen;
– de kwaliteit van zorg systematisch te bewaken, beheersen en verbeteren;
– een interne procedure vast te stellen, waarin wordt aangegeven hoe wordt omgegaan
met signalen van incidenten; en
– calamiteiten, geweld in de zorgrelatie en ontslag wegens disfunctioneren verplicht
te melden bij de IGJ (verplichte meldingen).
Administratieve lasten
Uit de evaluatie van de Wkkgz bleek dat de verplichte meldingen bij de IGJ, met name
de meldingen van calamiteiten, een groot beslag leggen op de capaciteit bij zorgaanbieders
en op de capaciteit bij de IGJ.35 Daarbij ging veel aandacht uit naar het op een juiste manier melden en onderzoeken.
De nadruk was komen te liggen op de procedure, mede ook door de regeldichtheid van
het Uitvoeringsbesluit Wkkgz. Zorgaanbieders zijn heel goed geworden in het melden
en onderzoeken van calamiteiten, maar de meerwaarde daarvan voor het verbeteren van
de patiëntveiligheid was niet altijd duidelijk. Daarom is met ingang van 1 januari
2025 het Uitvoeringsbesluit Wkkgz aangepast met als doel afhandeling op maat van deze
meldingen mogelijk te maken, waardoor de zorgaanbieder zich meer kan richten op leren
en verbeteren en de IGJ haar capaciteit flexibeler en effectiever kan inzetten.36
De Wkkgz is op veel onderdelen een «kaderwet», waar het veld zelf invulling geeft
aan de bepalingen van de wet, bijvoorbeeld aan de bepaling wat goede zorg is. Door
de ruimte die de Wkkgz biedt om op een voor de sector passende wijze invulling te
geven aan de Wkkgz (sectorale differentiatie), kunnen de administratieve lasten worden
beperkt.37
Onbedoelde en ongewenste uitkomsten in de zorg, normhandhaving, leren en herstel
Deze leden vragen hoe vaak de IGJ de afgelopen jaren heeft ingegrepen na herhaalde
signalen van patiënten of nabestaanden. Hoe wordt voorkomen dat instellingen vooral
intern reflecteren, terwijl patiënten vooral behoefte hebben aan erkenning, openheid
en herstel?
Veel klachten over een sector of zorgaanbieder betekent niet automatisch dat de kwaliteit
van zorg onvoldoende is. De omvang van de zorgaanbieder of de zwaarte van de zorg
kan van invloed zijn op het aantal meldingen en klachten. Veel klachten kunnen ook
een gevolg zijn van (media-) aandacht voor een onderwerp. Anderzijds betekent het
ontbreken van klachten niet automatisch dat alles goed verloopt. Daarom combineert
de IGJ informatie uit klachten altijd met andere bronnen. Het is daarom niet één op
één aan te geven welke melding tot welke toezichtsinterventie heeft geleid. De informatie
uit het Landelijk Meldpunt Zorg wordt altijd meegenomen in het risicogestuurde toezicht
en indien nodig in incidententoezicht.
Zorg is mensenwerk. Waar mensen werken, worden fouten gemaakt. Het is belangrijk dat
incidenten gebruikt worden om van te leren, zodat de kans op herhaling in de toekomst
wordt verkleind. Zorgaanbieders moeten incidenten goed onderzoeken om de onderliggende
oorzaken vast te stellen. Zo kunnen ze passende maatregelen nemen om deze oorzaken
aan te pakken en de zorg steeds veiliger te maken.
Calamiteiten moeten binnen 3 dagen gemeld worden aan de inspectie. Een calamiteit
is een incident met een ernstig schadelijk gevolg of overlijden. Zorgaanbieders stellen
bij na een calamiteit een calamiteitenrapportage op, welke door de IGJ wordt beoordeeld.
Eén van de zaken die hierin door de IGJ gevraagd wordt is een beschrijving van de
nazorg die is verleend aan de betrokkenen en aan de betrokken zorgverleners.
De IGJ vraagt daarnaast aan de zorgaanbieder wat de reactie is van de cliënt, bewoner,
wettelijk vertegenwoordiger of nabestaande op de wijze waarop de calamiteit is afgehandeld
en op de geboden nazorg. Op deze manier wordt geborgd dat niet alleen het leren binnen
de organisatie centraal staat, maar ook dat openheid, erkenning en herstel richting
betrokkenen voldoende aandacht krijgen.
Voortgangsrapportages Uitkomstgerichte Zorg
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de voortgangsrapportages over
uitkomstgerichte zorg. Deze leden vinden het uitgangspunt begrijpelijk: patiënten
moeten beter kunnen meewegen wat een behandeling betekent voor hun gezondheid, kwaliteit
van leven en dagelijks functioneren. Tegelijkertijd vragen deze leden de Minister
waarom dit na zoveel jaren nog steeds vooral klinkt als een programma in ontwikkeling.
Kan de Minister concreet aangeven wat patiënten vandaag meer weten dan vóór de start
van het programma? Welke informatie over behandeluitkomsten is inmiddels openbaar,
begrijpelijk en bruikbaar voor patiënten? Voor welke aandoeningen of behandelingen
kan een patiënt nu daadwerkelijk beter kiezen?
Het kabinet vindt dat alle zorggebruikers op basis van goede informatie beter zelf
kunnen bepalen en mee kunnen beslissen over de zorg die zij ontvangen. Het kabinet
vindt dat openbaar inzichtelijke en begrijpelijke informatie daarvoor noodzakelijk
is.
Sinds de start van het programma Uitkomstgerichte Zorg zijn belangrijke stappen gezet,
waarbij de focus met name op samen beslissen ligt. Door het toepassen van samen beslissen
in de spreekkamer komt er steeds meer aandacht voor wensen, voorkeuren en waarden
van patiënten die bijdragen aan hun kwaliteit van leven.
Om samen beslissen in de spreekkamer te stimuleren, zijn diverse praktische hulpmiddelen
ontwikkeld. Zo zijn er toolkits, e-learnings en andere ondersteunende materialen ontwikkeld
voor zowel zorgverleners als patiënten. Ook is ingezet op kennisdeling van samen beslissen
en praktijkvoorbeelden via conferenties, bijeenkomsten, werkbezoeken en inspiratiesessies.
Daarnaast biedt het UZ-loket ondersteuning aan zorginstellingen bij de implementatie
van samen beslissen en uitkomstgericht werken. Het merendeel van de medisch-specialistische
zorginstellingen geeft aan38 samen beslissen in de praktijk toe te passen. Hierdoor is er in de spreekkamer steeds
meer aandacht voor de wensen, voorkeuren en persoonlijke situatie van de patiënt bij
het maken van behandelkeuzes.
Tegelijkertijd stelt het kabinet vast dat de beschikbaarheid van openbare en voor
patiënten bruikbare informatie over behandeluitkomsten achterblijft. Uit de nulmeting
van Zorginstituut Nederland en Patiëntenfederatie Nederland blijkt dat voor slechts
11,5% van de ziektelast ten minste één uitkomstindicator openbaar beschikbaar is voor
patiënten. Het kabinet vindt deze resultaten teleurstellend.
Om hier versnelling in aan te brengen zijn belangrijke stappen gezet. Zo is per 1 januari
2026 de Wkkgz aangepast (naar aanleiding van het wetsvoorstel kwaliteitsregistraties
zorg in werking getreden, waardoor ziekenhuizen verplicht worden gegevens aan te leveren
aan kwaliteitsregistraties. Daarnaast wordt onderzocht hoe het Zorginstituut zijn
kwaliteitstaken effectiever kan inzetten om de transparantie over zorguitkomsten te
vergroten. Mocht blijken dat hiervoor aanvullende bevoegdheden nodig zijn, dan is
het kabinet bereid te bezien of aanpassing van de Wkkgz noodzakelijk is.
Deze leden vragen hoeveel geld sinds de start van het programma is besteed aan uitkomstgerichte
zorg en welke meetbare resultaten daar tegenover staan. Kan de Minister aangeven welke
onderdelen aantoonbaar succesvol zijn en welke onderdelen zijn gestopt omdat zij onvoldoende
opleverden?
Het programma Uitkomstgerichte Zorg fase I (2018–2022) stonden vijf lijnen centraal39: (1) het ontwikkelen van uitkomstensets en PROMs (Patient-Reported Outcome Measure)
om zorguitkomsten inzichtelijk te maken, (2) het stimuleren van samen beslissen tussen
patiënt en zorgverlener, (3) het ontwikkelen van uitkomstgerichte organisatie- en
bekostigingsvormen, (4) het verbeteren van de beschikbaarheid en uitwisseling van
uitkomstinformatie via digitale infrastructuren, en (5) het ondersteunen van implementatie
door kennisontwikkeling, onderzoek en kennisdeling. Deze activiteiten legden de basis
voor verdere toepassing van uitkomstgerichte zorg in de Nederlandse gezondheidszorg.
In fase I van het programma (2018–2022) is in totaal € 60 miljoen aan het programma
Uitkomstgerichte zorg uitgegeven. Dit geld is onder andere besteed aan het ontwikkelen
van 33 uitkomstensets en andere producten die samen beslissen ondersteunen. Denk hierbij
aan lesmaterialen, e-learnings en toolkits voor zorgprofessionals en patiënten. Ook
is het programma organiseren en betalen bij ZonMW gefinancierd. Het doel was om kansrijke
initiatieven te ondersteunen en inzicht te krijgen in welke organisatie- en contractvormen
effectief zijn. Daarnaast is het Santeon Experiment gefinancierd voor het toegankelijk
maken van het meten, verzamelen en gebruiken van zorguitkomsten voor de patiënten.
Tot slot is geïnvesteerd in kennisontwikkeling en kennisdeling, onder meer via de
Transparantiemonitor van het Nivel, de organisatie van landelijke conferenties en
de ontwikkeling van het kennisplatform Uitkomstgerichte Zorg.
In fase II van het programma (2023–2026) is tot op heden in totaal ongeveer € 13 miljoen
besteed. Deze uitgaven hebben betrekking op de implementatie van het programma: het
ontwikkelen en uitvoeren van het UZ-loket, het aanbieden van scholing op het gebied
van samen beslissen, het ontwikkelen van blauwdrukken en het toekennen van subsidies
voor werkzaamheden van de betrokken koepelpartijen.
Belangrijke opbrengsten van het programma
Binnen het programma Uitkomstgerichte Zorg zijn, zoals hierboven toegelicht, diverse
producten ontwikkeld om samen beslissen te ondersteunen, waaronder competentiesets,
lesmaterialen, e-learnings en toolkits voor zorgprofessionals en patiënten. Daarnaast
is gewerkt aan de verankering van samen beslissen in medische en verpleegkundige opleidingen.
Via subsidieregelingen zijn verschillende initiatieven ondersteund, zoals het Santeon-project
Experiment Uitkomstindicatoren, dat resulteerde in een routekaart en praktijkgerichte
handvatten voor het gebruik van uitkomstinformatie, en het Dutch-Flemish PROMIS National
Center, dat zorginstellingen ondersteunt bij de implementatie van patiëntgerapporteerde
uitkomsten. Vanuit het ZonMw-programma Organiseren en Betalen is het project Zinnige
InfectieZorg (ZIZ) voor de SOA-zorg gefinancierd. Binnen dit project worden e-health,
snelle diagnostiek en slim datamanagement gecombineerd, waardoor patiënten sneller
geholpen kunnen worden en zorguitkomsten beter inzichtelijk worden gemaakt. Inmiddels
zijn meerdere locaties operationeel en opent binnenkort de vierde locatie in Nederland.
Ook is ingezet op kennisdeling via conferenties, bijeenkomsten, werkbezoeken en inspiratiesessies.
Daarnaast biedt het UZ-loket ondersteuning aan zorginstellingen bij de implementatie
van samen beslissen en uitkomstgericht werken.
Alle ontwikkelde producten, handreikingen, praktijkvoorbeelden en overige resultaten
zijn beschikbaar via de website van Uitkomstgerichte Zorg, zodat de opgebouwde kennis
ook na afloop van het programma toegankelijk blijft.
Niet alle onderdelen van het programma konden volgens planning worden voortgezet.
Dit geldt met name voor de implementatie van de uitkomstensets. In de eerste fase
van het programma (2018–2022) zijn 33 uitkomstensets ontwikkeld die met name voor
patiënten relevante uitkomsten, zoals kwaliteit van leven en functioneren, inzichtelijk
maken. Tijdens de implementatiefase (2023–2026) bleek echter dat brede toepassing
in de praktijk complexer was dan voorzien. Verschillen in gegevensregistratie en in
de toepassing van informatiestandaarden maakten het lastig om de benodigde gegevens
op een uniforme wijze uit zorgsystemen te ontsluiten.
Om deze knelpunten aan te pakken wordt binnen het traject één governance voor kwaliteit onderzocht hoe de doelen en de gegevens van o.a. de uitkomstensets beter kunnen aansluiten
op bestaande kwaliteitsregistraties en andere kwaliteitsprogramma’s. Dit moet leiden
tot betrouwbare kwaliteitsinformatie waardoor patiënten beter inzicht krijgen in de
kwaliteit van zorg en beter ondersteund worden bij het maken van passende keuzes.
De leden van de PVV-fractie vragen ook hoe wordt voorkomen dat uitkomstgerichte zorg
leidt tot extra registratiedruk voor zorgverleners. Welke registraties zijn geschrapt
of vereenvoudigd? Hoe wordt geborgd dat verpleegkundigen, artsen en andere zorgverleners
niet nog meer tijd achter het scherm doorbrengen?
Uitkomstgerichte zorg richt zich niet alleen op medische uitkomsten, maar ook op uitkomsten
die voor patiënten van belang zijn, zoals kwaliteit van leven en dagelijks functioneren.
Het kabinet zet in op het samenbrengen van verschillende kwaliteitsprogramma’s (Uitkomstgerichte
zorg, Kwaliteitsregistraties, Transparantiekalender) binnen één overkoepelende governance.
Het werken vanuit één governance moet leiden tot betrouwbare, samenhangende kwaliteitsinformatie
die zowel zorgprofessionals ondersteunt bij leren en verbeteren als patiënten beter
inzicht geeft in de kwaliteit van zorg en hen helpt bij het maken van passende keuzes.
Door het uitvragen van gegevens beter op elkaar af te stemmen en waar mogelijk gebruik
te maken van bestaande registraties, wordt voorkomen dat zorgverleners dezelfde informatie
meerdere keren moeten vastleggen en neemt de registratielast af. Nog dit jaar wordt
de gapanalyse afgerond die nodig is om deze governance van kwaliteit vorm te geven.
Eindevaluatie Citrienfonds 2019–2022
De leden van de PVV-fractie vragen wat de eindevaluatie van het Citrienfonds concreet
betekent voor patiënten. Welke projecten hebben geleid tot blijvende verbetering in
de zorg? Welke resultaten zijn structureel ingebed? Welke projecten zijn niet voortgezet
omdat zij onvoldoende meerwaarde hadden?
Deze leden vragen hoeveel geld met het Citrienfonds gemoeid was en hoe de Minister
beoordeelt of dit geld doelmatig is besteed. Is de Minister bereid om bij toekomstige
fondsen vooraf scherper vast te leggen welke concrete uitkomsten voor patiënten moeten
worden bereikt?
Het kabinet is van mening dat het Citrienfonds heeft bijgedragen aan concrete verbeteringen
voor patiënten, waaronder het verminderen van onnodige zorg, betere gegevensuitwisseling
en meer zorg op de juiste plek, bijvoorbeeld via telemonitoring. Projecten zoals Doen
of Laten?, telemonitoring, regionale oncologienetwerken en Registratie aan de bron
hebben geleid tot verbeteringen in de kwaliteit en organisatie van zorg. Een deel
van deze resultaten is structureel ingebed via onder meer Zorg Evaluatie en Gepast
Gebruik (ZE&GG), de doorontwikkeling van oncologische netwerken en landelijke trajecten
voor gegevensuitwisseling.
Uit de eindevaluatie blijkt niet dat grote projecten zijn stopgezet vanwege onvoldoende
meerwaarde. Wel blijkt dat niet alle resultaten in dezelfde mate zijn geborgd, onder
meer door belemmeringen op het gebied van financiering, gegevensuitwisseling, ICT
en regelgeving.
Voor Citrienfonds 2 was in totaal € 20 miljoen beschikbaar. De doelmatige besteding
van deze middelen is gedurende de looptijd bewaakt door een onafhankelijke beoordelingscommissie
van ZonMw en via externe evaluaties. Daarbij werd gewerkt met vooraf vastgestelde
doelen, resultaten en go/no-go-momenten.
Het kabinet onderschrijft het belang van concrete resultaten voor patiënten. Daarom
wordt in Citrienfonds 3 nadrukkelijk gestuurd op zichtbare resultaten, implementatie
en opschaling, waarbij expliciet aandacht wordt besteed aan wat patiënten daarvan
merken.
Onderzoek geschilleninstanties Wkkgz en reactie daarop
De leden van de PVV-fractie maken zich zorgen over de positie van patiënten en cliënten
bij geschilleninstanties. Wie een geschil begint, staat vaak tegenover een professionele
zorgaanbieder met meer kennis, meer tijd en meer middelen. Kan de Minister aangeven
hoe wordt gewaarborgd dat de procedure eerlijk en begrijpelijk is voor gewone mensen?
Op dit moment werkt het kabinet aan een wijziging van de Wkkgz, waarin aan de geschilleninstanties
meer eisen worden gesteld met betrekking tot een begrijpelijke en toegankelijke informatievoorziening.
Om deze eisen en andere eisen aan de geschilleninstanties zo concreet mogelijk te
maken, doet de KWINK groep momenteel een onderzoek. Daarbij kijken de onderzoekers
ook naar eisen aan de cliëntondersteuning. De Kamer wordt in het najaar geïnformeerd
over de resultaten van dit onderzoek.
Deze leden vragen waarom verdere professionalisering van geschilleninstanties nodig
is als het stelsel al jaren bestaat. Wat zegt dit over de bescherming die patiënten
en cliënten tot nu toe hebben gehad? Welke tekortkomingen zijn geconstateerd en wanneer
zijn deze opgelost?
De Wkkgz, waarin ook de kaders voor de geschilleninstanties in de zorg zijn opgenomen,
is in 2021 geëvalueerd, vijf jaar na inwerkingtreding van de Wkkgz. Daarna is in 2023
– naar aanleiding van één van de aanbevelingen van de evaluatie van de Wkkgz – een
verdiepend onderzoek naar het functioneren van de geschilleninstanties gevolgd. De
Kamer is met een brief over dit onderzoek en de daarin gesignaleerde tekortkomingen
aan de geschilbeslechting geïnformeerd.40 De hoofdconclusie van de onderzoekers is dat de geschilbeslechting geprofessionaliseerd
en doorontwikkeld moet worden. Zij doen daarvoor negen aanbevelingen, onder andere
over het toegankelijker en begrijpelijker maken van de verstrekte informatie, het
uitgebreider en explicieter waarborgen van de onafhankelijkheid van de geschilleninstanties
en het op peil houden en vergroten van de expertise. De Kamer is op 4 juni 2024 geïnformeerd
over de wijze waarop het kabinet de tekortkomingen wil oplossen.41 Dan gaat het om de verstevigen van de kwaliteitscriteria waaraan geschilleninstanties
moeten voldoen, het verbeteren van de clientondersteuning, het meer inzetten op kennisontwikkeling
en het publiceren van alle uitspraken op één plek. Het kabinet is daar nu mee aan
de slag. Op dit moment wordt onderzoek gedaan om de eisen die aan de geschilleninstanties
worden gesteld concreter te maken.
De leden van de PVV-fractie vragen of uitspraken van geschilleninstanties inmiddels
op één vaste en goed vindbare plaats openbaar worden gemaakt. Zo nee, waarom is dit
nog steeds niet geregeld? Zo ja, hoe wordt gezorgd dat patiënten hier daadwerkelijk
iets aan hebben?
Dat is nog niet geval. Op dit moment doet het CIBG een onderzoek wat ervoor nodig
is om dit realiseren en welke kosten hiermee zijn gemoeid. De verwachting is dat rond
de zomer hiervan een inschatting kan worden gemaakt. Een goede vindplaats voor uitspraken
is van belang voor cliënten, zij kunnen dan wellicht beter inschatten of zij al dan
niet een geschil aanhangig willen maken, en ook voor zorgaanbieders en de geschilleninstanties
zelf. Zij kunnen leren van eerdere uitspraken. Overigens is bijna de helft van de
geschilleninstanties aangesloten bij De Geschillencommissie. Zij publiceren reeds
hun uitspraken op één plek.
Deze leden vragen ook of de Minister bereid is om de onafhankelijkheid, deskundigheid,
doorlooptijden, kosten en begrijpelijkheid van geschilleninstanties periodiek openbaar
te laten beoordelen.
Op dit moment doet de KWINK-groep onderzoek naar een concretisering van de eisen waaraan
geschilleninstanties moeten voldoen. Onderdeel van dat onderzoek is ook kijken naar
de informatie die periodiek openbaar wordt gemaakt.
Stichting Zorggeschil en Stichting Fokus
De leden van de PVV-fractie lezen dat in de kabinetsreactie op het Q-Consult-onderzoek
naar sociale veiligheid, communicatie en bejegening binnen Fokus is aangegeven dat
Fokus werkt aan herstel van vertrouwen en sociale veiligheid, dat het ministerie de
relatie met Fokus heeft herijkt en dat VWS als systeemverantwoordelijke randvoorwaarden
stelt aan het transformatieplan van Fokus en toezicht houdt op de uitvoering daarvan.
Kan de Minister aangeven wat op dit moment de actuele stand van zaken is bij de opvolging
van de aanbevelingen uit het onderzoek?
Welke concrete stappen heeft Fokus sinds de kabinetsreactie gezet, welke aanbevelingen
zijn inmiddels uitgevoerd en welke aanbevelingen vragen nog opvolging? Kan de Minister
daarbij ook ingaan op de stand van zaken van het transformatieplan en de externe ondersteuning
op locaties waar veel meldingen zijn ontvangen?
Fokus is volop aan de slag gegaan met de aanbevelingen vanuit het onafhankelijk onderzoek.
Het transformatieplan van Fokus is daarbij tweeledig. Er wordt gewerkt aan een toekomstvisie
voor het Fokusconcept, dit om ook op de langere termijn te bezien hoe de ADL-zorg
behouden kan blijven. Hiervoor werkt Fokus toe naar een concreet plan van aanpak.
Daarnaast wordt op de 98 locaties gehandeld om tot directie verbeteringen te komen.
Zie hieronder de stand van zaken per aanbeveling.
Aanbevelingen over nieuwe bestemming:
– Fokus werkt aan een toekomstvisie. Fokus haalt hiervoor ook input op bij onder andere
ZN, het Zorginstituut en het CIZ. Ook vanuit het ministerie zijn we hierbij betrokken.
Ook is er veelvuldig contact met woningcorporaties, de verhuurders van de Fokuswoningen.
Fokus ziet het belang van samenwerking met andere organisaties, waardoor de door Fokus
aangeboden zorg en ondersteuning beter kunnen aansluiten op de vraag en soms ook bredere
zorg- en ondersteuningsvraag van een Fokus-bewoner. Daarbij is de betrokkenheid van
cliënten en medewerkers uiteraard ook van groot belang. In juni 2026 worden verspreid
door het hele land bijeenkomsten gehouden. Met cliënten en medewerkers wordt gekeken
naar wat er nodig is om Fokus toekomstbestendig te maken. De cultuurverandering krijgt
ook vorm vanuit de dagelijkse praktijk, waar de inzet van de nieuwe (regio)directeuren
bijdraagt aan de verbetering van sociale veiligheid, zowel voor de bewoners als voor
de betrokken medewerkers.
Aanbevelingen m.b.t. concrete verbeterpunten veilig klimaat:
– Fokus zet in op het versterken van zichtbaar leiderschap, zowel op landelijk, regionaal
als lokaal niveau. In het najaar van 2025 zijn drie nieuwe regiodirecteuren aangesteld.
Zij hebben samen met managers, teamleiders en ADL-teams gewerkt aan 1) een open cultuur,
2) duidelijke aansturing en 3) een betere communicatie tussen cliënten en ADL-assistenten
en 4) een betere communicatie tussen medewerkers onderling. Verder hebben de teamleiders
een training gevolgd op het gebied van persoonlijke communicatie.
– Op een aantal projecten zijn door de regiodirecteuren wijzigingen en veranderingen
in het management doorgevoerd om voorgaande maatregelen te kunnen bestendigen. In
lokale en regionale dialoogsessies met cliënten zijn en worden onderwerpen als sociale
veiligheid, maatwerk en eigen regie en ethische dilemma’s bespreekbaar gemaakt. Naast
de interventies die de cultuurverandering ondersteunen worden verbeteringen van sociale
veiligheid ook in de dagelijkse praktijk opgepakt, waar nodig met inzet van de regiodirecteuren
– Fokus heeft stevig ingezet op het realiseren van stabiele teams om continuïteit en
kwaliteit van zorg te verbeteren. Per 1 juli 2026 is bij twee derde van de locaties
de inzet van zzp’ers conform de wet DBA stopgezet en is herbezetting gerealiseerd.
Voor de overige locaties gebeurt dit uiterlijk per 1 oktober 2026.
– Om in te grijpen op locaties met veel meldingen met soms ingewikkelde casuïstiek is
via het ministerie ook externe ondersteuning beschikbaar gesteld voor Fokus. Hier
is door Fokus naar gekeken, maar er is – mede met de komst van drie nieuwe regiodirecteuren
en het versterken van het landelijk, regionaal en lokaal leiderschap – voor gekozen
eerst samen met managers, teamleiders en teams voortvarend aan de slag te gaan. Daarnaast
wordt in een beperkt aantal situaties het casuïstiekteam van VWS betrokken. Herstel
van vertrouwen is zichtbaar en er wordt meer rust ervaren.
– Fokus heeft het thema sociale veiligheid ook met de onafhankelijke en externe klachtenfunctionaris
van Quasir geïntensiveerd. Daarnaast heeft Fokus de rol van de vertrouwenspersonen
voor cliënten en medewerkers opnieuw verhelderd en bevorderd.
Aanbevelingen m.b.t. concrete verbeterpunten systemische dynamieken:
– Het versterkte leiderschap heeft inmiddels gezorgd dat deze aanbeveling is opgevolgd:
er is meer helderheid over bevoegdheden en besluitvorming en de besluitkracht is versterkt.
– De erkenning en grenzen van cliënt-assistent-relaties zijn onderdeel van bovengenoemde
regionale en lokale dialoogsessies.
– Er is door het versterkt leiderschap ingegrepen met anti-roddel-interventies. Verder
wordt tijdens de dialoogsessies nadrukkelijk ingezet op de onderlinge verbinding (wij-gevoel)
en het echt luisteren naar elkaar.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe VWS de voortgang van de opvolging van de aanbevelingen
bewaakt. Welke randvoorwaarden heeft het ministerie aan het transformatieplan gesteld,
op welke momenten wordt beoordeeld of de verbeteringen daadwerkelijk effect hebben
en wanneer wordt de Kamer daarover opnieuw geïnformeerd?
Het ministerie bewaakt de voortgang aan de hand van een maandelijks gesprek met de
raad van bestuur en directeuren. Hierin wordt zowel de voortgang op de aanbevelingen
als de voortgang van het op te stellen transformatieplan gezamenlijk besproken. Tijdens
de voortgangsgesprekken worden de stand van zaken, knelpunten en benodigde acties
besproken. De randvoorwaarden die VWS aan Fokus stelt voor het transformatieplan zijn
dat de transformatie leidt tot beter passende ADL-zorg, verbetering van de sociale
veiligheid en een financieel houdbare zorg binnen Fokus. Op deze manier is de zorgcontinuïteit
van de ADL cliënten zo goed mogelijk geborgd.
De toekomstvisie gaat ook gepaard met inzicht in de verschillende locaties. Fokus
werkt op dit moment aan locatiescans. Daarmee worden per locatie zorg – en ondersteuningsvragen
van cliënten doorgelicht, wordt aangegeven hoe de sociale veiligheid zich ontwikkeld
en hoe de locaties er bedrijfsmatig voor staan. Aan de hand van deze informatie wordt
VWS geïnformeerd. Deze informatie zal ook leiden tot een transformatieplan waar de
toekomstvisie ook in is verwerkt en het ministerie vanuit de toezichthoudende rol
mee kijkt.
Het kabinet zal de Kamer voor het eind van het jaar verder informeren.
Kan de Minister daarnaast aangeven of er sinds de kabinetsreactie van 12 februari
2026 nog meldingen, signalen of klachten over Fokus bij VWS zijn binnengekomen? Zo
ja, hoeveel meldingen betreft dit, wat is de aard daarvan en op welke wijze zijn deze
opgepakt?
Klachten en signalen over Fokus worden primair afgehandeld binnen Fokus. Bewoners
schakelen daarbij regelmatig ondersteuning in zoals een onafhankelijke cliëntondersteuner
of ervaringsdeskundigen van Stichting Red mijn zorg. Ook de klachtenfunctionaris kan
betrokken zijn. Hierbij wordt inmiddels goed samengewerkt met de locatiemanagers en/of
de regiodirecteuren. In een beperkt aantal situaties wordt het casuïstiekteam van
VWS betrokken. Sinds de vorige kamerbrief gaat dat om twee nieuwe casussen.
Handreikingen over vertegenwoordiging
De leden van de PVV-fractie vragen wat de handreikingen over vertegenwoordiging concreet
veranderen voor patiënten, cliënten, naasten en zorgverleners. Hoe wordt gezorgd dat
deze handreikingen niet in een la verdwijnen, maar daadwerkelijk worden gebruikt in
de praktijk?
De handreikingen zijn ontwikkeld met als doel het vergroten van de kennis over vertegenwoordiging,
het wegnemen van onduidelijkheden en misverstanden rondom vertegenwoordiging en het
verbeteren van de inzet van vertegenwoordigers. Dit zorgt ervoor dat patiënten, cliënten,
naasten en zorgverleners meer en beter zijn geïnformeerd over vertegenwoordiging in
de zorg. Voor patiënten en cliënten biedt dit meer zekerheid dat hun wensen worden
gerespecteerd als zij zelf (tijdelijk) niet in staat zijn om (volledig) zelfstandig
beslissingen te nemen. Naasten krijgen handvatten om hun rol van vertegenwoordiger
goed in te vullen en onderlinge misverstanden te voorkomen. Zorgverleners weten met
wie zij kunnen overleggen en welke besluiten rechtsgeldig zijn, waardoor besluitvorming
zorgvuldig en efficiënt kan verlopen en de meest passende zorg voor de patiënt kan
worden aangeboden.
Vilans heeft deze handreiking opgesteld in samenwerking met KNMG, Mentorschap Nederland,
Patiëntenfederatie Nederland, Raad op Maat en V&VN, en het Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (VWS) heeft dit project gefaciliteerd. Het is aan partijen zelf hiermee
aan de slag te gaan.
Deze leden vragen hoe wordt omgegaan met situaties waarin familie, vertegenwoordigers
en zorgverleners verschillen van mening over wat in het belang van de cliënt is. Is
de huidige ondersteuning voor vertegenwoordigers voldoende?
In de situatie waarin familie, vertegenwoordigers en zorgverleners verschillen van
mening over wat in het belang van de cliënt is, moet de zorgverlener in beginsel de
beslissing van de vertegenwoordiger volgen. De vertegenwoordiger moet handelen als
een «goed vertegenwoordiger» en zich laten leiden door de wensen en/of belangen van
de cliënt. De zorgverlener hoeft de beslissing van de vertegenwoordiger echter niet
te volgen als dat strijdig is met de zorg van een «goed hulpverlener». Op grond daarvan
heeft hij de bevoegdheid om van het oordeel van de vertegenwoordiger af te wijken.
Bijvoorbeeld als de beslissing van de vertegenwoordiger schadelijk is voor de patiënt,
tegen de normen en waarden van de cliënt ingaat, of sprake is van activiteiten of
handelingen die medisch zinloos zijn of in strijd met de professionele standaard.
De verplichtingen voor de zorgverleners ten aanzien van de cliënt die voortvloeien
uit de WGBO gelden in het geval van vertegenwoordiging ook ten opzichte van de vertegenwoordiger.
Daarmee is de huidige ondersteuning voor vertegenwoordigers voldoende.
Laboratoriumdiagnostiek
Deze leden vragen of er signalen zijn dat druk op tarieven, personeelstekorten, concentratie
van laboratoria of afhankelijkheid van leveranciers gevolgen hebben voor patiënten.
Hoe wordt geborgd dat huisartsen, ziekenhuizen en patiënten tijdig toegang houden
tot noodzakelijke diagnostiek?
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast hoe wordt voorkomen dat diagnostiek steeds
verder van de patiënt af komt te staan. Wat betekent concentratie van laboratoriumdiagnostiek
voor regionale beschikbaarheid, snelheid van uitslagen en de positie van huisartsen
en streekziekenhuizen?
Het kabinet kent nu geen specifieke signalen over de druk op laboratoriumdiagnostiek
en eventuele gevolgen voor de toegang voor patiënten. Het kabinet herkent wel dat
er verschillende prikkels in de organisatie en bekostiging van diagnostiek bestaan,
zoals eerder naar voren kwam in de analyse van de RVS («Iedereen bijna ziek, over de keerzijden van diagnose expansie»). Het kabinet heeft in de beleidsreactie op dit advies daarom aangegeven ernaar te
streven om deze prikkels te onderzoeken en beter op elkaar af te stemmen. Het is daarbij
belangrijk om de ontwikkelingen goed in zicht te houden. Ten algemene, zoals onlangs
meegegeven in de beleidsbrief aan de Kamer, zet het Kabinet in op passende zorg als
norm, onder andere ten aanzien van een passend zorglandschap. Op die manier zet het
Kabinet in op brede toegankelijkheid van zorg.
Onderzoek naar effecten van behandelingen en medicatie op vrouwen
De leden van de PVV-fractie vinden het belangrijk dat medische kennis ook voldoende
is gebaseerd op vrouwen. Deze leden vragen welke concrete acties zijn ondernomen om
verschillen tussen mannen en vrouwen in onderzoek, diagnostiek, medicatie en behandeling
beter mee te nemen.
Kan de Minister aangeven bij welke aandoeningen of geneesmiddelen inmiddels concrete
verbeteringen zijn doorgevoerd? Hoe wordt voorkomen dat vrouwengezondheid blijft steken
in erkenning van het probleem, zonder afdwingbare verandering in onderzoek en praktijk?
Het kabinet onderschrijft het belang van medische kennis die gebaseerd is op onderzoek
met voldoende deelname van vrouwen. In de bestaande richtlijnen voor geneesmiddelenontwikkeling
is daarom al vastgelegd dat sekseverschillen moeten worden onderzocht. Uit onderzoek
van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) naar 153 klinische fase III-studies
bleek dat gemiddeld 41% van de deelnemers vrouw was. Hoewel de verdeling niet volledig
gelijk was, waren vrouwen in alle dossiers voldoende vertegenwoordigd om conclusies
te trekken over veiligheid en werkzaamheid voor zowel vrouwen als mannen.
Ook na markttoelating worden geneesmiddelen continu geëvalueerd op effectiviteit en
bijwerkingen. Wanneer verschillen tussen vrouwen en mannen worden vastgesteld, zien
het CBG en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) erop toe dat deze informatie wordt
opgenomen in de productinformatie.
ZonMw stimuleert de integratie van sekse- en genderaspecten in onderzoek en de toepassing
van deze kennis in de gezondheidszorg. De resultaten hiervan zijn beschreven in het
begin 2025 gepubliceerde Impactrapport Taakopdracht Gender en Gezondheid.42
Nieuwe inzichten worden vervolgens vertaald naar richtlijnen en scholing, zodat zij
ook in de praktijk worden toegepast. Zo zijn bijvoorbeeld bij hart- en vaatziekten
vrouw-specifieke risicofactoren nadrukkelijker opgenomen in richtlijnen en wordt bij
geneesmiddelenonderzoek en bijwerkingenmonitoring steeds meer rekening gehouden met
verschillen tussen vrouwen en mannen.
Deze leden vragen ook hoe de Minister borgt dat richtlijnen, geneesmiddelenonderzoek
en behandelprotocollen voldoende rekening houden met verschillen tussen mannen en
vrouwen. Wie is hierop aanspreekbaar als verbetering uitblijft?
Het kabinet stimuleert dat sekse- en genderaspecten structureel worden meegenomen
in onderzoek, richtlijnen en behandelprotocollen. Zo vraagt ZonMw onderzoekers expliciet
aandacht te besteden aan deze aspecten en worden nieuwe inzichten actief gedeeld met
de praktijk. Begin 2025 hebben zij een impactrapport gepubliceerd van de taakopdracht
Gender en Gezondheid.43 In de richtlijnen voor geneesmiddelenonderzoek is ook opgenomen dat de effecten van
sekse onderzocht moeten worden bij de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen.
De ontwikkeling en actualisatie van professionele richtlijnen en behandelprotocollen
is de verantwoordelijkheid van de betreffende beroepsgroepen en wetenschappelijke
verenigingen. Zij zijn daarmee ook aanspreekbaar op het tijdig verwerken van nieuwe
wetenschappelijke inzichten. Voor geneesmiddelenonderzoek gelden nationale en Europese
eisen voor kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid. Internationale richtlijnen stimuleren
daarbij dat klinische studies voldoende representatief zijn voor de populaties die
het geneesmiddel uiteindelijk zullen gebruiken en dat relevante verschillen tussen
patiëntgroepen worden onderzocht.44
Alternatieve behandelwijzen en aanpak kwakzalverij
De leden van de PVV-fractie vinden keuzevrijheid belangrijk, maar patiënten mogen
niet worden misleid, zeker niet wanneer zij ernstig ziek, kwetsbaar of wanhopig zijn.
Kan de Minister aangeven hoe vaak de afgelopen jaren is opgetreden tegen misleidende
medische claims of aanbieders van onbewezen behandelingen?
Het kabinet vindt het belangrijk dat patiënten zelf keuzes kunnen maken ten aanzien
van hun behandeling. Die keuzevrijheid vereist echter wel dat patiënten juist en volledig
worden geïnformeerd. Misleidende medische claims zijn onwenselijk, zeker wanneer deze
gericht zijn op ernstig zieke, kwetsbare of zelfs wanhopige patiënten.
Er bestaat geen centraal overzicht van het aantal keren dat in de afgelopen jaren
specifiek is opgetreden tegen misleidende medische claims of aanbieders van onbewezen
behandelingen. Toezichthouders registreren hun interventies doorgaans op basis van
wettelijke bevoegdheden en toezichtdomeinen, niet op de noemer «kwakzalverij» of «onbewezen
behandelingen». Wel kan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) optreden wanneer
sprake is van schade of een aanmerkelijke kans op schade voor patiënten, bijvoorbeeld
wanneer patiënten worden afgehouden van noodzakelijke reguliere zorg, onbevoegd voorbehouden
handelingen worden verricht of gevaarlijke middelen of apparatuur worden gebruikt.
De IGJ publiceert regelmatig informatie over toezicht en handhaving binnen de alternatieve
zorgsector.
Deze leden vragen of het huidige toezicht voldoende is om patiënten te beschermen
tegen aanbieders die onbewezen behandelingen presenteren als alternatief voor noodzakelijke
reguliere zorg. Welke rol hebben de IGJ, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), de Autoriteit
Consument & Markt (ACM) en andere toezichthouders hierbij? Is die rol duidelijk genoeg?
Het huidige toezicht kent verschillende verantwoordelijkheden. De IGJ houdt toezicht
op de kwaliteit en veiligheid van zorg. Voor aanbieders van alternatieve zorg geldt
dat zij geen schade of een aanmerkelijke kans op schade voor de gezondheid van cliënten
mogen veroorzaken. De inspectie kan ingrijpen wanneer hiervan sprake is, bijvoorbeeld
als patiënten worden ontmoedigd om reguliere zorg te gebruiken.
Ook is er sprake van een strafbaar feit als een behandelaar een aanmerkelijke kans
op benadeling van de gezondheid van de cliënt veroorzaakt of als hij weet of ernstige
reden heeft om te vermoeden dat zijn behandeling en advisering daartoe leidt. Hierover
kan aangifte worden gedaan bij de politie of direct bij het Openbaar Ministerie.
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) reguleert en houdt toezicht op de zorgmarkten.
Hieronder valt ook de naleving van regels door zorgverzekeraars en zorgaanbieders,
niet zijnde aanbieders van alternatieve zorg. De Autoriteit Consument & Markt (ACM)
ziet toe op consumentenbescherming en eerlijke handelspraktijken, waaronder misleidende
reclame-uitingen. Daarnaast kan de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken zijn wanneer
sprake is van overtredingen rond medische persoonsgegevens. Het kabinet is van oordeel
dat de wettelijke verantwoordelijkheden van deze toezichthouders in beginsel duidelijk
zijn afgebakend.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is om steviger op te treden
tegen aanbieders die valse hoop verkopen, zeker bij kanker, chronische ziekten, kinderen
of andere kwetsbare groepen.
Bepaalde groepen zijn extra gevoelig voor mis- en desinformatie.
De IGJ beschikt al over bevoegdheden om handhavend op te treden wanneer alternatieve
zorg leidt tot schade of een aanmerkelijke kans op schade, bijvoorbeeld doordat patiënten
worden afgehouden van noodzakelijke reguliere zorg.
De Kamer is in november jl. geïnformeerd over de eerste contouren van een strategie
voor de aanpak onjuiste gezondheidsinformatie. De strategie wordt in de komende periode
verder vormgegeven en uitgewerkt. Het doel van de strategie is om bij te dragen aan
een veerkrachtige samenleving waarin mensen betrouwbare, begrijpelijke en toegankelijke
gezondheidsinformatie kunnen vinden, herkennen en gebruiken.
Misstanden bij een zorgaanbieder en de geschillencommissie zorg
De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister omgaat met signalen dat mensen
niet alleen vastlopen bij een zorgaanbieder, maar vervolgens ook bij de geschillencommissie.
Welke mogelijkheden hebben patiënten of cliënten nog als zowel de zorgaanbieder als
de klachten- of geschillenroute geen oplossing biedt?
Belangrijk is om te vermelden dat het overgrote deel van de klachten tussen zorgaanbieder
en cliënt wordt opgelost. Maar een zeer klein deel van de klachten wordt uiteindelijk
voorgelegd als geschil aan een geschilleninstantie. Wanneer het tot een uitspraak
van de geschilleninstantie komt, dan is deze uitspraak bindend. Er kan niet in beroep
worden gegaan tegen een uitspraak van de geschillencommissie. Wat wel kan is de zaak
aan de rechter voorleggen voor een marginale toetsing. De rechter kan de uitspraak
van een geschilleninstantie ongedaan maken, als hij vindt dat de uitspraak onaanvaardbaar
is, bijvoorbeeld omdat de procedure niet goed is uitgevoerd of de instantie de redenen
voor de uitspraak onvoldoende heeft toegelicht. De rechter doet geen inhoudelijke
beoordeling van de zaak. Als de rechter de uitspraak van de geschilleninstantie ongedaan
maakt, geldt die niet meer. De uitspraak kan niet meer voor een inhoudelijke beoordeling
aan een rechter worden voorgelegd.
Deze leden vragen of de Minister bereid is om te onderzoeken of er een laagdrempelige
escalatiemogelijkheid nodig is voor ernstige of langdurige casussen waarin patiënten
of cliënten aantoonbaar vastlopen. Hoe wordt voorkomen dat kwetsbare mensen het simpelweg
opgeven omdat de procedure te ingewikkeld, te duur of te langdurig is?
De klachten- en geschilafhandeling is bedoeld als relatief snelle, laagdrempelige
procedure. Er geldt op grond van de Wkkgz een vaste termijn waarbinnen een uitspraak
moet zijn gedaan, te weten uiterlijk zes maanden na de voorlegging van het geschil.
Bovendien is de procedure relatief goedkoop. Kijkend naar de uitkomsten van het eerder
genoemde onderzoek naar de geschilleninstanties, wil het kabinet zoveel mogelijk voorkomen
dat kwetsbare cliënten vastlopen door de clientondersteuning in een procedure bij
de geschilleninstantie te verbeteren.
Meer weten, beter kiezen
De leden van de PVV-fractie vinden het belangrijk dat patiënten begrijpelijke keuze-informatie
krijgen. Een patiënt die een ziekenhuis of behandeling moet kiezen, heeft niets aan
ingewikkelde rapporten of informatie die alleen voor professionals begrijpelijk is.
Kan de Minister aangeven welke keuze-informatie op dit moment openbaar, begrijpelijk
en goed vindbaar is voor patiënten in de medisch specialistische zorg? Voor welke
aandoeningen is informatie beschikbaar over kwaliteit, wachttijden, complicaties en
behandeluitkomsten?
Een afspraak vanuit het Azwa is om jaarlijks te monitoren waar het staat met transparantie.
De eerste meting, de zogeheten nulmeting, is gedaan45. Voor 2025 was er volgens de meting voor 25 aandoeningen ten minste één openbare
uitkomstmaat beschikbaar. Het kabinet zal de Kamer jaarlijks rapporteren over de resultaten
van de herhaalmeting.
Deze leden vragen waarom het realiseren van begrijpelijke keuze-informatie zo lang
duurt. Welke afspraken zijn inmiddels gemaakt met ziekenhuizen, zorgverzekeraars en
andere partijen? Wat gebeurt er als partijen onvoldoende leveren?
De oorzaken voor het achterblijven van keuze-informatie zijn divers. Het gaat onder
andere om de administratieve belasting die gepaard gaat met gegevensverzameling, verschillen
in informatiebehoeften van betrokken partijen en de versnipperde governance van het
kwaliteitsdomein.
De afspraken die partijen in de medisch-specialistische hebben gemaakt, zijn erop
gericht om op relatief korte termijn verdere stappen te zetten in de beschikbaarheid
en bruikbaarheid van keuze-informatie. Partijen van het Bestuurlijk Overleg Kwaliteit
zetten in op volledige transparantie voor patiënten. In beginsel betekent dit dat
alle indicatoren in een kwaliteitsregistratie transparant worden gemaakt via het Zorginstituut
en voor patiënten op een nader te bepalen vindplaats. Voorwaarden daarbij zijn dat:
• Voldaan is aan de statistische randvoorwaarden (bijvoorbeeld te kleine aantallen,
onvoldoende betrouwbaarheid en waar relevant wordt een casemixcorrectie toegepast).
• De informatie is voorzien van een goede en begrijpelijke uitleg voor de patiënt (zodat
de patiënt daadwerkelijk iets met de informatie kan).
• Het leidt tot betrouwbare informatie voor patiënten en geeft geen misinformatie over
behandelingen, zorgaanbieders en zorgprofessionals.
• De administratieve lasten voor zorgaanbieders niet extra omhooggaan.
Daarbij vindt het kabinet het van belang dat zorgaanbieders, zorgverleners, patiëntenorganisaties
en, zorgverzekeraars gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor de totstandkoming
van deze informatie.
De leden van de PVV-fractie vragen ook hoe wordt voorkomen dat keuze-informatie vooral
wordt ontwikkeld vanuit het perspectief van systemen en instellingen, in plaats van
vanuit de patiënt die gewoon wil weten waar hij goed en snel geholpen wordt.
Patiëntenorganisaties en cliëntenvertegenwoordigers zijn en worden betrokken bij de
ontwikkeling van keuze-informatie.
Uitvoeringstoets MRI voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel
De leden van de PVV-fractie vragen naar de actuele stand van zaken bij de uitvoering
van het besluit om vrouwen met zeer dicht borstweefsel vanaf 2030 aanvullend een MRI
aan te bieden binnen het bevolkingsonderzoek borstkanker. Ligt het aangekondigde tijdpad
nog op koers en wanneer ontvangt de Kamer het implementatieplan van het RIVM en Bevolkingsonderzoek
Nederland?
De huidige planning is erop gericht om de eerste MRI’s in 2030 aan te bieden, conform
de uitvoeringstoets van het RIVM van 1 oktober 202546. Deze planning is gebaseerd op de tijd die nodig is voor een zorgvuldige voorbereiding
en implementatie. Met de brief van 13 november 2025 is de Kamer geïnformeerd over
de stappen die daarvoor noodzakelijk zijn, waaronder het opstellen van een implementatieplan,
het doen van een vergunningsaanvraag en starten van de aanbesteding47.
Op 26 mei 202648 heeft het kabinet met de Kamer gedeeld hoe zij invulling geeft aan de motie van het
lid Paulusma c.s. over het meten en rapporteren van borstdensiteit in het bevolkingsonderzoek
borstkanker49. In deze brief is toegelicht dat door uitvoering te geven aan deze motie, het aanbieden
van MRI’s in 2030 in ieder geval een halfjaar vertraging zal oplopen.
Bovenstaande laat onverlet dat het kabinet elke mogelijkheid benut om de implementatie
van MRI’s in de borstkankerscreening te versnellen. Zoals toegezegd in de brief van
13 november 2025 zal het kabinet de Kamer doorlopend op de hoogte houden over de voortgang
van de voorbereidings- en implementatiewerkzaamheden.
Deze leden wijzen erop dat de Kamer op 10 maart 2026 de motie-Paulusma c.s. heeft
aangenomen, waarin wordt verzocht vrouwen binnen het huidige bevolkingsonderzoek borstkanker,
waar dat met bestaande onderzoeken en apparatuur mogelijk is, actief te informeren
of bij hen sprake is van zeer dicht borstweefsel. Kan de Minister aangeven welke opvolging
inmiddels aan deze motie wordt gegeven? Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de
uitwerking en implementatie?
Het kabinet heeft de Kamer op 26 mei 2026 geïnformeerd over hoe het kabinet uitvoering
geeft aan de motie van het lid Paulusma c.s.50
Kan de Minister aangeven of uitvoering van deze motie ertoe kan leiden dat vrouwen
al vóór 2030 informatie krijgen over zeer dicht borstweefsel? Zo nee, welke belemmeringen
staan daaraan in de weg? Zo ja, op welke termijn kan dit worden gerealiseerd en hoe
wordt daarbij helder gecommuniceerd wat zeer dicht borstweefsel betekent voor de betrouwbaarheid
van de mammografie en het handelingsperspectief voor vrouwen?
Zoals in de brief van 26 mei 2026 staat beschreven is de verwachting dat het meten
en rapporteren van borstweefsel vanaf begin 2028 geïmplementeerd zou kunnen zijn.
In het eerste kwartaal van 2027 vindt echter een belangrijk beslismoment plaats. In
die periode brengt de Gezondheidsraad advies uit over de aanvraag tot wijziging van
de WBO-vergunning met het terugkoppelen van borstdensiteit zonder dat daar een vervolgaanbod
bij is.
Vrouwen zullen bij de uitnodiging op de hoogte moeten worden gesteld over de mogelijkheid
om geïnformeerd te worden over of ze zeer dicht borstweefsel hebben en wat dat precies
inhoudt. Het kabinet vindt het belangrijk dat vrouwen ook de mogelijkheid krijgen
om ervoor te kiezen de informatie over hun borstdensiteit niet te ontvangen. Hoe de
informatievoorziening er verder precies uitziet, wordt nu uitgewerkt door RIVM en
Bevolkingsonderzoek Nederland.
Ziet de Minister mogelijkheden om de MRI voor vrouwen met dicht borstweefsel te versnellen?
Bijvoorbeeld middels een pilot?
Op dit moment ziet het kabinet geen mogelijkheden om de implementatie van het aanvullende
MRI-aanbod voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel te versnellen. De huidige planning
is erop gericht om de eerste MRI’s in 2030 aan te bieden, gebaseerd op de uitvoeringstoets
van het RIVM van 1 oktober 202551. Deze planning is gebaseerd op de tijd die nodig is voor een zorgvuldige voorbereiding
en implementatie. Met de brief van 13 november 2025 is uw Kamer geïnformeerd over
de stappen die daarvoor noodzakelijk zijn, waaronder het opstellen van een implementatieplan,
het doen van een vergunningsaanvraag en starten van de aanbesteding.52 Deze stappen zijn nodig om de hoge kwaliteit en continuïteit van het bestaande bevolkingsonderzoek
te waarborgen en om te voorkomen dat vrouwen die om andere redenen een MRI nodig hebben,
worden verdrongen.
Het starten van een pilot is geen mogelijkheid om de implementatie van het MRI-aanbod
te versnellen. Het RIVM heeft dit expliciet meegenomen in hun uitvoeringstoets. Voor
pilots onder de regie van het bevolkingsonderzoek is namelijk ook de aanbestedingsregelgeving
van kracht, evenals dezelfde kwaliteits- en opleidingseisen, waardoor dit niet zal
leiden tot versnelling.
Kan de Minister tot slot toelichten hoe de uitvoering van de aangenomen motie-Paulusma
c.s. zich verhoudt tot het eerder gekozen ingroeimodel voor MRI-screening, de capaciteitsgestuurde
instroom en de wens om de start van het MRI-aanbod zo veel mogelijk te versnellen?
Conform motie van het lid Paulusma c.s. wordt gewerkt aan de voorbereiding van het
meten en rapporteren van borstdensiteit. Echter, het naar voren halen van verschillende
implementatiewerkzaamheden en het schrijven van een aparte WBO-vergunningsaanvraag,
zorgen voor een vertraging van een halfjaar in de werkzaamheden op de eerder gecommuniceerde
planning voor de implementatie van de MRI’s vanaf 2030. Het kabinet ziet op dit moment
geen mogelijkheden tot versnelling. Gedurende de voorbereidingen blijft het kabinet
samen met de betrokkenen voortdurend haar ogen open houden naar manieren om te versnellen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brieven van
de Minister over kwaliteitszorg. Deze leden hebben op dit moment geen aanvullende
vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Algemeen
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geagendeerde
stukken voor het schriftelijk overleg Kwaliteitszorg (inclusief Patiënten- en cliëntenrechten).
Deze leden hechten aan goede kwaliteit van zorg, stevige patiënten- en cliëntenrechten
en proportionele regelgeving. Zij willen de Minister daarom nog enkele vragen voorleggen.
Beleidskader subsidiëring pg-organisaties
De leden van de JA21-fractie constateren dat in het schriftelijk overleg ook het Beleidskader
subsidiëring patiënt- en gehandicaptenorganisaties (pg-organisaties) is geagendeerd.
Deze leden vragen de Minister welke betekenis de aangekondigde verlaging van subsidiebudgetten
bij departementen vanaf 2027 kan hebben voor de subsidieregeling voor pg-organisaties.
Kan de Minister daarbij expliciet ingaan op de continuïteit van de regeling, de rol
van pg-organisaties bij informatievoorziening, ondersteuning, signalering en belangenbehartiging?
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister hoe wordt geborgd dat patiënten, cliënten,
mensen met een beperking en hun naasten ook in de komende beleidsperiode voldoende
onafhankelijk vertegenwoordigd blijven in beleid en uitvoering. Kan de Minister aangeven
op welke wijze ervaringskennis wordt meegewogen bij de herziening van het beleidskader
en de daarop volgende subsidieregeling?
Het kabinet vindt het belangrijk dat patiënten, cliënten, mensen met een beperking
en hun naasten een onafhankelijke stem hebben in beleid en uitvoering, ook in de toekomst.
Patiënten- en gehandicaptenorganisaties (hierna: pg-organisaties) vervullen hierin
een belangrijke rol door de belangen van hun achterban te vertegenwoordigen en signalen
uit de praktijk onder aandacht te brengen. Met onder andere de subsidieregeling pg-organisaties,
blijft het kabinet deze organisaties ook in de toekomst ondersteunen. Op regionaal
niveau subsidieert het kabinet de oprichting van de Participatiehubs, waarin cliënten
en burgers worden samengebracht met regionale afspraken rondom zorg en gezondheid.
Op instellingsniveau kunnen cliënten invloed uitoefenen op het beleid van de zorginstelling.
Daartoe zet het kabinet in op een versterking van de toepassing van de WMCZ 2018.
Ervaringskennis van patiënten, cliënten, mensen met een beperking en hun naasten vormt
een belangrijk uitgangspunt van de subsidiëring van pg-organisaties. Via deze organisaties
worden ervaringen en signalen uit de praktijk ingebracht in beleid en uitvoering.
Dit blijft ook in de toekomst van belang. Zowel in het huidige kader, als in de herziening
van de subsidieregeling voor pg-organisaties, die in 2029 gepubliceerd wordt, wordt
waarde gehecht aan ervaringskennis. Via pg-organisaties kunnen patiënten, zorginstellingen
en beleidsmakers immers gebruik maken van de ervaringsdeskundigheid die patiënten,
cliënten, mensen met een beperking en hun naasten hebben.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister of bij de voorbereiding van het nieuwe
beleidskader voor de Kamer inzichtelijk wordt gemaakt welke financiële scenario’s
worden onderzocht, welke criteria daarbij worden gehanteerd en welke gevolgen deze
scenario’s kunnen hebben voor kleinere en middelgrote pg-organisaties.
Het kabinet heeft per 2027 een verlaging van subsidiebudgetten aangekondigd. Op dit
moment vindt de interne besluitvorming nog plaats over de vraag waar deze verlaging
zal neerslaan. Dat zal in de Ontwerpbegroting 2027 duidelijk worden. Daarom kan nog
niet ingegaan worden op de vraag welke betekenis dit heeft voor de subsidieregeling
voor patiënten- en gehandicaptenorganisaties. Wel staat vast dat het kabinet hecht
aan pg-organisaties en aan het ondersteunen van deze organisaties. Zij spelen een
belangrijke rol in het waarborgen van de positie van de patiënt, cliënt en mensen
met een beperking in het zorgstelsel. Patiënten- en gehandicaptenorganisaties dragen
bij aan informatievoorziening, lotgenotencontact en belangenbehartiging van mensen
met een aandoening of beperking.
Wetsevaluatie Wmcz 2028
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de Wetsevaluatie Wmcz 2018.
Deze leden onderschrijven het belang van inspraak van cliënten en patiënten, maar
vinden dat medezeggenschap ook uitvoerbaar, proportioneel en passend bij de schaal
en aard van de zorgaanbieder moet zijn.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister of het juist is dat de evaluatie in
belangrijke mate is gebaseerd op gesprekken met enkel leden van cliëntenraden. Hoeveel
eerstelijnszorgverleners zijn daadwerkelijk gehoord of betrokken geweest bij de evaluatie?
Het kabinet deelt dit standpunt niet. De wetsevaluatie Wmcz 2018 bestond uit een enquête
en diepte-interviews. Aan de enquête hebben onder andere 150 eerstelijns zorgaanbieders
(huisartsen, tandartsen en apothekers) meegedaan. Bij de diepte-interviews hebben
onder andere twee cliëntenraden uit de eerste lijn deelgenomen. Volledigheidshalve
wil het kabinet melden dat naast eerstelijns zorgaanbieders ook diverse andere partijen,
zoals brancheorganisaties, zorgaanbieders, bestuurders en interne toezichthouders
hebben deelgenomen.
De leden van de JA21-fractie constateren dat eerstelijnszorgaanbieders signaleren
dat het instellen en in stand houden van een cliëntenraad in de praktijk tijdrovend
en belastend kan zijn, terwijl zij vaak al via laagdrempelig en direct patiëntcontact,
patiëntenpanels of patiëntenenquêtes input ophalen. Hoe beoordeelt de Minister deze
signalen? Welke concrete meerwaarde ziet de Minister van een formele cliëntenraad
bij kleinschalige eerstelijnspraktijken waar dit laagdrempelige contact al bestaat?
Medezeggenschap van patiënten en cliënten is van groot belang: het helpt de kwaliteit
van de zorg te verbeteren. Dat geldt voor elke grote instelling en is niet anders
voor grote eerstelijnszorgaanbieders. In een organisatie waarin meer dan 25 natuurlijke
personen zorg verlenen, loont het om een formele cliëntenraad op te richten. Dan is
de omvang van de zorginstelling zo groot, dat direct patiëntencontact met de praktijkhouder
niet langer een waarborg is dat de input van patiënten meegenomen wordt in de goede
zorgverlening en bedrijfsvoering van de instelling. Ondanks dat direct patiëntencontact
en instrumenten als patiëntenpanels en patiëntenenquêtes nog steeds aanvullend van
grote toegevoegde waarde kunnen zijn. Bovendien wordt van bestuurders of praktijkhouders
van instellingen ter grootte van 25 of meer personen ook een professionele bedrijfsvoering
verwacht dat zij in staat zijn om een cliëntenraad op te richten en te ondersteunen.
De verwachting van het kabinet is dat, zodra eerstelijnszorgaanbieders zich verder
verdiepen in de eisen en mogelijkheden van de Wmcz 2018, hun zorgen kunnen worden
weggenomen.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister hoe zij de uitkomsten beoordeelt van
de flitspeiling van de Eerstelijnscoalitie, waaruit volgens de coalitie blijkt dat
het draagvlak voor het inrichten van een cliëntenraad beperkt is, onder meer omdat
het moeilijk is voldoende leden te vinden, het oprichten en onderhouden veel tijd
kost en de gesprekken volgens respondenten weinig nieuwe informatie opleveren. Heeft
het ministerie deze uitkomsten ontvangen en betrokken bij de beleidsreactie? Zo ja,
op welke wijze?
In het voorjaar heeft VWS gesprekken met het veld gevoerd. Ook is gesproken met de
vertegenwoordigers van de Eerstelijnscoalitie (ELC).53 De ELC heeft ook haar eigen «ELC flitspeiling Cliëntenraad» aan het kabinet toegestuurd.
Dit is een onderzoek die zij bij haar eigen leden heeft uitgezet. In die flitspeiling
constateert de ELC als eerste reden waarom geen cliëntenraad is ingericht door haar
leden aangegeven dat haar leden onbekend zijn met de Wet medezeggenschap cliënten
zorginstellingen 2018 (Wmcz 2018). Het kabinet ziet de onbekendheid van de Wmcz 2018
als een belangrijk knelpunt voor de juiste toepassing van de wet door eerstelijnszorgaanbieders.
Door een onjuiste toepassing wordt de meerwaarde van de wet niet gezien en leggen
zij zichzelf mogelijk onnodige regeldruk op. De Wmcz 2018 biedt juist ruimte om medezeggenschap
proportioneel in te richten voor elke aanbieder. In de wetsevaluatie Wmcz 2018 bevelen
de onderzoekers het ministerie daarom aan om de bekendheid van de Wmcz 2018 te stimuleren.
Voor de zomer wordt de Kamer geïnformeerd over de vervolgstappen naar aanleiding van
deze knelpunten en aanbevelingen.
De leden van de JA21-fractie vragen waarom bij de Wmcz 2018 is gekozen voor de verplichting
tot het instellen van een cliëntenraad vanaf meer dan vijfentwintig zorgverleners.
Waarom is destijds niet aangesloten bij de grens voor het verplicht hebben van een
ondernemingsraad, te weten meer dan vijftig personen in dienst? Is de Minister van
mening dat de grens van vijfentwintig bij de wetsbehandeling arbitrair is gekozen?
Alle instellingen moeten bij minimaal 10 natuurlijke personen die zorg verlenen een
cliëntenraad inrichten. Bij amendement van de leden Stoffer, Van der Staaij en De
Vries is de mogelijkheid gemaakt om bij algemene maatregel van bestuur (amvb) ambulante
zorgaanbieders aan te wijzen die pas bij 25 natuurlijke personen die zorg verlenen
een cliëntenraad moeten inrichten. Te denken valt in ieder geval aan instellingen
voor huisartsenzorg, verloskundige zorg, kraamzorg, mondzorg, paramedische zorg, psychologenpraktijken
waar geen psychiater werkzaam is en audiologische centra. Pas bij 25 personen die
zorg verlenen, is de eerste lijn verplicht om een cliëntenraad in te richten. Het
kabinet vraagt dus niet van elke kleine praktijkhouder om een cliëntenraad op te richten.
Het kabinet acht het niet wenselijk om pas bij 50 medewerkers in dienst een cliëntenraad
in te richten. Eerstelijnspraktijken bedienen vaak een ruime kring van patiënten.
Tegelijkertijd betreft het ook instellingen met langdurige contacten met patiënten.
Het belang van deze patiënten dient voorop te staan. Bij hele kleine instellingen
is direct contact tussen cliënt en praktijkhouder eenvoudiger dan bij instellingen
met 25 of meer personen die zorg verlenen.
Wat zouden de juridische, praktische en financiële gevolgen zijn van het ophogen van
deze grens?
Als de grens wordt opgehoogd naar 50 natuurlijke personen die zorg verlenen, dan zijn
de meeste eerstelijnszorgaanbieders uitgezonderd van de verplichting om een cliëntenraad
te hebben. Deze cliënten hebben dan geen formele rechten meer om mee te praten over
het beleid van de zorginstelling en de zorg die zij of hun familie krijgen. Er is
daarom ook geen goede reden waarom andere zorginstellingen wel een cliëntenraad zouden
hebben en eerstelijnszorgaanbieders, die vaak langdurige of intensieve patiëntenrelatie
hebben, zoals huisartsen, niet. Zoals hierboven vermeld, is de cliëntenraad het middel
bij uitstek om goede zorg aan te laten sluiten bij de behoefte, wensen en achtergrond
van haar eigen cliënten. Wanneer eerstelijnsaanbieders geen cliëntenraad hoeven in
te richten, zullen zij enerzijds geen kosten maken die verband houden met de cliëntenraad.
Anderzijds ervaren zij ook geen financiële voordelen of lastenverminderingen die voortvloeien
uit de cliëntenraad. Door tijdig de cliëntenraad bij de besluitvorming over goede
zorg en bedrijfsvoering te betrekken, kunnen bijvoorbeeld ook klachten en geschillen
met cliënten achteraf worden voorkomen.
De leden van de JA21-fractie ontvangen signalen dat zorgverleners afzien van het aanbieden
van een stageplaats, een extra opleidingsplek of uitbreiding van hun praktijk om onder
de grens van vijfentwintig zorgverleners te blijven en daarmee de verplichting tot
het instellen van een cliëntenraad te vermijden. Is de Minister hiervan ook op de
hoogte? Acht zij dit wenselijk, mede gelet op de personeelstekorten en de noodzaak
om voldoende opleidingsplekken in de zorg beschikbaar te houden?
Het kabinet heeft dit signaal ontvangen. Daarom onderzoekt het kabinet of zij kan
aansluiten bij de terminologie van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) voor de
cliëntenraden. In de Wtza wordt de term zorgverleners gebruikt in plaats van natuurlijke
personen die zorg verlenen. Door aan te sluiten bij de term zorgverleners tellen onder
andere stagiaires niet meer mee voor de getalsgrens van 25. Met deze wijziging wordt
dit probleem opgeheven. Het voorstel wordt door het ministerie voorbereid.
Daarnaast is het kabinet van mening dat het omzeilen van de getalsgrens voorbijgaat
aan de nut en noodzaak van een cliëntenraad. Het omzeilen door géén stagiaires of
ander personeel aan te trekken kan bovendien meer werk en werkdruk op leveren voor
een aanbieder dan het moeten inrichten van een cliëntenraad. Een cliëntenraad kan
laagdrempelig en passend bij de praktijk worden ingericht en hoeft niet veel tijd
te kosten. Een cliëntenraad kan een praktijk veel positiefs opleveren. Het is een
onjuiste keuze voor aanbieders om bewust de wettelijke verplichting tot het inrichten
van een cliëntenraad te ontlopen door geen stageplaats, extra opleidingsplek of arbeidsplaats
aan te bieden. Dit gaat ten kosten van studenten, nieuwe professionals, de werkdruk
van zorgverleners bij de praktijk en van patiënten die langere wachttijden zullen
ervaren. Dat weegt niet op tegen het inrichten en hebben van een cliëntenraad.
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister erkent dat de organisatie, schaal
en aard van eerstelijnszorg wezenlijk verschillen van instellingen zoals ziekenhuizen
en verpleeghuizen. In hoeverre acht de Minister het passend dat praktijkhouders die
primair zorgverlener zijn, tijd moeten besteden aan formele overlegstructuren wanneer
die tijd niet aan patiëntenzorg kan worden besteed en de opbrengst volgens betrokkenen
beperkt is?
Medezeggenschap van patiënten en cliënten is van groot belang: dat helpt de kwaliteit
van de zorg te verbeteren. Dat geldt voor elke grote instelling, en is niet anders
voor grote eerstelijnszorgaanbieders. Het gaat niet enkel om de belangen van de zorgorganisaties,
maar juist ook om de rechten van en goede zorg voor patiënten en cliënten.
De leden van de JA21-fractie vragen welke ruimte de huidige Wmcz 2018 biedt aan kleinschalige
zorgaanbieders, zoals huisartsen en tandartsen, om medezeggenschap op een lichtere
of alternatieve manier vorm te geven zonder volledige formele structuur met advies-
en instemmingsrechten. Kan de Minister uiteenzetten welke vormen van cliënten- of
patiënteninspraak binnen de huidige wet als toereikend kunnen worden beschouwd?
Kleinschalige zorgaanbieders hoeven geen cliëntenraad met formele structuur op te
richten. De gemiddelde kleine huisartsen- of tandartsenpraktijk heeft ook geen 25
personen die zorg verlenen en valt daarmee ook niet onder de verplichting. Enkel de
grote zorgaanbieders zijn verplicht een cliëntenraad op te richten.
Als een zorginstelling een cliëntenraad moet inrichten dan kan deze niet worden ingericht
zonder advies- en instemmingsrechten. De Wmcz 2018 is bedoeld als een minimumregeling.
Dat betekent dat instellingen ten minste aan de eisen van de Wmcz 2018 moeten voldoen.
Daarnaast zijn ook andere vormen van inspraak of informele medezeggenschap mogelijk.
Doel is juist om die vormen van informele medezeggenschap goed aan te laten sluiten
bij de gesignaleerde behoeften van de cliënten.
In de medezeggenschapsregeling, die instellingen moeten opstellen volgens de Wmcz
2018, kunnen afspraken worden gemaakt om de cliëntenraad flexibeler en laagdrempeliger
vorm te geven. Zo kan digitaal of fysiek vergaderd worden. Ook kan de frequentie van
het vergaderen worden aangepast. Daarnaast kunnen afspraken gemaakt worden over de
onderwerpen die de cliëntraad wil behandelen en over welke onderwerpen zij wel of
geen advies of instemming willen geven. Daarmee wordt deelname aan de cliëntenraad
uitvoerbaar, haalbaar, reëel en afgestemd op de wensen van de cliënten en laagdrempeliger
voor zorginstellingen.
De leden van de JA21-fractie wijzen erop dat de Wet op de ondernemingsraden (WOR)
voor ondernemingen met tien tot vijftig medewerkers een lichter medezeggenschapsregime
kent. Is de Minister bereid te onderzoeken in hoeverre een vergelijkbaar lichter regime
binnen de Wmcz 2018 mogelijk en wenselijk is voor kleinschalige eerstelijnszorgaanbieders?
Zo nee, waarom niet?
Nee. Medezeggenschap van patiënten en cliënten is van groot belang: dat helpt de kwaliteit
van de zorg te verbeteren. Dat geldt voor elke grote instelling, en is niet anders
voor grote eerstelijnszorgaanbieders. Pas bij 25 personen die zorg verlenen, is de
eerste lijn verplicht om een cliëntenraad in te richten. Het gaat dus om omvangrijke
eerstelijnszorgaanbieders met veel patiënten. Tegelijkertijd betreft het instellingen
met langdurige of veelvuldige contacten met patiënten, zoals grote huisartsenpraktijken.
Het kabinet vraagt dus niet van élke kleine instelling om een cliëntenraad op te richten.
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister mogelijkheden ziet om praktijkoverstijgend
een cliëntenraad in te stellen wanneer de verplichting bestaat, bijvoorbeeld op wijk-,
regio- of samenwerkingsverbandniveau. Kan de Minister aangeven of dit binnen de huidige
wettelijke kaders mogelijk is, en of dit volgens haar kan bijdragen aan minder administratieve
lasten en meer inhoudelijke meerwaarde?
De Wmcz 2018 is bedoeld als een minimumregeling. Dat betekent dat instellingen ten
minste aan de eisen van de Wmcz 2018 moeten voldoen. Daarnaast is er ruimte voor andere
vormen van inspraak en of de cliëntenraden andere vormen van informele medezeggenschap
mogen inrichten. Doel is juist om die vormen van informele medezeggenschap goed aan
te laten sluiten bij de gesignaleerde behoefte van de cliënten. Dat betekent dat een
instelling op grond van de Wmcz 2018 vrijwillig een informele praktijkoverstijgende
cliëntenraad kan inrichten. De Wmcz 2018 vormt hiervoor geen belemmering. Deze vorm
van informele medezeggenschap wordt dan opgericht naast de cliëntenraad op instellingsniveau.
Medezeggenschap moet namelijk altijd dichtbij de client – dus ook lokaal – worden
gepositioneerd, omdat de belangen van verschillende groepen cliënten bij verschillende
instellingen uiteen kunnen lopen. In dit geval beschikt een instelling vrijwillig
over meerdere cliëntenraden. Een praktijkoverstijgende cliëntenraad kan naast een
gewone cliëntenraad van meerwaarde zijn wanneer cliënten invloed kunnen hebben op
de besluitvorming van dit samenwerkingsverband, die ook gevolgen heeft voor de zorg
aan cliënten zelf. Het kabinet ziet geen directe vermindering van de administratieve
lasten vanuit deze informele medezeggenschap.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister te reageren op een praktijkervaring
die deze leden heeft bereikt, waarbij een huisartsenpraktijk met ongeveer veertig
zorgverleners en de cliëntenraad na meerdere bijeenkomsten gezamenlijk tot de conclusie
kwamen dat het nut en de noodzaak van voortzetting beperkt waren, omdat de belangrijkste
onderwerpen inmiddels waren besproken en de agenda opdroogde. Welke wettelijke ruimte
bestaat er in zo’n situatie om de cliëntenraad te beëindigen, tijdelijk te laten rusten
of op een lichtere wijze voort te zetten? Welke gevolgen heeft dit voor verslaglegging,
accreditatie en toezicht door de IGJ?
Op basis van de Wmcz 2018 is de instelling verplicht over een cliëntenraad te beschikken.
Een instelling kan wel samen met de cliëntenraad ervoor kiezen om minder frequent
in een jaar bij een te komen, ook kan de cliëntenraad zelf aangeven welke onderwerpen
zij inspraak willen hebben. Zo kan de cliëntenraad ervoor kiezen om nieuwe onderwerpen
aan te kaarten of om gespreksonderwerpen juist te laten vervallen als er geen behoefte
meer aan is. Kortom, maatwerk en flexibiliteit zijn hierbij mogelijk. Daarnaast is
het van belang dat de zorginstelling de informatie op een dusdanige wijze aanbiedt
aan de cliënten, dat zij in staat zijn deze te begrijpen en daarover inspraak kunnen
geven. De IGJ houdt toezicht op de aanwezigheid van een cliëntenraad bij een aanbieder.
In het kader van de openbare jaarverantwoording geeft de instelling aan dat zij beschikt
over een cliëntenraad. Het kabinet gaat niet over de gevolgen voor de accreditatie
van de beroepsvereniging.
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister inzicht heeft in de administratieve
lasten en kosten die eerstelijnszorgaanbieders maken voor het oprichten, werven, ondersteunen
en onderhouden van een cliëntenraad. Zo ja, kan zij dit inzichtelijk maken? Zo nee,
is zij bereid dit alsnog te laten onderzoeken, en wel voornamelijk voor eerstelijnszorgaanbieders?
In de memorie van toelichting van de Wmcz 2018 zijn de regeldrukeffecten opgenomen
voor alle zorginstellingen die met meer dan 10 natuurlijke personen zorg verlenen.
Het wetsvoorstel leidt tot een structurele regeldrukvermindering van € 15.916.020
voor bedrijven.54 Na het amendement van de leden Stoffer, Van der Staaij en De Vries zijn de gevolgen
voor de regeldruk niet opnieuw berekend. Het kabinet ziet nu geen directe aanleiding
om de gevolgen voor de regeldruk van een specifieke groep zorgaanbieders te laten
berekenen. Deze daadwerkelijke kosten zijn ook verschillend per aanbieder en afhankelijk
van de keuzes die aanbieders maken bij het oprichten, werven, ondersteunen en onderhouden
van een cliëntenraad.
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister bereid is te bezien of de Wmcz
2018 voor kleinschalige zorgaanbieders moet worden aangepast, en zo ja onder welke
voorwaarden. Kan de Minister daarbij betrekken dat cliënten- en patiënteninspraak
waardevol is, maar dat deze inspraak ook proportioneel moet zijn en niet onnodig ten
koste mag gaan van beschikbare tijd voor patiëntenzorg?
De Wmcz 2018 heeft al een aanpassing voor kleinschalige zorgaanbieders: onder de 10
zorgverleners is de cliëntenraad niet verplicht. De Tweede Kamer heeft deze uitzondering
voor de eerste lijn al extra verhoogd naar 25 personen. Het gaat dus om omvangrijke
eerstelijnszorgaanbieders met veel patiënten. Tegelijkertijd betreft het instellingen
met langdurig en soms veelvuldig, contact met patiënten. Het kabinet vraagt dus niet
van elke kleine instelling om een cliëntenraad op te richten. Daarmee wordt in de
eerste lijn al meer ruimte gegeven ten koste van cliënten en patiënteninspraak. Medezeggenschap
van patiënten en cliënten is juist van groot belang: dat helpt de kwaliteit van de
zorg te verbeteren. Dat kan niet zonder dat de zorginstelling goed luistert naar de
patiënten. Het is de taak van het kabinet om de inspraak van de cliënt te waarborgen.
Nog meer ruimte aan de zorgaanbieder zou de positie van de patiënt onevenredig hard
treffen. Dat geldt voor elke grote zorginstelling, en is niet anders voor grote eerstelijnszorgaanbieders.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de geagendeerde stukken over kwaliteitszorg.
Zij hebben hier nog een aantal vragen en opmerkingen over.
De leden van de SP-fractie constateren dat er de afgelopen jaren, onder druk van vrouwen
en vrouwenrechtenorganisaties, meer aandacht is gekomen voor vrouwengezondheid. Tegelijkertijd
zien ze dat de huidige kabinetsinzet nog fors achterloopt op wat er daadwerkelijk
nodig is, met name als het gaat om de financiering voor vrouwengezondheid. Is de Minister
al bereid om vrouwengezondheid de prioriteit (en dus ook de financiering) te geven
die het verdient?
Het programma bij ZonMw rondom vrouwengezondheid loopt tot 2030. Er zijn middelen
beschikbaar in deze hele periode voor dit programma. Het kabinet is van mening dat
extra budget dit maatschappelijke vraagstuk niet gaat oplossen. Werkelijke vooruitgang
vraagt om een fundamentele verandering in bewustwording, houding en prioritering rondom
vrouwengezondheid. Dit vereist een lange adem.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier