Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van den Berg over Amsterdam dat tot 9 miljard euro van het Rijk wil voor de aanleg van een warmtenet
Vragen van het lid Van den Berg (JA21) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over Amsterdam dat tot 9 miljard euro van het Rijk wil voor de aanleg van een warmtenet (ingezonden 6 mei 2026).
Antwoord van Minister Van Veldhoven-van der Meer (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen
1 juli 2026) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1996
Vraag 1
Bent u bekend met de uitspraken van de Amsterdamse wethouder Zita Pels dat de stad
9 miljard euro nodig heeft voor de aanleg van warmtenetten en dat het Rijk voor een
deel van deze kosten zou moeten opdraaien?1
Antwoord 1
Ja. Ik ben bekend met de berichtgeving hierover.
Vraag 2
Bent u reeds door de gemeente Amsterdam, de gemeente Diemen of een van de andere stakeholders
benaderd over een investering in dit warmtenet? Om welk bedrag zou dit gaan?
Antwoord 2
Er vinden regelmatig gesprekken plaats tussen het Rijk, de genoemde gemeenten, en
andere betrokken partijen over de verduurzaming van de gebouwde omgeving en de kansen
en uitdagingen rondom de ontwikkeling van warmtenetten. Daarbij wordt in algemene
zin ook over financieringsvraagstukken gesproken, echter is er geen formeel subsidieverzoek
ingediend ter ondersteuning van het Amsterdamse transitiebeleid.
Vraag 3
Hoe verhoudt deze claim van slechts twee gemeenten zich tot het totale landelijke
budget dat beschikbaar is voor de warmtetransitie in de gehele gebouwde omgeving?
Antwoord 3
De inschatting van de gemeente gaat over de totale investeringsopgave voor warmtenetten
in haar wijken tot 2050 op basis van het eerste concept-warmteprogramma. Dit bedrag
omvat zowel rendabele investeringen die zichzelf terugverdienen en daarom geen subsidie
nodig hebben, als investeringen met een onrendabele top waarvoor subsidie nodig is.
De daadwerkelijke subsidie- en financieringsbehoefte van de gemeente is niet bekend,
maar gezien het bovenstaande ga ik ervan uit dat een eventueel subsidieverzoek (flink)
lager zal liggen dan het genoemde bedrag.
Er is tot 2030 nog ca. 900 miljoen euro beschikbaar voor de landelijke Warmtenetten
Investeringssubsidie (WIS) regeling, waarmee minimaal 2,7 miljard euro aan onrendabele
investeringen in warmtenetten gestimuleerd kan worden.
Daarnaast is er 174,5 miljoen euro beschikbaar voor de Garantieregeling Warmtenetten
(GRW) en 224 miljoen euro toegekend en gereserveerd voor de Nationale Deelneming Warmte
(NDW). Gezamenlijk ondersteunen de GRW en de NDW de financierbaarheid van warmtenetten
doordat dit toegang tot vreemd vermogen biedt en minder publiek kapitaal nodig is
om de investeringsopgave te financieren.
Vraag 4
Hoe worden deze budgetten gefinancierd? Welke uitvoerende partijen zijn hiervoor verantwoordelijk?
Welke rol speelt Energie Beheer Nederland (EBN) hierin?
Antwoord 4
De middelen voor de WIS, de NDW en de GRW komen uit het Klimaatfonds op de KGG begroting.
De WIS regeling wordt door de RVO uitgevoerd. De GRW regeling wordt momenteel nader
uitgewerkt; er is nog geen uitvoerende partij aangewezen, maar gesprekken hierover
lopen met de RVO. Met de gedeeltelijke inwerkingtreding van Wet collectieve warmte
is de NDW als zelfstandige beleidsdeelneming ondergebracht bij EBN.
Vraag 5
Is er een onafhankelijke businesscase bekend die aantoont dat een investering van
9 miljard euro maatschappelijk rendabel is vergeleken met andere verduurzamingsopties,
zoals individuele (hybride) warmtepompen?
Antwoord 5
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in 2025 de Actualisatie van de Startanalyse
gepubliceerd. Dit is bedoeld als onafhankelijk startpunt voor gemeenten om inzicht
te krijgen in de nationale meerkosten voor verschillende technische mogelijkheden
om gebouwen zonder aardgas te verwarmen. Dit document fungeert daarmee als een onafhankelijke
doorrekening van de nationale kosten van verschillende verduurzamingsopties op wijk-
en buurtniveau. Onder andere op basis van deze onafhankelijke doorrekening zal de
gemeente Amsterdam uiterlijk eind 2027 in haar warmteprogramma aankondigen welke keuzes
gemaakt worden. De gemeente Amsterdam heeft aangegeven in haar Warmteprogramma te
sturen op de warmteoplossing met de laagste maatschappelijk kosten.2 Daarbij is het ook van belang om mee te wegen dat collectieve warmtesystemen kunnen
voorkomen dat de druk op het elektriciteitsnet verder toeneemt en in sommige gevallen
zelfs actief bijdragen aan het verminderen van netcongestie. De nationale kostenbesparing
die collectieve warmtesystemen opleveren doordat er minder in de verzwaring van het
elektriciteitsnet geïnvesteerd hoeft te worden kan oplopen tot ca. 1,6 miljard euro
in 2040.3
Vraag 6
In hoeverre vindt u het moreel verdedigbaar dat de landelijke belastingbetaler opdraait
voor de specifieke infrastructurele keuzes en de daaruit voortvloeiende tekorten van
de gemeente Amsterdam?
Antwoord 6
De verduurzaming van de gebouwde omgeving is een nationale opgave die voortvloeit
uit nationale en internationale klimaatdoelstellingen, zoals onder andere het Klimaatakkoord
en het Verdrag van Parijs. Daarbij is afgesproken dat gemeenten een regierol vervullen
in de lokale warmtetransitie in de wijk, omdat zij dichter bij de praktijk staan en
een betere afweging kunnen maken voor iedere wijk wat de beste route naar klimaatneutraal
is. Daarbij zijn vanuit het Rijk met onder andere de Wet gemeentelijke instrumenten
warmtetransitie (Wgiw) en de Wet collectieve warmte (Wcw) kaders afgesproken waarbinnen
gemeenten de regie kunnen voeren op de vormgeving van de lokale warmtetransitie. Onderdeel
daarvan zijn afspraken om te sturen op de meest efficiënte verduurzamingsopties, zodat
we de warmtetransitie tegen de laagste kosten voor zowel de lokale inwoners als de
maatschappij realiseren. In het warmteprogramma van de gemeente Amsterdam wordt ingezet
op de verduurzamingsoptie met de laagste maatschappelijke kosten, echter leidt deze
optie nog vaak niet tot lagere kosten voor de gebouweigenaar of de bewoner ten opzichte
van het huidige fossiele alternatief. Dit geldt voor de meeste gemeenten, daarom draagt
het Rijk met verschillende veelal generieke subsidie-instrumenten bij aan de verduurzaming
van de gebouwde omgeving. Subsidieverzoeken die voortvloeien uit gemeentelijk transitiebeleid
worden getoetst aan de hand van de landelijke kaders en voorwaarden zoals die vastgelegd
worden door het kabinet in subsidieregelingen.
Vraag 7
In hoeverre vindt u het moreel verdedigbaar dat de landelijke belastingbetaler opdraait
voor de versnelde verduurzamingsdoelen, zoals aardgasvrij in 2040, en de daaruit voortvloeiende
tekorten van de gemeente Amsterdam?
Antwoord 7
Ondanks dat de gemeente Amsterdam haar ambitie om in 2040 aardgasvrij te zijn heeft
losgelaten, steun ik dergelijke lokale doelen ten zeerste wanneer ze bijdragen aan
een efficiënte en effectieve transitie in de wijk. Hoewel het landelijk beleid gericht
is op nationale doelen voor 2030 en 2050 staat het individuele gemeenten vrij om vanuit
hun regierol een eigen tijdspad te kiezen dat binnen de nationale doelen past. Het
kabinet gaat over de vormgeving van subsidieregelingen en voorziet in de toetsing
op een doelmatige en doeltreffende inzet van beschikbare middelen. Indien de versnelde
gemeentelijke aanpak daarbinnen past, dan is dit een efficiënte aanpak en bijdrage
aan de nationale doelen.
Vraag 8
Hoe legt u aan burgers in krimpregio’s of landelijke gebieden uit dat Amsterdamse
infrastructuur met miljarden aan landelijk belastinggeld wordt gesubsidieerd, terwijl
deze regio’s achterblijven?
Antwoord 8
Het kabinet zet middelen in voor verduurzaming in heel Nederland. Daarbij wordt rekening
gehouden met verschillen tussen regio's, woningtypen en beschikbare warmteoplossingen.
Het beleid is erop gericht alle huishoudens toegang te bieden tot betaalbare verduurzamingsopties,
ongeacht woonplaats. Voor wat betreft de gemeente Amsterdam, hecht ik eraan nogmaals
te benadrukken dat er geen subsidieverzoek ligt en het genoemde bedrag van 9 miljard
euro geen enkele indicatie biedt voor de daadwerkelijk benodigde subsidie om tot een
rendabele investeringsopgave te komen.
Vraag 9
Is het niet de verantwoordelijkheid van de gemeente zelf om, indien zij kiest voor
een gemeentelijk warmtebedrijf, de financiering hiervan rond te krijgen zonder het
Rijk als pinautomaat te gebruiken?
Antwoord 9
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun eigen bestuurlijke keuzes om tot de beste
verduurzamingsstrategie te komen, indien een gemeentelijk warmtebedrijf daar onderdeel
van is dan is het ook aan de gemeente om dat te onderbouwen en daar zelf een gepaste
financiële bijdrage aan te leveren. Omdat er met de Wcw gekozen is voor een transitie
van een private naar een publieke warmtesector, onder andere om de publieke belangen
van de aanleg van duurzame energie-infrastructuur te borgen, is het van belang om
deze overgang te faciliteren zodat de warmtesector de benodigde opschaling kan realiseren.
Daarom ziet het Rijk dit als een gedeelde verantwoordelijkheid met medeoverheden en
eventueel andere partijen zoals netbeheerders en zijn verschillende maatregelen in
gang gezet, zoals de NDW, de GRW en de verkenning van de overname van private warmtebedrijven.
Vraag 10
In hoeverre verstoort een dergelijke enorme staatssteun de marktwerking en de concurrentiepositie
van andere, wellicht goedkopere, duurzame warmtebronnen?
Antwoord 10
Gemeenten zijn verplicht om de maatschappelijke en eindgebruikerskosten van verschillende
verduurzamingstechnieken in de wijk tegen elkaar af te wegen en een gedragen onderbouwing
te bieden indien afgeweken wordt van het goedkoopste alternatief. Zo wordt juist gewaarborgd
dat er een gelijk speelveld gerealiseerd wordt en verschillende warmtebronnen in de
wijk met elkaar kunnen concurreren op basis van onder andere de kosten.
Vraag 11
Bent u bereid om te eisen dat Amsterdam eerst álle alternatieve, minder kostbare scenario’s
(zoals all-electric of hybride warmtepompen) onderzoekt voordat er überhaupt over
steun vanuit het Rijk gesproken kan worden?
Antwoord 11
Het kabinet onderschrijft het belang van een zorgvuldige afweging van alternatieven.
Binnen het beleid voor de gebouwde omgeving is reeds voorzien dat gemeenten verschillende
warmteopties vergelijken op basis van onder andere de kosten en onderbouwen voordat
keuzes worden gemaakt. Dit is onderdeel van het warmteprogramma dat de gemeenten Amsterdam
eind 2027 uiterlijk opstelt.
Vraag 12
Hoe groot acht u het risico op lock-in-effecten, waarbij bewoners decennialang vastzitten
aan een duur warmtenet omdat de overheid er 9 miljard in heeft gestoken, terwijl er
in de toekomst betere technieken beschikbaar komen?
Antwoord 12
De gemeente presenteert uiterlijk eind 2027 het warmteprogramma met de verduurzamingsplannen
voor de komende 10 jaar, waarbij gestuurd wordt op de meest efficiënte technieken
voor iedere wijk. Dat betekent dat in sommige wijken geëlektrificeerd wordt en in
andere wijken ingezet wordt op een warmtenet om de maatschappelijke kosten zo laag
als mogelijk te houden. Omdat het Warmteprogramma iedere 5 jaar geactualiseerd wordt,
worden toekomstige (kosten)ontwikkelingen meegenomen en kunnen keuzes aangepast worden
waar nodig. Ook hier hecht ik eraan om nogmaals te benadrukken dat er geen subsidieverzoek
ligt van de gemeente Amsterdam en het genoemde bedrag van 9 miljard euro geen enkele
indicatie biedt voor de daadwerkelijk benodigde subsidie om tot een rendabele investeringsopgave
te komen.
Vraag 13
Wat zijn de gevolgen voor de energierekening van de Amsterdamse burger als deze 9
miljard niet door het Rijk, maar via de tarieven van het warmtebedrijf zou worden
opgehaald?
Vraag 14
Wat zijn de gevolgen voor de rekening van de Nederlandse belastingbetaler wanneer
deze moet opdraaien voor deze Amsterdamse kosten?
Antwoord 14
Omdat ik geen inzage heb in de specifieke onderbouwing van het warmteprogramma van
de gemeente Amsterdam, noch in de verhouding tussen rendabele en niet rendabele investeringen,
kan ik geen inschatting geven van de specifieke aannames en gevolgen voor Amsterdamse
inwoners en de Nederlandse belastingbetaler.
Vraag 15
Gelooft u dat de 9 miljard euro daadwerkelijk voldoende is, gezien de historie van
grote infrastructurele projecten in Amsterdam (zoals de Noord/Zuidlijn)?
Antwoord 15
Ik heb geen inzage in de onderbouwing van dit bedrag van de gemeente Amsterdam en
het is niet mijn rol maar die van de gemeenteraad om deze op waarde te schatten en
hierop democratische controle uit te oefenen. Ik vertrouw erop dat het college en
de gemeenteraad hun taken in dezen goed uitoefenen.
Vraag 16
Is er een maximumbedrag per woning dat het Rijk bereid is bij te dragen aan de warmtetransitie?
Zo ja, hoe verhoudt de Amsterdamse claim per aansluiting zich tot dit maximum?
Antwoord 16
Nee, er is geen formeel vastgelegd maximumbedrag per woning dat het Rijk bereid is
bij te dragen aan de warmtetransitie. Maar voor individuele regelingen wordt in principe
wel een maximumbedrag opgenomen. Het is niet eenduidig hoe dit in de praktijk uitwerkt
per woning, aangezien sommige regeling een maximumbedrag per aansluiting of project
kennen (bv. WIS) terwijl andere regelingen een maximale subsidie per energie-eenheid
(SDE++), het type maatregel (ISDE) of het inkomen (Nationaal Warmtefonds). Zo is het
maximumbedrag in de WIS regeling 7.000 euro per aansluiting, voor de subsidieregeling
aardgasvrije woningen (SAH) was dat in de laatste openstellingsronde maximaal 6.000
euro en voor de ISDE is de maximale subsidie voor een warmtenetaansluiting 3.775 euro.
Vraag 17
Hoe beoordeelt u de dreiging van wethouder Pels over «de komende winter» in relatie
tot een infrastructureel project dat decennia in beslag neemt?
Antwoord 17
De volatiliteit op internationale energiemarkten is de afgelopen maanden aanzienlijk
toegenomen als gevolg van geopolitieke spanningen. De hoge kosten voor energie waar
we mee geconfronteerd worden onderstrepen de urgentie om onze maatschappij en economie
weerbaarder te maken en onze afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen
af te bouwen. Hoewel dergelijke infrastructuur komende winter nog geen verlichting
zal bieden, is het van belang om nu wel deze ontwikkeling in gang te zetten en de
komende decennia onze eigen lokale energiebronnen te bouwen en onze energievoorziening
te diversifiëren.
Vraag 18
Bent u bereid om klip-en-klaar uit te spreken dat het Rijk deze onredelijke financiële
eisen niet gaat honoreren?
Antwoord 18
Het is op basis van de berichtgeving niet duidelijk welke steun en hoeveel de gemeente
nodig heeft van het Rijk en in hoeverre eventuele toekomstige subsidieverzoeken passen
binnen de landelijke subsidiekaders en beschikbare budgetten.
Vraag 19
Hoe rijmt u deze miljardenclaim met de noodzaak tot bezuinigingen en een behoedzaam
begrotingsbeleid zoals afgesproken in het coalitieakkoord?
Antwoord 19
In het coalitieakkoord heeft het kabinet zich gecommitteerd aan behoedzaam begrotingsbeleid.
Tevens stelt het akkoord dat het kabinet vol blijft inzetten op het realiseren van
warmtenetten en bereid is om via een staatsdeelneming binnen de huidige financiële
kaders private warmtebedrijven over te nemen en te participeren in nieuwe ontwikkelingen.
Vraag 20
Is het niet effectiever om de 9 miljard euro te investeren in een landelijke isolatieaanpak,
waardoor bij miljoenen huishoudens de energiekosten dalen, in plaats van in de financiering
van een duur en onrendabel warmtenet dat ook nog duurder is voor de gebruikers?
Antwoord 20
Isolatiemaatregelen zijn ook van belang, maar met isolatie alleen kunnen we niet van
het gas af. Daarom is het van belang om ook duurzame energieopwekking en installaties
zoals warmtenetten te stimuleren. Daarnaast werken we ook aan het betaalbaar maken
van warmte. De huidige tariefregulering koppelt de warmtetarieven aan de gastarieven,
maar met de implementatie van de Wcw wordt toegewerkt naar kostengebaseerde tarieven
waardoor warmteafnemers alleen nog betalen voor de kosten van het eigen warmtenet.
Hierdoor zal in de toekomst een toename in de gasprijs niet terug te zien zijn in
de kosten van afnemers van een duurzaam warmtenet. Hierdoor is het de verwachting
dat in wijken waar een warmtenet de duurzame optie met de laagste maatschappelijke
kosten is op termijn zal kunnen concurreren met het fossiele alternatief.
Vraag 21
Kunt u toezeggen dat het Rijk pas over enige vorm van financiële ondersteuning praat
nadat er een volledige, onafhankelijke audit is uitgevoerd naar de doelmatigheid van
het Amsterdamse transitiebeleid tot nu toe en de Kamer hier volledig over geïnformeerd
is?
Antwoord 21
Eventuele financiële ondersteuning aan het gemeentelijke transitiebeleid zal via de
gebruikelijke procedures met uw Kamer gedeeld worden. In principe verloopt financiële
ondersteuning door het Rijk via de openstelling van generieke subsidieregelingen met
een specifiek doel en worden subsidieaanvragen getoetst aan de voorwaarden en criteria
van de specifieke regeling om te waarborgen dat de beschikbare middelen op doelmatige
en doeltreffende wijze besteed worden binnen de geldende nationale en Europese juridische
(staatssteun)kaders. Een onafhankelijke audit van de doelmatigheid van het eerdere
verduurzamingsbeleid van specifiek de gemeente Amsterdam is niet aan de orde, omdat
de Wgiw vastlegt aan welke verplichtingen gemeenten moeten voldoen bij de planning
en onderbouwing van het transitiebeleid. Daarmee heeft de gemeente de regie over de
lokale beleidsafweging met betrekking tot de warmtetransitie en borgt de Wgiw de kwaliteit
van het beleidsproces.
Ondertekenaars
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei