Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Oosterhout over kernenergie
Vragen van het lid Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei over kernenergie (ingezonden 3 juni 2026).
Antwoord van Staatssecretaris De Bat (Economische Zaken en Klimaat) (ontvangen 1 juli
2026).
Vraag 1
Kunt u voor de geplande nieuwe kerncentrales een raming van de financieringslasten
bij verschillende scenario’s wat betreft bouwtijd (bijvoorbeeld 10, 14 en 18 jaar)
en wat betreft rente (bijvoorbeeld 2,3%, 3,8% en 7,0%) bezorgen, daarbij rekening
houdende met de studie van Witteveen+Bos die aangeeft dat de financieringslasten al
snel tot 70% van de totale bouwkosten kunnen oplopen?
Antwoord 1
Het Witteveen+Bos rapport uit 2022 gaat nog uit van private financiering. Inmiddels
is de insteek van het kabinet om de kerncentrales initieel volledig publiek te financieren
via onder andere een renteloze lening tijdens de bouw, om de financieringslasten te
beperken. De impact van de bouwtijd op de kosten van financiering is bij een renteloze
publieke financiering aanzienlijk minder dan bij private financiering.
Vraag 2
Gezien uw voornemen een renteloze lening te verstrekken voor de bouw van kerncentrales,
bent u ook bereid renteloze leningen te verstrekken voor andere energieinvesteringen?
Antwoord 2
Het kabinet kijkt in elke casus wat de meest optimale financieringswijze is en vraagt
hier in alle gevallen vooraf goedkeuring bij de Europese Commissie die onder andere
toetst op marktconformiteit en minimale verstoring. Het uitgangspunt voor het kabinet
voor dergelijke financiering is: privaat waar dat kan, publiek waar dat moet. NEO
NL zal moeten investeren in de bouw van kerncentrales en heeft gedurende de bouwperiode
geen (noemenswaardige) inkomsten, waardoor het aantrekken van private financiering
in deze fase moeilijk zal zijn. Om de bouw van kerncentrales op een zo efficiënt mogelijke
wijze te financieren kiest het kabinet ervoor om dit initieel volledig publiek te
doen en daarmee de financieringslasten te beperken. Deze situatie is anders voor TenneT
en andere netbeheerders, omdat zij in staat zijn onder redelijke voorwaarden financiering
aan te trekken. Hierin speelt het reguleringskader waarin alle efficiënte kosten van
TenneT en andere netbeheerders in rekening mogen worden gebracht bij de tariefbetaler
een belangrijke rol. TenneT en andere netbeheerders zijn hierdoor verzekerd van een
zekere mate van inkomsten. Aanvullend heeft de Staat aan TenneT, vanwege de kapitaalbehoefte
die TenneT had ter gevolg van haar hoge investeringsopgave, ook een (instellings)garantie
verstrekt, waardoor TenneT tegen een AAA-rating kan lenen.
Voor technieken zoals energie uit zon, wind en aardwarmte geldt ook dat deze (naast
eigen vermogen) in staat moeten zijn om financiering op te halen uit de markt. Als
technieken een onrendabele top hebben en SDE++-subsidie kunnen ontvangen, dan zijn
de rentelasten in geprijsd in de subsidiebedragen.
Vraag 3
Gezien de rente die TenneT als netbeheerder moet betalen oploopt tot 5%, bent u bereid
om ook aan TenneT en andere netbeheerders renteloze leningen te verstrekken voor deze
investeringen, die essentieel zijn voor de oplossing van de netcongestie? Zo nee,
kunt u dat motiveren?
Antwoord 3
Zie het antwoord op vraag 2.
Vraag 4
Aangezien investeerders in hernieuwbare bronnen zoals zon, wind en warmte voor leningen
aangewezen zijn op de kapitaalsmarkt, bent u bereid om ook aan deze investeerders
renteloze leningen te verstrekken voor hun investering in de toekomstige energievoorziening
van Nederland? Zo nee, kunt u dat motiveren?
Antwoord 4
Zie het antwoord op vraag 2.
Vraag 5
Welke bedrag zal voor de investering in twee, of vier, kerncentrales via bijkomede
staatsschuld gefinancierd worden?
Antwoord 5
Ik werk op dit moment het Government Support Package (GSP) verder uit, wat ik daarna
aan de Europese Commissie zal voorleggen voor staatssteungoedkeuring. In de Kamerbief
van mei 2025 (Kamerstukken II, 2024/25, 32 645, nr.156) is een eerste bandbreedte van de totale investeringsomvang van twee nieuwe, grootschalige
kerncentrales toegelicht (€ 20–30 miljard, exclusief financieringslasten) gebaseerd
op de technische haalbaarheidsstudies. Het kabinet stelt een overheidssteunpakket
voor dat uitgaat van volledig publieke financiering in de eerste fase van het project
en sluit daarbij de optie voor private financiering (vanuit de kapitaalmarkt, of vanuit
de opdrachtnemer voor het project) op een later moment niet uit. Daarnaast is het,
bij de verdere uitwerking van het GSP, belangrijk oog te houden voor de impact van
de verschillende scenario’s op de staatsschuld.
Vraag 6
Welk deel van de inkomsten van nieuwe kerncentrales zal naar het Rijk vloeien? Op
welke termijn verwacht het Rijk dat het geïnvesteerde bedrag terugverdiend is en welke
rendement verwacht het Rijk op deze investering te halen doorheen de hele levenscyclus
van de nieuwe kerncentrales, daarbij rekening houdende met alle kosten inclusief die
voor berging van afval en ontmanteling van de centrales?
Antwoord 6
Op dit moment is nog geen helder beeld te geven van de absolute bedragen omdat deze
afhankelijk zijn van de omvang van de investering die pas duidelijk wordt als er een
gedetailleerd projectontwerp is gemaakt nadat er een locatie en techniek is geselecteerd.
Ook ben ik het GSP nog aan het vormgeven en moet het vereiste rendement nog worden
vastgesteld. Daarnaast zijn de bedragen ook afhankelijk van de marktprijzen tot in
elk geval 60 jaar in de toekomst. Desalniettemin is het de insteek dat het GSP zo
wordt ontworpen dat de investering over de levensduur per saldo meer opbrengt voor
de Staat dan dat deze kost. Initieel gaat het daarbij om de investering, waarvan gedurende
de operatie de lening aan de staat zal worden afgelost inclusief rente, waarbij gelijktijdig
ondersteuning plaatsvindt via een Contract for Difference (CfD). Na de aflossingsperiode
vloeit er ook dividend terug naar de aandeelhouder. In deze businesscase zitten de
kosten voor ontmanteling en kosteneffectieve tarieven voor de opslag van afval verwerkt.
Vraag 7
Gezien geen enkele marktpartij wil investeren in een kerncentrale in Borssele, waarom
maakt u de keuze hier niet het oordeel van de marktwerking te volgen, terwijl de laatste
supermarkt van Borssele dit jaar wel gesloten is door marktwerking en de rijksoverheid
geen maatregelen nam om de aanwezigheid van een supermarkt in het dorp te garanderen?
Antwoord 7
Het kabinet zet in op het vergroten van het aandeel van kernenergie in de energiemix
zodat de uitstoot van fossiele CO2 in de elektriciteitsproductie gereduceerd kan worden. Verder helpt kernenergie het
elektriciteitssysteem te diversifiëren waardoor internationale onafhankelijkheid en
autonomie toenemen, en het systeem robuuster wordt voor onder andere fluctuaties in
de productie uit wind- en zonne-energie. Uit het TNO rapport blijkt dat inzet van
nieuwe kerncentrales vergelijkbare kosten kent als andere energiesystemen in Nederland.
Om bovenstaande reden is kernenergie in het systeem wenselijk maarkomt het vanwege
de gepercipieerde financiële risico’s en aanzienlijke terugverdientijd niet vanzelf
in de markt tot stand.
Aanwezigheid van kernenergie biedt voordelen aan een regio zoals werkgelegenheid,
een duurzame bron voor oude en nieuwe industrie in de nabijheid e.d., maar kan ook
enige overlast veroorzaken. In o.a. een rijk-regio pakket worden afspraken gemaakt
om de regio zo goed mogelijk te ondersteunen en te laten profiteren van de aanwezigheid
van kerncentrales.
Vraag 8
Welk marktfalen ligt ten grondslag aan de oprichting en financiering van het staatsbedrijf
NEO? Is onderzocht op welke andere wijzen de energievoorziening veiliggesteld kan
worden, daarbij in ogenschouw nemend dat TNO in het rapport van (bijlage 4 bij de
brief van 17 oktober 2025) aangeeft dat een betrouwbare energievoorziening zonder
kerncentrales tegen dezelfde kosten mogelijk is?
Antwoord 8
Zie het antwoord op vraag 7.
Vraag 9
Gezien eventuele nieuwe kerncentrales ingezet zouden worden voor het leveren van baseload
en daarmee continu en op vol vermogen 10 á 20% van de benodigde elektriciteit zouden
opwekken en gezien de overige 80 á 90% van de elektriciteit van zonnepanelen en windmolens
zou komen, hoeveel uren per jaar verwacht u dat een deel van de zonne- en windenergie
dan zouden worden afgeschakeld («curtailment») omwille van de inflexibiliteit van
de kerncentrales?
Antwoord 9
Er zijn technische mogelijkheden om met een kerncentrale meer in te spelen op prijsprikkels
en dus op- en af te regelen. De eisen die hieraan zullen worden gesteld tijdens de
selectieprocedure worden nog ontwikkeld. Hierbij zal ook rekening worden gehouden
met de systeemvraagstukken en de impact op de subsidie-uitgaven (van alle technieken),
zodat een zo optimaal mogelijk eisenpakket rondom dit onderwerp kan worden opgesteld.
De Europese Commissie zal in het kader van de staatssteuntoets ook eisen dat kerncentrales
niet gestimuleerd worden om te produceren onder de marginale kostprijs, wat het geval
is als er op momenten veel aanbod is van hernieuwbare energie. Het is gegeven de verwachte
hoeveelheden geïnstalleerd vermogen van hernieuwbare energie daarom niet waarschijnlijk
dat kernenergie baseload zal draaien. Het gaat daarbij om een inzet van kernenergie
5500–6500 vollasturen per jaar in scenario’s met een relatief forse hoeveelheden opgesteld
hernieuwbaar vermogen. De eerste twee kerncentrales hebben daarbij een licht verlagend
effect op de gemiddelde elektriciteitsprijs in twee van de drie scenario’s die TNO
hiertoe heeft doorgerekend1. Dit geeft een indicatie van de misgelopen omzet door andere opwek die niet specifiek
kan worden toegerekend aan een bepaalde opwektechnologie.
Vraag 10
Kunt u een schatting geven van de hoeveelheid elektriciteit die zo niet zal worden
geoogst?
Antwoord 10
Zie het antwoord op vraag 9.
Vraag 11
Kunt u een schatting geven tot hoeveel inkomstenderving dit leidt bij de exploitanten
van de zonnepanelen en windmolens? Kunt u een schatting geven van welke capaciteit
aan zon- en windprojecten niet gebouwd zullen worden door de verslechtering van het
verdienmodel ten gevolge van de bouw van nieuwe kerncentrales?
Antwoord 11
Zie het antwoord op vraag 9.
Vraag 12
Kunt u een schatting geven van de bedragen die u in deze uren aan de kerncentrales
moet uitkeren op basis van de prijsgarantie die u aan hen geeft (het «Contract for
Difference»)?
Antwoord 12
Zie het antwoord op vraag 9.
Vraag 13
Kunt u, gezien uit eerdere antwoorden op vragen van de Kamer2,
3 bleek dat de Nederlandse kerncentrale afhankelijk is van Rusland door de dominante
positie in de uraniumketen aangeven in hoeverre de inspanningen van het kabinet hebben
geresulteerd in een vermindering van deze afhankelijkheid?
Antwoord 13
Het kabinet steunt maatregelen om import van uranium uit Rusland in de EU uit te bannen.
Nederland kent op dit moment ook geen directe afhankelijkheid van Rusland ten aanzien
van de elektriciteitsproductie van kernenergie, maar kent nog wel een indirecte afhankelijkheid
voor het hergebruik van uranium om daarmee de hoeveelheid radioactief afval te minimaliseren.
Elders in de wereld is er op dit moment geen alternatief voor de verwerkingsstap die
in Rusland hiervoor wordt uitgevoerd. Het kabinet is in gesprek met partijen uit de
nucleaire sector over een mogelijke alternatieve oplossing. Een alternatief vraagt
het nieuwbouwen of aanpassen van een nucleaire faciliteit. Het ontwerp en de realisatie
hiervan vraagt tijd en is kostbaar en moet daarom zorgvuldig gebeuren.
Vraag 14
Verwacht u dat de nieuwe kerncentrales geheel onafhankelijk van Rusland en staten
in diens invloedssfeer kunnen opereren? Op welke termijn zal dit gerealiseerd zijn?
Antwoord 14
Ten aanzien van de elektriciteitsproductie zijn de nieuwe kerncentrales niet afhankelijk
van Rusland. De indirecte afhankelijkheid van Rusland in de back-end van de brandstofcyclus
kan doorbroken worden wanneer er a) op termijn een alternatieve route voor het verwerken
van hergebruikt uranium komt of b) door uranium niet her te gebruiken. Het kabinet
kijkt naar beide opties. Mocht er geen alternatief komen voor de stap in Rusland,
dan zal het kabinet een weging moeten maken tussen het belang van hergebruik en het
doorbreken van deze afhankelijkheid. De keuze voor wel of niet opwerken en hergebruiken
van uranium is op dit moment nog niet gemaakt.
Vraag 15
Welke garanties kunt u daarvoor geven? En waar zal de splijtstof voor nieuwe kerncentrales
vandaan komen?
Antwoord 15
Uranium is veelvoorkomende grondstof, maar om uranium te kunnen gebruiken als brandstof
in een kerncentrale moeten er verschillende stappen worden doorlopen (mijnen, conversie,
verrijken en productie splijtstofstaven). Voor een groot deel van de splijtstofcyclus
kan er een beroep gedaan worden op partijen binnen de EU. Alleen voor het mijnen van
uraniumerts zal er beroep gedaan moeten worden op landen buiten de EU. Hierbij geldt
echter dat er geen afhankelijkheid is van één land, maar dat er een ruim en divers
aanbod is van natuurlijk uranium (onder andere uit Kazachstan, Canada, Namibië, Australië
en Oezbekistan) en daarom hoeft uranium niet vanuit Rusland te worden geïmporteerd.
Vraag 16
Op welke wijze zijn de in oktober 2025 door IPSOS bevraagde inwoners van Groningen,
Zuid-Holland en Zeeland vooraf geïnformeerd over de verschillende aspecten rondom
de bouw van kerncentrales?
Antwoord 16
De bevraagde inwoners zijn niet vooraf inhoudelijk geïnformeerd door IPSOS over de
verschillende aspecten rondom de bouw van kerncentrales. Het doel van het onderzoek
was het bestaande sentiment meten onder inwoners en het vastleggen van meningen en
opvattingen en informatie vooraf had dat kunnen beïnvloeden. Het onderzoek was geen
draagvlaktoets voor een inhoudelijk plan, maar een peiling van welke zorgen er leven
en welke kansen worden gezien wanneer in hun gebied twee nieuwe kerncentrales worden
gerealiseerd.
Vraag 17
Waarom zijn de inwoners van deze provincies nog niet geïnformeerd over de resultaten
van de enquête?
Antwoord 17
Het eindrapport van IPSOS is in februari 2026 opgeleverd en is daarna op hoofdlijnen
besproken met de decentrale overheden. Daarna is het samen met meerdere andere onderzoeken
onderdeel van de concept Integrale Effectenanalyse (IEA). Op 19 juni is uw Kamer geïnformeerd
over deze uitkomsten en zijn alle onderliggende onderzoeksrapporten van de concept
IEA en de plan-MER gepubliceerd4.
Vraag 18
Wanneer heeft bureau IPSOS de bevindingen met u gedeeld? Kunt u deze rapportage met
de Kamer en met de ge-enquêteerden delen?
Antwoord 18
Zie het antwoord op vraag 17.
Vraag 19
Welke rol kan een subjectieve peiling als deze spelen bij de locatiekeuze, die op
de objectieve gegevens uit de MER en de IEA zal moeten zijn gebaseerd?
Antwoord 19
Gebaseerd op gesprekken met bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en
decentrale overheden (in Nederland, Duitsland en België/Vlaanderen) over de mogelijke
bouw van twee kerncentrales, zijn zorgen die leven en kansen die worden gezien in
de omgeving van de zoekgebieden geïnventariseerd. Deze zorgen en kansen hebben geleid
tot een kwalitatief beeld, dat staat uitgeschreven in het onderdeel «Omgevingsbeeld»
van de concept IEA. In aanvulling hierop is dit beeld getoetst met een bewonersonderzoek
dat is uitgevoerd voor IPSOS. Er is onderzocht of alle zorgen en kansen in de gebieden
goed in beeld zijn gebracht, in welke mate deze spelen en of hierin verschillen zijn
tussen de gebieden. Het omgevingsbeeld is hiermee uitgebreider dan gebruikelijk in
projectprocedures. Het vormt samen met de andere onderdelen van de concept IEA en
de plan-MER informatie die betrokken wordt in de locatiekeuze voor de nieuwbouw van
de kerncentrales.
Vraag 20
Kunt u duidelijkheid verschaffen over de hoeveelheid kernafval die de nieuwe centrales
zullen produceren door de volgende feitelijke gegevens te delen met de Kamer:
– een overzicht van de afvalstromen van de huidige kerncentrale en van de twee resp.
vier nieuwe kerncentrales;
– een overzicht van de hoeveelheden die de centrales per jaar genereren aan hoogradioactief
afval, aan middel- en laagradioactief afval en aan verarmd uranium;
– in gewichts- en volume-eenheden;
– met per categorie afval de noodzakelijke bewaartermijn?
Antwoord 20
Bij benadering is de inschatting dat de kerncentrale Borssele (KCB) de volgende hoeveelheden
radioactief afval produceert: ongeveer 5,6 m3 Hoogradioactief afval (HRA) en 50 m3 Laag en Middelradioactief afval (LMRA) per jaar (bron Masterplan COVRA 2050). Het
radioactieve afval wordt tijdelijk bovengronds bij COVRA bewaard, waarna het langdurig
radioactieve afval opgeslagen zal worden in een definitieve eindberging.
De hoeveelheid radioactief afval dat geproduceerd zal worden door de nieuwe kerncentrales
is afhankelijk van meerdere factoren. Denk hierbij aan de keuze voor type reactor,
reactorontwerp, splijtstofontwerp, cyclusduur en keuze voor opwerken splijtstofelementen
voor hergebruik van grondstoffen en wel of niet gebruik maken van een plasma oven
voor reductie van de hoeveelheid afval. Op dit moment zijn veel van deze factoren
niet bekend en de exacte hoeveelheden zijn daarom nu niet goed in te schatten. Het
kabinet neemt de hele brandstofcyclus (front-end en back-end) mee in de besluitvorming.
Vraag 21
Hoe kijkt u naar de Eemshaven als potentiële locatie voor nieuwe kerncentrales in
het licht van de morele ereschuld van het Rijk naar Groningen na de schade ten gevolge
van het opboren van gas in de provincie en in het licht van de toezeggingen van uw
voorgangers dat de locatie Eemshaven slechts is meegenomen omdat het juridisch niet
anders kon?
Antwoord 21
In de Kamerbrief van 19 juni 2026 licht het kabinet toe dat een tussenstap in de procedure
om te komen tot een voorkeurslocatie voor de kerncentrales nodig is. Uit de uitgevoerde
locatiestudies volgt dat twee locaties in de Eemshaven op technische aspecten het
beste scoren. In de Kamerbrief wordt dit onderzoeksresultaat van duiding voorzien.
Belangrijk element van deze duiding is dat draagvlak voor de locatie Eemshaven ontbreekt,
zoals ook volgt uit moties waarin de Tweede Kamer, provinciale staten en gemeenteraden
zich uitspreken tegen de komst van kerncentrales in Groningen. Het kabinet houdt mede
daarom vast aan de lijn van voorgaande kabinetten, waarbij is afgesproken dat, als
na het uitvoeren van de onderzoeken meerdere locaties geschikt blijken te zijn voor
de bouw van kerncentrales, de voorkeur zal worden gegeven aan een locatie in Zeeland.
Zoals ook in de brief wordt toegelicht is de inpassing van de kerncentrales in Zeeland
om technische redenen complex. Ik ga over de uitkomsten van de onderzoeken in gesprek
met betrokkenen in zowel Zeeland als Groningen. Beide locaties vragen nadere uitwerking
waarover uw Kamer later in het jaar wordt geïnformeerd.
Vraag 22
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor het eerstvolgende commissiedebat
Kernenergie?
Antwoord 22
Ja, de vragen zijn voor het Commissiedebat Kernenergie van 2 juli beantwoord. Bij
een aantal antwoorden is sprake van een grote inhoudelijke overlap, deze antwoorden
zijn samengevoegd.
Ondertekenaars
J. de Bat, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.