Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de beleidsreactie bij het advies van de Gezondheidsraad 'Risicoreductie en vroegdiagnostiek dementie' (Kamerstuk 25424-782)
25 424 Geestelijke gezondheidszorg
Nr. 804
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 30 juni 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over
de brief van 19 maart 2026 over de beleidsreactie bij het advies van de Gezondheidsraad
«Risicoreductie en vroegdiagnostiek dementie» (Kamerstuk 25 424, nr. 782).
De vragen en opmerkingen zijn op 21 april 2026 aan de Minister van Langdurige Zorg,
Jeugd en Sport voorgelegd. Bij brief van 30 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Heller
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
6
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
6
II.
Reactie van de Minister
10
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de beleidsreactie
bij het advies van de Gezondheidsraad «Risicoreductie en vroegdiagnostiek dementie».
Daartoe hebben deze leden een aantal vragen.
De Gezondheidsraad heeft geadviseerd om primair in te zetten op preventieve maatregelen
die het risico op ontwikkelen van dementie kunnen verkleinen, en pleit ervoor om bestaande
preventieve maatregelen ter preventie van andere chronische aandoeningen met dezelfde
risicofactoren te versterken en te verbreden. Daarnaast wordt gesteld dat de inzet
op een gezonde leefstijl kan bijdragen aan de risicoreductie van dementie. Daartoe
vragen de leden van de D66-fractie welke concrete acties de Minister hier nu al op
onderneemt, naast het starten van de Coalitie Leefstijl in de Zorg?
Er wordt momenteel onderzoek gedaan naar onder andere de (kosten)effectiviteit van
dementie risicoreductie via individueel leefstijladvies. Daartoe vragen de leden van
de D66-fractie of er ook gekeken wordt naar het gezonder inrichten van de samenleving
in bredere zin. Bijvoorbeeld door meer actie te ondernemen op het creëren van meer
openbare beweegruimte en een gezonde omgeving? Zo ja, welke dingen gebeuren er concreet?
Op welke wijze en op welke termijn wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang?
Zo nee, waarom wordt hier momenteel nog geen actie op ondernomen?
Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat er verkend wordt of het opportuun
is om via het afwegingskader ook een casus uit te werken op het gebied van dementie.
Daartoe vragen deze leden wanneer het besluit hierover verwacht kan worden
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de reactie van
de Minister over het advies van de Gezondheidsraad. Deze leden hebben nog wel een
aantal vragen hierover.
De leden van de VVD-fractie lezen dat in Nederland één op de vijf mensen dementie
krijgt. Bij vrouwen ligt dit aanzienlijk hoger. Eén op de drie vrouwen krijgt te maken
met dementie. Kan de Minister aangeven welke gevolgen dit grote verschil heeft voor
haar preventiebeleid? Ziet zij aanleiding en mogelijkheden om specifiek beleid te
voeren gericht op vrouwen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
De leden van de VVD-fractie lezen dat het RIVM aan het verkennen is of het opportuun
is om via het afwegingskader voor het investeringsmodel preventie een casus uit te
werken op gebied van dementie. Kan de Minister aangeven wanneer zij verwacht dat hierover
een knoop doorgehakt kan worden?
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat causaal bewijs tussen preventieve maartregelen
op risicofactoren voor dementie en de daadwerkelijke verlaging van het aantal dementiegevallen
lastig te onderbouwen is. Toch geeft de Minister aan dat er verschillende initiatieven
zijn gestart en er subsidies zijn vergeven. Kan de Minister toelichten of zij kan
waarborgen dat dit zinvol is, aangezien de risicofactoren die de kans op dementie
zouden verhogen, nog niet zijn aangetoond?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister groot belang hecht aan het tijdige
organiseren van zorg voor mensen met dementie. Dit is bij dementie extra belangrijk
omdat de wilsbekwaamheid vervalt. Heeft de Minister er zicht op of ouderen in Nederland
hier regelingen toe getroffen hebben? Kan zij aangeven hoe groot de groep is bij wie
dit (waarschijnlijk) nog niet geregeld is? Is het voor ouderen of andere risicogroepen
duidelijk wat zij bij een notaris, bank en/of huisarts moeten regelen? Wordt er genoeg
gedaan om deze groepen de informeren over het belang van het vastleggen wat zij willen
mochten zij worden overvallen door dementie?
De leden van de VVD-fractie lezen dat er binnen het onderzoeksprogramma dementie van
ZonMw onderzoek gedaan wordt wat het Nederlands zorgstelsel nodig heeft als in de
toekomst meerdere therapeutische behandelingen beschikbaar komen. Kan de Minister
aangeven hoe zij ervoor kan zorgen dat de Nederlandse zorg hier klaar voor is, wanneer
deze doorbraken er zijn? Hoe wordt het patiënten- en mantelzorgperspectief hierin
meegenomen?
De leden van de VVD-fractie begrijpen tot slot dat diagnosestelling bij mensen met
een al aanwezige verstandelijke beperking vaak ingewikkeld is. Kan de Minister aangeven
hoe zij wil bereiken dat juist ook deze groep beter bereikt wordt? Is de kennis hierover
genoeg aanwezig in Nederland? Op welke manier kan zij zorgverleners hier beter toe
helpen voorbereiden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de fractie van PRO hebben kennisgenomen van de beleidsreactie bij het
advies van de Gezondheidsraad «Risicoreductie en vroegdiagnostiek dementie». Zij hebben
hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de fractie van PRO lezen dat in Nederland één op de vijf mensen dementie
heeft en dat bij vrouwen dat zelfs één op de drie is. Kan nader toegelicht worden
welke oorzaken mogelijk ten grondslag liggen aan dit verschil waarbij vrouwen vaker
dementie hebben? Zij lezen tevens dat de zorgkosten voor dementie naar verwachting
naar € 15,6 miljard zullen stijgen in 2040. Zou nader toegelicht kunnen worden hoe
deze inschatting is gemaakt en hoe de kosten zijn opgebouwd? Zou tevens nader per
tabel een vergelijking kunnen geschetst worden met andere veelvoorkomende aandoeningen
bij ouderen en de daarmee geassocieerde kosten?
De leden van de PRO-fractie lezen dat dementie in alle gevallen bijzonder ingrijpend
voor de mensen met dementie en hun naasten is. Zij herkennen dit beeld en vragen de
Minister welke ondersteuningsmogelijkheden er bestaan voor naasten van mensen met
dementie. Op welke wijze worden naasten goed meegenomen in en voorbereid op het verdere
verloop van de ziekte? Zij willen daarnaast graag het belang van dementievriendelijke
buurten onderstrepen. Op welke wijze zet het kabinet zich in voor het dementievriendelijk
inrichten van buurten? Hoe stimuleren zij initiatieven die zich hiervoor inzetten?
De leden van de PRO-fractie lezen dat de beschikbare methoden voor vroegdiagnostiek
nog onvoldoende betrouwbaar zijn om buiten de specialistische ziekenhuiszorg breed
toe te passen. Welke onderzoeken lopen er momenteel zowel binnen als buiten Nederland
om de methoden te verbeteren? Deelt de Minister de mening van de leden van de fractie
PRO dat, ondanks dat dementie (momenteel) niet te genezen is, een tijdige diagnose
wel heel belangrijk is? Bestaat de mogelijkheid om binnen een aantal Alzheimercentra
alvast te starten met voorbereidingen op de komst van mogelijke nieuwe medicijnen,
zodat zorgprofessionals zich kunnen blijven ontwikkelen in deze innovaties? Hoe wordt
in dit proces het perspectief van patiënten en mantelzorgers meegenomen?
Genoemde leden lezen tevens dat de Gezondheidsraad adviseert om primair in te zetten
op preventieve maatregelen die het risico op het ontwikkelen van dementie kunnen verkleinen
en pleit ervoor om de bestaande maatregelen ter preventie van andere chronische aandoeningen
met dezelfde risicofactoren te versterken en te verbreden. Zij onderstrepen het belang
van effectieve preventieve maatregelen, die ook aangekaart worden bij de brede bevolking.
Wat is de huidige status van het investeringsmodel preventie? Wanneer kan de Kamer
een afwegingskader voor het investeringsmodel preventie verwachten? Wat gaat de Minister
specifiek doen voor qua preventie voor groepen met een lagere sociaaleconomische status?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de beleidsreactie op het advies
van de Gezondheidsraad over risicoreductie en vroegdiagnostiek van dementie. Deze
leden lezen dat de Minister de nadruk op preventie omarmt en deze wil inbedden in
bestaand beleid, onder meer via de Samenhangende preventiestrategie, de geactualiseerde
Nationale Dementiestrategie, het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg en de uitwerking van
de basisfunctionaliteit dementie binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA).
Ook lezen deze leden dat met het Nederlandse Huisartsen Genootschap (NHG) wordt bezien
wat het advies betekent voor de omgang met hoge bloeddruk als risicofactor. Daarover
hebben zij enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister per genoemd beleidstraject concreet
uiteen te zetten welke nieuwe maatregelen specifiek gericht zijn op risicoreductie
van dementie, en welke onderdelen slechts voortzetting zijn van reeds bestaand beleid.
Ook vragen deze leden hoe de Minister voorkomt dat de verwijzing naar meerdere bestaande
akkoorden, strategieën en beleidslijnen in de praktijk vooral leidt tot stapeling
van goede intenties, zonder dat dit resulteert in concreet merkbare preventieve inzet.
Deze leden vragen voorts welke concrete, meetbare doelstellingen de Minister aan deze
preventiebenadering verbindt als het gaat om dementierisico, en op welke termijn zichtbaar
moet worden of deze inzet daadwerkelijk effect sorteert.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister nader toe te lichten wat de uitwerking
van de basisfunctionaliteit dementie binnen het AZWA precies zal toevoegen aan het
bestaande beleid, en welke preventieve component daarin expliciet wordt opgenomen.
Deze leden vragen de Minister tevens aan te geven wat de basisfunctionaliteit dementie
naar verwachting oplevert voor mensen met dementie, professionals en hun naasten.
Ook vragen zij de Minister wanneer de kaders voor de basisfunctionaliteit dementie
beschikbaar zijn.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister uiteen te zetten wat zij, mede in overleg
met het NHG, concreet wil veranderen ten aanzien van hoge bloeddruk als risicofactor
voor dementie. Zij vragen of daarbij bijvoorbeeld wordt gedacht aan aanpassing van
richtlijnen, intensievere signalering, eerdere behandeling of extra bewustwording
in de spreekkamer. Deze leden vragen voorts wanneer de Minister verwacht de Kamer
te informeren over de uitkomsten van het overleg met het NHG over hoge bloeddruk en
dementierisico. Ook vragen deze leden hoe de gelden voor dementie beschikbaar vanuit
het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg exact worden ingezet.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe er in andere Europese landen wordt
omgegaan met de inzet van vroegdiagnostiek. Deze leden willen ook graag weten wat
de Minister onderneemt om te zorgen voor voldoende Casemanagers Dementie en hoe de
Minister aankijkt tegen het idee van Alzheimer Nederland om in een aantal Alzheimer
centra al te beginnen met het voorbereiden op eventuele medicijnen.
Deze leden vragen tot slot of de Minister bereid is de Kamer periodiek te informeren
over de voortgang van de preventieve inzet op dementie, juist om te kunnen beoordelen
of de uitgesproken beleidsintentie ook daadwerkelijk wordt omgezet in uitvoerbaar
en toetsbaar beleid.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de beleidsreactie op het advies
van de Gezondheidsraad over risicoreductie en vroegdiagnostiek van dementie en hebben
hierover nog enkele vragen aan de Minister.
De Minister benadrukt volgens de leden van de CDA-fractie terecht het belang van preventie.
Daarbij is aandacht voor het individu belangrijk, met zoveel mogelijk eigen regie
nadat dementie is vastgesteld en met aandacht voor een gezonde leefstijl. Ook is er
aandacht voor het verbeteren van afspraken over samenwerking op het snijvlak van publieke
gezondheid, zorg en het sociaal domein, rond het thema dementie via het AZWA.
Deze leden vragen welke rol de Minister ziet voor de omgeving en de samenleving als
geheel in het kader van preventie. Als de samenleving beter leert omgaan met de aanwezigheid
van dementie in de directe leefomgeving, helpt dat om problemen eerder te signaleren
en beter te dragen. Dat vergroot volgens deze leden het onderlinge begrip en draagt
bij aan een meer zorgzame samenleving, waarin mensen elkaar sneller weten te vinden
en ondersteunen. Deze leden vragen of de Minister dit deelt en zo ja, hoe dit vorm
krijgt in het beleid de komende jaren, ook ten aanzien van het afsluiten van het bestuurlijk
akkoord voor de ouderenzorg.
De leden van de CDA-fractie vragen wanneer er meer bekend wordt of het RIVM ook een
afwegingskader voor dementie uit gaat werken. Ook vragen deze leden op welke manier
er bij preventie aandacht is voor groepen met een lage sociaaleconomische status.
De leden van de CDA-fractie lezen dat ook de Minister benoemt dat hoewel dementie
niet te genezen is, een tijdige diagnose voor mensen met dementie en hun naasten belangrijk
is. In de praktijk wordt vaak alleen «dementie» vastgesteld, zonder de onderliggende
oorzaak te specificeren, zoals Alzheimer, Lewy body of vasculaire dementie. Dat kan
echter meerwaarde hebben, omdat zorg en ondersteuning dan gerichter kunnen worden
ingezet en er meer begrip in de omgeving ontstaat. Hoe kijkt de Minister hiertegen
aan, zo vragen deze leden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
De leden van 50PLUS-fractie danken de Minister voor het toezenden van de beleidsreactie.
Zij willen hierover nog een vraag stellen.
Genoemde leden juichen toe dat er meer aandacht is voor de inzet op een gezonde leefstijl
als mogelijke manier van risicoreductie. Op pagina 3/4 staat vermeld dat eerste onderzoeksresultaten
hierop wijzen, maar «daarbij geldt wel dat de kosteneffectiviteit nog beter moet onderbouwd».
En: «De ambitie is om leefstijl integraal onderdeel te maken van de reguliere zorg
voor mensen met een gezondheidsklacht, aandoening of ziekte».
Hoe kijkt de Minister naar de stelling dat preventie en het bevorderen van gezonde
levensstijl de primaire uitgangspunten zouden moeten zijn, in plaats van een ambitie?
Bij dementie, maar zeker daarvoor niet alleen, maar zorgbreed?
De aandacht voor casemanagement als standaard is volgens de leden van de 50PLUS-fractie
terecht. Het is goed om te lezen dat de casemanager al in een vroegtijdig stadium
mag worden ingeschakeld. Zijn er voldoende casemanagers om te voldoen aan de vraag?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het advies van de Gezondheidsraad
en de bijbehorende Kamerbrief van de Minister. Deze leden nemen nota van de conclusie
van de raad dat vroegdiagnostiek via bloedbiomarkers thans geen bewezen meerwaarde
heeft voor brede inzet buiten de specialistische zorg. Deze leden menen echter dat
een aantal kernargumenten van het advies te kort door de bocht is en te weinig recht
doet aan het snel veranderende wetenschappelijke landschap. Zij hebben hierover de
volgende vragen en opmerkingen aan de Minister.
De leden van de Groep Markuszower constateren dat de Gezondheidsraad stelt dat bloedbiomarkers
«niet betrouwbaar genoeg» zijn voor brede inzet buiten de specialistische zorg. Deze
leden merken op dat het advies hiermee voorbijgaat aan recentelijk gepubliceerde,
peer-reviewed literatuur die een aanzienlijk hogere diagnostische betrouwbaarheid
aantoont. Zo publiceerde Nature Medicine (2025) een studie onder 1.767 patiënten in
vier secundaire zorgcohorten en één huisartsencohort in vier Europese landen, waarbij
geautomatiseerde plasma p-tau217-meting een nauwkeurigheid bereikte van 89–91 procent
in de tweede lijn en 85 procent in de eerste lijn. Een meta-analyse gepubliceerd in
Alzheimer's & Dementia (2025, n = 30 studies) toonde voor plasma p-tau217 een sensitiviteit
van 82 procent en een specificiteit van 86 procent voor amyloïdpositiviteit aldus
vergelijkbaar met, en in sommige gevallen superieur aan, klassieke liquordiagnostiek.
Lancet Neurology (2025) concludeerde bovendien in een systematische review dat plasma
p-tau217 een sterk nauwkeurige biomarker is met potentie voor klinische implementatie1. Genoemde leden vragen de Minister of zij het advies van de Gezondheidsraad op dit
punt nader wil laten bezien in het licht van publicaties die na de sluitingsdatum
van de literatuurreview zijn verschenen, en of zij bereid is een actuele wetenschappelijke
update, in conjunctie met een technische briefing in samenwerking met Amsterdam UMC,
hierover aan de Kamer aan te bieden.
De leden van de groep Markuszower constateren dat het advies van de Gezondheidsraad
vroegdiagnostiek vrijwel uitsluitend beoordeelt op de vraag of hiermee individuele
ziekteprogressie kan worden voorspeld. Hierdoor wordt het wetenschappelijk breed erkende
doel van risicostratificatie ten behoeve van klinisch onderzoek en toekomstige therapiegeschiktheid
buiten beschouwing gelaten.
Bloedbiomarkers, met name plasma p-tau217, worden internationaal reeds ingezet om
deelnemers voor klinische trials met ziekte-modificerende middelen (lecanemab, donanemab)
te selecteren, waardoor kostbare en invasieve amyloïd-PET-scans kunnen worden beperkt.
De Alzheimer's Association heeft hier in 2022 expliciete «appropriate use recommendations»
voor uitgebracht. Een biomarker hoeft niet perfect prognostisch te zijn om legitiem
voor stratificatiedoeleinden te worden gebruikt2.
De leden van de groep Markuszower vragen de Minister te bevestigen of te weerleggen
of het advies van de Gezondheidsraad ook de toepassing van bloedbiomarkers voor klinische
trialselectie beoordeelt, dan wel of dit buiten beschouwing is gelaten, en wat haar
standpunt hierover is.
Genoemde leden merken op dat het advies van de Gezondheidsraad zich beperkt tot bloed-
en liquorbiomarkers en niet rept van alternatieve biofluid-diagnostiek zoals traanvloeistof
(lacrimal fluid). Een in Scientific Reports (2021) gepubliceerde observationele studie
van het Alzheimer Centrum Limburg (Maastricht UMC+) toonde aan dat tau-eiwitten (t-tau)
in traanvocht aantoonbaar zijn en significant hoger liggen bij dementiepatiënten dan
bij patiënten met vroege cognitieve klachten. Traanvocht biedt als bijkomend voordeel
dat het volledig non-invasief kan worden verzameld. Verdere validatie is nodig, maar
het ontbreken van dit onderzoeksspoor in het advies achten deze leden een lacune3.
Is de Minister bereid te bezien of het lopende onderzoek naar traanvloeistofdiagnostiek,
ook in Nederlandse onderzoekscentra, deel kan uitmaken van de nationale dementieonderzoeksagenda?
Zo nee, op welke grond?
De leden van de groep Markuszower constateren dat de Gezondheidsraad mede het argument
van psychologische belasting voor patiënten aanvoert als reden om vroegdiagnostiek
te ontraden. Deze leden erkennen dat dit een reëel punt van zorg kan zijn, maar stellen
dat dit argument in zijn huidige formulering onvoldoende wordt genuanceerd.
Ten eerste toont de wetenschappelijke literatuur aan dat de vrees voor psychologische
schade bij het bekendmaken van biomarkerresultaten minder empirisch gefundeerd is
dan vaak wordt aangenomen. Grill et al. (Neurology 2023) concluderen dat vragen over
de wenselijkheid van het meedelen van biomarkerresultaten steeds meer plaatsmaken
voor het inzicht dat dit over het algemeen veilig is en dat veel mensen hun uitslag
willen kennen. Ten tweede geldt dit in versterkte mate wanneer de uitslag wordt gecombineerd
met begeleiding en counseling vooraf. Patiënten met klachten of een familiaire belasting
wensen doorgaans wél te weten waar zij aan toe zijn, het paternalistisch onthouden
van diagnostische informatie gaat voorbij aan autonomie als kernwaarde in de gezondheidszorg.
De leden van de Groep Markuszower vragen de Minister op welke empirische basis de
Gezondheidsraad de psychologische last weegt, en of zij bereid is een afzonderlijk
onderzoek te laten uitvoeren naar de feitelijke psychologische uitkomsten van het
bekendmaken van biomarkerresultaten in de Nederlandse context, inclusief de wensen
van patiënten en mantelzorgers.
De leden van de Groep Markuszower constateren dat een cruciaal draagvlak van het negatieve
advies de stelling is dat er geen effectieve therapeutische behandeling beschikbaar
zou zijn. Zij wijzen de Minister op twee relevante ontwikkelingen die dit standpunt
nuanceren.
Ten eerste zijn lecanemab (Leqembi) en donanemab in 2025 door de Europese Commissie
goedgekeurd voor de Europese markt. Zorginstituut Nederland heeft in februari 2026
negatief geadviseerd over vergoeding van lecanemab vanuit het basispakket, vanwege
het als beperkt beoordeelde klinische effect. Alzheimer Nederland heeft aangegeven
teleurgesteld te zijn in dit besluit en benadrukt dat patiënten samen met hun arts
moeten kunnen besluiten of zij een behandeling willen. Juist voor beide middelen geldt
dat vroegdiagnostiek een absolute voorwaarde is: ze zijn uitsluitend inzetbaar in
het vroegste stadium van Alzheimer. Een beleid dat vroegdiagnostiek ontmoedigt, ondermijnt
daarmee de toekomstige toegankelijkheid van ziekte-modificerende therapieën zodra
vergoeding wél aan de orde is.
Ten tweede bestaat een veelbelovende therapeutische modaliteit in de vorm van therapeutische
plasma-uitwisseling met albumine (therapeutic plasma exchange, TPE). De AMBAR-studie (fase IIb/III, Alzheimer's & Dementia 2020; n = 347 gerandomiseerde patiënten, 41
centra in Spanje en de VS) toonde een statistisch significante vertraging van cognitieve
en functionele achteruitgang aan bij patiënten met milde tot matige Alzheimer. Een
real-world-cohortonderzoek uit Argentinië (Taragano et al., 2025; n = 32) ondersteunt de externe validiteit
van deze bevindingen4. De leden van de Groep Markuszower vragen de Minister of zij het advies van de Gezondheidsraad
ook op het punt van beschikbare en in ontwikkeling zijnde therapieën nader wil laten
bezien.
De leden van de Groep Markuszower merken op dat naast diagnostische vraagstukken ook
een specifieke therapeutische technologie nadere aandacht verdient: nanofiltratietechnieken
en immunoselective nanopheresis. Bij deze aanpak wordt bloed of liquor door een nanoscopisch
filter geleid dat amyloïd-bèta en tau-eiwitten selectief verwijdert op basis van grootte
en lading. Een in International Journal of Molecular Sciences (2024) gepubliceerde
review beschrijft de wetenschappelijke grondslagen van deze benadering en de potentie
ervan bij de ziekte van Alzheimer. Het onderliggende mechanisme sluit aan bij de «peripheral
sink hypothesis» die ook de grondslag vormt van de AMBAR-studie5.
Deze leden constateren dat Nederland over sterke infrastructuur beschikt op het gebied
van dementieonderzoek (onder meer via Alzheimer Centrum Amsterdam, Alzheimer Centrum
Limburg en de nationale Dementiestrategie) en dat er in beginsel mogelijkheden bestaan
om in samenwerking met academische centra, ziekenhuizen en industrie pilots op te
zetten voor nanofiltratietechnieken bij Alzheimer.
De leden van de Groep Markuszower vragen de Minister of zij bereid is te laten onderzoeken
of nanofiltratietechnieken als therapeutische aanpak bij Alzheimer wetenschappelijk
en klinisch kansrijk zijn, en of zij vervolgens bereid is in gesprek te gaan met relevante
partners, waaronder universitair medische centra, Alzheimer Nederland en eventuele
industriële partijen, om de haalbaarheid van een pilot in Nederland te verkennen.
Zo nee, op welke grond acht de Minister dit niet opportuun?
De leden van de Groep Markuszower merken op dat wetenschappelijke adviezen over snel
evoluerende medische technologieën per definitie een houdbaarheidsdatum kennen. Het
advies sloot de literatuurreview in 2025, maar publicaties uit datzelfde jaar, waaronder
een grote meta-analyse in Lancet Neurology (september 2025) en studies in Nature Medicine
en Nature Aging, geven aanleiding tot herbeoordeling. Genoemde leden maken zich zorgen
dat beleid wordt gebaseerd op een momentopname die de internationale wetenschappelijke
stand van zaken niet langer volledig weerspiegelt.
Is de Minister bereid toe te zeggen dat zij de Gezondheidsraad verzoekt het advies
over vroegdiagnostiek periodiek, bij voorkeur jaarlijks, te actualiseren in het licht
van nieuwe literatuur, en de Kamer hierover te informeren? Is zij voorts bereid toe
te zeggen dat de aanbeveling om vroegdiagnostiek te ontraden niet permanent als beleidslijn
wordt verankerd, maar uitdrukkelijk als een huidige, tijdgebonden conclusie wordt
gepresenteerd?
De leden van de Groep Markuszower constateren dat de tijdelijke commissie van de Gezondheidsraad
die dit advies opstelde, uitsluitend bestaat uit academisch-wetenschappelijke en medischspecialistische
leden. Alzheimer Nederland (de grootste patiënten- en mantelzorgersorganisatie op
dit terrein) is daarin niet als geraadpleegde deskundige vertegenwoordigd6. Dit is frappant. Het gaat om een advies dat direct het belang raakt van patiënten
en mantelzorgers: de wens om te weten, de waarde van autonomie en de ervaringskennis
van het leven met dementie. De Gezondheidsraad stelt in zijn werkwijze dat commissies
multidisciplinair worden samengesteld en dat ervaringsdeskundigheid daarin uitdrukkelijk
een rol speelt. Alzheimer Nederland heeft echter pas ná publicatie van het advies
kunnen reageren, zonder enige invloed op de totstandkoming ervan te hebben gehad.
Daarmee ontbreekt structureel het patiëntenperspectief in een advies dat mede op psychologische
en ethische gronden vroegtijdige diagnostiek ontraadt.
De leden vragen de Minister of Alzheimer Nederland geconsulteerd is tijdens de totstandkoming
van het advies. Zo nee, acht zij dit een tekortkoming in het adviesproces? Erkent
de Minister dat een advies over de wenselijkheid van vroegdiagnostiek dat de stem
van patiënten en mantelzorgers niet structureel meeneemt, per definitie een onvolledig
beeld geeft? Is zij bereid dit bij toekomstige adviestrajecten over dementie te corrigeren,
en erkent zij de gesignaleerde tekortkomingen in het voorliggende advies?
Tot slot vragen de leden of de Minister, mede in het licht van de bovenstaande overwegingen,
bereid is een pilotprogramma voor biomarkerdiagnostiek bij hoog-risicogroepen (familiaire
belasting, APOE ε4- dragerschap, vroege klachten) te overwegen ten behoeve van stratificatie
en onderzoeksdeelname, en de uitkomsten daarvan aan de Kamer voor te leggen. Deze
leden wijzen de Minister in dit verband op het amendement van het lid Claassen7 inzake een nationaal versnellingsprogramma Minimaal Invasieve Dementiediagnostiek
(MIDD), dat voorzag in geoormerkte middelen voor precies dit doel: bloedbiomarkers
als triageinstrument, waarbij een negatieve bloedtest verdere invasieve diagnostiek
voorkomt en een positieve bloedtest gerichte doorverwijzing naar amyloïd-PET mogelijk
maakt. Dit triage-model leidt niet alleen tot minder belasting voor patiënten en minder
gebruik van schaarse PET-capaciteit, maar ook tot een substantiële reductie van stralingsbelasting
bij patiënten bij wie pathologie op grond van de bloedtest onwaarschijnlijk is. Genoemde
leden betreuren dat dit amendement ingetrokken is naar aanleiding van de ontrading
en vragen de Minister of zij de beleidsmatige doelstelling achter dat amendement alsnog
onderschrijft en langs een andere weg wil realiseren.
Deze leden merken voorts op dat de onderhavige inbreng zich heeft geconcentreerd op
de ziekte van Alzheimer, hetgeen de prevalentieproportie binnen het dementiesyndroom
rechtvaardigt: Alzheimer is verantwoordelijk voor circa twee derde van alle dementiegevallen
in Nederland. De leden van de Groep Markuszower benadrukken echter dat de hierboven
uiteengezette argumenten in wezenlijke mate ook opgaan voor andere neurodegeneratieve
aandoeningen, zij het met andere diagnostische en therapeutische nuances. Voor de
ziekte van Parkinson, Lewy body-dementie en fronto-temporale dementie bestaan eveneens
biomarkertrajecten in ontwikkeling; bij vasculaire dementie spelen modificeerbare
vaatrisicofactoren een nog prominentere rol. Is de Minister bereid binnen de uitvoering
van de NDS 2026–2030 per dementievorm een concreet actieplan voor de diagnostische
agenda op te stellen (in het bijzonder de inzet van minimaal invasieve biomarkers),
en de Kamer hierover te informeren?
II. Reactie van de Minister
Ik dank de leden van de commissie en de fracties voor hun inbreng. Ik ga hieronder
in op de vragen die zijn gesteld.
Reactie op de vragen van de leden van de D66-fractie
De Gezondheidsraad heeft geadviseerd om primair in te zetten op preventieve maatregelen
die het risico op ontwikkelen van dementie kunnen verkleinen, en pleit ervoor om bestaande
preventieve maatregelen ter preventie van andere chronische aandoeningen met dezelfde
risicofactoren te versterken en te verbreden. Daarnaast wordt gesteld dat de inzet
op een gezonde leefstijl kan bijdragen aan de risicoreductie van dementie. Daartoe
vragen de leden van de D66-fractie welke concrete acties de Minister hier nu al op
onderneemt, naast het starten van de Coalitie Leefstijl in de Zorg?
Naast de inzet op leefstijl in en vanuit de zorg, zet het kabinet op meerdere manieren
in op het belang van een gezonde leefstijl en preventie in de samenleving. Zo zijn
in de Samenhangende preventiestrategie (opvolger van het Nationaal Preventieakkoord)
ambities geformuleerd op gebied van meerdere leefstijlfactoren die ook als risicofactor
voor dementie gelden, zoals de preventie van gehoorschade en roken. Daarnaast is er
in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) afgesproken om de beweging van zorg
naar gezondheid te versterken door meer te gaan investeren in preventie, waaronder
ook aandacht voor het terugdringen van roken en overgewicht, beiden belangrijke risicofactoren.
Er wordt momenteel onderzoek gedaan naar onder andere de (kosten)effectiviteit van
dementie risicoreductie via individueel leefstijladvies. Daartoe vragen de leden van
de D66-fractie of er ook gekeken wordt naar het gezonder inrichten van de samenleving
in bredere zin. Bijvoorbeeld door meer actie te ondernemen op het creëren van meer
openbare beweegruimte en een gezonde omgeving? Zo ja, welke dingen gebeuren er concreet?
Op welke wijze en op welke termijn wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang?
Zo nee, waarom wordt hier momenteel nog geen actie op ondernomen?
VWS heeft aan het RIVM en ZonMw opdracht gegeven tot het Programma Gezonde Leefomgeving
(PGLO). Dat programma richtte zich niet specifiek op dementie, maar wel op de bijdrage
die een gezonde leefomgeving kan hebben aan het tegengaan van risicofactoren die ook
voor dementie van belang zijn. Het programma is gefinancierd met middelen die het
toenmalige kabinet vrijmaakte voor het bestrijden van volksziekten, waaronder dementie
maar ook kanker en obesitas.
Het PGLO heeft veel kennis opgeleverd die met name gemeenten moet helpen om de openbare
ruimte gezonder in te richten. Die kennis wordt voor een groot deel ontsloten via
gezondeleefomgeving.nl en dit jaar besteedt het RIVM veel aandacht aan het laten landen
van deze kennis door middel van onder andere workshops en seminars. Parallel aan het
PGLO ontvingen gemeenten onder de vlag van het Gezond en Actief Leven Akkoord middelen
om te investeren in gezonde leefomgeving. Uw Kamer wordt hiervan op de hoogte gehouden
via de GALA-monitor8. Daarnaast heeft de Minister van VWS bij de begrotingsbehandeling afgelopen maart
naar aanleiding van de motie Kostić toegezegd de Kamer te informeren over de voortgang
op gebied van gezonde leefomgeving (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 136). Naar verwachting ontvangt de Kamer deze brief voor het eind van het jaar.
Vanuit het ZonMw Onderzoeksprogramma Dementie financiert VWS ook het landelijke consortium
BIRD-NL9. Dit consortium levert de wetenschappelijke basis voor preventieve interventies tegen
dementie. De focus ligt hierbij op risico-communicatie voor individuen, scenario's
voor populatie-brede maatregelen en beleidsstrategieën gericht op leefstijl, omgeving
en maatschappelijke gezondheidsdeterminanten. In de jaarlijkse voortgangsbrief van
de NDS wordt u geïnformeerd over de voortgang en resultaten van de onderzoekconsortia
van het Onderzoeksprogramma Dementie.
Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat er verkend wordt of het opportuun
is om via het afwegingskader ook een casus uit te werken op het gebied van dementie.
Daartoe vragen deze leden wanneer het besluit hierover verwacht kan worden.
Ik verwacht voor de zomer duidelijkheid te hebben over of er dit jaar nog een casus
wordt uitgewerkt op het gebied van dementie. Het RIVM adviseert mij hierover, mede
op basis van de beschikbaarheid van wetenschappelijk bewijs en de mate waarop een
casus kan bijdragen aan het doorontwikkelen van het afwegingskader.
Reactie op vragen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie lezen dat in Nederland één op de vijf mensen dementie
krijgt. Bij vrouwen ligt dit aanzienlijk hoger. Eén op de drie vrouwen krijgt te maken met dementie. Kan de Minister aangeven welke
gevolgen dit grote verschil heeft voor haar preventiebeleid? Ziet zij aanleiding en
mogelijkheden om specifiek beleid te voeren gericht op vrouwen? Zo ja, op welke manier?
Zo nee, waarom niet?
De incidentie van dementie ligt hoger bij vrouwen, maar dat geldt daarmee niet per
se voor de risicofactoren. Een andere mogelijke verklaring ligt in de langere levensverwachting
van vrouwen. Daarnaast richt het preventiebeleid zich niet specifiek op preventie
maar op risicofactoren die voor een veelvoud aan ziektebeelden relevant zijn, waarvan
sommige meer prevalent bij mannen en anderen weer bij vrouwen. Daarmee ligt het niet
voor de hand om het preventiebeleid voor risicofactoren als overgewicht en beweegarmoede
te differentiëren naar geslacht.
De leden van de VVD-fractie lezen dat het RIVM aan het verkennen is of het opportuun
is om via het afwegingskader voor het investeringsmodel preventie een casus uit te
werken op gebied van dementie. Kan de Minister aangeven wanneer zij verwacht dat hierover
een knoop doorgehakt kan worden?
Ik verwacht voor de zomer duidelijkheid te hebben of er dit jaar nog een casus wordt
uitgewerkt op het gebied van dementie. Het RIVM adviseert mij hierover, mede op basis
van de beschikbaarheid van wetenschappelijk bewijs en de mate waarop een casus kan
bijdragen aan het doorontwikkelen van het afwegingskader.
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat causaal bewijs tussen preventieve maartregelen
op risicofactoren voor dementie en de daadwerkelijke verlaging van het aantal dementiegevallen
lastig te onderbouwen is. Toch geeft de Minister aan dat er verschillende initiatieven
zijn gestart en er subsidies zijn vergeven. Kan de Minister toelichten of zij kan
waarborgen dat dit zinvol is, aangezien de risicofactoren die de kans op dementie
zouden verhogen, nog niet zijn aangetoond?
Er loopt inderdaad veel rond preventie en gezondheidsbevordering. Dit is echter niet
alleen op het voorkomen van dementie gericht, maar op het voorkomen van vele ziektebeelden
die gerelateerd zijn aan risicofactoren zoals overgewicht en beweegarmoede. Het feit
dat de effectiviteit van deze maatregelen voor het tegengaan van dementie moeilijk
aantoonbaar is hoeft daarom geen belemmering te zijn om hierin te investeren gelet
op de bredere maatschappelijke baten die preventie oplevert.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister groot belang hecht aan het tijdige
organiseren van zorg voor mensen met dementie. Dit is bij dementie extra belangrijk
omdat de wilsbekwaamheid vervalt. Heeft de Minister er zicht op of ouderen in Nederland
hier regelingen toe getroffen hebben? Kan zij aangeven hoe groot de groep is bij wie
dit (waarschijnlijk) nog niet geregeld is? Is het voor ouderen of andere risicogroepen
duidelijk wat zij bij een notaris, bank en/of huisarts moeten regelen? Wordt er genoeg
gedaan om deze groepen de informeren over het belang van het vastleggen wat zij willen
mochten zij worden overvallen door dementie?
Het kabinet hecht groot belang aan tijdige, proactieve begeleiding van mensen met
dementie en naasten gedurende het gehele verloop van de ziekte, van de zogenoemde
niet-pluisfase tot en met de laatste levensfase.
Het kabinet acht vroegtijdige inzet van de casemanager dementie van grote waarde.
Hoe eerder een casemanager betrokken is, ook al in de niet-pluisfase, voordat de diagnose
vaststaat, hoe beter mensen met dementie en hun naasten ondersteund kunnen worden
bij het maken van keuzes en het organiseren van passende zorg. De casemanager informeert
cliënten en hun naasten over het ziektebeloop, begeleidt bij het maken van moeilijke
beslissingen, en verwijst door naar de juiste hulp, waaronder juridische en financiële
ondersteuning. Dit kan eraan bijdragen dat mensen langer verantwoord thuis kunnen
blijven wonen.
Het kabinet heeft geen volledig beeld van de mate waarin ouderen in Nederland juridische
en financiële regelingen hebben getroffen voor het geval zij wilsonbekwaam worden,
noch van de omvang van de groep waarbij dit mogelijk nog niet is geregeld. Er zijn
op dit moment geen landelijke gegevens beschikbaar over bijvoorbeeld het aantal mensen
met een levenstestament, volmacht of andere vertegenwoordiging.
Het is niet voor iedereen duidelijk wat geregeld moet worden en bij welke partijen
ze terecht kunnen. De casemanager dementie kan hierin een belangrijke rol spelen door
cliënten en hun naaste te informeren en zo nodig door te verwijzen, bijvoorbeeld voor
het vastleggen van een levenstestament of volmacht bij de notaris, het informeren
van de bank over vertegenwoordiging, en het gesprek met de huisarts over wensen rondom
behandeling en levenseinde, de zogeheten proactieve zorgplanning.
Proactieve zorgplanning is een belangrijk onderdeel van het werk van de casemanager
dementie: al in een vroeg stadium worden wensen, doelen en voorkeuren rondom de palliatieve
fase besproken en vastgelegd, samen met de cliënt, naasten en betrokken artsen. Dit
gebeurt bij voorkeur terwijl de persoon met dementie nog wilsbekwaam is.
De leden van de VVD-fractie lezen dat er binnen het onderzoeksprogramma dementie van
ZonMw onderzoek gedaan wordt wat het Nederlands zorgstelsel nodig heeft als in de
toekomst meerdere therapeutische behandelingen beschikbaar komen. Kan de Minister
aangeven hoe zij ervoor kan zorgen dat de Nederlandse zorg hier klaar voor is, wanneer
deze doorbraken er zijn? Hoe wordt het patiënten- en mantelzorgperspectief hierin
meegenomen?
Het klopt inderdaad dat er in opdracht van ZonMw binnen het Onderzoeksprogramma Dementie
(onderdeel van de Nationale Dementiestrategie) momenteel een gerichte verkenning wordt
uitgevoerd. Deze verkenning brengt in kaart wat het zorgveld nodig heeft bij een eventuele
toekomstige introductie van ziektemodificerende geneesmiddelen voor dementie. Hierbij
wordt gekeken naar de organisatie van zorg, monitoring van bijwerkingen en communicatie
richting patiënten en professionals. De resultaten van deze verkenning worden in de
zomer van 2026 verwacht.
Op basis van de uitkomst van deze verkenning is ZonMw voornemens een specifieke subsidieregeling
voor een vervolgtraject op te zetten. Het doel hiervan is om het Nederlandse zorgsysteem
concreet en structureel klaar te maken voor deze medische innovaties.
Het perspectief van patiënten en hun naasten is van essentieel belang bij deze transitie.
Dit is op twee manieren verankerd: 1) In de huidige verkenning is Alzheimer Nederland
actief betrokken. 2) Voor de opvolgende subsidieregeling is actieve participatie van
patiënten en naasten in alle fasen van het traject een standaard ZonMw-voorwaarde.
De leden van de VVD-fractie begrijpen tot slot dat diagnosestelling bij mensen met
een al aanwezige verstandelijke beperking vaak ingewikkeld is. Kan de Minister aangeven
hoe zij wil bereiken dat juist ook deze groep beter bereikt wordt? Is de kennis hierover
genoeg aanwezig in Nederland? Op welke manier kan zij zorgverleners hier beter toe
helpen voorbereiden?
Ik deel met de leden van de VVD-fractie dat het belangrijk is aandacht te hebben voor
dementie onder mensen met een verstandelijke beperking. Op het kennisplein gehandicaptensector10 zijn handreikingen en informatie beschikbaar over mensen met een beperking en dementie.
Daarnaast is in oktober 2023 gestart met de ontwikkeling van de richtlijn Veroudering
bij mensen met een verstandelijke beperking door SKILZ. De verwachting is dat de richtlijn
eind 2026 gepubliceerd zal worden.
In de Zorgstandaard Dementie11, wordt ook aandacht besteed aan dementie bij mensen met een verstandelijke beperking.
Tevens worden binnen de Nationale Dementiestrategie (NDS) middelen vrijgemaakt om
zorgstandaard te implementeren. Dat wordt onder meer gedaan door maandelijkse leerbijeenkomsten
en maatwerktrajecten. Bij maatwerktrajecten kunnen regionale dementienetwerken middelen
aanvragen om specifieke knelpunten rond dementiezorg aan te kunnen pakken, waaronder
de zorg voor mensen met een beperking en dementie.
Daarnaast bekijk ik welke activiteiten ik kan ontplooien binnen de drie thema’s van
de NDS om de zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking en dementie te verbeteren.
Hiertoe zet ik gericht onderzoek uit. Ik zal uw Kamer hier met de voortgangsrapportage
NDS over informeren.
Reactie op vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de fractie van PRO lezen dat in Nederland één op de vijf mensen dementie
heeft en dat bij vrouwen dat zelfs één op de drie is. Kan nader toegelicht worden
welke oorzaken mogelijk ten grondslag liggen aan dit verschil waarbij vrouwen vaker
dementie hebben?
Het onderzoeksprogramma dementie bij ZonMw zoekt naar verklaringen voor deze geslachtsverschillen.
Het NCDC12 consortium bekijkt in hun onderzoek of een specifiek eiwit wat geassocieerd wordt
met bepaalde vormen van alzheimer bij vrouwen vaker voorkomt dan mannen. Dementie
is een ziekte die zich vaak pas laat in het leven van mensen openbaart. Omdat vrouwen
relatief ouder worden dan mannen is dit mogelijk een deel van de verklaring. Onderzoekers
denken echter dat er ook andere verklaringen voor kunnen zijn, zoals hormonale factoren,
genetische verschillen, verschillen in hart- en vaatziekten en in de werking van het
immuunsysteem13. Uit onderzoek weten we dat bepaalde zenuwcellen (zogenaamde parvalbumine (PV) cellen)
een rol spelen bij de ontwikkeling van cognitie verschillen tussen mannen en vrouwen.
Binnen het internationale onderzoeksprogramma JPND wordt gekeken of deze cellen mogelijk
het verschil tussen mannen en vrouwen nader kunnen verklaren14.
Zij lezen tevens dat de zorgkosten voor dementie naar verwachting naar € 15,6 miljard
zullen stijgen in 2040. Zou nader toegelicht kunnen worden hoe deze inschatting is
gemaakt en hoe de kosten zijn opgebouwd? Zou tevens nader per tabel een vergelijking
kunnen geschetst worden met andere veelvoorkomende aandoeningen bij ouderen en de
daarmee geassocieerde kosten?
Het RIVM heeft in het kader van de Volksgezondheid ToekomstVerkenning (VTV) 202415 een trendscenario uitgevoerd naar verschillende ziekten en aandoeningen, waaronder
dementie. Dit wordt gedaan door een geïntegreerd model waar demografie, ziektelast
en zorgconsumptie worden gecombineerd. Het RIVM geeft aan dat de stijging van zorgkosten
volledig voor rekening van de vergrijzing zijn. Andere ziekten die geassocieerd worden
met ouderdom, zoals artrose, stijgen weliswaar ook, maar de kosten die voor behandeling
en zorg van dementie nodig zijn, zijn veel hoger dan voor deze ouderdomsziekten. Dit
omdat dementie een progressieve hersenziekte is waarbij, afhankelijk van het soort
dementie en de mate van progressie, mensen volledig afhankelijk worden van zorg en
ondersteuning. Omdat het hier gaat om een trendscenario, is een één op één vergelijking
met andere veel voorkomende aandoeningen bij ouderen niet mogelijk. De gevraagde tabel
kan ik daarmee niet leveren.
De leden van de PRO-fractie lezen dat dementie in alle gevallen bijzonder ingrijpend
voor de mensen met dementie en hun naasten is. Zij herkennen dit beeld en vragen de
Minister welke ondersteuningsmogelijkheden er bestaan voor naasten van mensen met
dementie. Op welke wijze worden naasten goed meegenomen in en voorbereid op het verdere
verloop van de ziekte? Zij willen daarnaast graag het belang van dementievriendelijke
buurten onderstrepen. Op welke wijze zet het kabinet zich in voor het dementievriendelijk
inrichten van buurten? Hoe stimuleren zij initiatieven die zich hiervoor inzetten?
Ik erken dat dementie veel vraagt van mantelzorgers en naasten van mensen met dementie
en deel dan ook de noodzaak van goede ondersteuning. Vanuit de Nationale Dementie
Strategie wordt hier invulling aangegeven binnen het thema: betere zorg en ondersteuning
voor mensen met dementie en hun naasten. Met het AZWA wordt ook ingezet op betere
afspraken tussen het sociale, medische en publieke gezondheidsdomein wat moet leiden
tot een gerichter ondersteuningsaanbod dat gemeenten kunnen inkopen. Het doel is vooral
het uitstellen van zwaardere zorg, maar een goede ondersteuningsstructuur draagt ook
bij aan ondersteuning en ontlasting van mantelzorgers en naasten van mensen met dementie.
Verder hecht ik eveneens belang aan dat naasten gedurende het gehele verloop van de
ziekte goed worden begeleid, dus vanaf het moment dat de eerste vermoedens van dementie
optreden (niet-pluisfase) tot en met de eindelevensfase. Dit door duidelijke informatie,
emotionele ondersteuning en begeleiding van professionals zoals een casemanager dementie
te bieden.
Zij krijgen uitleg over het verloop van de ziekte, leren omgaan met veranderingen
in gedrag en worden betrokken bij zorg- en behandelkeuzes. Daarnaast helpt lotgenotencontact
en praktische ondersteuning om mantelzorgers en naasten beter voor te bereiden op
toekomstige situaties om overbelasting te voorkomen. Vroegtijdige inzet van de casemanager
dementie is hierbij essentieel: hoe eerder deze betrokken is, ook al in de niet-pluisfase,
hoe groter het verschil dat gemaakt kan worden. De casemanager vervult een centrale
rol als spin in het web, kan doorverwijzen naar de juiste hulp en draagt er zo toe
bij dat mensen met dementie langer thuis kunnen blijven wonen en zorgescalatie wordt
voorkomen. Daarmee waarborgt de casemanager niet alleen de continuïteit van zorg,
maar ook een menswaardig bestaan voor de persoon met dementie en diens naasten.
Tenslotte vind ik het van belang dat mensen met dementie langer thuis kunnen blijven
wonen in hun vertrouwde omgeving. Vanuit het kabinet wordt dit gestimuleerd door de
bouw van zorggeschikte en geclusterde woonvormen. Ook onderzoekt het kabinet hoe gemeenschapsvorming
in woonvormen verder kan worden gestimuleerd wat ook bijdraagt aan een inclusievere
buurt, onder andere voor mensen met dementie. Daarnaast wordt er vanuit de Nationale
Dementie Strategie ingezet op een meer dementievriendelijke samenleving door o.a.
het trainen van vrijwilligers op locatie van verenigingen en clubs. Daarmee wordt
ingezet op het verkleinen van stigma’s die er leven over mensen met dementie en wordt
ingezet op het creëren van een positievere beeldvorming. Het afgelopen jaar was het
daarnaast mogelijk om bij ZonMw een voucher aan te vragen om samen met bewoners de
wijk beweeg- en ontmoetingsvriendelijker te maken. Dit jaar gaan gemeenten hiermee
aan de slag.
De leden van de PRO-fractie lezen dat de beschikbare methoden voor vroegdiagnostiek
nog onvoldoende betrouwbaar zijn om buiten de specialistische ziekenhuiszorg breed
toe te passen. Welke onderzoeken lopen er momenteel zowel binnen als buiten Nederland
om de methoden te verbeteren?
Om de nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en toegankelijkheid van vroege en tijdige diagnostiek
te vergroten, lopen er momenteel zowel nationaal als internationaal omvangrijke onderzoeken.
Deze richten zich met name op de transitie van invasieve, complexe diagnostiek naar
laagdrempelige, betrouwbare methoden zoals bloedtesten, geavanceerde beeldvorming
en digitale tests.
Lopende onderzoeken in Nederland
Binnen het ZonMw Onderzoeksprogramma Dementie, onderdeel van de NDS, lopen twee grootschalige
consortia die sterk internationaal zijn verweven:
• TAP-dementie (Tijdige, Accurate en gePersonaliseerde diagnose van dementie)16: Dit consortium werkt aan de verbetering van de diagnostiek van alzheimer en andere
dementievormen in de dagelijkse praktijk. Naast onderzoek naar nieuwe methoden zorgt
dit consortium voor implementeren van bewezen methodieken.
• ABOARD-consortium (A personalized medicine approach for Alzheimer’s disease)17: Dit landelijke, multidisciplinaire consortium richt zich op gepersonaliseerde zorg,
diagnose in de stadia vóórdat dementie optreedt, en de voorspelling en preventie van
Alzheimer.
Daarnaast lopen er specifieke projecten gericht op de directe implementatie van bloedbiomarkers:
• BRIDGE-AD18: Onderzoekt de klinische impact van het gebruik van bloedbiomarkers op Nederlandse
geheugenpoliklinieken.
• BRIDGE-Pragmatic19: Richt zich op de ervaringen, visies en behoeften van artsen ten aanzien van de introductie
van bloedtesten.
Lopende onderzoeken buiten Nederland
a. Europa (JPND en Horizon Europe)
Binnen de Europese programma’s lopen diverse projecten met deelname van Nederlandse
onderzoekers die zich richten op vroege en nauwkeurige (differentiaal)diagnostiek.
De financiering van deze projecten lopen onder ander via JPND (Nederlandse onderzoeken
ontvangen het budget via het ZonMw Onderzoeksprogramma Dementie)20, Horizon Europe en Innovative Health Initiative21. Een paar van deze lopende projecten zijn hieronder uitgelicht:
– HBCI22 (2022–2025): Ontwikkelt innovatieve, niet-invasieve MRI-technieken om het reinigingssysteem
van de hersenen (glymfatisch systeem) in de pre-symptomatische fase in kaart te brengen.
– MESEPAD23 (2025–2028): Onderzoekt de fundamentele biologische mechanismen en biomarkers achter
de geslachtspecifieke kwetsbaarheid van zenuwcellen in de vroege fase van Alzheimer.
– FluiDx-AD24 (2024–2028): Richt zich op de klinische validatie en opschaling van een geavanceerd
vloeistoftestentrio (bloed en speeksel) voor de vroege detectie van alzheimer.
– PREDICTFTD25 (2024–2029): Focust op de versnelde diagnostiek en biologische subclassificatie van
frontotemporale dementie (FTD) met behulp van vloeistofbiomarkers en AI-gestuurde
computermodellen.
– Access-AD26 (2026–2031): richt zich specifiek op de herinrichting van de alzheimer-zorgpaden.
Het project valideert de gecombineerde inzet van vloeistofbiomarkers en digitale thuistesten.
– PROMINENT27 (2023–2028): gaat een digitaal platform opzetten om de diagnose en gepersonaliseerde
behandeling van mensen met de ziekte van Alzheimer, en andere vormen van dementie,
te verbeteren.
b. Buiten Europa
Buiten Europa zijn langlopende, grootschalige netwerken zoals het Amerikaanse ADNI
(Alzheimer's Disease Neuroimaging Initiative)28 en National Dementia Workforce Study29, het JapanseJ-ADNI30 en het Australische AIBL31 die zicht bezig houden met o.a. valideren van grootschalige uitrol van bloedbiomarkers
in diverse populaties o.a. in eerstelijnszorg, klinische automatisering en kostenreductie
van bloedtesten voor populatiebrede screening, de combinatie van bloedtesten en optische
oogmetingen respectievelijk. Daarnaast fungeert de Davos Alzheimer’s Collaborative
(DAC) als een wereldwijde aanjager voor de implementatie van laagdrempelige digitale
screeningstools en vloeistofbiomarkers in klinieken waar geavanceerde imaging-infrastructuur
(zoals PET-scans) ontbreekt.
Deelt de Minister de mening van de leden van de fractie PRO dat, ondanks dat dementie
(momenteel) niet te genezen is, een tijdige diagnose wel heel belangrijk is?
Ja.
Bestaat de mogelijkheid om binnen een aantal Alzheimercentra alvast te starten met
voorbereidingen op de komst van mogelijke nieuwe medicijnen, zodat zorgprofessionals
zich kunnen blijven ontwikkelen in deze innovaties? Hoe wordt in dit proces het perspectief
van patiënten en mantelzorgers meegenomen?
Binnen de kaders van het Onderzoeksprogramma Dementie van de Nationale Dementiestrategie
wordt momenteel actief verkend hoe het zorgsysteem en de Alzheimercentra optimaal
kunnen worden voorbereid op de introductie van toekomstige ziektemodificerende behandelingen.
Daarnaast ben ik ervan overtuigd dat zorgprofessionals, al dan niet via hun wetenschappelijke
verenigingen, uitstekend in staat zijn om innovaties zelfstandig te volgen en doorlopend
de benodigde expertise via onder andere deelname aan (inter)nationale consortia te
ontwikkelen.
Bij deze voorbereidingen staat het perspectief van patiënten en mantelzorgers centraal.
Alzheimer Nederland behartigd de belangen van patiënten en naasten via directe vertegenwoordiging
in de stuurgroep van de NDS en de betrokken onderzoeksconsortia. Bovendien organiseert
Zorginstituut Nederland bij de mogelijke markttoelating van nieuwe producten zogeheten
«scoping meetings». Tijdens deze bijeenkomsten bepalen patiëntenorganisaties, medisch
specialisten en zorgverzekeraars gezamenlijk de potentiële waarde van de therapie
en de impact op de inrichting van de zorg. Op deze manier wordt geborgd dat de praktijkervaring
en de behoeften van de patiënt vanaf het begin worden meegenomen bij de inrichting
van nieuwe zorgpaden.
Genoemde leden lezen tevens dat de Gezondheidsraad adviseert om primair in te zetten
op preventieve maatregelen die het risico op het ontwikkelen van dementie kunnen verkleinen
en pleit ervoor om de bestaande maatregelen ter preventie van andere chronische aandoeningen
met dezelfde risicofactoren te versterken en te verbreden. Zij onderstrepen het belang
van effectieve preventieve maatregelen, die ook aangekaart worden bij de brede bevolking.
Wat is de huidige status van het investeringsmodel preventie? Wanneer kan de Kamer
een afwegingskader voor het investeringsmodel preventie verwachten?
In december 202532 is de Kamer geïnformeerd over de ontwikkeling van het afwegingskader als onderdeel
van het investeringsmodel voor preventie. Ik verwacht dat vanaf 2027 een eerste volwaardige
versie van het afwegingskader beschikbaar zal zijn, die in 2028 en 2029 verder verfijnd
zal worden. Voor het einde van 2026 volgt een nieuwe voortgangsbrief over de ontwikkeling
van het investeringsmodel.
Wat gaat de Minister specifiek doen voor qua preventie voor groepen met een lagere
sociaaleconomische status?
Bij het beleid t.a.v. gezondheidsbevordering en preventie ligt een grote rol bij gemeenten.
Lokale gezondheidsbevordering zet in de regel niet specifiek in op dementie-risicoreductie
maar draagt daar wel aan bij doordat dit beleid zich richt op risicofactoren die ook
van toepassing zijn op dementie, zoals overgewicht en beweegarmoede. Vanuit VWS ontvangen
gemeenten middelen om in hun lokaal beleid in te zetten op het verkleinen van gezondheidsverschillen.
In 2026 gaat het om € 20 miljoen, vanaf 2027 is per jaar € 18 miljoen beschikbaar.
Daarmee zet ik niet specifiek in op dementie-risicoreductie bij groepen met een lage
sociaaleconomische status, maar in de brede bevolking. Wel is van belang dat maatregelen
gericht op gezondheid toegankelijk zijn voor mensen met een lagere sociaaleconomische
status. Via verschillende beleidsterreinen heeft het Ministerie van VWS aandacht voor
groepen met een lagere sociaaleconomische status. Waaronder het beleid voor sport
en bewegen waar wij ons inzetten op het bevorderen van kansengelijkheid in (lokaal)
sport en beweegbeleid.
Reactie op vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de beleidsreactie op het advies
van de Gezondheidsraad over risicoreductie en vroegdiagnostiek van dementie. Deze
leden lezen dat de Minister de nadruk op preventie omarmt en deze wil inbedden in
bestaand beleid, onder meer via de Samenhangende preventiestrategie, de geactualiseerde
Nationale Dementiestrategie, het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg en de uitwerking van
de basisfunctionaliteit dementie binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA).
Ook lezen deze leden dat met het Nederlandse Huisartsen Genootschap (NHG) wordt bezien
wat het advies betekent voor de omgang met hoge bloeddruk als risicofactor. Daarover
hebben zij enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister per genoemd beleidstraject concreet
uiteen te zetten welke nieuwe maatregelen specifiek gericht zijn op risicoreductie
van dementie, en welke onderdelen slechts voortzetting zijn van reeds bestaand beleid.
Ook vragen deze leden hoe de Minister voorkomt dat de verwijzing naar meerdere bestaande
akkoorden, strategieën en beleidslijnen in de praktijk vooral leidt tot stapeling
van goede intenties, zonder dat dit resulteert in concreet merkbare preventieve inzet.
Deze leden vragen voorts welke concrete, meetbare doelstellingen de Minister aan deze
preventiebenadering verbindt als het gaat om dementierisico, en op welke termijn zichtbaar
moet worden of deze inzet daadwerkelijk effect sorteert.
Het preventiebeleid richt zich niet specifiek op dementie, maar breder op gezondheidswinst.
De mate waarin dit beleid effect sorteert blijkt onder andere uit de trends die we
zien in de Volksgezondheid Toekomst Verkenning van het RIVM33. Wel zal onder de basisfunctionaliteit dementie die in het AZWA is afgesproken specifiek
aandacht zijn voor dementie-risicoreductie. Bij de beoordeling of deze basisfunctionaliteit
leidt tot besparingen in de zorg zal ook worden gekeken naar de effectiviteit van
het preventieve deel van de keten. Daarnaast richten de grote multidisciplinaire onderzoeksconsortia
BIRD-NL34 en NDPI35 gefinancierd via het Onderzoeksprogramma Dementie van de NDS op gepersonaliseerde
risicoprofielen en laagdrempelige interventies voor kwetsbare en praktisch opgeleide
doelgroepen. De inzet in de NDS en het AZWA versterken elkaar. Waar het onderzoeksprogramma
binnen de NDS zicht richt op verdere kennisontwikkeling, richt de basisfunctionaliteit
dementie uit het AZWA zich op toepassing in de praktijk. Zo bevat de basisfunctionaliteit
dementie een overzicht van concrete interventies die o.a. zijn gericht op selectieve
risicoreductie. In het HLO zijn geen maatregelen opgenomen specifiek gericht op risicoreductie
van dementie. Juist door vast te houden aan uitvoering van eerdere afspraken voorkomen
we de stapeling waar de leden van PVV-fractie naar verwijzen.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister nader toe te lichten wat de uitwerking
van de basisfunctionaliteit dementie binnen het AZWA precies zal toevoegen aan het
bestaande beleid, en welke preventieve component daarin expliciet wordt opgenomen.
Deze leden vragen de Minister tevens aan te geven wat de basisfunctionaliteit dementie
naar verwachting oplevert voor mensen met dementie, professionals en hun naasten.
Ook vragen zij de Minister wanneer de kaders voor de basisfunctionaliteit dementie
beschikbaar zijn.
Het doel van de basisfunctionaliteit dementie is het realiseren van een samenhangend,
toegankelijk en regionaal ingebed netwerk van ondersteuning en zorg voor mensen met
dementie en hun naasten, op het snijvlak van zorg, sociaal domein en publieke gezondheid.
Voor preventie kijkt de basisfunctionaliteit expliciet naar mensen die een verhoogd
risico lopen op het ontwikkelen van dementie, zoals hoge bloeddruk of overgewicht.
Veel gemeenten, aanbieders van zorg en ondersteuning, GGD’en en verzekeraars zijn
wel aan de slag met het thema dementie, maar dat aanbod is nog niet altijd voldoende
op elkaar afgestemd. De basisfunctionaliteit maakt duidelijk op welke onderdelen extra
aanbod nodig is, welk aanbod passend kan zijn met behulp van specifieke interventies
uit de gereedschapskist, en wat de rol van partijen in zorg, gezondheid en ondersteuning
daarbij is. Partijen kunnen elkaar aanspreken als die rol onvoldoende wordt opgepakt.
Dat is nieuw, want voorheen was die wederkerigheid niet geborgd binnen afspraken.
Tevens krijgen gemeenten extra middelen beschikbaar om het dementieaanbod in te kopen
(20 miljoen in 2027 oplopend tot 50 miljoen in 2029). Ik verwacht dat er daardoor
meer aanbod wordt georganiseerd voor mensen met dementie en hun naasten, zodat zij
langer in eigen omgeving kunnen wonen. Door de verbetering in samenwerkingsafspraken
is de verwachting dat dit aanbod ook sneller gevonden wordt en beter toegankelijk
is.
Om gemeenten te ondersteunen bij het opzetten van de basisfunctionaliteit dementie
wordt nu gewerkt aan een handreiking waarin staat hoe de basisfunctionaliteit er uit
moet zien. De eerste handreiking komt 15 juli beschikbaar op zorgakkoorden.nl. Op
basis daarvan gaan gemeenten en GGD’s aan de slag met het voorbereiden en implementeren
van de basisfunctionaliteit dementie.
De basisfunctionaliteit staat de komende drie jaar op de ontwikkelagenda, wat betekent
dat de aanpak nog in ontwikkeling is. Dit in vergelijking met al lopende aanpakken,
zoals de basisfunctionaliteit valpreventie, die inmiddels breed geïmplementeerd wordt.
Op basis van ervaringen uit de praktijk, evaluatie en aanvullende toetsing zal de
handreiking en functionaliteit worden aangepast en uitgebreid.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister uiteen te zetten wat zij, mede in overleg
met het NHG, concreet wil veranderen ten aanzien van hoge bloeddruk als risicofactor
voor dementie. Zij vragen of daarbij bijvoorbeeld wordt gedacht aan aanpassing van
richtlijnen, intensievere signalering, eerdere behandeling of extra bewustwording
in de spreekkamer.
Het kabinet zal met het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) in gesprek gaan over
de mogelijke gevolgen van het advies van de Gezondheidsraad voor de behandeling van
mensen met een hoge bloeddruk. Of dit leidt tot andere afwegingen of herziening van
richtlijnen is aan de beroepsgroepen om te bepalen. In Nederland is het aan de beroepsgroepen
om goede zorg voor (preventie) van dementie concreet vorm te geven.
Deze leden vragen voorts wanneer de Minister verwacht de Kamer te informeren over
de uitkomsten van het overleg met het NHG over hoge bloeddruk en dementierisico.
Het kabinet verwacht de Kamer in het najaar een volgende voortgangsrapportage van
de Nationale Dementiestrategie te sturen.
Ook vragen deze leden hoe de gelden voor dementie beschikbaar vanuit het Hoofdlijnenakkoord
Ouderenzorg exact worden ingezet.
Vanuit het HLO is 7 mln. euro beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de Nationale
Dementiestrategie. In de Kamerbrief bij de geactualiseerde NDS36 is aangegeven dat de doelstellingen grotendeels ongewijzigd blijven. De middelen
worden ingezet voor de invulling van thema 2 een dementievriendelijke samenleving en thema 3 Leven met dementie. Daarbij moet worden gedacht aan de Campagne Samen Dementievriendelijk, de implementatie
van de Zorgstandaard Dementie, subsidie aan Dementie Netwerk Nederland, de Odensehuizen,
Ontmoetingscentra en het Kenniscentrum Dementie op Jonge Leeftijd. Tevens bekijken
we samen met de partijen die de NDS ondersteunen37 op welke zaken aanvullende inzet nodig is. Voor een gedetailleerd overzicht van de
beoogde inzet van de middelen verwijs ik deze leden naar de Begroting van VWS38.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe er in andere Europese landen wordt
omgegaan met de inzet van vroegdiagnostiek.
De aanpak en inzet van vroegdiagnostiek binnen Europa varieert sterk. Nederland bevindt
zich hierin in de voorhoede. Via de consortia binnen de Nationale Dementiestrategie
(zoals TAP-dementie en ABOARD) en onze sterke deelname aan klinisch onderzoek (zoals
bevestigd door de European Dementia Monitor
39), worden internationale best practices direct meegewogen in het Nederlandse beleid.
Uit rapportages van Alzheimer Europe blijkt dat steeds meer landen «tijdige en vroege diagnostiek» expliciet opnemen in
hun beleid. Een belangrijk knelpunt dat Alzheimer Europe signaleert, is de ongelijkheid
in de toegang tot moderne diagnostische technieken (zoals lumbaalpuncties of geavanceerde
PET-scans). In West- en Noord-Europese landen is de medische infrastructuur beter
uitgerust om goede diagnostische instrumenten in te zetten in de vroege (of prodromale)
fase van de ziekte.
De recente Europese markttoelating van de eerste ziektemodificerende medicijnen (zoals
lecanemab en donanemab) en de ontwikkeling van bloedtesten als triage-instrument versnellen
de discussie over vroege opsporing en de inzet van gespecialiseerde diagnostiek in
Europa. Er wordt veel internationaal onderzoek gedaan naar de validatie en implementatie
hiervan, waarin Nederland goed vertegenwoordigd is. Naast Nederland onderzoeken en
bereiden ook landen zoals Frankrijk en Duitsland voor hoe deze bloedtesten in de toekomst
als laagdrempelige «vóórsortering» kunnen worden ingezet. De huidige klinische validatie
en richtlijnen in deze landen richten zich nu echter nog primair op de gespecialiseerde
tweede lijn (geheugenpoliklinieken). In Zweden daarentegen vinden pilotprojecten en
grootschalige validatie van bloedbiomarkers al daadwerkelijk plaats in de eerste lijn
(huisartsenpraktijken).
Binnen Europese netwerken, zoals Alzheimer Europe en de European Alzheimer’s Disease Consortium (EADC)40, worden best practices uitgewisseld. Er wordt gezamenlijk gewerkt aan onder andere
de harmonisatie van diagnostische protocollen en de updates van medische richtlijnen.
Dit moet helderheid bieden over welke patiënten het meeste baat hebben bij vroege,
geavanceerde diagnostiek, mede met het oog op de introductie van potentiële nieuwe
behandelingen.
Deze leden willen ook graag weten wat de Minister onderneemt om te zorgen voor voldoende
Casemanagers Dementie?
In opdracht van VWS heeft PwC in 2024 een doorrekening gemaakt van de inzet van professionals
in het casemanagement dementie (CMD) en de voorwaarden om deze inzet te vergroten.
Naar aanleiding hiervan heb ik in 2025 gesprekken gevoerd met betrokken partijen over
het toekomstbestendig organiseren van CMD. De Kamer is hierover eerder geïnformeerd41.
Partijen geven aan te verwachten dat met goede samenwerking en organisatie in de regio
CMD ook in tijden van arbeidsmarktkrapte goed georganiseerd kan worden. De primaire
verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij partijen in de regio: professionals, zorgaanbieders
en zorgverzekeraars. Zorgverzekeraars hebben daarbij de verantwoordelijkheid om vanaf
de niet-pluisfase in te kopen, ook wanneer deze door casemanagers met een sociale
werkachtergrond wordt geleverd. De aanspraak en bekostiging bieden daarvoor de ruimte.
Dit is vastgelegd in de duiding van het Zorginstituut over de vergoeding van casemanagement
voor mensen met dementie42.
Tegelijkertijd ervaren partijen in de praktijk knelpunten rondom indicatiestelling
en financiering. Zo zijn mensen met beginnende dementie soms nog niet in beeld bij
de wijkverpleging, van waaruit CMD wordt geïndiceerd, en zijn zorgverzekeraars niet
altijd gewend partijen uit het sociaal domein te contracteren. Het is aan het veld
om hiermee aan de slag te gaan. Het kabinet houdt daarbij de vinger aan de pols.
Hoe de Minister aankijkt tegen het idee van Alzheimer Nederland om in een aantal Alzheimer
centra al te beginnen met het voorbereiden op eventuele medicijnen.
Binnen de kaders van het Onderzoeksprogramma Dementie van de Nationale Dementiestrategie
wordt momenteel actief verkend hoe het zorgsysteem en de Alzheimercentra optimaal
kunnen worden voorbereid op de introductie van toekomstige ziekte-modificerende behandelingen.
Hierbij wordt gekeken naar de organisatie van zorg, monitoring van bijwerkingen en
communicatie richting patiënten en professionals. De resultaten van deze verkenning
worden in de zomer van 2026 verwacht.
Op basis van de uitkomst van deze verkenning is ZonMw voornemens een specifieke subsidieregeling
voor een vervolgtraject op te zetten. Het doel hiervan is om het Nederlandse zorgsysteem
concreet en structureel klaar te maken voor deze medische innovaties.
Deze leden vragen tot slot of de Minister bereid is de Kamer periodiek te informeren
over de voortgang van de preventieve inzet op dementie, juist om te kunnen beoordelen
of de uitgesproken beleidsintentie ook daadwerkelijk wordt omgezet in uitvoerbaar
en toetsbaar beleid.
Zoals hierboven wordt aangegeven richt het preventiebeleid zich niet specifiek op
dementie, maar breder op gezondheidswinst. De mate waarin dit beleid effect sorteert
blijkt onder andere uit de trends die we zien in de Volksgezondheid Toekomst Verkenning
van het RIVM43. Het is dan ook niet mogelijk om periodiek aan de Kamer te rapporteren over de voortgang
van preventieve inzet op specifiek dementie. Wel zal onder de basisfunctionaliteit
dementie die in het AZWA is afgesproken specifiek aandacht zijn voor dementie-risicoreductie.
Bij de beoordeling of deze basisfunctionaliteit leidt tot besparingen in de zorg zal
ook worden gekeken naar de effectiviteit van het preventieve deel van de keten. Over
de voortgang van preventiebeleid in den brede wordt uw Kamer op de hoogte gehouden
via diverse monitors, waaronder de GALA-monitor44.
Reactie op vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie vragen welke rol de Minister ziet voor de omgeving en
de samenleving als geheel in het kader van preventie. Als de samenleving beter leert
omgaan met de aanwezigheid van dementie in de directe leefomgeving, helpt dat om problemen
eerder te signaleren en beter te dragen. Dat vergroot volgens deze leden het onderlinge
begrip en draagt bij aan een meer zorgzame samenleving, waarin mensen elkaar sneller
weten te vinden en ondersteunen. Deze leden vragen of de Minister dit deelt en zo
ja, hoe dit vorm krijgt in het beleid de komende jaren, ook ten aanzien van het afsluiten
van het bestuurlijk akkoord voor de ouderenzorg.
Het kabinet deelt deze zienswijze. Een dementievriendelijke samenleving is één van
de belangrijkste thema’s binnen de Nationale Dementie Strategie. Op dit thema wordt
ingezet door middel van het programma «Samen dementievriendelijk» dat door Alzheimer
Nederland wordt uitgevoerd. Als onderdeel van dit programma worden online trainingen
en trainingen op locatie aangeboden die inzetten op een positievere beeldvorming van
mensen met dementie en het bieden van handvatten hoe je op een goede manier kunt reageren
wanneer iemand bijvoorbeeld de weg kwijt is.
Daarnaast wordt met het ZonMw programma «Dagactiviteiten voor thuiswonende mensen
met dementie» extra ingezet op het blijven meedoen met dementie. Dit programma richt
zich erop dat organisaties, bijvoorbeeld musea, bibliotheken en sportclubs, hun reguliere
activiteiten langer toegankelijk en aantrekkelijk houden voor thuiswonende mensen
met dementie.
De leden van de CDA-fractie vragen wanneer er meer bekend wordt of het RIVM ook een
afwegingskader voor dementie uit gaat werken.
Ik verwacht voor de zomer duidelijkheid te hebben over of er dit jaar nog een casus
wordt uitgewerkt op het gebied van dementie. Het RIVM adviseert mij hierover, mede
op basis van de beschikbaarheid van wetenschappelijk bewijs en de mate waarop een
casus kan bijdragen aan het doorontwikkelen van het afwegingskader.
Ook vragen deze leden op welke manier er bij preventie aandacht is voor groepen met
een lage sociaaleconomische status.
Bij het beleid t.a.v. gezondheidsbevordering en preventie ligt een grote rol bij gemeenten.
Lokale gezondheidsbevordering zet in de regel niet specifiek in op dementie-risicoreductie
maar draagt daar wel aan bij doordat dit beleid zich richt op risicofactoren die ook
van toepassing zijn op dementie, zoals overgewicht en beweegarmoede. Vanuit VWS ontvangen
gemeenten middelen om in hun lokaal beleid in te zetten op het verkleinen van gezondheidsverschillen.
In 2026 gaat het om € 20 miljoen, vanaf 2027 is per jaar € 18 miljoen beschikbaar.
Daarmee zet ik niet specifiek in op dementie-risicoreductie bij groepen met een lage
sociaaleconomische status, maar in de brede bevolking. Wel is van belang dat maatregelen
gericht op gezondheid toegankelijk zijn voor mensen met een lagere sociaaleconomische
status. Via verschillende beleidsterreinen heeft het Ministerie van VWS aandacht voor
groepen met een lagere sociaaleconomische status. Waaronder het beleid voor sport
en bewegen waar wij ons inzetten op het bevorderen van kansengelijkheid in (lokaal)
sport en beweegbeleid.
De leden van de CDA-fractie lezen dat ook de Minister benoemt dat hoewel dementie
niet te genezen is, een tijdige diagnose voor mensen met dementie en hun naasten belangrijk
is. In de praktijk wordt vaak alleen «dementie» vastgesteld, zonder de onderliggende
oorzaak te specificeren, zoals Alzheimer, Lewy body of vasculaire dementie. Dat kan
echter meerwaarde hebben, omdat zorg en ondersteuning dan gerichter kunnen worden
ingezet en er meer begrip in de omgeving ontstaat. Hoe kijkt de Minister hiertegen
aan, zo vragen deze leden.
Ik deel de visie van de leden van de CDA-fractie dat een tijdige en zo specifiek mogelijke
diagnose van grote waarde is voor mensen met dementie en hun naasten.
De meerwaarde van een specifieke diagnose – in plaats van de verzameldiagnose «dementie»
– uit zich op verschillende terreinen. Het maakt passende zorg en behandeling mogelijk
die is afgestemd op de specifieke symptomen en oorzaken van de betreffende dementievorm
(zoals de ziekte van Alzheimer of vasculaire dementie). Daarnaast helpt deze specifieke
kennis naasten om gedrag beter te begrijpen, wat hun belasting kan verminderen. Bovendien
biedt het inzicht in het verwachte ziekteverloop, waardoor patiënten en naasten tijdig
keuzes kunnen maken op het gebied van zorg, financiën en juridische zaken.
Conform de ambities van de NDS wordt actief ingezet op de transitie naar optimale,
gepersonaliseerde diagnostiek. Een concreet voorbeeld hiervan is het landelijke consortium
TAP-dementie (Tijdige, Accurate en gePersonaliseerde diagnose van dementie). Dit grootschalige onderzoek richt zich onder andere op het ontwikkelen van nieuwe,
minder belastende diagnostische instrumenten, zoals bloedtesten en geavanceerde biomarkers.
De onderzoekers brengen ook de biologische diversiteit en subtypen van dementie in
kaart.
De inzet van de NDS is er de komende jaren op gericht om deze inzichten en innovaties
uit wetenschappelijk onderzoek zo snel mogelijk te vertalen naar de praktijk. Het
doel blijft om, daar waar het meerwaarde heeft voor de kwaliteit van leven, zo tijdig
en specifiek mogelijk te diagnosticeren.
Reactie op vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie
De leden van 50PLUS-fractie danken de Minister voor het toezenden van de beleidsreactie.
Zij willen hierover nog een vraag stellen.
Genoemde leden juichen toe dat er meer aandacht is voor de inzet op een gezonde leefstijl
als mogelijke manier van risicoreductie. Op pagina 3/4 staat vermeld dat eerste onderzoeksresultaten
hierop wijzen, maar «daarbij geldt wel dat de kosteneffectiviteit nog beter moet onderbouwd».
En: «De ambitie is om leefstijl integraal onderdeel te maken van de reguliere zorg
voor mensen met een gezondheidsklacht, aandoening of ziekte».
Hoe kijkt de Minister naar de stelling dat preventie en het bevorderen van gezonde
levensstijl de primaire uitgangspunten zouden moeten zijn, in plaats van een ambitie?
Bij dementie, maar zeker daarvoor niet alleen, maar zorgbreed?
Het kabinet onderschrijft het belang van de inzet op een gezonde leefstijl als integraal
onderdeel van de zorg. In het Integraal Zorgakkoord maakte het kabinet al samen met
partijen afspraken hierover. Om uitvoering te geven aan deze afspraken is in 2023
de Coalitie Leefstijl in de Zorg opgericht. De Coalitie heeft in de afgelopen jaren
aantoonbaar bijgedragen aan de beweging om leefstijl structureel onderdeel te maken
van passende zorg.
Het kabinet is verheugd met deze beweging, maar ziet ook dat leefstijl nog niet volledig
onderdeel is van de zorg. Het Kabinet vindt het goed en van wezenlijk belang dat patiënten,
zorgprofessionals, zorgorganisaties/zorgaanbieders, en zorgverzekeraars zich hiervoor,
vanuit ieders eigen verantwoordelijkheid, inzetten. Het kabinet heeft onlangs de Tweede
Kamer geïnformeerd dat de Coalitie met financiële steun vanuit het Ministerie van
VWS, tot en met eind 2028 wordt voorgezet om de implementatie en borging van leefstijl
in de zorg te ondersteunen45. Na 2028 stopt de Coalitie en is het aan de deelnemende partijen om de handschoen
verder op te pakken.
De aandacht voor casemanagement als standaard is volgens de leden van de 50PLUS-fractie
terecht. Het is goed om te lezen dat de casemanager al in een vroegtijdig stadium
mag worden ingeschakeld. Zijn er voldoende casemanagers om te voldoen aan de vraag?
Uit onderzoek46 dat VWS door PWC heeft laten uitvoeren blijkt dat er in de toekomst een tekort aan
casemanagers kan ontstaan. Net als in andere sectoren speelt een krappe arbeidsmarkt
en vergrijzing hierbij een belangrijke rol. Het veld geeft aan dat dit sterk afhankelijk
is van de wijze waarop casemanagement dementie (CMD) wordt georganiseerd. Zij geven
aan dat CMD toegankelijk kan blijven, indien dit integraal onderdeel is van de geleverde
zorg en ondersteuning in de wijk. Daarbij verwachten partijen dat in de praktijk minder
dan de door PWC geraamde 80–100% van de mensen met dementie casemanagement willen
gebruiken. Zowel professionals uit de zorg als het sociaal domein kunnen casemanagement
bieden, waardoor het belangrijk is dat zorgverzekeraars deze zorg breed inkopen. Het
kabinet verwacht dat zij samen met gemeenten en zorgaanbieders in elke regio afspraken
maken, zodat zij invulling geven aan hun zorgplicht.
Reactie op vragen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower constateren dat de Gezondheidsraad stelt dat bloedbiomarkers
«niet betrouwbaar genoeg» zijn voor brede inzet buiten de specialistische zorg. Deze
leden merken op dat het advies hiermee voorbijgaat aan recentelijk gepubliceerde,
peer-reviewed literatuur die een aanzienlijk hogere diagnostische betrouwbaarheid
aantoont. Zo publiceerde Nature Medicine (2025) een studie onder 1.767 patiënten in
vier secundaire zorgcohorten en één huisartsencohort in vier Europese landen, waarbij
geautomatiseerde plasma p-tau217-meting een nauwkeurigheid bereikte van 89–91 procent
in de tweede lijn en 85 procent in de eerste lijn. Een meta-analyse gepubliceerd in
Alzheimer's & Dementia (2025, n = 30 studies) toonde voor plasma p-tau217 een sensitiviteit
van 82 procent en een specificiteit van 86 procent voor amyloïdpositiviteit aldus
vergelijkbaar met, en in sommige gevallen superieur aan, klassieke liquordiagnostiek.
Lancet Neurology (2025) concludeerde bovendien in een systematische review dat plasma
p-tau217 een sterk nauwkeurige biomarker is met potentie voor klinische implementatie47. Genoemde leden vragen de Minister of zij het advies van de Gezondheidsraad op dit
punt nader wil laten bezien in het licht van publicaties die na de sluitingsdatum
van de literatuurreview zijn verschenen, en of zij bereid is een actuele wetenschappelijke
update, in conjunctie met een technische briefing in samenwerking met Amsterdam UMC,
hierover aan de Kamer aan te bieden.
De Gezondheidsraad weegt als onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan altijd de
meest actuele stand van de (inter)nationale wetenschap en klinische praktijk. In het
advies constateert de raad dat eiwitbepalingen in het bloed (bloedbiomarkers) weliswaar
steeds betrouwbaarder worden en steeds beter overeenkomen met biomarkeruitslagen in
hersenvocht en PET-scans, maar dat grootschalige inzet buiten de specialistische zorg
op het moment van advisering nog te vroeg werd geacht. De door de leden aangehaalde
recente publicaties uit 2025 onderstrepen deze snelle technologische vooruitgang.
Het is, gegeven de dynamiek binnen dit onderzoeksveld, niet ondenkbaar dat hernieuwde
wetenschappelijke consensus of veranderde klinische richtlijnen in de toekomst aanleiding
zullen vormen om de Gezondheidsraad te vragen de stand van zaken opnieuw te wegen.
De Gezondheidsraad heeft laten weten dat zij uiteraard gaarne bereid is om, desgewenst,
een technische briefing aan uw Kamer te verzorgen over de totstandkoming en de wetenschappelijke
onderbouwing van dit advies. Het staat uw Kamer vrij om daarnaast experts uit het
veld, zoals van het Amsterdam UMC, uit te nodigen om hun perspectief op de meest recente
literatuur te schetsen.
De leden van de groep Markuszower constateren dat het advies van de Gezondheidsraad
vroegdiagnostiek vrijwel uitsluitend beoordeelt op de vraag of hiermee individuele
ziekteprogressie kan worden voorspeld. Hierdoor wordt het wetenschappelijk breed erkende
doel van risicostratificatie ten behoeve van klinisch onderzoek en toekomstige therapiegeschiktheid
buiten beschouwing gelaten.
Bloedbiomarkers, met name plasma p-tau217, worden internationaal reeds ingezet om
deelnemers voor klinische trials met ziekte-modificerende middelen (lecanemab, donanemab)
te selecteren, waardoor kostbare en invasieve amyloïd-PET-scans kunnen worden beperkt.
De Alzheimer's Association heeft hier in 2022 expliciete «appropriate use recommendations»
voor uitgebracht. Een biomarker hoeft niet perfect prognostisch te zijn om legitiem
voor stratificatiedoeleinden te worden gebruikt48.
De leden van de groep Markuszower vragen de Minister te bevestigen of te weerleggen
of het advies van de Gezondheidsraad ook de toepassing van bloedbiomarkers voor klinische
trialselectie beoordeelt, dan wel of dit buiten beschouwing is gelaten, en wat haar
standpunt hierover is.
Het klopt dat de commissie van de Gezondheidsraad niet heeft gekeken naar het gebruik
van bloedbiomarkers als methode voor klinische trialselectie. Dit viel buiten de scope
van de adviesaanvraag en het uiteindelijke advies; de raad doet hier dan ook geen
aanbevelingen over.
Het gebruik van bloedbiomarkers ten behoeve van trialselectie is primair het domein
van het (inter)nationale wetenschappelijke onderzoek en de medisch-ethische toetsingscommissies
(METC's) die individuele klinische studies beoordelen. Het selecteren van geschikte
patiënten voor wetenschappelijk onderzoek door innovatieve methoden kan een waardevolle
manier zijn om vroege inzichten op te doen. Dit staat echter los van de vraag of een
diagnostisch instrument voldoende wetenschappelijk is gevalideerd en daarmee rijp
is voor brede inzet binnen het Nederlandse zorgstelsel.
Genoemde leden merken op dat het advies van de Gezondheidsraad zich beperkt tot bloed-
en liquorbiomarkers en niet rept van alternatieve biofluid-diagnostiek zoals traanvloeistof
(lacrimal fluid). Een in Scientific Reports (2021) gepubliceerde observationele studie
van het Alzheimer Centrum Limburg (Maastricht UMC+) toonde aan dat tau-eiwitten (t-tau)
in traanvocht aantoonbaar zijn en significant hoger liggen bij dementiepatiënten dan
bij patiënten met vroege cognitieve klachten. Traanvocht biedt als bijkomend voordeel
dat het volledig non-invasief kan worden verzameld. Verdere validatie is nodig, maar
het ontbreken van dit onderzoeksspoor in het advies achten deze leden een lacune49.
Is de Minister bereid te bezien of het lopende onderzoek naar traanvloeistofdiagnostiek,
ook in Nederlandse onderzoekscentra, deel kan uitmaken van de nationale dementieonderzoeksagenda?
Zo nee, op welke grond?
Het Onderzoeksprogramma Dementie van de NDS focust onder andere op diagnostiek en
prognostiek. Daarnaast zijn er verschillende subsidiemogelijkheden van NWO en Alzheimer
Nederland.
Mochten de onderzoekers op basis van robuuste data kansen zien en een concreet onderzoeksvoorstel
willen indienen, dan biedt de huidige onderzoekinfrastructuur van de NDS met de subsidiemogelijkheden
van ZonMw, NWO en Alzheimer Nederland, daarvoor de geëigende route.
Deze aanvragen worden in onafhankelijke competitie gewogen op basis van wetenschappelijke
kwaliteit en maatschappelijke impact.
De leden van de groep Markuszower constateren dat de Gezondheidsraad mede het argument
van psychologische belasting voor patiënten aanvoert als reden om vroegdiagnostiek
te ontraden. Deze leden erkennen dat dit een reëel punt van zorg kan zijn, maar stellen
dat dit argument in zijn huidige formulering onvoldoende wordt genuanceerd.
Ten eerste toont de wetenschappelijke literatuur aan dat de vrees voor psychologische
schade bij het bekendmaken van biomarkerresultaten minder empirisch gefundeerd is
dan vaak wordt aangenomen. Grill et al. (Neurology 2023) concluderen dat vragen over
de wenselijkheid van het meedelen van biomarkerresultaten steeds meer plaatsmaken
voor het inzicht dat dit over het algemeen veilig is en dat veel mensen hun uitslag
willen kennen. Ten tweede geldt dit in versterkte mate wanneer de uitslag wordt gecombineerd
met begeleiding en counseling vooraf. Patiënten met klachten of een familiaire belasting
wensen doorgaans wél te weten waar zij aan toe zijn, het paternalistisch onthouden
van diagnostische informatie gaat voorbij aan autonomie als kernwaarde in de gezondheidszorg.
De leden van de Groep Markuszower vragen de Minister op welke empirische basis de
Gezondheidsraad de psychologische last bij vroegdiagnostiek weegt, en of zij bereid
is een afzonderlijk onderzoek te laten uitvoeren naar de feitelijke psychologische
uitkomsten van het bekendmaken van biomarkerresultaten in de Nederlandse context,
inclusief de wensen van patiënten en mantelzorgers.
De Gezondheidsraad weegt in zijn adviezen maatschappelijke, ethische en psychologische
aspecten zorgvuldig mee op basis van de beschikbare wetenschappelijke literatuur en
de inbreng van de onafhankelijke adviescommissie. In het specifieke advies ontraadt
de raad vroegdiagnostiek overigens niet primair vanwege de psychologische belasting,
maar constateert de raad dat op dit moment de diagnostische en prognostische waarde
van de beschikbare methoden voor vroegdiagnostiek beperkt zijn en het nog ontbreekt
aan een effectieve therapeutische behandeling die vroegdiagnostiek buiten de (hoog)specialistische
zorg rechtvaardigt.
De raad beschrijft in het advies verschillende maatschappelijke, psychologische en
ethische overwegingen die bij toekomstige ontwikkelingen rond vroegdiagnostiek moeten
worden meegewogen, mochten er effectievere vroegdiagnostische methoden of behandelingen
beschikbaar komen. De door de leden aangehaalde literatuur over het belang van pre-
en posttestcounseling onderstreept precies de complexiteit van deze toekomstige inrichting.
Ik onderschrijf het belang van autonomie, goede begeleiding en counseling bij het
delen van biomarkerinformatie. Op dit moment zie ik geen aanleiding om een afzonderlijk,
nieuw onderzoek te laten uitvoeren naar de feitelijke psychologische uitkomsten en
patiëntenwensen in de Nederlandse context. Deze thema's, inclusief de impact van het
bekendmaken van biomarker-resultaten en het perspectief van patiënten en mantelzorgers,
worden namelijk al nadrukkelijk meegenomen binnen de lopende consortia (zoals ABOARD
en TAP-dementie) onder het Onderzoeksprogramma Dementie van de Nationale Dementiestrategie.
De inzichten uit deze onderzoeken, waarin ook patiëntenvereniging Alzheimer Nederland
participeert, leveren onder andere de empirische basis die nodig is voor toekomstige,
verantwoorde zorgpaden.
De leden van de Groep Markuszower constateren dat een cruciaal draagvlak van het negatieve
advies de stelling is dat er geen effectieve therapeutische behandeling beschikbaar
zou zijn. Zij wijzen de Minister op twee relevante ontwikkelingen die dit standpunt
nuanceren.
Ten eerste zijn lecanemab (Leqembi) en donanemab in 2025 door de Europese Commissie
goedgekeurd voor de Europese markt. Zorginstituut Nederland heeft in februari 2026
negatief geadviseerd over vergoeding van lecanemab vanuit het basispakket, vanwege
het als beperkt beoordeelde klinische effect. Alzheimer Nederland heeft aangegeven
teleurgesteld te zijn in dit besluit en benadrukt dat patiënten samen met hun arts
moeten kunnen besluiten of zij een behandeling willen. Juist voor beide middelen geldt
dat vroegdiagnostiek een absolute voorwaarde is: ze zijn uitsluitend inzetbaar in
het vroegste stadium van Alzheimer. Een beleid dat vroegdiagnostiek ontmoedigt, ondermijnt
daarmee de toekomstige toegankelijkheid van ziekte-modificerende therapieën zodra
vergoeding wél aan de orde is.
Ten tweede bestaat een veelbelovende therapeutische modaliteit in de vorm van therapeutische
plasma-uitwisseling met albumine (therapeutic plasma exchange, TPE). De AMBAR-studie (fase IIb/III, Alzheimer's & Dementia 2020; n = 347 gerandomiseerde patiënten, 41
centra in Spanje en de VS) toonde een statistisch significante vertraging van cognitieve
en functionele achteruitgang aan bij patiënten met milde tot matige Alzheimer. Een
real-world-cohortonderzoek uit Argentinië (Taragano et al., 2025; n = 32) ondersteunt de externe validiteit van
deze bevindingen50. De leden van de Groep Markuszower vragen de Minister of zij het advies van de Gezondheidsraad
ook op het punt van beschikbare en in ontwikkeling zijnde therapieën nader wil laten
bezien.
Het wereldwijde dementieonderzoek is dynamisch. Zorginstituut Nederland heeft in februari
2026 negatief geadviseerd over de vergoeding van lecanemab, omdat deze voor de geregistreerde
indicatie (volwassen patiënten met een klinische diagnose van milde cognitieve stoornissen
en milde dementie als gevolg van de ziekte van Alzheimer) niet aan het wettelijke
criterium «stand van de wetenschap en praktijk» voldoet. Dit onafhankelijke oordeel
is leidend voor opname in het basispakket.
Dit besluit ontmoedigt tijdige diagnostiek niet. Via het Onderzoeksprogramma Dementie
van de Nationale Dementiestrategie (NDS) blijven we juist investeren in tijdige en
accurate diagnostiek (zoals via het TAP-dementie consortium). Dit is essentieel voor
eventuele toekomstige behandelingen die wél voldoen, maar vooral om patiënten en naasten
nu al passende zorg en ondersteuning en toekomstplanning te kunnen bieden.
Met interesse heb ik kennisgenomen van het genoemde onderzoek naar therapeutische
plasma-uitwisseling (TPE) met albumine. In Nederland dragen de relevante wetenschappelijke
verenigingen (zoals Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVN) en de Nederlandse
Vereniging voor Klinische Geriatrie (NVKG)) de verantwoordelijkheid voor de medische
inhoud van hun richtlijnen. Zij wegen nieuwe diagnostische en therapeutische interventies
zelfstandig op basis van internationale wetenschappelijke standaarden en consensus,
in nauwe afstemming met andere veldpartijen en eventuele parallelle pakketbeoordelingen
door Zorginstituut Nederland.
De Gezondheidsraad weegt als onafhankelijk orgaan de actuele wetenschappelijke stand
van zaken. De conclusie dat er «geen effectieve behandeling beschikbaar is», duidt
op het ontbreken van breed klinisch bewezen, veilige en effectief toepasbare therapieën
op dat moment. Ik zie geen aanleiding voor een tussentijdse herziening; de raad volgt
doorbraken nauwgezet. Pas als de internationale consensus of nationale richtlijnen
substantieel wijzigen, is dat het moment om de impact op zorgpaden te evalueren.
De leden van de Groep Markuszower merken op dat naast diagnostische vraagstukken ook
een specifieke therapeutische technologie nadere aandacht verdient: nanofiltratietechnieken
en immunoselective nanopheresis. Bij deze aanpak wordt bloed of liquor door een nanoscopisch
filter geleid dat amyloïd-bèta en tau-eiwitten selectief verwijdert op basis van grootte
en lading. Een in International Journal of Molecular Sciences (2024) gepubliceerde
review beschrijft de wetenschappelijke grondslagen van deze benadering en de potentie
ervan bij de ziekte van Alzheimer. Het onderliggende mechanisme sluit aan bij de «peripheral
sink hypothesis» die ook de grondslag vormt van de AMBAR-studie51.
Deze leden constateren dat Nederland over sterke infrastructuur beschikt op het gebied
van dementieonderzoek (onder meer via Alzheimer Centrum Amsterdam, Alzheimer Centrum
Limburg en de nationale Dementiestrategie) en dat er in beginsel mogelijkheden bestaan
om in samenwerking met academische centra, ziekenhuizen en industrie pilots op te
zetten voor nanofiltratietechnieken bij Alzheimer.
De leden van de Groep Markuszower vragen de Minister of zij bereid is te laten onderzoeken
of nanofiltratietechnieken als therapeutische aanpak bij Alzheimer wetenschappelijk
en klinisch kansrijk zijn, en of zij vervolgens bereid is in gesprek te gaan met relevante
partners, waaronder universitair medische centra, Alzheimer Nederland en eventuele
industriële partijen, om de haalbaarheid van een pilot in Nederland te verkennen.
Zo nee, op welke grond acht de Minister dit niet opportuun?
Het Onderzoeksprogramma Dementie van de NDS focust onder andere op fundamenteel onderzoek,
diagnostiek, prognostiek en veelbelovende innovatieve therapieën. De prioritering
en financiering van onderzoek binnen de verschillende thema’s verloopt onafhankelijk
via ZonMw. Daarnaast financieren de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk
Onderzoek (NWO) en Alzheimer Nederland maatschappelijk en wetenschappelijk relevant
onderzoek dat binnen de kaders van hun subsidierondes past (zoals de NWO KIC-calls
en de Biomedical research-subsidies van Alzheimer Nederland).
Onderzoeksvoorstellen voor innovatieve therapieën – inclusief nanotechnologische toepassingen
– kunnen door consortia van universitaire medische centra en kennisinstellingen, in
samenwerking met industriële partners, worden ingediend binnen de open subsidierondes
van deze instanties. Onafhankelijke expertcommissies toetsen deze voorstellen vervolgens
op wetenschappelijke kwaliteit, haalbaarheid en klinische relevantie.
Ik acht het dan ook niet opportuun om als Minister zelf het initiatief te nemen tot
een specifieke haalbaarheidsstudie of pilot voor nanofiltratie. Dit initiatief ligt
primair bij het wetenschappelijke veld en de klinische experts. Mochten zij op basis
van robuuste data kansen zien en een concreet onderzoeksvoorstel willen indienen,
dan biedt de huidige infrastructuur van de NDS, samen met de subsidiemogelijkheden
van ZonMw, NWO en Alzheimer Nederland, daarvoor de geëigende route.
De leden van de Groep Markuszower merken op dat wetenschappelijke adviezen over snel
evoluerende medische technologieën per definitie een houdbaarheidsdatum kennen. Het
advies sloot de literatuurreview in 2025, maar publicaties uit datzelfde jaar, waaronder
een grote meta-analyse in Lancet Neurology (september 2025) en studies in Nature Medicine
en Nature Aging, geven aanleiding tot herbeoordeling. Genoemde leden maken zich zorgen
dat beleid wordt gebaseerd op een momentopname die de internationale wetenschappelijke
stand van zaken niet langer volledig weerspiegelt.
Is de Minister bereid toe te zeggen dat zij de Gezondheidsraad verzoekt het advies
over vroegdiagnostiek periodiek, bij voorkeur jaarlijks, te actualiseren in het licht
van nieuwe literatuur, en de Kamer hierover te informeren? Is zij voorts bereid toe
te zeggen dat de aanbeveling om vroegdiagnostiek te ontraden niet permanent als beleidslijn
wordt verankerd, maar uitdrukkelijk als een huidige, tijdgebonden conclusie wordt
gepresenteerd?
De Gezondheidsraad is een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan dat de (inter)nationale
wetenschappelijke ontwikkelingen en trends inherent nauwgezet volgt. Het periodiek
of jaarlijks routinematig herhalen van een formele adviesaanvraag is niet gebruikelijk
en bovendien niet doelmatig voor de capaciteit van de raad. Wel is het vaste praktijk
dat de Gezondheidsraad signalen afgeeft of uit eigen beweging adviseert wanneer nieuwe,
doorslaggevende wetenschappelijke inzichten of trends daar aanleiding toe geven. Op
basis van deze of andere signalen kan de raad gevraagd worden de stand van de wetenschap
opnieuw in kaart te brengen (zoals hiervoor aangegeven bij de beantwoording van vraag
1). Ik zal de Kamer uiteraard informeren zodra dergelijke substantiële updates aan
de orde zijn. Een vaste toezegging voor een jaarlijkse, formele herziening door de
raad kan ik om die redenen niet doen.
Ik kan de Kamer daarentegen wel toezeggen dat de huidige aanbevelingen en de daarop
gebaseerde beleidslijn niet definitief zijn verankerd, maar uitdrukkelijk gelden als
een huidige, tijdgebonden conclusie die meebeweegt met nieuwe ontwikkelingen. Zodra
de effectiviteit, werking en veiligheid van nieuwe diagnostische methoden of de daaraan
gekoppelde ziektemodificerende medicijnen in de klinische praktijk zijn bewezen, zullen
we de beleidsregels in nauw overleg met het zorgveld en de wetenschappelijke instituten
heroverwegen.
De leden vragen de Minister of Alzheimer Nederland geconsulteerd is tijdens de totstandkoming
van het advies. Zo nee, acht zij dit een tekortkoming in het adviesproces? Erkent
de Minister dat een advies over de wenselijkheid van vroegdiagnostiek dat de stem
van patiënten en mantelzorgers niet structureel meeneemt, per definitie een onvolledig
beeld geeft? Is zij bereid dit bij toekomstige adviestrajecten over dementie te corrigeren,
en erkent zij de gesignaleerde tekortkomingen in het voorliggende advies?
De Gezondheidsraad is een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan dat zijn adviezen
opstelt op basis van de stand van de wetenschap en de klinische praktijk. De raad
stelt daartoe een commissie van deskundigen in die de opdracht heeft om de wetenschappelijke
literatuur en de maatschappelijke context onafhankelijk en objectief te wegen.
Alzheimer Nederland is bij de totstandkoming van dit specifieke advies door de Gezondheidsraad
niet rechtstreeks formeel geconsulteerd. Ik beschouw dit echter niet als een tekortkoming
in het adviesproces van de raad. Inhoudelijk gezien waren de commissieleden immers
goed op de hoogte van de standpunten van de patiëntenvereniging; diverse commissieleden
onderhouden nauwe contacten met Alzheimer Nederland. Daarnaast zijn de standpunten,
behoeften en zorgen van patiënten en mantelzorgers breed gedocumenteerd in wetenschappelijke
publicaties, grijze literatuur en de openbare uitingen van de organisatie zelf, en
zijn deze zodoende meegewogen.
Ik deel de mening van de leden dat het perspectief van patiënten en naasten essentieel
is bij vraagstukken rondom de inrichting van de dementiezorg. Voor toekomstige adviestrajecten
over dementie blijft het uitgangspunt dat de Gezondheidsraad, binnen zijn onafhankelijke
positie, de relevante maatschappelijke context nauwgezet betrekt.
Buiten de adviezen van de Gezondheidsraad om is het patiënten- en mantelzorgperspectief
via Alzheimer Nederland bovendien al structureel en stevig verankerd in de stuurgroepen
van de Nationale Dementiestrategie en de onderzoekconsortia van het Onderzoeksprogramma
Dementie. Op deze wijze is de waardevolle inbreng van patiënten en hun naasten in
de uiteindelijke besluitvorming en beleidsuitvoering geborgd.
Tot slot vragen de leden of de Minister, mede in het licht van de bovenstaande overwegingen,
bereid is een pilotprogramma voor biomarkerdiagnostiek bij hoog-risicogroepen (familiaire
belasting, APOE ε4- dragerschap, vroege klachten) te overwegen ten behoeve van stratificatie
en onderzoeksdeelname, en de uitkomsten daarvan aan de Kamer voor te leggen. Deze
leden wijzen de Minister in dit verband op het amendement van het lid Claassen52 inzake een nationaal versnellingsprogramma Minimaal Invasieve Dementiediagnostiek
(MIDD), dat voorzag in geoormerkte middelen voor precies dit doel: bloedbiomarkers
als triageinstrument, waarbij een negatieve bloedtest verdere invasieve diagnostiek
voorkomt en een positieve bloedtest gerichte doorverwijzing naar amyloïd-PET mogelijk
maakt. Dit triage-model leidt niet alleen tot minder belasting voor patiënten en minder
gebruik van schaarse PET-capaciteit, maar ook tot een substantiële reductie van stralingsbelasting
bij patiënten bij wie pathologie op grond van de bloedtest onwaarschijnlijk is. Genoemde
leden betreuren dat dit amendement ingetrokken is naar aanleiding van de ontrading
en vragen de Minister of zij de beleidsmatige doelstelling achter dat amendement alsnog
onderschrijft en langs een andere weg wil realiseren.
Ik onderschrijf de beleidsmatige doelstelling om te komen tot minder belastende, efficiëntere
en doelmatigere dementiediagnostiek. Dit is een belangrijk speerpunt binnen de Nationale
Dementiestrategie (NDS). De meerwaarde van een triage-model – waarbij betrouwbare
bloedbiomarkers in een vroeg stadium worden ingezet om onnodige en kostbare vervolgdiagnostiek
(zoals ruggenmergpuncties of amyloïd-PET-scans) te voorkomen – wordt in de wetenschappelijke
gemeenschap breed herkend. Dit model vermindert de belasting voor de patiënt en spaart
de schaarse zorg- en diagnostiekcapaciteit.
Hoewel het amendement-Claassen destijds is ingetrokken en opgevolgd door een motie,
wordt er binnen de bestaande kaders van het Onderzoeksprogramma Dementie al gewerkt
aan de achterliggende doelstelling. De grootschalig onderzoeksconsortia TAP-dementie
(Tijdige, Accurate en gePersonaliseerde diagnose van dementie) en ABOARD richten zich specifiek op de ontwikkeling, validatie en implementatie
van onder andere deze minimaal invasieve diagnostische instrumenten, waaronder bloedtesten.
Binnen deze consortia vinden ook al de gezochte stratificatie van hoog-risicogroepen
(zoals personen met een familiaire belasting of vroege cognitieve klachten) plaats
ten behoeve van onderzoeksdeelname.
Het opzetten van een apart, aanvullend pilotprogramma voor biomarkerdiagnostiek naast
de reeds lopende infrastructuren is daarom niet doelmatig en zou leiden tot fragmentatie
van middelen en expertise. De resultaten en voortgang van de consortia binnen de NDS
worden nauwgezet gemonitord. De uitkomsten zullen, zodra deze gereed zijn voor vertaling
naar klinische praktijk, vanzelfsprekend met uw Kamer worden gedeeld.
Deze leden merken voorts op dat de onderhavige inbreng zich heeft geconcentreerd op
de ziekte van Alzheimer, hetgeen de prevalentieproportie binnen het dementiesyndroom
rechtvaardigt: Alzheimer is verantwoordelijk voor circa twee derde van alle dementiegevallen
in Nederland. De leden van de Groep Markuszower benadrukken echter dat de hierboven
uiteengezette argumenten in wezenlijke mate ook opgaan voor andere neurodegeneratieve
aandoeningen, zij het met andere diagnostische en therapeutische nuances. Voor de
ziekte van Parkinson, Lewy body-dementie en fronto-temporale dementie bestaan eveneens
biomarkertrajecten in ontwikkeling; bij vasculaire dementie spelen modificeerbare
vaatrisicofactoren een nog prominentere rol.
Op dit moment zie ik geen aanleiding om naast de bestaande onderzoekinfrastructuur
in de NDS per dementievorm een afzonderlijk actieplan voor de diagnostische agenda
op te stellen. De doelstellingen rondom specifieke en gepersonaliseerde diagnostiek,
met inbegrip van de inzet van minimaal invasieve biomarkers, zijn namelijk al integraal
belegd binnen het lopende landelijke onderzoeksconsortium TAP-dementie (Tijdige, Accurate en gePersonaliseerde diagnose van dementie).
Binnen dit consortium wordt intensief gewerkt aan het in kaart brengen van de biologische
diversiteit en de subtyperingen van dementie. Daarnaast richt het consortium zich
specifiek op het valideren en combineren van verschillende biomarkers om zorgprofessionals
meer houvast te bieden bij complexe diagnostische vraagstukken in de praktijk. De
Kamer wordt over de voortgang en resultaten van de NDS, inclusief de mijlpalen van
de onderzoekconsortia, jaarlijks geïnformeerd.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.