Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Mohandis over het Sportakkoord 2 en het rapport van de evaluatie Sportakkoord
Vragen van het lid Mohandis (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over het Sportakkoord 2 en het rapport van de evaluatie Sportakkoord (ingezonden 22 mei 2026).
Antwoord van Minister Sterk (Langdurige Zorg, Jeugd en Sport) (ontvangen 30 juni
2026) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2230
Vraag 1
Wat is uw reactie op de evaluatie van het Sportakkoord?1
Antwoord 1
In mijn brief van 23 april 20262 heb ik aangegeven dat het doel van het evaluatieonderzoek was om te beoordelen in
hoeverre de akkoorden als instrument hebben geleid tot veranderingen in de totstandkoming
en uitvoering van sportbeleid op zowel landelijk als lokaal niveau. Daarbij hebben
de onderzoekers expliciet gekeken naar de werking van zo’n breed akkoord en het structurele
en duurzame karakter van deze verandering, met bijzondere aandacht voor de samenwerking
tussen partijen. De uitkomsten van dit onderzoek betrek ik bij het maken van toekomstig
sport- en beweegbeleid van 2027 en verder.
Vraag 2
Kan worden toegelicht hoeveel meer mensen zijn gaan sporten of bewegen als gevolg
van het Sportakkoord?
Antwoord 2
Nee, de evaluatie geeft geen kwantitatieve schatting van hoeveel mensen meer zijn
gaan sporten of bewegen door het Sportakkoord. De evaluatie richt zich op de veranderingen
in de organisatie, samenwerking en uitvoering die beogen de sport- en beweegdeelname
te vergroten. Sinds de start van het Sportakkoord in 2018 hebben bijna alle gemeenten
lokale akkoorden gesloten met activiteiten gericht op de lokale context. Hoewel ontwikkelingen
in sport- en beweegdeelname landelijk worden gemonitord, is het niet mogelijk om vanuit
die lokale activiteiten het effect op sport- en beweegdeelname van het Sportakkoord
als instrument in zijn geheel te kwantificeren.
Vraag 3
Kan nader worden toegelicht wat «landelijk is een strategisch kader voor topsport
tot stand gebracht» concreet betekent voor de topsport?
Antwoord 3
Het strategisch kader topsport wordt gebruikt om het beleid en de activiteiten van
NOC*NSF inclusief de sportbonden, de Vereniging Sport Gemeenten (VSG) inclusief de
gemeenten en de rijksoverheid (het Ministerie van VWS) beter op elkaar af te stemmen.
Daarmee werken we aan ons gezamenlijk doel om de maatschappelijke waarde van topsport
te vergroten, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid. Door te vertrekken
vanuit een gezamenlijke ambitie en strategie, worden investeringen en activiteiten
versterkt, worden er geen activiteiten dubbel gedaan en is er zicht op de ontwikkelingen
in de topsport. Voorbeelden hiervan zijn:
1. de topteamsportcompetities waarin de prestaties en de inspirerende waarde van topsporters
via de clubs ook andere clubleden en buurtbewoners kunnen raken;
2. het programma «Sport voor mensen met een handicap in 2030 vanzelfsprekend» waarin
de aard en omvang van de doelgroep gezamenlijke keuzes voor breedte- en topsport noodzakelijk
maken;
3. het programma «TeamNL experience» waarin de prestaties van topsporters tijdens internationale
topsportevenementen worden benut om meer mensen te laten kennis maken met diverse
sporten.
Met het strategisch kader topsport is er één gezamenlijke lange termijn koers uitgezet
voor de topsport, die gemonitord wordt via de monitor Topsport in Nederland (TiN).
Vraag 4
Zijn topsporters tevredener, behalen ze betere prestaties of is hun positieve maatschappelijke
impact toegenomen als gevolg van het Sportakkoord?
Antwoord 4
Maatschappelijke verandering, ook in de topsport, kan alleen ontstaan en worden geborgd
als die door relevante partijen wordt gezien, gevoeld en gedragen. Het Sportakkoord,
met het strategisch kader, is een instrument om de beweging op gang te brengen om
de maatschappelijke waarde van topsport te vergroten. Daarnaast gaat het om een lange
termijn strategie die niet vanzelfsprekend tot direct meetbare resultaten leidt. Het
is dan ook moeilijk om een directe causale relatie te leggen tussen het akkoord en
de concrete uitkomstmaten zoals tevredenheid van sporters, betere prestaties en meer
positieve maatschappelijke impact.
Echter, de afgelopen jaren zijn er, vanuit het strategisch kader, diverse activiteiten
gestart. Zo ontwikkelt NOC*NSF een nieuw voorzieningenmodel voor topsporters en geeft
het topsportcultuuronderzoek concrete aandachtpunten om de tevredenheid van sporters
te vergroten. Daarnaast worden niet alleen de Olympische en Paralympische gouden medailles
ondersteund, maar worden andere topsportprestaties zoals wekelijkse competities ook
ondersteund. Bijvoorbeeld via het programma ««Versterken top teamsportcompetities
en topclubs 2032».
Vraag 5
Kan nader worden toegelicht wat het concreet betekent dat «De ambitie om de governance
van top- en breedtesport samen te brengen is deels waargemaakt; de fysieke samenvoeging
van coördinatieteams is niet doorgezet, maar er vindt wel samenwerking op specifieke
thema’s plaats»?
Antwoord 5
Als het gaat om de organisatie en uitvoering van het Sportakkoord als geheel, is het
beperkt gelukt om breedte- en topsport bij elkaar te brengen. Er zijn nog steeds twee
coördinatieteams en de looptijd van de afspraken verschilt.3 Dit had te maken met een aantal belangrijke verschillen tussen breedte- en topsport
zoals de positie en rol van de betrokken partijen, de landelijke (topsport) of lokale
(breedtesport) oriëntatie en de reikwijdte van de gemaakte afspraken.
Dat neemt echter niet weg dat bij een aantal concrete thema’s voortgang is geboekt
om breedte- en topsport met elkaar te verbinden, zoals:
– de versterking van de nationale top teamsportcompetities van vijf teamsporten. Hierbij
wordt onder meer ingezet op het vergroten van de organisatiekracht en de kwaliteit
van trainers en coaches van de deelnemende clubs en verenigingen. Deze clubs en verenigingen
zijn vaak sterk lokaal verankerd en hebben zowel een top- als een breedtesportafdeling.
Zij zijn als het ware de verbinding tussen top- en breedtesport. Zo zal een sterker
topsportkader via de club doorwerken naar de breedtesport.
– in het programma «Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030»
werken partijen samen om zowel de Paralympische breedtesport als de topsport te versterken.
Zo is bij aanvang van het programma een projectleider Classificaties aangenomen bij
NOC*NSF om het proces rondom classificaties te verduidelijken. Dit komt zowel ten
goede aan de breedtesport als aan de topsport.
Vraag 6
Wat zijn de consequenties van de «verbeterde samenwerking» tussen gemeentes en sportverenigingen?
Hoe vertaalt deze verbetering zich concreet?
Antwoord 6
Het verbeteren van de samenwerking tussen gemeenten en verenigingen leidt tot veel
initiatieven. In het evaluatierapport zijn verschillende concrete consequenties benoemd:
– er zijn nieuwe vormen van activiteiten geïntroduceerd, variërend van laagdrempelige
buurtactiviteiten tot gespecialiseerde sporttrainingen;
– het versterken van verenigingen heeft volgens het rapport ook geholpen bij het stimuleren
van inclusie en diversiteit in sportbeoefening waardoor onder andere kwetsbare groepen
beter worden betrokken;
– de verbeterde samenwerking heeft niet in de laatste plaats ook gezorgd voor beleids-
en uitvoeringsverbindingen tussen sport en andere maatschappelijke domeinen ondanks
de verschillen in gemeenten.
Daarnaast zie ik dat het versterken van de samenwerking tussen gemeenten en sportverenigingen
een belangrijke conditie is om sportverenigingen te kunnen ondersteunen. Met betrokken
partijen ben ik in gesprek over hoe de opgebouwde netwerken en samenwerking uit het
Sportakkoord ook na afloop daarvan kunnen worden geborgd.
Vraag 7 & 8
Wat zijn de concrete consequenties voor het sportaanbod als de breedtesport niet gebord
wordt omdat de sportakkoordmiddelen wegvallen, zoals gesteld in de evaluatie?
Welke resultaten verdwijnen precies door het gebrek aan structurele financiering,
zoals beschreven op pagina 5?
Antwoord 7 & 8
Naast het bezuinigen op de totale inzet van het uitvoeringsbudget voor lokale sportakkoorden
en het wegvallen van tijdelijke middelen uit het vorig coalitieakkoord voor het versterken
van sportbonden zijn er ook middelen die de komende jaren voor breedtesport zullen
worden ingezet. Dit is bijvoorbeeld de financiering voor de Brede Regeling Combinatiefuncties,
de middelen voor gemeentelijke sportaccommodaties, de financiering van NOC*NSF voor
kerntaken in de breedtesport en clubondersteuning, financiën voor sporten voor mensen
met een handicap en mensen in armoede. Schaarste vraagt van partijen scherp te kijken
naar de eigen kerntaken en hoe zij de breedtesport het beste kunnen ondersteunen.
Hierover zijn en blijven we als Ministerie van VWS in gesprek met onze partners. In
het najaar zal ik uw Kamer informeren over de uitkomst van deze gesprekken en de eventuele
consequenties van het wegvallen van de tijdelijke middelen.
Vraag 9
Hoe doelmatig en doeltreffend was het besteedde geld aan het Sportakkoord, uitgedrukt
in toename in sporten en bewegen?
Antwoord 9
Ik verwijs hiervoor graag naar het antwoord op vraag 2. Het is niet mogelijk om de
doelmatigheid en doeltreffendheid uit te drukken in toename in sporten en bewegen.
De daadwerkelijke toename van sport- en beweegdeelname was geen expliciete doelstelling
van het Sportakkoord.
Vraag 10
In hoeverre bent u van mening dat het effectief en doelmatig is om middelen niet gewoon
lokaal in te zetten, maar aan adviseurs lokale sport, wanneer adviseurs aangeven dat
toegang tot lokale en regionale netwerken lastig is?
Antwoord 10
Binnen het Sportakkoord worden de middelen zowel lokaal als landelijk ingezet, juist
om die verbinding te maken tussen lokaal en regionaal. Bij de start van Sportakkoord
I waren de adviseurs lokale sport woordvoerders van de sport richting het lokale veld
en de regionale netwerken. Vanuit die rol konden adviseurs lokale sport de sport lokaal
versterken en aan tafel helpen bij besluitvormingsprocessen over te voeren sport-
en beweegbeleid. In Sportakkoord II fungeren adviseurs lokale sport als verbindende
schakel tussen landelijk en lokaal en het ondersteunen van de totstandkoming van lokale
netwerken voor clubondersteuning. Dit leidt tot een landelijk dekkend netwerk van
clubondersteuning aan het eind van dit jaar.
Sportakkoord II heeft, mede dankzij de financiering zoals de Brede SPUK, ervoor gezorgd
dat verbinding met de lokale en regionale netwerken ook binnen andere domeinen zoals
het onderwijs en het sociaal domein te maken zijn. De inzet van middelen op de verschillende
niveaus maakt juist dat het instrument Sportakkoord heeft gewerkt in het leggen verbindingen
en samenwerkingen. Dit is een belangrijke basis om de sport- en beweegsector verder
te kunnen versterken.
Vraag 11
Wat heeft de gemiddelde sportclub aan administratieve ontlasting gehad als gevolg
van het Sportakkoord? Was dit doeltreffend en doelmatig?
Antwoord 11
De evaluatie van het Sportakkoord geeft geen inzicht in de mate waarin een gemiddelde
sportclub administratieve ontlasting heeft gehad als gevolg van het Sportakkoord.
Vraag 12
Zijn gemeentes tevreden met het Sportakkoord? Of zijn er ook gemeentes die alternatieven
aandragen?
Antwoord 12
In het evaluatierapport wordt geen inzicht gegeven in de mate van tevredenheid van
gemeenten. Wel wordt aangegeven dat het Sportakkoord invloed heeft gehad op het beleid
bij gemeenten, gelet op de inzet van thema’s bij gemeenten zoals Sociaal veilige sport,
Inclusie en diversiteit. Op uitvraag van de VSG geven gemeenten ook aan dat het werken
onder een gezamenlijke vlag als het Sportakkoord helpend is om lokaal sport- en beweegbeleid
verder te brengen.
Vraag 13
Zijn sportverenigingen tevreden met het Sportakkoord – zij moeten immers de doelen
waarmaken? Of zijn er ook sportverenigingen die de alternatieven aandragen?
Antwoord 13
Het evaluatierapport geeft geen inzichten in de mate van tevredenheid over het Sportakkoord
bij sportverenigingen. Echter, sportverenigingen die de ambitie hebben om vitaal en
toekomstbestendig te willen worden én in staat zijn om een brede maatschappelijke
rol te vervullen, hebben via het Sportakkoord ondersteuning kunnen krijgen via services
en de sport- en beweegloketten.
Onderzoek van het Mulier Instituut4 geeft aan dat de impuls voor het ondersteuningsaanbod ertoe heeft geleid dat gemeenten
zich actiever hebben gericht op clubondersteuning. Daar waar beperkte of geen clubondersteuning
aanwezig was, heeft het ondersteuningsbudget ervoor gezorgd dat clubondersteuning
lokaal meer op de agenda is komen te staan.
Uit navraag van NOC*NSF onder sportverenigingen, blijkt dat sportverenigingen het
ondersteuningsaanbod dat ze hebben afgenomen, gemiddeld beoordelen met een 8,1. Met
name het maatwerk en het kunnen inspelen op de lokale behoefte van de club, wordt
als positief ervaren.
Vraag 14
Waarom is er geen enquête gehouden onder sportverenigingen over hoe de middelen zo
goed mogelijk verdeeld kunnen worden?
Antwoord 14
Sportverenigingen zijn op een andere manier betrokken geweest bij de verdeling van
middelen.Sportverenigingen kunnen op twee manieren in aanmerking komen voor financiële
middelen:
1. Enerzijds via de lokale kernteams. In deze kernteams zijn verschillende organisaties
vertegenwoordigd, waaronder sportverenigingen. Afhankelijk van waar de grootste behoefte
lag, werd gezamenlijk besloten waar de middelen lokaal voor werden ingezet.
2. Daarnaast kunnen sportverenigingen afhankelijk van de eigen behoefte rechtstreeks
middelen aanvragen om hun club te versterken via NOC*NSF
Vraag 15
Zijn sporters tevreden met het Sportakkoord?
Antwoord 15
Het evaluatierapport geeft geen inzicht in de tevredenheid van sporters met het Sportakkoord.
Wel geeft het rapport aan dat op basis van kwalitatieve gegevens het bereik van het
Sportakkoord is toegenomen. Het gaat hierbij om sporters, vrijwilligers én toeschouwers.
Het ontbreekt aan kwantitatieve gegevens vanwege hetgeen eerder is toegelicht bij
de beantwoording van vraag 2.
Vraag 16
Kan worden toegelicht wat er wordt bedoeld met een betere samenwerking tussen breedtesport
en topsport? Kunt u dit toelichten aan de hand van drie illustratieve voorbeelden?
Antwoord 16
Ik verwijs hiervoor graag naar mijn antwoord op vraag 5 waarin ook de drie voorbeelden
worden gegeven.
Vraag 17
Wat betekent het volgende citaat concreet «Op basis van landelijke interviews en de
casestudies concluderen we dat de sportinfrastructuur in Nederland de afgelopen jaren
op verschillende vlakken merkbaar versterking heeft gekregen, maar de mate van robuustheid
verschilt sterk tussen gemeenten»?
Antwoord 17
In het rapport is geconcludeerd, dat de samenwerking op lokaal niveau merkbaar is
versterkt. In algemene zin is de grootste vooruitgang geboekt in het behoud van de
«zachte» infrastructuur. Dit gaat om de uitbreiding van netwerken, samenwerkingsstructuren
en kennisdeling. Continuïteit hiervoor berust minder op inzet van financiële middelen.
De meer «harde» infrastructuren, dus de verenigingen, accommodaties, inzet van fte
is ook versterkt, maar de continuïteit hiervan is kwetsbaarder. Dit heeft te maken
met inzet van tijdelijke middelen in plaats van structurele middelen. Met name kleinere
gemeenten hebben meer last van deze tijdelijke inzet. Vandaar dat er verschillen kunnen
ontstaan tussen gemeenten.
Vraag 18
Zijn sportverenigingen tevreden over het ondersteuningsaanbod voor sportaanbieders,
die duidelijk zijn toegenomen?
Antwoord 18
Sportverenigingen zijn tevreden over het ondersteuningsaanbod dat VWS beschikbaar
stelt via Sportakkoord middelen aan sportaanbieders om hun club te versterken. Ik
verwijs hiervoor verder graag naar mijn antwoord op vraag 13.
Vraag 19
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het Commissiedebat Sportbeleid d.d. 30 juni 2026?
Antwoord 19
Ja.
Ondertekenaars
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.