Schriftelijke vragen : De hersteloperatie van de toeslagenaffaire en de brievenadministratie inzake het massale uitvraagproces
Vragen van het lid Ceulemans (JA21) aan de Staatssecretaris van Financiën over de hersteloperatie van de toeslagenaffaire en de brievenadministratie inzake het massale uitvraagproces (ingezonden 29 juni 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Hoe het herstel van het Toeslagenschandaal ontspoorde:
zeker 20.000 ouders ontvingen ten onrechte compensatie»1 uit NRC Handelsblad van 15 juni 2026?
Vraag 2
Kunt u een uitgebreide inhoudelijke reactie geven op dit artikel, waaronder in ieder
geval ten aanzien van het genoemde aantal van 20.000 personen, die ten onrechte als
gedupeerde zijn aangemerkt en gecompenseerd in het kader van de toeslagenaffaire?
Vraag 3
Waarom werd, zoals in het artikel wordt vermeld, binnen UHT verondersteld dat het
versturen van de uitvraag- en rappelbrieven aan ouders niet te bewijzen was, aangezien
zowel de administratie van deze grootscheepse operatie als het boven water krijgen
ervan als onderdeel van de hersteloperatie van cruciaal belang waren?
Vraag 4
Is er eerder onderzoek gedaan naar de verzendadministratie? Zo ja, wat waren de resultaten
hiervan en kunt u deze met de Kamer delen?
Vraag 5
Wat was in de beginfase van de UHT de werkwijze met betrekking tot het boven water
krijgen van de benodigde informatie en correspondentie van Toeslagen voor een beoordeling
door UHT? Welke afdelingen waren hierbij betrokken, wat kunt u over dit proces vertellen
en hoe heeft zich dit vervolgens in de loop der jaren ontwikkeld?
Vraag 6
Hoeveel ouders hebben vanaf 2007 per toeslagjaar een uitvraagbrief ontvangen, hoeveel
een rappelbrief en hoeveel een stopbrief (tweede rappelbrief)?
Vraag 7
Deelt u de analyse dat wanneer in het proces van het versturen van uitvraag-, rappel-
en stopbrieven een volgende brief niet is verstuurd, dit inhoudt dat de betrokken
persoon óf op de vorige brief gereageerd heeft óf uit het proces is gehaald? Zo nee,
waarom niet?
Vraag 8
Deelt u tevens de analyse dat indien een persoon een stopbrief heeft ontvangen, dat
dit in ieder geval inhoudt dat er geen reactie is binnengekomen op de uitvraag- en
de rappelbrief? Zo nee, waarom niet?
Vraag 9
Hoeveel procent van de ouders heeft over de jaren heen (vanaf 2007) gereageerd op
een uitvraag- of rappelbrief, waardoor vervolgens dus niet de fase van de stopbrief
is bereikt?
Vraag 10
Hoe aannemelijk acht u het dat van een ouder alle schriftelijke reacties op uitvragen,
rappels etcetera in het kader van het massale uitvraagproces op verschillende momenten
in de tijd zijn kwijtgeraakt? Hoe aannemelijk acht u het dat dit op grote schaal is
gebeurd?
Vraag 11
Klopt het dat er geen enkele aanwijzing is dat stukken bij de verwerking door CAP
in het kader van het massale uitvraagproces bewust zijn kwijtgemaakt? Zo nee, welke
aanwijzingen bestaan daarvan?
Vraag 12
Hoe verhoudt het risico van het kwijtraken van stukken die als zogeheten «ongestructureerde
post» binnenkomen (dus niet via de standaardroute) in het kader van het massale uitvraagproces
zich tot het risico op het kwijtraken van ongestructureerde post bij andere overheidsorganisaties,
zoals de Belastingdienst? Welke (schattingen van) percentages zijn er bekend met betrekking
tot het kwijtraken van ongestructureerde post door overheidsdiensten?
Vraag 13
Kunt u nauwgezet uiteenzetten op welke gronden ouders voor het massale uitvraagproces
in aanmerking komen? Welke selectiecriteria worden hierbij gehanteerd?
Vraag 14
Hoeveel procent van de binnengekomen post in reactie op uitvragen en rappels werd
in de jaren sinds 2007 door de scanner verwerkt?
Vraag 15
Hoe en door welk team werden de stukken die niet door de scanner kwamen beoordeeld
en zijn er aanwijzingen dat bij deze fysieke beoordelingen te strikt is opgetreden?
Zo ja, welke aanwijzingen?
Vraag 16
Zijn er inmiddels -sinds het ADR-onderzoek- wijzigingen aangebracht in bovengenoemde
werkwijze bij het verwerken van binnenkomende stukken in het kader van het massale
uitvraagproces? Zo ja, welke? Zo nee, welke andere conclusie is daaruit te trekken
anders dan dat dit proces ook destijds goed verliep?
Vraag 17
Indien de compensatiegrond wegens vooringenomen handelen wegvalt door het meenemen
van de aangetroffen brievenadministratie, welke compensatiegronden blijven dan nog
wel van kracht voor de betreffende jaren?
Vraag 18
Klopt het dat niet per toeslagjaar is vastgelegd wat de verschillende compensatiegronden
zijn geweest en hoe de verhoudingen qua aantallen zijn? Zo ja, waarom is dit niet
gebeurd, aangezien inzicht in compensatiegronden van groot belang is om de achtergronden
van (de afhandeling van) de toeslagenaffaire inzichtelijk te maken? Zo nee, kan de
Kamer alle beschikbare gegevens hierover ontvangen?
Vraag 19
Had de ADR in haar onderzoek de ruimte om naar aanleiding van haar bevindingen ten
aanzien van de administratieve vastleggingen tevens conclusies te trekken over de
implicaties hiervan voor de mate waarin ouders terecht zijn gecompenseerd op grond
van vooringenomen handelen? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd? Zo nee, zijn dergelijke
conclusies wel getrokken in eerdere, niet-definitieve versies van het onderzoek? Indien
dit het geval is: hoe luidden deze?
Vraag 20
Deelt u de analyse dat over het algemeen te stellen is dat nieuwe beschikbare informatie
in zaken waarin puur is uitgegaan van het ouderverhaal twee zaken kan aantonen, namelijk
dat de verstrekte compensatie terecht was of dat er ten onrechte (of te veel) is gecompenseerd?
Zo nee, waarom niet?
Vraag 21
Zijn er aanwijzingen dat er -los van de digitale datakluis- nog andere informatie
(in welke vorm dan ook) beschikbaar is die nog niet betrokken is bij het beoordelen
van dossiers en die mogelijk relevant was geweest bij het vaststellen van de vraag
of personen al dan niet gedupeerd zijn? Zo ja, welke aanwijzingen en welke informatie?
Vraag 22
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Indieners
-
Gericht aan
S.T.P.H. Palmen, staatssecretaris van Financiën -
Indiener
Simon Ceulemans, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.