Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Keijzer over het bericht 'Torenhoge salarissen omroepbazen stegen nóg verder, terwijl gewone medewerkers vrezen voor hun baan'
Vragen van het lid Keijzer (Keijzer) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht «Torenhoge salarissen omroepbazen stegen nóg verder, terwijl gewone medewerkers vrezen voor hun baan» (ingezonden 10 juni 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 25 juni
2026).
Vraag 1
Bent u op de hoogte van het bericht dat salarissen van omroepbestuurders sterker zijn
gestegen dan die van het overige personeel terwijl tegelijkertijd sprake is van bezuinigingen
en ontslagen?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de opvatting dat een dergelijke loonontwikkeling waarbij bestuurders relatief
sterker vooruitgaan dan medewerkers een onwenselijk signaal afgeeft in een sector
die grotendeels met belastinggeld wordt gefinancierd? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Voor de bezoldiging van bestuurders gelden heldere regels. De bezoldiging van bestuurders
en toezichthouders in de publieke sector zijn gemaximeerd door de Wet Normering Topinkomens
(WNT). De maximale bezoldiging van de WNT wordt ieder jaar geïndexeerd met het percentage
van de ontwikkeling van de contractuele loonkosten voor de overheid.
Dit voorkomt dat de bezoldiging te hoog wordt of te sterk stijgt.
Vraag 3
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot het uitgangspunt dat publieke middelen sober,
doelmatig en maatschappelijk verantwoord moeten worden besteed?
Antwoord 3
De loonontwikkeling van de bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris is gemaximeerd
door de WNT. Die maximering is juist gebaseerd op het uitgangspunt van een sobere,
doelmatige en maatschappelijk verantwoorde besteding van publieke middelen. Ik ben
van mening dat organisaties die een publieke taak hebben en die bekostigd worden met
publiek geld, hun bestuurders en toezichthouders ordentelijk behoren te betalen. Ordentelijk
betekent: evenwichtig, maatschappelijk verantwoord en niet exorbitant.
Vraag 4
Klopt het dat bestuurdersbeloningen veelal meestijgen met het maximum van de Wet normering
topinkomens (WNT)? Acht u het wenselijk dat dit maximum in de praktijk als richtpunt
fungeert in een sector die grotendeels met belastinggeld wordt gefinancierd?
Antwoord 4
De WNT kent bewust alleen maxima, daarbinnen is het aan de bestuurder als topfunctionaris
en de instelling als werkgever om tot afspraken over de bezoldiging en de overige
arbeidsvoorwaarden te komen. Als partijen een bezoldiging op het maximum afspreken,
is dat dus niet verboden door de WNT. Het is dan aan partijen zelf om ervoor te zorgen
dat de bezoldiging niet boven dat maximum uitkomt, zo zal bijvoorbeeld bij verhoging
van één component van de bezoldiging een of meer andere componenten dienovereenkomstig
moeten worden verlaagd. Overigens geldt voor de bestuurders in de publieke mediasector
dat er aparte, verlaagde, maxima zijn afgesproken die afhankelijk zijn van de bestuurlijke
complexiteit van de instelling.
Vraag 5
Kunt u een overzicht geven van de verhouding tussen uitgaven aan bestuur, toezicht
en management enerzijds en het programmabudget anderzijds over de afgelopen vijf jaar?
Antwoord 5
De financiële verantwoording van de omroepen is niet ingericht op de termen bestuur,
toezicht en management. Wel wordt bij de omroepen een onderscheid gemaakt tussen organisatiekosten
en kosten voor media-aanbod. Bij de NPO-organisatie wordt een onderscheid gemaakt
tussen bestuur en beheer, ondersteuning aan de ene kant en gemeenschappelijke activiteiten
(o.a. kosten voor rechten en distributie) aan de andere kant. Op basis van dit onderscheid
is het aandeel organisatiekosten in de totale kosten van het bestel circa 14%.
In de Mediabegrotingsbrief 2027 zal ik een meerjarenoverzicht van de afgelopen jaren
opnemen.
Vraag 6
In hoeverre acht u het verdedigbaar dat bij bezuinigingen primair wordt gesneden in
programmering en redactionele capaciteit terwijl bestuurlijke lagen relatief worden
ontzien?
Antwoord 6
De landelijke publiek omroep is onafhankelijk. Het is dan ook primair aan de NPO en
de omroepen om te bepalen hoe de bezuinigingen worden ingevuld. Het uitgangspunt daarbij
is wel om de programmering zoveel als mogelijk te ontzien. Om die reden wordt er bij
de invulling van de bezuinigingen ook bespaard op de organisatiekosten van de NPO
en de omroepen.
Vraag 7
Deelt u de opvatting dat een publieke omroep bij bezuinigingen bij zichzelf dient
te beginnen en dat dit impliceert dat ook de top van de organisatie naar rato bijdraagt
aan besparingen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Zie het antwoord op vraag 6.
Vraag 8
In hoeverre verwacht u dat de hervormingen binnen de publieke omroep leiden tot lagere
overhead en een beperking van bestuurlijke kosten?
Antwoord 8
De voorgenomen hervorming gaat leiden tot minder organisaties en minder bestuurlijke
afstemming. Dat leidt ook tot een lagere totale overhead en minder bestuurlijke kosten.
Vraag 9
Waarom is er voor gekozen om pas in het vierde kwartaal van 2026 een voorstel te doen
voor een benchmark voor overheadkosten? Waarom is er niet gekozen voor versnelling,
gelet op de actuele maatschappelijke en politieke discussie over bezuinigingen en
bestedingen binnen de publieke omroep?2
Antwoord 9
De keuze voor het vierde kwartaal is gebaseerd op benodigde tijd voor afstemming,
in een periode waarin er al veel tijd en aandacht nodig is om de voorgenomen hervorming
en bezuinigingen goed vorm te geven en uit te werken.
Ook zonder benchmark bestaan er al afspraken en regelingen voor de hoogte en transparantie
van de verschillende kosten. Omroepen rapporteren op basis van het handboek financiële
verantwoording3 al jaarlijks over de hoogte van de organisatiekosten. De vergoeding voor organisatiekosten
die omroepen ontvangen is genormeerd in de bindende regeling vergoeding organisatiekosten
van de NPO, waarmee de vergoeding voor organisatiekosten wordt bepaald, gerelateerd
aan de hoogte van het programmabudget. De NPO rapporteert jaarlijks over de kosten
van de eigen NPO-organisatie en maakt daarbij een onderscheid tussen kosten voor gemeenschappelijke
activiteiten voor het gehele bestel (o.a. rechten en distributiekosten) en kosten
voor bestuur en beheer en ondersteuning.
Vraag 10
Kunt u uiteenzetten welke concrete definities en afbakeningen u hanteert voor «overhead»
zodat inzichtelijk wordt welke kosten wel en niet onder deze toekomstige norm vallen?
Antwoord 10
Ik informeer u in de Mediabegrotingsbrief 2027 over de precieze definities en afbakening
van de term overhead en over de manier waarop ik een benchmark wil vormgeven en toepassen.
Het uitgangspunt is om daarbij zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de al bestaande
definities uit het handboek financiële verantwoording en het onderscheid dat daarin
voor de financiële verantwoording voor omroepen al wordt gemaakt tussen kosten voor
media-aanbod en organisatiekosten.
Vraag 11
Hoe wordt gewaarborgd dat de voorgenomen benchmark daadwerkelijk vergelijkbaarheid
en transparantie oplevert tussen omroepen?
Antwoord 11
Ik informeer u in de Mediabegrotingsbrief 2027 over de precieze definities en afbakening
van de term overhead en over de manier waarop ik de benchmark wil vormgeven en toepassen.
Het borgen van vergelijkbaarheid en transparantie is daar onderdeel van. Dat kan op
verschillende manieren, bijvoorbeeld door vastlegging van definities en van rapportageafspraken.
Vraag 12
Waarom wilt u, gezien de aanzienlijke hoeveelheid publieke middelen, geen koppeling
maken tussen bezuinigingen op het mediabudget en besparingen op bestuur en toezicht
vanwege de onafhankelijkheid van de publieke omroep? Hoe voorkomt u in dat licht dat
bezuinigingen in de praktijk onevenredig neerslaan bij programma’s en makers?
Antwoord 12
Een directe koppeling vanuit de overheid tussen de hoogte van het totale mediabudget
en de hoogte van uitgaven aan een specifieke kostencategorie is onwenselijk. Dat geldt
voor alle uitgaven, ook de uitgaven aan bestuur en toezicht. De publieke omroep moet
daarin onafhankelijk keuzes kunnen maken, binnen de kaders en randvoorwaarden die
de wet- en regelgeving, waaronder de WNT, daaraan stellen. Zoals ook gesteld bij het
antwoord op vraag 6 wordt bij de invulling van de huidige bezuinigingen ook bespaard
op organisatiekosten bij de NPO en de omroepen.
Vraag 13
Welke andere instrumenten of prikkels ziet u om te bevorderen dat ook binnen bestuur,
toezicht en management kritisch wordt gekeken naar kostenreductie?
Antwoord 13
De kaders en randvoorwaarden uit wet- en regelgeving vormen tezamen het instrumentarium
en de prikkel om te bevorderen dat kritisch wordt gekeken naar kostenreductie. Daarbij
gaat het onder andere om de WNT, om de wettelijke opdracht om middelen doelmatig te
besteden en om de organisatie sober, doelmatig en evenwichtig in te richten en om
de bindende regeling vergoeding organisatiekosten van de NPO. Ook een transparante
verantwoording en gebruik van een benchmark kan hieraan bijdragen.
Vraag 14
In hoeverre acht u het voldoende dat bestuurdersbeloningen enkel worden begrensd via
de WNT, gegeven het feit dat binnen dat kader alsnog sprake kan zijn van aanzienlijke
salarisstijgingen?
Antwoord 14
Ik acht het voldoende dat de WNT alleen de maximale bezoldiging begrenst. Binnen die
normen is het aan bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris en de instelling
als werkgever om te komen tot afspraken over passende beloningen.
Vraag 15
Tot hoe ver reikt de onafhankelijkheid van de NPO wanneer het gaat over de invulling
van bezuinigingen? Waar zit de grens voor u om te besluiten in te grijpen bij disproportionele
salarissen/beloningen van individuele medewerkers, bestuurders of toezichthouders?
Antwoord 15
De onafhankelijkheid van de NPO en de omroepen is een groot goed, die wat mij betreft
ver reikt. Dat geldt ook voor de invulling van de bezuinigingen, zolang dat gebeurt
binnen de kaders en randvoorwaarden van de wet- en regelgeving, waaronder de WNT.
Vraag 16
Deelt u de opvatting dat het ontbreken van een koppeling tussen bezuinigingen en de
bijdrage van de bestuurlijke top het risico vergroot dat het draagvlak voor de publieke
omroep onder druk komt te staan?
Antwoord 16
Die opvatting deel ik niet. Ik vind het voor het draagvlak wel belangrijk dat de NPO
en de omroepen transparant rapporteren over de manier waarop de beschikbare middelen
worden ingezet en welke keuzes daarbij worden gemaakt. Het gebruik van een benchmark
voor overhead kan daaraan bijdragen.
Vraag 17
Hoe verhoudt uw standpunt dat de overheid geen partij is bij individuele beloningsafspraken
zich tot de systeemverantwoordelijkheid voor doelmatige besteding van publieke middelen?
Antwoord 17
De systeemverantwoordelijkheid van de overheid voor doelmatige besteding van publieke
middelen wordt onder andere ingevuld door de maximering van bezoldigingen van topfunctionarissen
door de WNT. Dat verhoudt zich goed tot het standpunt dat het daarbinnen aan bestuurders
en toezichthouders als topfunctionaris en de instelling als werkgever is om te komen
tot afspraken over passende beloningen.
Vraag 18
Kunt u toelichten hoe de Kamer tijdig wordt betrokken bij de uitwerking van de overheadnorm
en de onderliggende keuzes?
Antwoord 18
Uw Kamer wordt geïnformeerd over de voorgenomen uitwerking en de onderliggende keuzes
in de Mediabegrotingsbrief 2027. Het is daarna ook aan uw Kamer zelf om te bepalen
of en hoe uw Kamer zich daarin kan vinden en welke uitwerking en betrokkenheid gewenst
is.
Vraag 19
Bent u bereid om, vooruitlopend op de definitieve benchmark, tussentijds inzicht te
geven in de huidige overheadpercentages en mogelijke bandbreedtes voor een norm?
Antwoord 19
Zie het antwoord op vraag 5.
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.