Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag schriftelijk overleg over het Jaarverslag Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025 (Kamerstuk 36945-VIII-1)
2026D32729 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben de commissie
en enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brieven:
– d.d. 20 mei 2026 van de Minister van OCW inzake Jaarverslag Ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap 2025 (Kamerstuk 36 945 VIII, nr. 1);
– d.d. 9 juni 2026 van de Minister van OCW inzake Beantwoording vragen commissie over
het jaarverslag Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025 (Kamerstuk 36 945 VIII, nr. 7);
– d.d. 24 juni 2026 van de Minister van OCW inzake Beantwoording openstaande vragen
commissie over het jaarverslag Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025
(Kamerstuk 36 945 VIII, nr. 10);
– d.d. 20 mei 2026 van de president van Algemene Rekenkamer inzake Aanbieding van het
rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap (Kamerstuk 36 945 VIII, nr. 2);
– d.d. 9 juni 2026 van de president van Algemene Rekenkamer inzake Beantwoording vragen
commissie, gesteld aan de Algemene Rekenkamer, over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek
2025 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstuk 36 945 VIII, nr. 5);
– d.d. 9 juni 2026 van de Minister van OCW inzake Beantwoording vragen commissie over
het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap (Kamerstuk 36 945 VIII, nr. 6);
– d.d. 15 april 2026 van de Minister van OCW inzake Beleidsreactie op Staat van het
Onderwijs 2026 (Kamerstuk 36 800 VIII, nr. 146);
– d.d. 17 juni 2026 van de Minister van OCW inzake Beantwoording vragen commissie over
de beleidsreactie op Staat van het Onderwijs 2026 (Kamerstuk 36 800 VIII, nr. 171);
– d.d. 20 mei 2026 van de Minister van OCW inzake Rapportage burgerbrieven 2025 van
het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstuk 29 362, nr. 401);
– d.d. 16 juni 2026 van de Minister van OCW Stand van de Uitvoering Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap (OCW) 2026 (Kamerstuk 36 800 VIII, nr. 157);
– d.d. 4 juni 2026 van de Minister van OCW inzake Opvolging in beeld: Periodieke rapportages
van het Ministerie van OCW vanaf 2024 (Kamerstuk 31 511, nr. 67);
– d.d. 22 juni 2026 van de Minister van OCW inzake Jaarverslag 2025 Inspectie van het
Onderwijs (Kamerstuk 36 800 VIII, nr. 173).
De voorzitter van de commissie
Koorevaar
Adjunct-griffier van de commissie
Bosnjakovic
Inhoud
I
Gezamenlijke vragen en opmerkingen uit de commissie
Vragen en opmerkingen uit de fracties
•
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
•
Inbreng van de leden van de PRO-fractie
•
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
•
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
•
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
•
Inbreng van de leden van de DENK-fractie
•
Inbreng van de leden van de Groep Markuszower
II
Reactie van de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Gezamenlijke vragen en opmerkingen uit de commissie
Inleiding
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de commissie) heeft
de leden Moorman (PRO) en Boomsma (JA21) aangewezen als rapporteurs voor het Jaarverslag
OCW 2025. De focus van het onderzoek van de rapporteurs lag, naast een financiële
beschouwing, op de relatie tussen de doelen, maatregelen, middelen en prestaties van
een aantal specifieke beleidsterreinen. Zij hebben dankbaar gebruik gemaakt van de
bevindingen van de Algemene Rekenkamer uit het Verantwoordingsonderzoek. Daarnaast
hebben de rapporteurs gekeken naar de uitkomsten van beleidsevaluaties en -onderzoek,
monitors en de Staat van het Onderwijs. De commissie heeft besloten het voorstel van
de rapporteurs voor gezamenlijke inbreng over te nemen.
De leden van de commissie hebben kennisgenomen van de bevindingen van de Algemene
Rekenkamer ten aanzien van de bedrijfsvoering van het departement. Deze leden lezen
dat de Minister de bestaande onvolkomenheden rondom het M&O-beleid aanpakt en vragen
wanneer zij verwacht dat deze volledig zijn opgelost en welke concrete stappen zij
daarvoor in 2026 nog gaat zetten. Ten aanzien van de nieuwe onvolkomenheid op de uitvoeringstoetsen
van de Inspectie van het Onderwijs vragen de leden naar de oorzaak van deze onvolkomenheid.
Ook willen zij weten hoe de Minister waarborgt dat nieuwe wet- en regelgeving voortaan
tijdig en zorgvuldig wordt getoetst op uitvoerbaarheid door de Inspectie.
De Algemene Rekenkamer oordeelt dat de totaalbedragen in de financiële verantwoording
van OCW over 2025 kloppen. Tegelijk is het geld niet altijd volgens de regels besteed.
Daarom geeft de Algemene Rekenkamer negatieve oordelen bij het totaal van de afgerekende
voorschotten, bij de agentschappen en bij artikel 95 Apparaat Kerndepartement. De
leden van de commissie vragen de Minister om actief aan de slag te gaan met dit negatieve
oordeel. Deze leden vragen haar om de Kamer vóór de begrotingsbehandeling van 2027
te infomeren over 1) de uitkomsten van het gesprek met de Ministeries EZ en I&W over
de naleving van de aanbestedingsregels en 2) hoe de tekortkomingen in de subsidievaststellingen
op artikel 14 en artikel 16 zijn opgelost.
De leden van de commissie vragen nadrukkelijk aandacht voor de informatiewaarde van
het Jaarverslag in algemene zin. Deze leden concluderen dat de informatie uit de diverse
bronnen een versnipperd en onvolledig beeld oplevert, waarbij het Jaarverslag zelf
de minste informatie geeft. Ook in voorgaande jaren heeft de commissie hiervoor aandacht
gevraagd. De leden waarderen de nieuwe beleidsindicatorensystematiek (vanaf begrotingsjaar
2026), maar denken dat deze verder verbeterd kan worden. In het beleidsverslag zien
de leden graag meer aandacht voor de resultaten die zijn bereikt, een betere koppeling
tussen doelstellingen, middelen, maatregelen en indicatoren en gebruik van aanvullende
bronnen om tot samenhangende verantwoordingsinformatie te komen. De leden vragen de
Minister om een expliciete toelichting op hoe deze punten in het Jaarverslag van 2026
en op ocwincijfers.nl zijn verwerkt. Ook vragen zij de Minister om deze punten toe
te passen op de begrotingscyclus van 2027 en dit toe te lichten in de begrotingsstukken.
Meer specifiek hebben de leden van de commissie aandachtspunten en vragen over de
informatiewaarde in het Jaarverslag en andere documenten ten aanzien van de volgende
onderwerpen:
1. Kwaliteit funderend onderwijs en schoolverschillen
2. Overhead en publiek vermogen
3. Toelaatbaarheidsverklaringen gespecialiseerd onderwijs
4. Kansengelijkheidsbeleid funderend onderwijs
5. Internationalisering in het hoger onderwijs
Voor het volledige verslag van het begrotingsrapporteurs, wordt verwezen naar de bijlage
bij Kamerstuk 36 945 VIII, nr. 9.
1. Kwaliteit funderend onderwijs en schoolverschillen
De leden van de commissie hebben de informatie in het Jaarverslag over de beleidsprioriteit
«Een sterke basis en een hoge kwaliteit» bestudeerd en constateren dat de kwaliteit
van het onderwijs in de begrotings- en verantwoordingsstukken nog onvoldoende wordt
geoperationaliseerd. De Staat van het Onderwijs laat een breder beeld zien van de
kwaliteit van het onderwijs, maar dit beeld wordt door de Minister niet benut voor
de beleidsverantwoording. Op ocwincijfers.nl treffen deze leden als indicatoren voor
het beleid ter verbetering van de kwaliteit van het funderend onderwijs alleen de
mate waarin leerlingen aan het einde van het basisonderwijs en eind leerjaar 2 van
het voortgezet onderwijs de referentieniveaus voor taal en rekenen behalen. De leden
vragen de Minister daarom hoe zij de kwaliteit van het funderend onderwijs definieert
en hoe de diverse maatregelen genoemd in het Jaarverslag bijdragen aan deze beleidsprioriteit.
Ook vragen zij de Minister voor de begrotingscyclus te komen tot een set van indicatoren
die breder is dan alleen het meten van de taal- en rekenvaardigheid bij leerlingen.
Een ander punt is dat de indicatoren over de (aspecten van) de kwaliteit van het onderwijs,
ook die in de Staat van het Onderwijs, vooral geaggregeerde landelijke beelden, met
beperkt zicht op spreiding tussen scholen, laten zien. Die indicatoren zouden niet
alleen moeten laten zien hoeveel scholen onvoldoende of zeer zwak zijn, maar ook hoe
groot de verschillen zijn binnen de groep scholen die een voldoende scoort. De leden
van de commissie vragen of de Minister in het volgende Jaarverslag, eventueel in samenwerking
met de Inspectie, een bredere set van indicatoren de spreiding van (groepen) scholen
op deze gemiddelden kan laten zien.
2. Inzicht in overhead en publiek vermogen
In het Jaarverslag geeft de Minister aan in 2025 gewerkt te hebben aan bestedingsnormen.1 De leden van de commissie gaan ervan uit dat de Minister hier doelt op normen voor
de besteding van geld dat direct of indirect ten goede komt aan het onderwijs in de
klas. De commissie heeft zelf in 2025 onderzoek laten uitvoeren naar de verschillende
definities en meetmethoden van overhead.2 Een aanbeveling van het onderzoek is om te komen tot een heldere definitie en een
uniforme toedeling van onderwijsondersteunende functies en uitbesteed werk. Ook is
het relevant overhead niet alleen uit te drukken in fte, maar ook in kosten.3 De leden lezen in de beleidsbrief OCW 2026–2030 dat de Minister de uitkomsten van
het onderzoek betrekt en vragen de Minister naar de stand van zaken.4
Een andere inzicht behoefte van de commissie gaat over de publieke middelen die op
de balans blijven staan, ofwel de reserves van schoolbesturen. In het Jaarverslag
geeft de Minister per onderwijssector de financiële kengetallen, maar geeft daar geen
toelichting bij. De Inspectie geeft hierover zelf aan dat de financiële situatie van
de onderwijssector als geheel stabiel is en dat de sector financieel gezond is.5 Tegelijkertijd noemt de Inspectie, op basis van de miljoenennota 2025, de dalende
rijksbijdragen door bezuinigingen in de periode 2026–2030 en afnemende leerlingaantallen.6 Ook ziet de Inspectie dat eenpitters (besturen met één school) relatief vaak voorkomen
onder besturen met mogelijke risico’s voor de financiële continuïteit. Ook staan zij
relatief vaak onder aangepast financieel toezicht.7
In de Staat van het Onderwijs 2026 lezen de leden verder dat in 2024 49,7 procent
van de schoolbesturen in het po een mogelijk bovenmatig eigen vermogen heeft. In het
vo gaat het om 49,2 procent van de besturen.8 Het bedrag aan bovenmatig eigen vermogen is niet evenredig verdeeld over de besturen:
5 procent van de besturen heeft ongeveer 45 procent van het mogelijk bovenmatig eigen
vermogen. In 2024 gaat het om een bedrag van € 992,4 miljoen in het funderend onderwijs.
De leden van de commissie vragen de Minister te reflecteren op de financiële kengetallen
van de sectoren po en vo in relatie tot de dalende rijksuitgaven en leerlingenaantallen
en het mogelijk bovenmatig eigen vermogen van de sectoren. Ook vragen zij of de Minister
inzicht heeft in de logica van bestuurders om een mogelijk bovenmatig eigen vermogen
aan te houden, met name als het gaat om het (kleine) percentage bestuurders dat het
grootste deel van het mogelijk bovenmatig eigen vermogen bezit. Kan de Minister hier
vanaf volgend jaar ook in het Jaarverslag op ingaan, zo vragen deze leden.
3. Zicht op toelaatbaarheidsverklaringen gespecialiseerd onderwijs en systeem van
gespecialiseerd onderwijs
De Algemene Rekenkamer constateert in het verantwoordingsonderzoek dat de Minister
niet genoeg informatie heeft om te beoordelen of de samenwerkingsverbanden de toelaatbaarheidsverklaringen
op een goede manier (de juiste hoogte) afgeven. Hierdoor ontstaat een financiële onzekerheid
over de rechtmatigheid van de middelen voor leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs
van € 248 miljoen.9
De rapporteurs zijn namens de commissie nagegaan welke sturingsinformatie er in beginsel
is over de toelaatbaarheidsverklaringen voor het gespecialiseerd onderwijs en de daarmee
samenhangende doelstellingen voor passend onderwijs. Daarbij hebben zij ook beleidsinformatie
over de wachtlijstproblematiek en de beweging richting inclusiever onderwijs betrokken.
De leden van de commissie constateren dat het beleidsverslag geen informatie geeft
over de voortgang van de diverse doelstellingen voor passend onderwijs en in het bijzonder
over de mate waarin deze in 2025 reeds zijn bereikt.10
Op ocwincijfers.nl treffen de leden van de commissie gedateerde informatie (tot en
met 2022) zonder duiding over de hoogte van de ondersteuningsbekostiging, waardoor
niet duidelijk wordt of bepaalde trends door hebben gezet, zoals de afname van het
aandeel (v)so11-leerlingen met een hoge ondersteuningscategorie, de stijging van het aandeel (v)so-leerlingen
met een lage ondersteuningscategorie of middencategorie (alleen so).12 Deze leden vragen de Minister naar de ontwikkelingen in de hoogte van de ondersteuningscategorieën
bij toelaatbaarheidsverklaringen in cluster 3 en 4 (v)so in de jaren 2023–2025. Ook
vragen zij welke verklaringen de Minister kan geven voor eventuele trends in de ontwikkeling
van de ondersteuningscategorieën.
In de Doelstellingenmonitor passend onderwijs13, die de Staatssecretaris onlangs naar de Tweede Kamer stuurde, worden de doelstellingen
gemonitord die bij de Verbeteragenda passend onderwijs (2020) werden opgesteld.14 Eén van de doelstellingen heeft betrekking op de ondersteuning van leerlingen, namelijk
«de ondersteuningsbehoefte is leidend». Uit de doelstellingenmonitor wordt niet duidelijk
hoe de gemeten oordelen over de ondersteuning zich verhouden tot de financiële middelen,
ofwel de hoogte van de ondersteuningscategorie. Ook lijkt geen onderscheid te worden
gemaakt naar leerlingen in het speciaal basisonderwijs en praktijkonderwijs. Met deze
informatie zou volgens de leden van de commissie het inzicht in de doelmatigheid van
de ondersteuningscategorie kunnen worden verbeterd. Deze leden vragen de Minister
daarom of onderzocht is hoe de oordelen over de ondersteuning door scholen, ouders
en leerlingen zich verhouden tot de middelen die daarmee gemoeid zijn en of deze informatie
beschikbaar is op landelijk niveau en/of op het niveau van samenwerkingsverbanden.
Ook willen de leden weten hoe de Minister nagaat of de doelstelling «de ondersteuningsbehoefte
is leidend» ook voor het speciaal basisonderwijs en praktijkonderwijs wordt behaald.
In het najaar van 2020 is in de Tweede Kamer een motie ingediend over de wachtlijsten
in het gespecialiseerd onderwijs.15 Hierin werd aangekaart dat er signalen waren dat er leerlingen op wachtlijsten stonden
voor het speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs en dat deze wachtlijsten
niet werden gemonitord. Hierdoor was er geen sprake van een betrouwbaar beeld van
de wachtlijsten. In de motie werd de regering onder andere verzocht om de wachtlijsten
te monitoren. Inmiddels worden de wachtlijsten door het ministerie gemonitord en is
er een eerste beeld van de omvang van de wachtlijstproblematiek.16 Tegelijkertijd is er geen centraal punt waar wordt bijgehouden welke leerlingen met
een toelaatbaarheidsverklaring voor het gespecialiseerd onderwijs, nog geen onderwijs
kunnen volgen. Centralere registratie, bijvoorbeeld bij DUO17, zorgt volgens de onderzoekers voor een betrouwbaarder beeld van het exacte aantal
leerlingen dat in Nederland op een wachtlijst voor het gespecialiseerd onderwijs staat,
omdat aanmeldingen van leerlingen op meerdere vestigingen dan zichtbaar worden (en
geen vertekend beeld ontstaat, zoals nu het geval is). De leden van de commissie vragen
de Minister om een reflectie op dit punt.
Een toelaatbaarheidsverklaring (hierna: TLV) tot het gespecialiseerd onderwijs is
tijdelijk, tenzij de school voor gespecialiseerd onderwijs het noodzakelijk acht dat
de leerling daar langer blijft en het samenwerkingsverband een nieuwe TLV heeft verstrekt.18 De leden van de commissie constateren dat de Minister zelf geen cijfers verstrekt
over de mate waarin leerlingen uit het gespecialiseerd onderwijs uitstromen naar het
regulier onderwijs en dat zij evenmin inhoudelijk reageert op het thematische rapport
van de Inspectie van het Onderwijs over dit onderwerp.19 Ook koppelt de Minister deze informatie over de uitstroom niet aan de informatie
uit de doelstellingenmonitor, bijvoorbeeld ten aanzien van de doelstelling «Een dekkend
netwerk in elke regio», waarin één van de indicatoren de samenwerking tussen regulier
en speciaal onderwijs is. Deze leden vragen de Minister hoe zij de uitstroominformatie
naar regulier onderwijs bij de monitoring van de doelstellingen van passend onderwijs
gaat betrekken en of zij van plan is deze uitstroom op jaarlijkse basis te monitoren.
Tot slot merken de leden van de commissie op dat het uitgangspunt van het kabinet
is dat het gespecialiseerd onderwijs blijft bestaan, ook in de beweging naar meer
inclusief onderwijs.20 Daarom menen deze leden dat de Minister beter inzicht moet krijgen in het type leerlingen
voor wie gespecialiseerd onderwijs nodig is en blijft en voor welke leerlingen ook
ondersteuning in het regulier onderwijs kan worden georganiseerd. De doeltreffendheid
en doelmatigheid van het systeem (inclusief de hoogte van de bekostiging en de daadwerkelijke
plaatsing) dat toegang geeft tot het gespecialiseerd onderwijs is eveneens onvoldoende
inzichtelijk volgens de leden. Dit geldt ook voor hoe de samenwerking tussen het regulier
en het gespecialiseerd onderwijs verloopt. Het valt de leden op dat de monitoring
niet is ingericht om in deze inzicht behoefte op een integrale manier te voorzien.
De informatie wordt versnipperd verzameld en geeft daarmee slechts ten dele zicht
op de diverse doelstellingen die gekoppeld zijn aan de huidige Verbeteragenda en de
toekomstige route naar meer inclusief onderwijs. Zij vragen de Minister welke mogelijkheden
zij ziet om een meer volledig en integraal beeld te krijgen van de werking van het
systeem van gespecialiseerd onderwijs in relatie tot de beweging naar meer inclusief
onderwijs? Hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
4. Kansengelijkheidsbeleid funderend onderwijs
De leden van de commissie danken de Minister voor de opvolgingsbrief periodieke rapportages.21 Bij de vorige opvolgingsbrief constateerden deze leden dat nauwelijks aandacht werd
gegeven aan de opvolging van maatregelen die te maken hebben met de evalueerbaarheid
van het beleid. In de huidige brief komen deze onderdelen wederom niet terug, zien
deze leden. Door de opeenvolgende kabinetten en als gevolg daarvan de aanduidingen
van deze beleidsprioriteit «Iedereen gelijke kansen (2024)», Iedereen is nodig (2025,
2026)», en in de meest recente Strategische Evaluatieagenda (2026) «Toegankelijkheid
funderend onderwijs», is het voor de Tweede Kamer lastig te overzien wat deze beleidsprioriteit
nu precies behelst en hoe deze gecontroleerd kan worden.
Uit de voortgangsbrief over diverse maatregelen op het terrein van kansengelijkheid,
wordt aangekondigd dat kernindicatoren voor kansengelijkheid zijn gekozen.22 Deze indicatoren geven weer of er structurele verschillen in onderwijsloopbanen zijn
tussen groepen leerlingen en studenten. De cijfers worden gepresenteerd in een apart
dashboard.23 Dit dashboard zien de leden van de commissie niet terug op de website ocwincijfers.nl,
waarin de indicatoren worden gepresenteerd behorend bij de beleidsprioriteiten van
de begroting. Deze leden vragen de Minister hoe de set kernindicatoren kansengelijkheid
zich verhoudt tot de indicator(en) die worden gepresenteerd op ocwincijfers.nl en
hoe deze set zich verhoudt tot de doelstellingen van het beleid. Ook vragen zij waarom
de indicator «onderwijspositie in het derde leerjaar in het voortgezet onderwijs van
groepen leerlingen met ouders die verschillende opleidingen hebben gevolgd» alleen
in 2025 wordt gemeten en niet in opvolgende jaren. Tot slot vragen zij de Minister
voor de begrotingscyclus van 2027 om een overkoepelend overzicht van de doelstellingen,
maatregelen, middelen, indicatoren en evaluaties op het terrein van het kansengelijkheidsbeleid
in het funderend onderwijs.
De leden van de commissie lezen in het beleidsverslag niets over de subsidieregeling
School en omgeving, waar in het jaar 2025 weliswaar op is bezuinigd, maar waar nog
steeds ruim € 124 miljoen in het primair onderwijs voor werd uitgegeven en ruim € 138
miljoen in het voortgezet onderwijs.24 Op basis van het rapport van de landelijke monitor School en Omgeving25 valt het hen op dat vooral de positieve bevindingen uit de monitor worden geadresseerd
in de hierboven genoemde voortgangsbrief, maar nauwelijks wordt ingegaan op zaken
die mogelijk nog bijgestuurd kunnen worden en ook niet op het verbeteren van de evalueerbaarheid
van de regeling. Dit laatste is ook relevant met het oog op de tussentijdse bezuiniging
op de subsidieregeling en de weer voorgenomen herziening daarvan.26 Indien dit leidt tot veranderingen in doelstelling en doelgroep, zal hiermee rekening
moeten worden gehouden in het evaluatieonderzoek. Verder is de evalueerbaarheid van
de regeling volgens de leden van belang om in de nabije toekomst te kunnen komen tot
een doeltreffend en doelmatig (aanvullend) bekostigingsinstrument waarmee een dergelijk
programma vanaf 2029 structureel gefinancierd kan worden, zoals de wens is van het
kabinet. De leden vragen de Minister hoe is omgegaan met de (negatieve) bevindingen
die zijn voortgekomen uit de meest recente monitor (toegenomen werkdruk schoolleiders
en taakverzwaring leraren, niet overal meetbare en concrete doelstellingen, lastige
verantwoording door mixen van budgetten, 10-uurs aanbod i.r.t. doelen scholen en aanbod
regio). Zij vragen of en zo ja waar heeft dit geleid tot bijsturing van beleid of
de regeling. Ook vragen zij de Minister in hoeverre er bij de huidige subsidieregeling
sprake is van quasi-experimenteel onderzoek, waarbij effecten kunnen worden vastgesteld.
Tot slot vragen zij hoe resultaten uit onderzoek benut worden bij het ontwerpen van
het structurele bekostigingsinstrument.
5. Internationalisering in het hoger onderwijs
De leden van de commissie hechten eraan meer inzicht te krijgen in de ontwikkelingen
in het Nederlandstalig en Engelstalig opleidingsaanbod en de verdeling van (inter)nationale
studenten over die opleidingen. Inzicht in heldere cijfers en trends kan de commissie
helpen om op basis van de juiste informatie te debatteren over het grip krijgen op
internationale studenten en de effectiviteit van de maatregelen die het kabinet daarvoor
neemt. Deze leden constateren dat in het Jaarverslag niet wordt ingegaan op waar de
beleidsinzet (onder andere de Nederlandse inzet op de gebalanceerde mobiliteit in
Europa, en het NL Scholarship programma) toe heeft geleid in 2025, in termen van aantallen
studenten.27 Zo wordt ook niet verwezen naar het onderzoek van Nuffic over Inkomende diplomamobiliteit,
dat jaarlijks verschijnt.28 Ook op de website ocwincijfers.nl treffen de leden hierover geen indicatoren aan
bij het jaar 2025.29
De leden van de commissie waarderen het dat de Minister relevante indicatoren opneemt
in de begrotingscyclus van 2026.30 Tegelijkertijd geven de cijfers volgens deze leden weinig fijnmazige informatie.
Zo wordt bij de indicatoren over instromende internationale studenten geen onderscheid
gemaakt naar bachelor- en masterstudenten. Bij de indicator over de onderwijstaal
ontbreekt informatie over de definitie (wanneer is een opleiding geheel Nederlandstalig
en wanneer geheel Engelstalig) en over de inhoud van de opleiding (bijvoorbeeld op
basis van de opleidingscode). Bij de indicator over de verdeling van de verschillende
studenten over de anderstalige opleidingen en trajecten ontbreekt eveneens het inzicht
in de inhoudelijke opleidingen die gevolgd worden door deze studenten.
Andere bronnen met internationaliseringsinformatie geven volgens de leden een beter
beeld, zoals de Staat van het Onderwijs31 en de website van Universiteiten van Nederland.32 Toch laten deze cijfers nog niet het volledige beeld zien, en laten zij wellicht
verschillende uitkomsten zien als andere definities worden gekozen voor bijvoorbeeld
taligheid van een opleiding of de instroom van studenten. De Minister benoemt dit
zelf ook in de beleidsreactie die hij stuurde op verzoek van de commissie over het
eerder genoemde Nuffic-rapport.33 Om de lacunes in de informatievoorziening op te lossen, kondigt de Minister aan dat
zij de kennisbasis wil versterken door het onderwerp «internationalisering in het
hbo en wo» als onderwerp toe te voegen aan de strategische evaluatieagenda (SEA) van
het ministerie. De leden lezen hierover nog niets terug in de uitwerking van de SEA
in de begroting van 2026 en vragen de Minister de uitwerking hiervan op te nemen in
de begrotingscyclus van 2027.
De leden van de commissie willen ten aanzien van die te ontwikkelen kennisbasis vast
het volgende meegeven. Kan de Minister op basis van de hierboven benoemde bronnen
(en indien nodig aanvullende bronnen) de Kamer in ieder geval informatie verstrekken
over de kenmerken van en trends rondom het (huidige) opleidingsaanbod en hoe dat zich
verhoudt tot de aantallen en herkomst van (inter)nationale studenten en de instructietaal
van opleidingen? Zo kan inzicht worden gegeven in vragen als:
• Welke opleidingen trekken veel en welke weinig studenten?
• Hoe is de verhouding tussen internationale en Nederlandse studenten op opleidingsniveau?
• Hoe heeft de instructietaal zich ontwikkeld bij opleidingen en hoe verhouden instructietaal
en aantallen (inter)nationale studenten zich tot elkaar?
• Gaat het hier om ontwikkelingen op landelijk niveau of zijn er veel verschillen tussen
instellingen?
Voor een voorbeeld van het type informatie dat de commissie zou helpen, verwijzen
de leden naar de rapporteursnotitie.34 Zij vragen de Minister naar de mogelijkheden en eventuele belemmeringen voor het
openbaar maken van informatie op opleidingsniveau en hoe zij de taal waarin opleidingen
worden aangeboden wil definiëren.
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het Jaarverslag OCW over het
jaar 2025 en de Staat van het Onderwijs 2026.
Algemeen
Volgens de leden van de VVD-fractie moet onderwijsbeleid bijdragen aan betere onderwijskwaliteit,
een sterkere aansluiting op de arbeidsmarkt en voldoende talent voor de economische
en maatschappelijke uitdagingen van de toekomst. De Staat van het Onderwijs laat volgens
deze leden zien dat er nog veel werk aan de winkel is. Daarom hebben de leden de volgende
vragen over de onderhavige stukken.
Basisvaardigheden
De leden van de VVD-fractie delen zeer met het kabinet dat het opleiden voor de toekomst
van Nederland begint bij goede basisvaardigheden. Dat is hard nodig, menen deze leden,
omdat Nederlandse leerlingen en scholieren minder goed presteren op deze vaardigheden
dan voorheen. Het kabinet wil hierin het tij keren en dat moedigen de leden aan. Zij
constateren dat de afgelopen jaren fors is geïnvesteerd in het Masterplan Basisvaardigheden,
terwijl de Staat van het Onderwijs laat zien dat de noodzakelijke kwaliteitsverbetering
op deze terreinen nog onvoldoende zichtbaar is. Toch vinden deze leden dat de focus
op taal, rekenen en andere basisvaardigheden onverminderd moet worden voortgezet.
Hoe beoordeelt de Minister deze constatering van de Algemene Rekenkamer, zo vragen
de leden. Wanneer verwacht de Minister dat de investeringen in het Masterplan Basisvaardigheden
daadwerkelijk zichtbaar worden in betere leerprestaties van leerlingen? Kan zij daarbij
aangeven of en zo ja welke concrete doelstellingen zij daarbij hanteert?
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voornemen
van het kabinet om een aanmeldplicht voor kinderen vanaf vier jaar te verkennen voor
de vve35. Deze leden vragen het kabinet wanneer de Kamer de eventuele resultaten van die verkenning
kan ontvangen. Wat wordt precies onderzocht, zo vragen de leden. Zij vragen het kabinet
daarnaast hoe zij vve beter gaat verbinden met het basisonderwijs, zodat die overgang
zo soepel als mogelijk verloopt.
De leden van de VVD-fractie hebben voorts met veel belangstelling kennisgenomen van
de ambities van het kabinet op praktijkgericht- en techniekonderwijs. Deze leden moedigen
zeer aan dat er hier in het basis- en voortgezet onderwijs meer aandacht voor komt.
De leden vragen het kabinet dan ook wat zij in het basisonderwijs doet om leerlingen
te enthousiasmeren voor techniek. Op welke manier zijn techniek en technologie op
dit moment geïntegreerd in het basisonderwijs? Klopt het dat veel scholen vanuit Wetenschap
& Techniek al (structureel) techniekonderwijs aanbieden en is dit volgens het kabinet
voldoende? De leden menen namelijk dat interesse voor techniek onder kinderen al zo
vroeg mogelijk aangewakkerd moet worden. Dat begint ook bij leraren met enige kennis
van het vakgebied. Wordt er in het huidige pabo-curriculum aandacht besteed aan het
verzorgen van bijvoorbeeld W&T-onderwijs?
Leraren
De leden van de VVD-fractie zijn blij met de blijvende aandacht en urgentie van het
kabinet voor kwalitatief goede leraren en de terechte aandacht voor de positie van
de schoolleider. Deze leden vragen het kabinet graag naar haar ideeën over de «professionele
leraar» en hoe deze kunnen bijdragen aan het keren van de in de Staat van het Onderwijs
beschreven trends. De leden weten dat er eerder gewerkt is met een zogenaamd lerarenregister
om de professionalisering van leraren bij te houden. Zij vragen het kabinet hoe, gezien
de ambities op dit punt, de continue professionele ontwikkeling van leraren bijgehouden
gaat worden. Gaat dit uitbesteed worden aan de nog te ontwikkelen onafhankelijke beroepsgroep?
De leden van de VVD-fractie onderstrepen zeer de noodzaak van extra maatregelen voor
het aantrekken en behouden van leraren en schoolleiders. Deze leden kijken met belangstelling
uit naar het landelijke kwaliteitsfundament voor startende leraren en de bijbehorende
centrale eindtoets van de pabo. Wanneer verwacht het kabinet daar stappen op te presenteren,
zo vragen de leden.
De leden van de VVD-fractie benadrukken dat de aanpak van het lerarentekort ook vraagt
dat het beroep zo aantrekkelijk mogelijk gemaakt wordt, ook voor mannen. Deze leden
weten dat sommige geïnteresseerden zich laten tegenhouden doordat zij in de lerarenopleiding
bij alle ontwikkelingsfases van leerlingen stil moeten staan, terwijl zij vooral geïnteresseerd
zijn in een specifieke ontwikkelingsfase (bijvoorbeeld die van het oudere kind). Om
die reden heeft het vorige kabinet ook het wetsvoorstel differentiatie pabo geïntroduceerd.
De leden missen de voorgenomen voortzetting van dit wetstraject in de onderhavige
stukken. Zij vragen het kabinet hoe de in het regeerakkoord afgesproken gesprekken
met het onderwijsveld lopen en wanneer de Kamer deze wet kan behandelen.
De leden van de VVD-fractie ondersteunen zeer de inzet op zij-instroom, maar zijn
daarnaast van mening dat leraren gestimuleerd moeten worden om meer uren te werken.
Om die reden zijn deze leden benieuwd naar de voortgang en ontwikkelingen in de pilot
meerurenmaatwerk in het onderwijs. De leden vragen het kabinet naar een stand van
zaken en haar ambities op het stimuleren van meer uren werken in het onderwijs. In
het verlengde van de arbeidsvoorwaarden van leraren vragen zij of er al ontwikkelingen
zijn op de voornemens rond de planlastcalculator naar Vlaams voorbeeld.
De leden van de VVD-fractie weten dat het kabinet stimuleert dat er voldoende onderwijsaanbod
is voor neurodivergente leerlingen. Deze leden vragen het kabinet hoe dat zich verhoudt
tot de in het regeerakkoord benoemde ambitie om voldoende hoogbegaafdheidsonderwijs
te stimuleren, daar neurodivergentie niet alleen hoogbegaafdheid behelst.
Schoolleiders en kwaliteitszorg
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Staat van het Onderwijs opnieuw laat
zien dat de kwaliteit van het onderwijs onder druk staat. Hoewel veel scholen werken
aan verbetering van basisvaardigheden, blijven de resultaten achter en lukt het een
aanzienlijk deel van de scholen niet om geconstateerde tekortkomingen tijdig te herstellen.
De Inspectie wijst daarbij nadrukkelijk op tekortschietende kwaliteitszorg. Deze leden
vragen de Minister hoe zij deze bevindingen beoordeelt en welke aanvullende maatregelen
zij neemt om scholen en besturen te ondersteunen bij het versterken van hun kwaliteitszorg.
De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat schoolleiders steeds meer tijd kwijt
zijn aan administratieve en organisatorische lasten en personeelstekorten, waardoor
zij minder toekomen aan hun onderwijskundige verantwoordelijkheid. Welke mogelijkheden
ziet de Minister om schoolleiders meer ruimte te geven voor onderwijskundig leiderschap
en kwaliteitsverbetering, zo vragen zij.
De leden van de VVD-fractie zijn daarnaast van mening dat een bekostigingssysteem
dat scholen voldoende ruimte geeft om verantwoordelijkheid te nemen een belangrijke
randvoorwaarde is voor goed onderwijs. Tegelijkertijd constateren zij dat in het Jaarverslag
wordt verwezen naar het uitgangspunt «structurele bekostiging voor structurele taken»
en naar het wetsvoorstel gerichte bekostiging. Kan de Minister aangeven wat de actuele
stand van zaken is van dit wetsvoorstel en hoe zij de balans ziet tussen autonomie
voor scholen enerzijds en gerichte sturing op beleidsprioriteiten anderzijds?
Excellentie vervolgonderwijs
De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat het vervolgonderwijs niet alleen
toegankelijk is, maar ook voldoende ruimte biedt voor talentontwikkeling en excellentie.
Nederland heeft behoefte aan goed opgeleide vakmensen, professionals, onderzoekers
én topstudenten.
De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister kan aangeven hoe talentontwikkeling
en excellentie een plek krijgen binnen de Nationale Talentstrategie. Hoe beoordeelt
zij de huidige beschikbaarheid van honoursprogramma’s en andere vormen van extra uitdaging
binnen mbo, hbo en wo? Acht zij deze voorzieningen voldoende toegankelijk en toekomstbestendig?
De leden van de VVD-fractie hechten daarnaast aan vlot studiesucces. Op welke wijze
stimuleert de Minister dat studenten hun opleiding succesvol en binnen een redelijke
termijn afronden, met behoud van aandacht voor studentenwelzijn en persoonlijke ontwikkeling?
Instroom tekortsectoren
De leden van de VVD-fractie zijn nog altijd van mening dat arbeidsmarktrelevantie
een belangrijker uitgangspunt moet worden binnen het vervolgonderwijs. Nederland kampt
immers met grote tekorten in onder meer techniek, zorg, onderwijs, defensie en de
energiesector.
De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister kan toelichten hoe arbeidsmarktrelevantie
en macrodoelmatigheid worden betrokken bij de verdere ontwikkeling van de bekostiging
van het mbo, hbo en wo. Op welke wijze krijgen onderwijsinstellingen en studenten
beter inzicht in de arbeidsmarktperspectieven van opleidingen?
De leden van de VVD-fractie lezen in het Jaarverslag dat in verschillende regio’s
maatregelen zijn genomen om vitale opleidingen te behouden bij dalende studentenaantallen.
Hoe beoordeelt de Minister de eerste resultaten hiervan? Welke rol speelt de (regionale)
arbeidsmarkt hierbij?
De leden van de VVD-fractie verwelkomen het voornemen tot het ontwikkelen van een
Nationale Talentstrategie. Deze leden zijn van mening dat Nederland veel gerichter
moet sturen op het opleiden van voldoende talent voor maatschappelijke en economische
sleutelopgaven. De leden vragen of de Minister kan aangeven hoe de strategie concreet
gaat bijdragen aan het vergroten van de instroom in tekortsectoren zoals techniek,
zorg en het onderwijs. Welke doelstellingen worden hiervoor geformuleerd en hoe worden
deze gemonitord? Wanneer kan de Kamer deze strategie verwachten, zo vragen deze leden
voorts.
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast hoe techniek en technologie structureel
worden verankerd in het funderend onderwijs. Welke rol ziet de Minister voor technologieonderwijs,
digitale vaardigheden en loopbaanoriëntatie bij het enthousiasmeren van leerlingen
voor technische opleidingen en beroepen?
Internationalisering
De leden van de VVD-fractie erkennen dat Nederland voor een aantal strategische sectoren
afhankelijk is van internationaal talent. Tegelijkertijd vinden deze leden dat internationale
studentenstromen beter moeten aansluiten op maatschappelijke behoeften en arbeidsmarkttekorten.
De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister kan aangeven voor welke sectoren
zij het aantrekken van internationaal talent van bijzonder belang acht. Hoe verhoudt
dit zich tot het beleid rondom internationalisering en de beheersing van de instroom
van internationale studenten? Daarnaast vragen deze leden welke rol internationaal
talent krijgt binnen de Nationale Talentstrategie en hoe wordt bevorderd dat afgestudeerde
internationale studenten behouden blijven voor tekortsectoren op de Nederlandse arbeidsmarkt.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van onderzoek en innovatie voor
het Nederlandse verdienvermogen en de toekomstige economische groei. Deze leden vinden
het daarbij van belang dat investeringen in onderzoek ook bijdragen aan het oplossen
van maatschappelijke uitdagingen en het versterken van de strategische positie van
Nederland.
Kan de Minister aangeven welke technologiegebieden en kennisdomeinen de komende jaren
prioriteit krijgen? Op welke wijze dragen investeringen in onderzoek en innovatie
bij aan het verminderen van strategische afhankelijkheden van andere landen en het
versterken van de Nederlandse concurrentiekracht?
Kennisveiligheid
De leden van de VVD-fractie hechten groot belang aan de bescherming van kennis, technologie
en onderzoek tegen ongewenste buitenlandse beïnvloeding. Tegelijkertijd is open internationale
samenwerking van groot belang voor wetenschap en innovatie.
De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister kan aangeven op welke termijn zij
uitvoering gaat geven aan de ambitie tot het screenen van wetenschappers van buiten
de EU die gaan werken met gevoelige informatie. Welke concrete maatregelen worden
genomen om kennisinstellingen weerbaarder te maken tegen ongewenste beïnvloeding?
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast hoe de investeringen in cyberweerbaarheid
binnen mbo, hbo en wo worden vormgegeven en hoe wordt geborgd dat ook kennisintensieve
bedrijven en innovatieve mkb-ondernemingen onderdeel zijn van de bredere aanpak van
kennisveiligheid.
Inbreng van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de stukken. Zij
hebben enkele vragen en opmerkingen.
Brief Beleidsreactie op Staat van het Onderwijs 2026
De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet de knelpunten van de Inspectie erkent
en er daarom voor kiest om € 1,5 miljard te investeren in onderwijs en onderzoek.
Kunnen de bewindspersonen aangeven hoe de € 1,5 miljard concreet wordt verdeeld over
de verschillende onderwijssectoren en hoe dit ten goede gaat komen in het aanpakken
van de benoemde knelpunten van de Inspectie? Hoe willen de bewindspersonen ervoor
zorgen dat het budget niet verdwijnt in algemene begrotingen, maar daadwerkelijk ten
goede komt aan het aanpakken van de knelpunten? Houden de bewindspersonen bij de besteding
van het geld ook rekening met de regionale verschillen die de Inspectie constateert
en op welke manier, zo vragen deze leden.
De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet kiest om extra te investeren in
vakmanschap voor de klas, zodat leraren de basisvaardigheden van hun leerlingen en
studenten duurzaam kunnen verbeteren. Hoe wordt ervoor gezorgd dat de extra investering
in vakmanschap daadwerkelijk bij leraren in de klas terecht komt? En hoe zijn de bewindspersonen
van plan ervoor te zorgen dat leraren daadwerkelijk voldoende tijd hebben om te investeren
in vakmanschap?
Bijlage de Staat van het Onderwijs 2026
1.1.1 Steekproefonderzoek funderend onderwijs
De leden van de PRO-fractie lezen dat de Inspectie aangeeft dat het niet voor alle
scholen duidelijk is wat de wetgever en de Inspectie bedoelen met kwaliteitszorg.
Deze leden willen graag weten wat eraan gedaan kan worden om de onduidelijkheid over
wat kwaliteitszorg precies is en over wat de verwachtingen zijn richting scholen weg
te nemen.
Ook lezen de leden van de PRO-fractie dat de Inspectie sinds 2013 constateert dat
leraren moeite hebben met differentiatie. Vanwege de hardnekkigheid van de tekortkomingen
in het differentiëren deed de Inspectie in 2025 de aanbeveling om meer werk te maken
van differentiatie en gaf het ter ondersteuning ook een globale omschrijving van wat
het onder differentiatie verstaat.
Verder lezen de leden van de PRO-fractie dat soms kleine aanpassingen in het aanbod,
een korte herhaling van de uitleg en een iets moeilijker variant van de opdracht vaak
al voldoende zijn om differentiatie te bereiken. Hoe kan dit beter onder de aandacht
gebracht worden van leraren? Hoe kunnen leraren beter ondersteund worden om differentiatie
onder de knie te krijgen en welke rol heeft het Ministerie van OCW hierin?
2.2.6 Middelen speciaal onderwijs
De leden van de PRO-fractie lezen dat een groot deel van de schoolleiders in het po
en het vo en de meeste bestuurders van samenwerkingsverbanden vinden dat wet- en regelgeving
rondom de besteding van middelen voor passend onderwijs het lastig maakt om voor elke
leerling een passende oplossing te bieden. Ook lopen zij tegen het probleem aan dat
wet- en regelgeving vereist dat uitgaven voor onderwijs en zorg worden gescheiden,
terwijl die niet goed te onderscheiden zijn. Ook zouden bestedingen die eigenlijk
nodig zijn niet toegestaan zijn. Deze leden zijn benieuwd of de Minister deze signalen
herkent en hoe de Minister hierop reflecteert. Welke knelpunten ziet zij, welke wet-
en regelgeving zorgt voor de grootste problemen en welke mogelijke oplossingen zijn
er?
Hoofdstuk 3 – Hoofdlijnen
De leden van de PRO-fractie lezen dat leesvaardigheid de sleutel is tot (onderwijs)succes.
Leraren zouden hieraan kunnen werken door bijvoorbeeld de dag te openen met een half
uur (voor)lezen. Deze leden zijn benieuwd hoe de Minister dit idee weegt, specifiek
met de kansengelijkheid tussen leerlingen in het achterhoofd. Bestaat er een risico
dat dit het verschil tussen sterke en zwakke lezers groter maakt? Moet een dergelijk
half uur met meer omgeven worden, bijvoorbeeld met gesprekken over hetgeen dat de
leerlingen gelezen hebben, en wat kan de Minister doen in ondersteuning hierbij richting
leraren?
Hoofdstuk 4 – Hoofdlijnen
De leden van de PRO-fractie lezen dat er regionale verschillen zijn in de onderwijsloopbanen,
die al vroeg beginnen en lang doorwerken in de onderwijsloopbaan. Door deze regionale
verschillen volgen bijvoorbeeld leerlingen met een vergelijkbare capaciteit in de
Randstad vaak een andere onderwijsloopbaan dan leerlingen elders in het land, of krijgen
po-leerlingen in de Randstad vaak kansrijkere adviezen dan vergelijkbare leerlingen
in het noorden en oosten van het land. Zo zijn er meer regionale verschillen, ook
ten aanzien van nabijheid van het onderwijs bijvoorbeeld. Deze leden vragen zich af
wat er gaat gebeuren om deze regionale verschillen aan te pakken. Welke concrete maatregelen
en ingrepen zijn er mogelijk om ervoor te zorgen dat kinderen in het gehele land dezelfde
kansen krijgen? Kan uitgebreid stilgestaan worden bij elk regionaal verschil waar
de Inspectie over bericht en de mogelijkheden om die verschillen te verkleinen?
Hoofdstuk 6 – Passend onderwijs
6.2.4. Leerlingen op residentiële scholen
De leden van de PRO-fractie zien dat er in de Staat van het Onderwijs een onderdeel
is opgenomen over leerlingen op residentiële scholen, waarbij tevens wordt stilgestaan
bij de gesloten jeugdzorg. Hier concludeert de Inspectie dat het moeilijk zicht te
houden is op de kwaliteit van het onderwijs aan deze specifieke groep leerlingen.
Deze leden vragen zich af wat er nodig is om ervoor te zorgen dat dit toezicht wel
goed geregeld wordt. De leden hebben dezelfde vraag ten aanzien van onderwijs is justitiële
jeugdinrichtingen.
Jaarverslag 2025 Inspectie van het Onderwijs
De leden van de PRO-fractie lezen dat de Inspectie, naar aanleiding van de wens van
de Kamer om scholen binnen haar bestaande capaciteit vaker te laten bezoeken, het
aantal scholenbezoeken al heeft opgeschaald, met specifieke aandacht voor scholen
die al langere tijd niet bezocht waren. Op zich klinkt dat goed, maar uit een recente
inventarisatie van het Onderwijsblad blijkt dat bij een derde van de schoolbesturen in het voortgezet onderwijs het laatste
bestuursonderzoek stamt uit 2018 of 2019.36
Vanzelfsprekend kennen de leden van de PRO-fractie het verschil tussen een schoolbezoek
en een bestuursonderzoek, maar wat zegt dit over de mate waarin de Inspectie binnen
haar bestaande capaciteit in staat is om jaarlijks een betrouwbaar beeld te geven
van de staat van ons funderend onderwijs, zoals het achtste lid van artikel 23 van
de Grondwet voorschrijft?
De leden van de PRO-fractie merken op dat de Inspectie in haar Jaarverslag meldt dat
op scholen die drie jaar op rij onder de ondergrens van het onderwijsresultatenmodel
scoorden en mogelijk te maken kregen met inspectiemaatregelen (zoals een kwaliteitsonderzoek),
de leerlingen een jaar later hogere eindtoetsscores behaalden. Ook dat klinkt mooi,
maar deze leden vragen of het onderwijsresultatenmodel wel altijd voldoende zegt over
goed onderwijs, zoals het werkelijk is bedoeld. Al eerder heeft de Kamer de motie
van het lid Moorman c.s. aangenomen over het bieden van inclusief onderwijs niet nadelig
laten uitwerken voor de beoordeling van scholen.37 Maar ook recentelijk bij het debat van 3 juni 2026 over onderwijskansen kwam het
onderwijsresultatenmodel aan de orde. Kunnen de bewindspersonen toelichten op welke
punten zij perverse prikkels uit het onderwijskansenmodel willen slopen die scholen
belonen voor exclusief en kansenbeperkend onderwijs, zo vragen de leden.
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
Jaarverslag 2025
De leden van de CDA-fractie lezen in het verantwoordingsonderzoek van de Algemene
Rekenkamer als een van de aanbevelingen dat het ministerie in haar jaarverslag beter
zou kunnen definiëren wat zij beoogd te bereiken met het door haar gevoerde beleid
zodat gemeten kan worden of de inzet ook daadwerkelijk het gewenste effect heeft gehad.
Deze leden vragen de Minister op welke wijze zij opvolging aan deze aanbeveling gaat
geven. Een van de beleidsdoelen waar een meetbare definitie ontbreekt, is het beleid
rondom gelijke kansen voor studenten in het mbo. De Algemene Rekenkamer geeft aan
dat door het ontbreken van een concrete definitie, en doelstelling, de Minister en
mbo-instellingen niet goed kunnen volgen of zij goed op weg zijn met het gelijkekansenbeleid.
Om die reden vragen de leden de Minister wanneer zij met een definitie komt van wat
in haar ogen gelijke kansen voor mbo-studenten zijn.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Algemene Rekenkamer de neergaande trend in
de basisvaardigheden als een beleidsmatige risico ziet. Deze leden delen het belang
van het doorbreken van deze trend. In dat licht is het positief om te lezen dat het
ministerie met het langetermijndoel 3a «basis in het funderend onderwijs op» binnen
het po goed op weg is. Tegelijkertijd lezen de leden dat het bereiken van dit doel
voor wat het vo betreft nog ver uit zicht is. Dit is met name te wijten, zo lezen
de leden, dat op het vmbo maar een klein deel van de leerlingen het basisniveau 2F
voor taal en rekenen beheerst. Zij vragen de Minister, ook mede gezien haar eigen
langetermijndoel, welke concrete maatregelen zij specifiek voor vmbo-leerlingen neemt,
zodat ook voor het vo het beoogde langetermijndoel wordt behaald.
De leden van CDA-fractie lezen dat de Algemene Rekenkamer geconstateerd heeft dat
het ministerie maar beperkt zicht heeft op de effectiviteit en doelmatigheid van de
toelaatbaarheidsverklaring-afgifte. Doordat de Minister niet controleert of het bedrag
dat scholen vragen klopt, is er een risico dat scholen onterecht te veel geld krijgen
wat ten koste kan gaan van het budget voor andere kinderen die een passende ondersteuning
nodig hebben. Deze leden vragen de Minister of zij voornemens is een controlemechanisme
in te stellen en zo ja, of zij kan aangeven wanneer dit wordt verwacht?
De Staat van het Onderwijs
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe zij, in lijn met de motie van het
lid Roodekerk c.s.38, ervoor gaat zorgen dat de Inspectie tenminste een keer per vier jaar per school
een bestuursonderzoek gaat uitvoeren. Volgens deze leden is dat met name van belang
in het licht van de tegenvallende resultaten op de basisvaardigheden zoals ook in
de Staat van het Onderwijs wordt beschreven.
De leden van de CDA-fractie lezen in de Staat van het Onderwijs dat er blijvende uitdagingen
zijn voor scholen in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Uit gesprekken die deze
leden met leerlingen uit het Caribisch Nederland voeren blijkt dat een van de uitdagingen
waar zij dagelijks mee te maken hebben, is dat het lesmateriaal wat zij gebruiken
gericht is op de Europees Nederlandse leerling en daarmee niet, of onvoldoende, aansluit
op de belevingswereld van de Caribisch Nederlandse leerling. De leden vragen de Minister
of zij dit probleem erkend en zo ja, welke stappen zij gaat zetten om ook voor de
leerlingen in Caribisch Nederland lesmateriaal te ontwikkelen dat op hun belevingswereld
aansluit.
De leden van de CDA-fractie hebben voor wat betreft het speciaal onderwijs nog een
aanvullende vraag over de mate waarin leermiddelen toereikend zijn. De leermiddelen
voor leerlingen in het speciaal onderwijs sluiten namelijk niet goed aan bij hun leeftijd.
Deze leden willen graag van de Minister vernemen wat het plan van aanpak is om de
situatie in de klas te verbeteren. Welke mogelijkheden zij ziet om de leermiddelen
beter aan te laten sluiten op wat deze doelgroep nodig heeft?
De leden van de CDA-fractie lezen over het burgerschapsonderwijs in de Staat van het
Onderwijs dat het voor scholen lastig blijkt hier praktisch invulling aan te geven.
Kan de Minister uiteenzetten of de Wet Kerndoelen scholen hierbij zal helpen of dat
er praktische ondersteuning nodig is? Zo ja, hoe kan de Minister dat vormgeven, zo
vragen deze leden.
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met zeer veel belangstelling kennisgenomen van
het Jaarverslag OCW 2025 en het onderzoek van de Algemene Rekenkamer en de Staat van
het Onderwijs 2025. Deze leden hebben nog de volgende vragen en opmerkingen.
Het is cruciaal dat de Tweede Kamer zo goed mogelijk zicht heeft op de uitgaven en
resultaten.
De leden van de JA21-fractie danken de Algemene Rekenkamer voor het Verantwoordingsonderzoek
Algemene Rekenkamer. De Algemene Rekenkamer concludeert dat de Minister van OCW beter
laat zien wat zij doet, maar niet wat zij heeft bereikt. Wat gaat de Minister doen
om beter in kaart te brengen en te rapporteren wat is bereikt ten aanzien van de belangrijkste
doelen van het ministerie? Specifiek vragen deze leden dit met betrekking tot het
verbeteren van de basisvaardigheden. Het is ook volgens de Algemene Rekenkamer «niet
duidelijk navolgbaar» hoeveel geld het Ministerie van OCW totaal in 2025 heeft besteed
aan het Masterplan Basisvaardigheden en wat de opbrengsten zijn, al is het volgens
door het kabinet aangehaalde onderzoekers te vroeg om dat te beoordelen. Kunnen de
bewindspersonen zo goed mogelijk uiteenzetten op welke manier de doelstellingen van
het Masterplan, en de beheersing van basisvaardigheden in het algemeen, worden geformuleerd
en gemonitord?
De leden van de JA21-fractie merken op dat de Algemene Rekenkamer ook constateert
dat niet duidelijk is gemaakt wat «gelijke kansen» zijn en dat dit nodig is om te
zien of het beleid dat daarvoor wordt gemaakt, werkt. Kunnen de bewindspersonen dat
verhelderen? Wat zijn «gelijke kansen»? In hoeverre menen de bewindspersonen dat gelijke
kansen te vertalen zijn in meetbare doelen? En hoe voorkom je dat het streven naar
gelijke kansen in de praktijk betekent «streven naar meer theoretisch opgeleiden»?
De leden van de JA21-fractie merken op dat de Algemene Rekenkamer aan geeft dat 26
procent van de leraren die overweegt van baan te wisselen administratie als de belangrijkste
reden noemt. Daarop stelt de Staatssecretaris dat het overgrote deel van de administratie
niet «direct» volgt uit wet- en regelgeving, maar is opgenomen in schoolbeleid en
werkprocessen en dat het daarom niet mogelijk is reductiedoelen te stellen. Mede gezien
het lerarentekort en het belang dat leraren zich kunnen richten op de kerntaak van
lesgeven, kan de Staatssecretaris desalniettemin nader toelichten of en in hoeverre
de administratieve druk voortvloeit uit «indirecte» wetten en regelgeving? Waarom
besluiten scholen tot dergelijke administratieve lasten, met welk doel, en in hoeverre
is onderzocht of wordt bekeken of dat effectief en doelmatig is? Op welke manier trekt
het kabinet nu samen met de Inspectie op om scholen meer duidelijkheid te bieden en
welke handvatten worden daarbij opgesteld? Zijn of worden er best practices ontwikkeld
die bijdragen aan verlichting van de werkdruk? Is een goed overzicht van de minimaal-verplichte
administratieve handelingen die scholen moeten verrichten? In hoeverre zijn deze taken
effectief te beleggen bij andere medewerkers dan docenten zelf?
De leden van de JA21-fractie constateren dat over de structurele overschrijding van
externe inhuur bij OCW en DUO, de Minister stelt dat dit deels wordt veroorzaakt door
moeilijk vervulbare vacatures, tijdelijke programma’s, politieke urgentie en ontwikkelingen.
Kan de Minister dat nader toelichten? Welke vacatures zijn zo moeilijk vervulbaar,
welke tijdelijke programma’s betreft het, welke piekbelasting, en hoe verhoudt dat
zich tot het structurele karakter van de overschrijding? Hoe heeft het aantal fte
dat op het Ministerie van OCW en bij DUO werkt zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld?
En hoe verhoudt dat zich tot de externe inhuur? De streefnorm van het kerndepartement
van OCW is 3,3 procent. Wat is daar de huidige externe inhuur, zo vragen de leden.
De leden van de JA21-fractie merken op dat de Algemene Rekenkamer uitgebreid heeft
gekeken naar het proces van de TLV. De Staatssecretaris constateert dat de afgifte
en registratie op veel plekken nog niet goed gaat, en de Algemene Rekenkamer ziet
dat de Staatssecretaris beperkt zicht heeft op dit proces. Waar gaat dat niet goed
en op welke manieren werkt de Staatssecretaris nu aan verbetering? De Algemene Rekenkamer
constateert dat niet wordt gecontroleerd of de ondersteuningscategorie die in de TLV
staat voor het (v)so overeenkomst met het bedrag dat DUO aan de scholen uitbetaalt.
Is dat ingewikkeld en/of tijdrovend? Waarom ontbreken in de uitspraken van de Landelijke
Bezwaaradviescommissie Toelaatbaarheidsverklaring in deskundigenverklaringen de eigen
afwegingen van de betrokken professionals? Is dat een manier om tijd te besparen en
in hoeverre is het omvat in de taakbeschrijving van de deskundigen, dat zij informatie
over de betreffende leerlingen verzamelen los van wat de school aanlevert? Hoe worden
deze deskundigen betaald voor hun werkzaamheden?
De leden van de JA21-fractie merken op dat het aantal leerlingen in (v)so is sterk
toegenomen, terwijl het doel juist was om het beroep daarop te beperken. De Algemene
Rekenkamer constateert dat er juist minder geld voor ondersteuning gaat naar de reguliere
scholen. Bij 14 samenwerkingsverbanden was het reguliere budget voor extra ondersteuning
hierdoor op. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris dat, mede in het licht van de passend
onderwijs-discussie?
Overige vragen over het Jaarverslag.
De leden van JA21-fractie constateren dat een paar schoolbesturen beschikken over
bijna de helft van het bovenmatige eigen vermogen. Kan de Minister aangeven hoe dat
komt, en hoe zij dat beoordeelt?
De leden van JA21-fractie willen de Minister nog nadrukkelijk vragen om meer inzicht
te verschaffen in de internationalisering van het hoger onderwijs, per opleidingen,
binnen clusters, door de tijd etc. conform ook de verzoeken van de rapporteurs voor
het Jaarverslag. Deze leden willen meer inzicht in het type opleidingen die in het
Engels worden gegeven en daardoor toegankelijk zijn voor internationale studenten
(behoudens kleinere groepen die Nederlands leren), en hoe dit de afgelopen tijd is
verschoven.
De leden van JA21-fractie merken op dat uit verschillende bronnen blijkt dat bijna
alle universiteiten bijvoorbeeld de opleiding psychologie ook in het Engels geven,
behalve de Universiteit van Utrecht die deze opleiding in het Nederlands aanbiedt.
In hoeverre vindt de Minister dit wenselijk? Is zij het eens met deze leden dat het,
voor bijvoorbeeld deze studie, het Nederlands de norm zou moeten zijn, en dat het
wenselijk is dat het aantal universiteiten dat psychologie in het Engels aanbiedt,
wordt beperkt?
De leden van JA21-fractie vragen of de Minister beschikt over informatie over de stay-rate
van internationale studenten specifieke opleidingen en universiteiten.
De leden van JA21-fractie merken op dat sinds 1 januari 2026 de inschrijfdatum van
nieuwkomers leidend is voor het de bekostiging van het onderwijs aan nieuwkomers,
de datum van de inschrijving in de Basisregistratie Personen wordt niet langer aangehouden
als startdatum voor de bekostiging. Hoe zal dit helpen om een einde te maken aan de
onzekerheid over de rechtmatigheid van een deel van de uitgaven aan het onderwijs
aan nieuwkomers (€ 158 miljoen in 2025)?
Staat van het Onderwijs
De leden van JA21-fractie vragen welke gevolgen het gegeven heeft dat bijna de helft
(44 procent) van de onderzochte mbo-opleidingen onvoldoende scoort. Welke stappen
wil de Minister zetten om dit te verbeteren?
Tot slot vragen de leden van JA21-fractie of de ambitie om voor iedere leerling individueel
maatwerk te bieden (te differentiëren) verband houdt met de werkdruk die leerkrachten
en leraren ervaren.
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Staat van
het Onderwijs 2026 en het Jaarverslag Onderwijs 2025. Deze leden danken de Inspectie
voor het opstellen van het rapport. Naar aanleiding hiervan hebben de leden nog enkele
vragen.
De leden van de BBB-fractie lezen in de Staat van het Onderwijs dat de regio waarin
een kind opgroeit nog altijd invloed heeft op de kansen die het krijgt in het onderwijs.
De Inspectie constateert onder andere verschillen in deelname aan voorschoolse educatie,
verschillen in het bijstellen van schooladviezen na de doorstroomtoets en verschillen
in doorstroommogelijkheden binnen het voortgezet onderwijs. Deze leden delen de conclusie
van de Inspectie dat het voor de kansen van een kind niet mag uitmaken waar zijn of
haar wieg heeft gestaan. Talent moet overal in Nederland tot zijn recht kunnen komen.
Kan de Minister uiteenzetten welke concrete maatregelen zij neemt om regionale verschillen
in onderwijskansen verder terug te dringen? Welke regionale verschillen hebben daarbij
volgens de Minister de hoogste prioriteit?
De leden van de BBB-fractie merken op dat de Inspectie constateert dat in zeer stedelijke
gebieden, zoals de Randstad, schooladviezen vaker worden bijgesteld naar aanleiding
van de doorstroomtoets dan in minder stedelijke gebieden. Ook na correctie voor achtergrondkenmerken
van leerlingen blijven deze verschillen bestaan. Kan de Minister aangeven welke verklaringen
zij ziet voor deze verschillen? Acht zij het wenselijk dat de kans op bijstelling
van een advies afhankelijk lijkt te zijn van de regio waarin een leerling woont?
De leden van de BBB-fractie onderschrijven het belang van sterke basisvaardigheden.
Lezen, schrijven en rekenen vormen immers de basis voor verdere ontwikkeling, vervolgonderwijs
en deelname aan de samenleving. De Inspectie constateert dat er breed besef bestaat
dat basisvaardigheden prioriteit moeten krijgen, maar dat de resultaten nog onvoldoende
verbeteren. Ook lezen deze leden dat veel scholen en besturen moeite houden met de
uitvoering van kwaliteitszorg en dat onvoldoende en zeer zwakke scholen blijven ontstaan.
De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister kan aangeven waarom de ingezette
maatregelen tot nu toe nog onvoldoende leiden tot een structurele verbetering van
de basisvaardigheden van leerlingen. Welke aanvullende mogelijkheden ziet de Minister
om de prestaties op taal en rekenen te versterken? Worden die mogelijkheden betrokken
bij het vernieuwde kennisrijke curriculum dat ingevoerd wordt, of worden die mogelijkheden
eerder benut?
De leden van de BBB-fractie merken op dat de Inspectie daarnaast constateert dat scholen
waar minder leerlingen de streefniveaus taal en rekenen behaalden soms overstapten
naar een andere doorstroomtoets en vervolgens betere resultaten lieten zien. Hoe duidt
de Minister deze ontwikkeling? Wat zegt dit volgens haar over de vergelijkbaarheid
van de verschillende doorstroomtoetsen?
De leden van de BBB-fractie onderschrijven dat iedere leerling een onderwijsloopbaan
moet kunnen volgen die past bij zijn of haar talenten, mogelijkheden en ambities.
Daarbij geldt voor deze leden nadrukkelijk dat passend onderwijs belangrijker is dan
een zo hoog mogelijk onderwijsniveau. Nederland heeft zowel vakmensen als theoretisch
opgeleide professionals hard nodig.
De leden van de BBB-fractie merken op dat de Inspectie beschrijft dat leerlingen in
de Randstad vaker «stapelen» binnen het voortgezet onderwijs dan leerlingen elders
in het land. Tegelijkertijd blijkt dat zogenaamde stapelaars gemiddeld een minder
gunstig arbeidsmarktperspectief hebben dan leerlingen die direct een opleiding volgen
die passend is bij hun niveau. Kan de Minister reflecteren op deze bevinding?
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat in het maatschappelijke en politieke debat
de afgelopen jaren veel aandacht is geweest voor mogelijke onderadvisering van leerlingen.
Deze aandacht heeft onder andere geleid tot aanpassingen rondom de doorstroomtoets
en het bijstellen van adviezen. Onderadvisering is heel kwalijk, maar ook te hoog
adviseren is niet goed. Deze leden willen dan ook aandacht vragen voor de omgekeerde
vraag. Waarom is nog niet onderzocht wat de gevolgen zijn van een mogelijk te hoog
schooladvies voor het verdere verloop van de schoolloopbaan en het latere arbeidsmarktperspectief
van leerlingen? Indien dit niet is onderzocht, is de Minister bereid een onderzoek
uit te laten voeren naar de vraag wat de effecten zijn van een aanvankelijk te hoog
schooladvies op onder andere:
• afstroom binnen het voortgezet onderwijs;
• voortijdig schoolverlaten;
• welzijn en motivatie van leerlingen;
• eventuele psychische problematiek;
• kansen op de arbeidsmarkt op langere termijn?
Kan daarbij expliciet worden onderzocht hoe deze uitkomsten zich verhouden tot de
uitkomsten van leerlingen die vanaf het begin onderwijs volgen op een niveau dat beter
aansluit bij hun capaciteiten? De leden achten een dergelijk onderzoek van belang
om een volledig beeld te krijgen van de gevolgen van zowel onder- als overadvisering.
De leden van de BBB-fractie vinden dat ieder kind recht heeft op goed onderwijs van
een bevoegde leraar. Deze leden onderschrijven daarom het uitgangspunt van de Staatssecretaris
dat bevoegde leraren de basis vormen van goed onderwijs. Tegelijkertijd constateren
de leden dat tijdelijke maatregelen die oorspronkelijk bedoeld waren om acute lerarentekorten
op te vangen steeds vaker worden besproken in het kader van een toekomstbestendig
onderwijsstelsel.
De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris kan toelichten hoe zij voorkomt
dat tijdelijke noodmaatregelen geleidelijk uitgroeien tot structureel beleid. Hoe
borgt zij dat de inzet van bevoegde leraren daadwerkelijk leidend blijft bij toekomstige
wet- en regelgeving?
De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat de oplossing voor het lerarentekort
primair moet worden gezocht in het opleiden, behouden en aantrekken van voldoende
leraren. Welke aanvullende stappen zet de Staatssecretaris op het gebied van zij-instroom,
het terughalen van bevoegde leraren die het onderwijs hebben verlaten en het verkorten
van maatwerktrajecten richting een onderwijsbevoegdheid, zo vragen deze leden.
Inbreng van de leden van de DENK-fractie
De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de Staat van het Onderwijs 2026
en het Jaarverslag 2025 en hebben naar aanleiding daarvan nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de DENK-fractie constateren dat de Staat van het Onderwijs een ongemakkelijke
werkelijkheid laat zien waarin het er nog altijd toe doet waar je wieg staat in ons
land. Deze leden constateren dat in de Randstad een veel groter deel van de leerlingen
(circa 88 procent) een opwaartse bijstelling van het schooladvies krijgt na de doorstroomtoets
dan in andere regio’s (circa 68 procent). Voorts vragen de leden de Staatssecretaris
te verklaren hoe het kan dat gelijke toetsprestaties leiden tot aanzienlijke verschillen
in de Randstad en daarbuiten. Tevens vragen zij welke aanvullende maatregelen de Staatssecretaris
gaat nemen om ervoor te zorgen dat de woonplaats van een leerling niet langer bepalend
is voor de kans op een hoger schooladvies, en wanneer de Kamer zal worden geïnformeerd
over de voortgang bij het verkleinen van deze regionale verschillen in schooladviezen.
De leden van de DENK-fractie constateren dat sociaaleconomische achtergrond, woonwijk
en geslacht nog steeds doorwerken in het schooladvies in het primair onderwijs. Tevens
constateren deze leden dat scholen met relatief weinig leerlingen met een migratieachtergrond
mogelijk minder aandacht hebben voor kansrijk adviseren. De leden vragen de Staatssecretaris
welke aanvullende maatregelen zij gaat nemen om te voorkomen dat achtergrondkenmerken
nog langer bepalen hoe kansrijk scholen adviseren en hoe zij borgt dat alle leerlingen
een kansrijk schooladvies krijgen.
De leden van de DENK-fractie constateren dat het per lerarenopleiding verschilt in
de kennis en vaardigheden die de studenten opdoen en dat de bekwaamheidseisen in veel
opleidingsroutes niet volledig zijn verwerkt in de leerdoelen van de onderwijseenheden.
Deze leden wijzen erop dat er hierdoor geen garantie bestaat dat alle (toekomstige)
leraren over dezelfde kennis beschikken om recht te doen aan de diversiteit in de
klas. Voorts vragen de leden hoe de Minister wil waarborgen dat de bekwaamheidseisen
daadwerkelijk leidend worden in de opzet van de curricula van lerarenopleidingen,
zodat de uitval van startende leraren op scholen met een complexe leerlingenpopulatie
zal afnemen en de druk van personeelskrapte zich niet zal concentreren op een beperkt
aantal scholen.
De leden van de DENK-fractie constateren dat er sprake is van onderuitputting van
meer dan € 67 miljoen op het budget voor studiefinanciering, door onder andere minder
uitwonende studenten. Deze leden benadrukken dat het studentenleven veel duurder is
geworden. Tevens vragen de leden de Minister het overschot dat gereserveerd was voor
studiefinanciering in te zetten om de rente op studieleningen te verlagen. Indien
de Minister hiertoe niet bereid is, vragen deze leden waarom middelen die bedoeld
zijn om studenten financieel te ondersteunen, niet worden gebruikt om de financiële
druk op studenten en oud-studenten te verlichten.
De leden van de DENK-fractie constateren dat er sprake is van onderuitputting op het
budget voor de bekostiging van het primair onderwijs, terwijl het aantal nieuw gestarte
basisscholen hoger ligt dan eerder geraamd. Deze leden wijzen erop dat uit het SEO-rapport
blijkt dat de startbekostiging voor nieuwe basisscholen, in het bijzonder voor scholen
met nieuwe besturen, ontoereikend is en pas laat beschikbaar komt.39 De leden vragen de Staatssecretaris of zij bereid is de onderuitputting op dit budget
in te zetten voor een pilot waarbij nieuwe scholen in het primair onderwijs al in
de opstartfase een vervroegde bekostiging ontvangen, in plaats van alleen achteraf.
Op die manier kan worden onderzocht of eerdere en hogere startbekostiging de financiële
drempels voor nieuwe besturen daadwerkelijk verlaagt en de instroom van nieuwe scholen
bevordert. Indien de Staatssecretaris hiertoe niet bereid is, vragen deze leden om
een toelichting waarom vrijgevallen middelen niet worden ingezet om belemmeringen
voor nieuwe onderwijsinitiatieven weg te nemen.
De leden van de DENK-fractie constateren dat € 4,2 miljoen aan subsidiebudget voor
het programma schoolmaaltijden onbenut is gebleven. Tevens constateren deze leden
dat de ondersteuning via schoolmaaltijden, ondanks een toegenomen behoefte onder kinderen,
niet langer wordt voortgezet tijdens de kerst- en zomervakantie. De leden vragen de
Staatssecretaris om het resterende overschot altijd in te zetten ten behoeve van deze
kinderen, zoals het verstrekken van een eenmalig pakket met houdbare voedingsmiddelen.
Indien de Staatssecretaris daartoe niet bereid is, verzoeken deze leden om een nadere
toelichting op deze keuze.
De leden van de DENK-fractie constateren dat schoolleiders in het voortgezet onderwijs
en (voortgezet) speciaal onderwijs in toenemende mate te maken krijgen met islamofobe
uitingen (18 procent). Deze leden vragen de Staatssecretaris welke aanvullende stappen
zij gaat zetten om islamofobie in het onderwijs terug te dringen, hoe zij scholen
ondersteunt bij het signaleren en aanpakken van islamofobe incidenten en op welke
wijze zij borgt dat moslimleerlingen en -medewerkers zich veilig en gesteund weten
binnen hun onderwijsinstelling.
De leden van de DENK-fractie constateren dat sommige studenten die zich op universiteiten
en hogescholen uitspreken over de genocide in Gaza zich psychisch onveilig voelen
door de handelingskaders binnen hun onderwijsinstelling. Deze leden vragen de Minister
hoe zij de psychische en fysieke veiligheid van studenten die zich uitspreken over
de genocide in Gaza waarborgt en hoe zij voorkomt dat studenten worden ontmoedigd
of gesanctioneerd om gebruik te maken van hun grondrecht op demonstratie en vrije
meningsuiting.
De leden van de DENK-fractie wijzen erop dat de genocide in Srebrenica wordt beschouwd
als de grootste genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog en dat de VN tijdens
de Algemene Vergadering in 2024 11 juli heeft aangewezen als internationale herdenkingsdag.
Deze leden onderschrijven dat onderzoek toont dat er weinig aandacht wordt besteed
in het onderwijs aan de genocide van Srebrenica.40 Deze leden vragen welke plaats de genocide in Srebrenica momenteel inneemt in het
geschiedenis- en burgerschapsonderwijs in het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs.
Tevens vragen de leden, indien deze genocide nog geen duidelijke plaats heeft in het
geschiedenis- en burgerschapsonderwijs, of de bewindspersonen bereid zijn met onderwijsinstellingen
in gesprek te gaan over hoe de genocide in Srebrenica een expliciete en feitelijke
rol kan krijgen in het onderwijsprogramma, en de Kamer hierover te informeren.
Inbreng van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de Staat van het Onderwijs
2026 en de bijbehorende beleidsreactie. Deze leden maken zich ernstige zorgen over
de aanhoudende daling van de onderwijskwaliteit en de effectiviteit van het gevoerde
beleid.
De leden vragen hoe de Minister de voortdurende en omvangrijke daling van de prestaties
op leesvaardigheid en woordenschat in de onderbouw van het voortgezet onderwijs verklaart,
en waarom de miljardeninvesteringen via het Masterplan basisvaardigheden na jaren
nog steeds niet tot een meetbare trendbreuk hebben geleid. Zij vragen om een reactie
op het feit dat een derde van de scholen in het funderend onderwijs er zelfs na een
herstelonderzoek niet in slaagt om de basiskwaliteit te bereiken, en welk concreet
instrumentarium de Inspectie gaat inzetten om dit hardnekkige falen van schoolbesturen
te doorbreken.
De leden van de Groep Markuszower vragen hoe de Minister het verantwoordt dat in de
steekproef maar liefst 40 procent van de onderzochte mbo-opleidingen als onvoldoende
of zeer zwak is beoordeeld, en waarom met name een gebrek aan «studiesucces» hierbij
de meest doorslaggevende negatieve factor blijkt te zijn.
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom het aantal ongeoorloofd thuiszittende
kinderen is gestegen naar ruim 19.000 en waarom het streven naar inclusief onderwijs
in de praktijk juist lijkt te leiden tot een verdere toename van leerlingen in het
gespecialiseerd onderwijs (vso), wat de druk op de kwaliteit in het regulier onderwijs
alleen maar verder vergroot.
De leden van de Groep Markuszower vragen welk moreel en politiek oordeel de bewindspersonen
vellen over de bevinding dat de helft van het bovenmatige publieke eigen vermogen
van bijna een miljard euro geconcentreerd is bij slechts 7 procent van de besturen,
terwijl op andere scholen leerlingen de dupe zijn van tekorten.
De leden van de Groep Markuszower vragen naar een toelichting op de zorgwekkende stijging
van het aantal meldingen van fysiek geweld en de verdubbeling van incidenten met vuurwerk
of brandstichting op scholen. Hoe kan de sociale veiligheid worden gegarandeerd als
ruim een kwart van de vo-scholen niet eens voldoet aan de minimale wettelijke eisen
voor veiligheidsbeleid?
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom het voor lerarenteams en schoolleiders
nog steeds «onduidelijk» is hoe te handelen bij ernstig pestgedrag, terwijl burgerschapsonderwijs
een wettelijke kernopdracht is. Schiet de professionalisering en de concrete aansturing
vanuit het ministerie hier niet fundamenteel tekort?
De leden van de Groep Markuszower leden vragen hoe het mogelijk is dat Nederlandse
leraren binnen een lesuur gemiddeld 30 procent van hun tijd kwijt zijn aan orde houden
en administratie, waardoor zij aanzienlijk minder effectief zijn dan hun internationale
collega’s, en welke directe maatregelen de Staatssecretaris neemt om deze enorme verspilling
van onderwijstijd te stoppen.
De leden van de Groep Markuszower vragen hoe de Minister aankijkt tegen de digitale
weerbaarheid van het onderwijs nu 80 procent tot 88 procent van de leraren aangeeft
niet over de benodigde kennis te beschikken om AI veilig en effectief in te zetten,
terwijl leerlingen en studenten deze technologie inmiddels massaal en ongecontroleerd
gebruiken.
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom de «wieg» nog steeds zo bepalend is
voor de onderwijsloopbaan, gezien de alarmerende constatering dat leerlingen in de
Randstad bij een gelijk toetsadvies vaker op een hogere schoolsoort belanden dan leerlingen
in regio’s buiten de Randstad.
De leden van de Groep Markuszower vragen naar een reactie op de bevinding dat de curricula
van voltijd pabo-opleidingen niet alle wettelijk verplichte bekwaamheidscategorieën
dekken in hun leerdoelen. Hoe kan de Minister de kwaliteit van het onderwijs garanderen
als de basisopleiding van nieuwe leraren gaten vertoont op het gebied van essentiële
bekwaamheden?
De leden van de Groep Markuszower kijken uit naar de reactie van de bewindspersonen.
II Reactie van de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.C. Koorevaar, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
C.H. Bosnjakovic , adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.