Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Diederik van Dijk over het artikel 'Three decades of 'Dutch Protocol' research has not produced reliable evidence'
Vragen van het lid Diederik van Dijk (SGP) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het artikel «Three decades of «Dutch Protocol» research has not produced reliable evidence» (ingezonden 2 juni 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 23 juni
2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Three decades of «Dutch Protocol» research
has not produced reliable evidence»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat vindt u van de harde kritiek van de auteurs op de onderbouwing van het gebruik
van puberteitsremmers en hormoonbehandelingen bij kinderen («Dutch Protocol»)?
Antwoord 2
Het kabinet vindt het van belang dat de wetenschappelijke discussie over de onderbouwing,
effectiviteit en veiligheid van transgenderzorg voor jongeren zorgvuldig, feitelijk
en met oog voor de betrokken jongeren wordt gevoerd. Het primaat voor de kwaliteit
van zorg ligt bij het zorgverleners en zorgaanbiedersveld aangezien het medisch-inhoudelijke
overwegingen betreft. Het is aan veldpartijen om gezamenlijk invulling te geven aan
wat goede transgenderzorg is, in dit geval in de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg
– Somatisch.
In Nederland wordt transgenderzorg voor jongeren geleverd via academische centra en
genderklinieken. Behandeling volgt pas na uitgebreide evaluatie, counseling en de
zogenaamde informed consent procedure. Tegelijkertijd erkent het kabinet dat er nationaal
en internationaal discussie bestaat over de wetenschappelijke onderbouwing van puberteitsremmers
en genderbevestigende hormoonbehandelingen bij minderjarigen. Juist daarom is de Gezondheidsraad
gevraagd hierover onafhankelijk te adviseren. Daarbij wordt onder meer gekeken naar
wat wetenschappelijk bekend is over de langetermijneffecten van puberteitsremmers
en genderbevestigende hormoonbehandelingen.
Vraag 3
Hoe beoordeelt u de conclusie dat decennialang onderzoek naar het Dutch Protocol geen
betrouwbaar bewijs heeft opgeleverd voor verbetering van de mentale gezondheid van
minderjarigen?
Antwoord 3
De beoordeling van de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs, waaronder de vraag
hoe sterk het bewijs is voor effecten op mentale gezondheid, vraagt om een systematische
weging van de beschikbare literatuur. De Gezondheidsraad is gevraagd om juist deze
stand van wetenschap in kaart te brengen, waaronder de gevolgen van puberteitsremmers
en genderbevestigende hormoonbehandelingen voor de fysieke en mentale gezondheid.
Het kabinet wil niet vooruitlopen op het advies van de Gezondheidsraad.
Vraag 4
Erkent u dat de methodologische onderbouwing van deze behandelingen uiterst kwestieus
is?
Antwoord 4
Met het beschikbare evidence-based onderzoek, inclusief de beperkingen ervan, wordt in kwaliteitsstandaarden door wetenschappers,
artsen/zorgprofessionals en patiënten samen bepaald hoe die zorg eruit zou moeten
zien. Daarin werkt de transgenderzorg voor jongeren hetzelfde als elke andere zorg.
Nederlandse genderteams hebben eerder onderschreven dat er behoefte is aan meer bewijskracht,
onder meer door studies met grotere aantallen en langere follow-upduur2. Deze worden dan ook uitgevoerd in Nederland (en daarbuiten). Jongeren die in Nederland
starten met een medische behandeling worden gevraagd deel te nemen aan onderzoek.
Tevens worden gegevens verzameld in de biobank van het Radboudumc3 en de Nederlandse behandelcentra zijn aangesloten bij een Europees netwerk (European
Reference Network) met een register (European Registries for Rare Endocrine and Bone
conditions) met een specifieke module voor Gender Incongruentie4.
Vraag 5
Waarom kiest Nederland er tot op heden voor om vast te houden aan het Dutch Protocol
terwijl landen als Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk hun benadering van transgenderzorg
bij kinderen allang hebben herzien?
Antwoord 5
Het kabinet heeft ervoor gekozen om de Gezondheidsraad om advies te vragen. Kortheidshalve
wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2 en 3.
Vraag 6
Wordt het genoemde artikel betrokken bij het lopende onderzoek van de Gezondheidsraad
naar transgenderzorg voor jongeren? Wanneer wordt dit onderzoek afgerond?
Antwoord 6
De Gezondheidsraad is een onafhankelijk adviesorgaan met ruime expertise in het selecteren
en wegen van de beschikbare wetenschappelijke literatuur. Het kabinet heeft voor publicatie
geen zicht op de literatuurselectie en weging door de Gezondheidsraad. Volgens de
actuele planning van de Gezondheidsraad wordt het advies over transgenderzorg voor
jongeren eind juni 2026 verwacht.
Vraag 7
Wordt dit artikel betrokken bij de herziening van de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg?
Wanneer wordt de herziene kwaliteitsstandaard gepubliceerd?
Antwoord 7
Het is aan de veldpartijen om te beoordelen welke literatuur bij de herziening van
de Kwaliteitsstandaard wordt betrokken. Zorginstituut Nederland (hierna: het Zorginstituut)
heeft de doorontwikkeling van de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch op
de Meerjarenagenda geplaatst. Verschillende fasen van de doorontwikkeling lopen vertraging
op voornamelijk als gevolg van de tijd die nodig was voor de evaluatie van de huidige
kwaliteitsstandaard Transgenderzorg – Somatisch en de beschikbare tijd van werkgroepleden.
In de transgenderzorg is er sprake van een kleine groep experts van wie veel wordt
gevraagd. Eerder werd de opleverdatum van de herziening al verplaatst van 1 augustus
2023 naar 30 september 20255. Het Zorginstituut Nederland heeft het kabinet recent laten weten dat de datum waarop
deze Kwaliteitsstandaard moet zijn aangeboden aan het Zorginstituut om te worden opgenomen
in het openbaar Register is verplaatst naar 30 september 2027. Het kabinet zal de
Kamer nader informeren over dit uitstel in de stand van zakenbrief, die nog voor het
zomerreces verzonden zal worden.
Vraag 8
Klopt het dat bij het wetenschappelijk onderzoek dat ten grondslag ligt aan het Dutch
Protocol een mannelijke patiënt is overleden als direct gevolg van complicaties na
colovaginaplastiek dat moest worden ingezet omdat er sprake was van onderontwikkeling
van penis en scrotum vanwege de toegediende puberteitsremmers?
Antwoord 8
Nee, dit klopt niet. Het betrokken ziekenhuis heeft aangegeven dat deze operatie geen
deel uitmaakte van een medisch-wetenschappelijk onderzoek.
Vraag 9
Is de dood van deze patiënt nader (onafhankelijk) onderzocht?
Antwoord 9
Ja. Het betreffende ziekenhuis geeft aan dat de casus als calamiteit is gemeld bij
de IGJ en tevens intern is geëvalueerd.
Vraag 10
Is dit gemeld bij de betrokken Medisch-Ethische Toetsingscommissie (METC)?
Antwoord 10
Zoals aangeven in antwoord op vraag 8 was in deze casus geen sprake van medisch-wetenschappelijk
onderzoek, maar van een reguliere behandeling. Daarmee bestond er voor het betreffende
ziekenhuis geen aanleiding om de casus te melden bij de Medisch-Ethische Toetsingscommissie
(METC) van de instelling.
Vraag 11
Wat is überhaupt de gebruikelijke procedure als een patiënt tijdens deelname aan een
behandeling in het kader van wetenschappelijk onderzoek komt te overlijden?
Antwoord 11
Als een patiënt tijdens deelname aan een behandeling in het kader van een klinische
studie die valt onder de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) komt
te overlijden, moet dat zonder vertraging maar niet later dan 7 dagen na kennisname
worden gemeld in het Clinical Trials Information System (CTIS), een informatiesysteem
van de Europese Unie. In Nederland ontvangt de CCMO deze meldingen en afhankelijk
van de melding wordt deze beoordeeld door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ),
de METC die de studie heeft toegelaten of de CCMO.
Vraag 12
Worden in Nederland gezondheidsuitkomsten op korte en lange termijn, complicaties,
spijt en detransitie systematisch bijgehouden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 12
Nederland heeft geen landelijk dekkend registratiesysteem waarin alle gezondheidsuitkomsten,
complicaties, spijt en detransitie van alle behandelde jongeren structureel en langdurig
worden bijgehouden. In het Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie van Amsterdam
UMC worden doorlopend
gegevens verzameld voor wetenschappelijk onderzoek. Zo worden trends in aanmeldingen
in de gaten gehouden, korte- en langetermijneffecten in kaart gebracht en de uitkomsten
van behandeling gemonitord6.
De Gezondheidsraad is gevraagd om in kaart te brengen wat wetenschappelijk bekend
is over de langetermijngevolgen van puberteitsremmers en genderbevestigende hormoonbehandelingen,
en spijt en detransitie. Het advies van de Gezondheidsraad wordt eind juni 2026 verwacht.
Vraag 13
Bent u bereid om dit te initiëren?
Antwoord 13
Het is aan onderzoekers en veldpartijen om gezondheidsuitkomsten bij te houden en
om invulling te geven aan medisch-wetenschappelijke onderzoeken. Zie ook het antwoord
op vraag 12.
Vraag 14
Hoe wordt gewaarborgd dat kinderen en hun ouders volledig worden geïnformeerd over
de onzekerheid rond de verwachte mentale gezondheidswinst evenals over bekende risico's,
zoals mogelijke onvruchtbaarheid?
Antwoord 14
Voor iedere medische behandeling geldt de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst
(WGBO). Dat betekent dat de zorgverlener de patiënt, en afhankelijk van de leeftijd
ook de ouders of wettelijk vertegenwoordigers, zorgvuldig moet informeren over de
aard en het doel van de behandeling, de te verwachten gevolgen en risico’s, mogelijke
alternatieven en de vooruitzichten. Veldpartijen geven aan dat het thema vruchtbaarheid
en toekomstige gezinsplanning tegenwoordig een uitgebreid en expliciet onderdeel van
de indicatiestelling is, waarbij het thema vanuit verschillende disciplines wordt
besproken en wordt meegenomen in de afweging om te starten met medische interventie.
Vraag 15
Wordt in de voorlichting aan kinderen en hun ouders expliciet vermeld dat er volgens
verschillende systematische reviews geen overtuigend bewijs bestaat dat de puberteitsremmers
en hormoonbehandelingen suïcidaliteit of depressie verminderen?
Antwoord 15
Conform de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg – Somatisch wordt pas overgegaan tot
behandeling na counseling, psychologische evaluatie en informed consent. In de gesprekken
tussen de jongere, ouders en behandelaren voorafgaand aan behandeling worden de voor-
en nadelen besproken van de behandeling. Op grond van de WGBO geldt dat informatie
over de behandeling evenwichtig en begrijpelijk moet zijn en dat relevante onzekerheden,
risico’s, alternatieven en verwachte effecten moeten worden besproken.
Vraag 16
Nu de wetenschappelijke onderbouwing voor de belangrijkste beoogde uitkomst van transgenderbehandelingen
bij kinderen, namelijk verbetering van mentale gezondheid zo onzeker is en deze behandelingen
kunnen leiden tot blijvende medische gevolgen zoals onvruchtbaarheid en levenslange
afhankelijkheid van hormoonbehandelingen: waarom acht u het dan nog steeds gerechtvaardigd
dat dergelijke behandelingen in Nederland plaatsvinden?
Antwoord 16
Somatische behandelingen bij jongeren worden, conform de kwaliteitsstandaard, alleen
uitgevoerd na zorgvuldige diagnostiek, psychologische evaluatie en begeleiding, een
individuele afweging van voordelen, risico’s en alternatieven en goed geïnformeerde
toestemming van de jongere en, afhankelijk van de leeftijd, diens ouders. Jongeren
die medische behandeling ondergaan worden gedurende het traject gemonitord om de voortgang
te volgen en eventuele negatieve gevolgen tijdig te herkennen.
Vraag 17
Welke medisch-wetenschappelijke ontwikkelingen zouden voor u aanleiding zijn om uw
huidige zienswijze met betrekking tot transgenderbehandelingen bij kinderen te heroverwegen?
Onder welke omstandigheden zou u concluderen dat deze behandelingen niet langer verantwoord
zijn?
Antwoord 17
Het is niet aan het kabinet om een medisch-inhoudelijk oordeel te geven en of conclusies
te trekken over afzonderlijke behandelprotocollen of wetenschappelijke publicaties.
De overheid bemoeit zich niet met de manier waarop zorgverleners zorg verlenen, voor
zover het medisch-inhoudelijke overwegingen betreft. Het is aan veldpartijen om gezamenlijk,
in professionele standaard en kwaliteitsstandaarden, invulling te geven aan de vraag
wat goede transgenderzorg is.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.