Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Keijzer over het bericht ‘De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: ’Verdeeldheid in de samenleving’
Vragen van het lid Keijzer (Keijzer) aan de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Onderwijs, Culuur en Wetenschap over het bericht «De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: «Verdeeldheid in de samenleving»» (ingezonden 6 mei 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid), mede namens de Ministers
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(ontvangen 23 juni 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026,
nr. 2050.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in
Nederland: «Verdeeldheid in de samenleving»»?1
Antwoord 1
Ja. De gesignaleerde invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland is
zeer zorgelijk en onwenselijk.
Vraag 2
Hoe verklaart u dat de betrokkenheid van netwerken gelieerd aan Hamas bij demonstraties
in Nederland volgens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) nu expliciet
wordt benoemd, terwijl signalen hierover volgens berichtgeving al veel langer bekend
zouden zijn?
Antwoord 2
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) heeft de taak, op basis van
de Wet op Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Wiv) 2017, onderzoek te doen naar
personen of organisaties die (aanleiding geven tot een ernstig vermoeden dat zij)
een dreiging vormen voor de nationale veiligheid.
De AIVD brengt jaarlijks een openbaar jaarverslag uit waarin verantwoording wordt
afgelegd over de activiteiten in het jaar ervoor. Dit schrijft de Wiv 2017 eveneens
voor. Dat signalen volgens berichtgeving al langer bekend zouden zijn, leidt er niet
automatisch toe dat de AIVD hierover in het openbaar rapporteert. De AIVD heeft in
de jaarverslagen van 2023, 2024 en 2025 melding gemaakt over onderzoek naar de mogelijke
dreiging vanuit de terroristische organisatie Hamas tegen de nationale veiligheid.
Vraag 3
Hoe kijkt u naar het feit dat eerdere Kamervragen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding,
aan Minister Robbert Dijkgraaf, destijds zijn beantwoord met de mededeling dat er
geen signalen waren?2 Hoe verhoudt zich dat tot de huidige bevindingen?
Antwoord 3
De Kamervragen waar uw Kamer naar verwijst, betreffen vragen of er signalen zijn van
financiële steun van buitenlandse donoren aan de acties van Pro-Palestijnse demonstranten
in Nederland, bijvoorbeeld de acties van Samidoun Nederland.3 Daarop is destijds geantwoord dat deze signalen niet bekend zijn.
Vraag 4
Kunt u aangeven wanneer het kabinet voor het eerst kennis heeft genomen van deze (nieuwe)
informatie en welke instanties (zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding
en Veiligheid, AIVD, Openbaar Ministerie of Inspectie) daarbij betrokken zijn geweest?
Antwoord 4
Het kabinet kan geen uitspraken doen of er informatie via de geëigende kanalen van
de AIVD is gedeeld, noch over de aard of het moment daarvan. Daarnaast doet de Nationaal
Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) geen onderzoek naar personen
en/of organisaties.
Vraag 5
Indien dergelijke signalen al langer bestonden, waarom is de Kamer hierover niet eerder
geïnformeerd?
Antwoord 5
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, kan het kabinet geen uitspraken doen
over welke informatie wanneer via de geëigende kanalen van de AIVD is verworven.
Vraag 6
Kunt u aangeven welke landen, fondsen of organisaties betrokken zijn geweest bij financiële
steun aan pro-Palestina-activiteiten, en via welke constructies of tussenpersonen
deze middelen zijn verstrekt?
Antwoord 6
In algemene zin geldt dat indien er sprake is van signalen van ongewenste buitenlandse
financiering, deze serieus worden genomen en waar nodig nader worden onderzocht door
de bevoegde instanties. Het kabinet doet geen uitspraken over mogelijke individuele
geldstromen, organisaties of landen indien dit betrekking heeft op lopende onderzoeken
of inlichtingeninformatie.
Vraag 7
Bij welke universiteiten, studentenorganisaties, universitaire netwerken of andere
organisaties is deze financiering (direct of indirect) terechtgekomen, en in welke
omvang en periode?
Antwoord 7
Het kabinet heeft op dit moment geen informatie waaruit dit blijkt.
Vraag 8
In hoeverre is er bij deze financiering sprake geweest van voorwaarden, verwachtingen
of ideologische sturing, bijvoorbeeld ten aanzien van politieke standpunten, campagnes,
demonstraties of academische programma’s?
Antwoord 8
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7, heeft het kabinet op dit moment geen
informatie waaruit dit blijkt.
Vraag 9
Acht u het aannemelijk dat buitenlandse financiering heeft bijgedragen aan radicalisering
binnen (universitaire) gemeenschappen, aan de normalisering of legitimering van antisemitische
uitingen onder het mom van activisme, en aan een aantasting van de academische vrijheid
en de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op Nederlandse universiteiten?
Antwoord 9
Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van vragen 7 en 8 beschikt het kabinet
momenteel niet over informatie waaruit dit blijkt. Het kabinet acht iedere vorm van
antisemitisme, intimidatie en bedreiging onacceptabel.
Vraag 10
Kunt u toelichten in hoeverre de informatiepositie van het kabinet ten aanzien van
buitenlandse beïnvloeding en extremistische netwerken in de afgelopen jaren tekort
is geschoten?
Antwoord 10
Het kabinet beziet voortdurend of de informatiepositie ten aanzien van extremisme,
terrorismefinanciering en ongewenste buitenlandse beïnvloeding voldoende aanleiding
geeft om maatregelen te kunnen treffen of doeltreffend te kunnen handelen. Daarbij
wordt nauw samengewerkt tussen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, opsporingsinstanties
en lokale partners. Zoals in ieder veiligheidsdomein geldt dat de informatiepositie
voortdurend in ontwikkeling is en aanpassing vraagt aan veranderende dreigingen en
netwerken.
Vraag 11
Kunt u toelichten op welke manier de aangenomen motie-Van Zanten (Kamerstuk 30 821, nr. 311) over onderzoeken in hoeverre pro-Palestijnse demonstraties op en via universiteiten
worden gefinancierd door buitenlandse mogendheden is of wordt uitgevoerd?
Antwoord 11
Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven, geldt in algemene zin dat dreigingen die
de sociale en politieke stabiliteit, als onderdeel van de nationale veiligheid, kunnen
aantasten, door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen worden onderzocht.
Waar de inlichtingen- en veiligheidsdiensten diensten concreet onderzoek naar doen
worden in het openbaar geen uitspraken over gedaan. Indien er sprake is van heimelijke
buitenlandse beïnvloeding of inmenging, kunnen de diensten anderen daarop alerteren,
zodat passende maatregelen kunnen worden getroffen.
Dat laatste kan onder meer binnen de rijksbrede aanpak van ongewenste buitenlandse
inmenging. Op basis van het dreigingsbeeld wordt voortdurend gekeken naar mogelijkheden
om risico’s op ongewenste inmengingsactiviteiten te voorzien, verstoren, verijdelen
of mitigeren.
Het kabinet is daarnaast in gesprek over mogelijkheden om de motie van Zanten ten
uitvoer te brengen, met name in relatie tot de (ontbrekende) grondslag tot het doen
van onderzoek naar personen of organisaties bij verschillende organisaties. Uw Kamer
wordt hier zo spoedig mogelijk over geïnformeerd.
Vraag 12
Welke concrete maatregelen worden op dit moment door het kabinet genomen om buitenlandse
financiering en beïnvloeding van pro-Palestina-activiteiten te signaleren, te monitoren
en waar nodig te stoppen?
Antwoord 12
In algemene zin geldt dat nauw wordt samengewerkt door de betrokken veiligheidspartners
om ongewenste buitenlandse financiering tegen te gaan. Om effectief op te kunnen treden
tegen ongewenste buitenlandse financiering dient de overheid zich te richten op specifieke
vormen van financiering. Nederland kent daarom een systeem waarbij in de eerste plaats
de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onderzoek kunnen doen in de gevallen waarin
er ernstige vermoedens zijn van financiering vanuit het buitenland die een gevaar
opleveren voor de democratische rechtsorde of waardoor risico’s ontstaan voor de nationale
veiligheid. Indien het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) notes verbales over
financieringsstromen van derde landen ontvangt, kan BZ deze doorsturen naar de AIVD.
Ook kent Nederland verschillende instrumenten om witwassen en terrorismefinanciering
tegen te gaan. Zo analyseert de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) ongebruikelijke
en verdachte transacties en kan de FIU deze delen met de opsporings-, inlichtingen-
en veiligheidsdiensten om hierop te acteren.
Daarnaast blijft Europese samenwerking in de aanpak van ongewenste buitenlandse financiering
van belang. Binnen het Radicalisation Awareness Netwerk (RAN) en diens opvolger de
EU Knowledge Hub on Prevention of Radicalisation, wordt gewerkt aan bewustwording
over het onderwerp binnen de lidstaten. Dit onder andere in de vorm van het delen
van best practices en het komen tot mogelijke maatregelen.
Daarnaast moest de voorgestelde Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke
organisaties (Wtmo) de overheid onder andere helpen bij het tegengaan van financiering
van activiteiten die de democratische rechtsstaat ondermijnen. Met dit voorstel werd
beoogd onwenselijke buitenlandse beïnvloeding door middel van ontvangen donaties bij
maatschappelijke organisaties in Nederland tegen te gaan. Zoals uw Kamer weet, is
de Wtmo op 24 maart jl. door de Eerste Kamer verworpen. Het kabinet beziet momenteel
welke aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen
– kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen. Uw
Kamer wordt voor het einde van dit jaar hierover geïnformeerd.
Vraag 13
In hoeverre zijn Nederlandse universiteiten en andere onderwijsinstellingen volgens
u kwetsbaar voor buitenlandse beïnvloeding via financiering, gastdocenten of samenwerkingsverbanden?
Antwoord 13
Universiteiten en hogescholen hebben de maatschappelijke opdracht om onderzoek te
doen en onderwijs te geven. Zij zijn hierin afhankelijk van internationale samenwerking,
deels van externe financiering naast de Rijksbijdrage en open kennisuitwisseling.
Het kabinet onderkent dat dit kansen én risico’s met zich brengt. In bepaalde gevallen
kunnen Nederlandse kennisinstellingen te maken krijgen met pogingen van statelijke
en niet-statelijke actoren tot beïnvloeding van meningen en inmenging in publicaties,
of worden pogingen gedaan wetenschappelijk onderzoek en onderzoeksresultaten te censureren.
Daarom zet het kabinet en de sector hoger onderwijs zich in voor versterking van kennisveiligheid,
zoals toegelicht in diverse Kamerbrieven hierover.4 In de nieuwe Nationale Leidraad Kennisveiligheid wordt hier extra aandacht aan besteed.5 Instellingen die hier vragen over hebben kunnen terecht voor advies bij het Loket
Kennisveiligheid.
Vraag 14
Welke concrete acties zijn sinds de ontvangen signalen over buitenlandse beïnvloeding
daadwerkelijk ondernomen en kunt u per actie aangeven wat het doel, de reikwijdte
en het resultaat is geweest?
Antwoord 14
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 11, geldt dat dreigingen tegen de sociale
en politieke stabiliteit door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen worden
onderzocht. Indien er signalen zijn van heimelijke beïnvloeding of inmenging, kunnen
de diensten anderen daarop alerteren. Indien sprake is van ongewenste buitenlandse
inmenging wordt niet geschroomd op te treden. Voor een actueel overzicht en het voorgenomen
beleid inzake ongewenste buitenlandse inmenging en beïnvloeding verwijs ik uw Kamer
naar de meest recente Kamerbrieven over dit thema.6
Vraag 15
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat Nederlandse organisaties, stichtingen
of informele netwerken worden gebruikt voor de financiering van terroristische organisaties
zoals Hamas?
Antwoord 15
Nederland zal altijd optreden tegen organisaties die als doel hebben om geweld te
plegen tegen onschuldige burgers. De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren
van terrorisme (Wwft) heeft als doel witwassen en terrorismefinanciering tegen te
gaan. Het verplicht meldingsplichtige instellingen (financiële instellingen/banken,
makelaars, notarissen, advocaten etc.) om cliëntenonderzoek te verrichten en ongebruikelijke
transacties te melden bij de Financial Intelligence Unit-Nederland. Terrorismefinanciering
is strafbaar gesteld in artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht. In geval er sprake
is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit kan een opsporingsonderzoek
gestart worden en kan het OM besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging.
Daarnaast is een aantal personen en terroristische organisaties op de Nationale sanctielijst
geplaatst, ook zijn terroristische organisaties in EU-verband gesanctioneerd. Bij
aanwijzingen van overtreding van de Sanctiewet kan het OM ook een strafrechtelijk
onderzoek starten en besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Ook het
lokaal bestuur (onder andere in het kader van de Wet Bibob) en de inlichtingen- en
veiligheidsdiensten kunnen onderzoek doen. Binnen het Financieel Expertisecentrum
(FEC)7, wordt in de TF-Taskforce samengewerkt tussen publieke en private organisaties en
wordt in het Programma FEC TF tussen publieke organisaties informatie gedeeld, om
zo inzicht te verkrijgen in de financiële netwerken.
Financiering via stichtingen met weinig transparantie over financiën en geen zelfregulering
wordt in de 3e National Risk Assessment (NRA) Terrorismefinanciering benoemd als één
van de risico’s.8 De onderzoekers constateren echter ook dat in Nederland hiertegen waarborgen bestaan.
Zo zijn er stichtingen met de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI).
Een stichting kan een ANBI-status krijgen als minimaal 90% van haar activiteiten het
algemeen belang dient, indien er geen sprake is van een winstoogmerk en wanneer zij
beschikt over een beperkt eigen vermogen. Een stichting met ANBI-status is verplicht
om specifieke gegevens, waaronder een financiële verantwoording, openlijk op de eigen
website te publiceren. Ook zijn er stichtingen met een Erkenning van het Centraal
Bureau Fondsenwerving (CBF), een onafhankelijke stichting die toezicht houdt op de
inzameling van geld voor goede doelen. Een CBF-erkenning geldt als keurmerk voor goede
doelen in Nederland die moeten voldoen aan enkele kwaliteitseisen en zich vrijwillig
laten toetsen. Stichtingen die hier niet aan voldoen kunnen deze status ook kwijtraken.
Indien een stichting geen ANBI-status of CBF-erkenning heeft en niet aan een vorm
van zelfregulering doet, zouden Wwft-poortwachters bij zo’n stichting nader cliëntonderzoek
kunnen verrichten om een goed beeld te verkrijgen van het daadwerkelijke risiconiveau
ten aanzien van terrorismefinanciering.
Los van het beleid omtrent stichtingen zijn er verschillende sancties van kracht tegen
Hamas en gelieerde organisaties die terrorisme financieren, zowel op nationaal als
op Europees niveau. Om inzicht te krijgen in de internationale geldstromen rondom
Hamas en financiering tegen te gaan is een specialistische taskforce opgericht bestaande
uit Financial Intelligence Units uit verschillende landen, waaronder Nederland. Ook
is er sinds januari 2024 een aanvullend Europees sanctieregime van kracht, gericht
op het bestrijden van de sponsoren en financiers van Hamas en de Palestijnse Islamitische
Jihad en daaraan geaffilieerde organisaties. Deze nieuwe regeling vormt een aanvulling
op de beperkende maatregelen die eerder in het kader van de EU-sanctielijst terrorisme
zijn aangenomen. Wanneer in Nederland stichtingen in verband kunnen worden gebracht
met het financieren van Hamas, kunnen deze op de nationale sanctielijst terrorisme
worden geplaatst. Zo staat de aan Hamas gelieerde Stichting Al Aqsa sinds 2003 op
deze lijst.
Daarnaast bezie ik, zoals aangegeven op het antwoord op vraag 12, momenteel welke
aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen
– kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen.
Vraag 16
Kunt u toelichten hoe toezicht wordt gehouden op geldstromen vanuit het buitenland
richting maatschappelijke organisaties en activistische netwerken in Nederland?
Antwoord 16
Graag verwijs ik uw Kamer naar het antwoord op vraag 12 voor een overzicht van de
bestaande instrumenten ter voorkoming van ongewenste buitenlandse financiering. Daarbij
heb ik toegezegd uw Kamer vóór het einde van dit jaar te informeren over de voortgang
met betrekking tot aanvullende instrumenten om ongewenste buitenlandse financiering
tegen te gaan.
Vraag 17
U heeft eerder aangegeven dat dit onderwerp voor u topprioriteit is en dat u hier
persoonlijk verantwoordelijkheid (chefsache) voor neemt; kunt u toelichten welke concrete
stappen u sindsdien zelf heeft gezet en hoe uit uw handelen blijkt dat u hier daadwerkelijk
de regie op voert?
Antwoord 17
De aanpak van extremisme, terrorismefinanciering en ongewenste buitenlandse beïnvloeding
heeft onverminderd prioriteit binnen het kabinet. Zoals aangegeven in het antwoord
op vraag 16 wordt er momenteel bezien welke aanvullende instrumenten kunnen worden
ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen. Voor het einde van
dit jaar zal ik uw Kamer informeren over de voortgang hierover.
Vraag 18
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Antwoord 18
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede namens
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties -
Mede namens
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.