Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Vellinga-Beemsterboer over het artikel ‘In tranen over dreigende boete voor alternatieve therapeuten: “Ik mag wel mensen blijven helpen maar dieren zijn nu dus taboe. Dat is toch bizar?”
Vragen van het lid Vellinga-Beemsterboer (D66) aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het artikel «In tranen over dreigende boete voor alternatieve therapeuten: «Ik mag wel mensen blijven helpen maar dieren zijn nu dus taboe. Dat is toch bizar?»» (ingezonden 7 mei 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Erkens (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)
(ontvangen 22 juni 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026,
nr. 1989.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel «In tranen over dreigende boete voor alternatieve
therapeuten: «Ik mag wel mensen blijven helpen maar dieren zijn nu dus taboe. Dat
is toch bizar?»»1, waarin wordt beschreven dat diertherapeuten door handhaving van de Nederlandse Voedsel-
en Warenautoriteit (NVWA) worden geconfronteerd met dreigende boetes tot 25.000 euro?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Kunt u aangeven hoeveel waarschuwingen, lastgevingen en boetes de NVWA in 2024 en
2025 heeft opgelegd aan diertherapeuten en op basis van welke typen handelingen deze
sancties zijn opgelegd?
Antwoord 2
De NVWA ontvangt signalen en meldingen over het mogelijk onbevoegd uitvoeren van diergeneeskundige
handelingen door onder andere osteopaten en craniosacraaltherapeuten.
Allereerst zijn er een tweetal meldingen gedaan over dry needling door diertherapeuten.
Dry needling mag sinds de publicatie in de Staatscourant op 9-12-2021 door dierenfysiotherapeuten,
geregistreerd in het Diergeneeskunde register, uitgevoerd worden. Op grond van de
Wet dieren is het verbreken van weefsels, en dus ook dry needling, een lichamelijke
ingreep en daarmee een diergeneeskundige handeling, die beroepsmatig in beginsel alleen
door dierenartsen mocht worden uitgevoerd. In 2024 is één inspectie uitgevoerd bij
een osteopaat naar aanleiding van een melding over dry needling bij dieren. Hierbij
is een officiële waarschuwing aangezegd. Daarnaast is één inspectie uitgevoerd bij
een opleider waarbij de melding eveneens betrekking had op dry needling. Hierbij is
geen interventie opgelegd.
Daarnaast heeft de NVWA sinds begin 2025 acht informatieve brieven verstuurd aan bedrijven
en behandelaars waarover meldingen waren gedaan dat mogelijk beroepsmatig diergeneeskundige
handelingen, anders dan dry needling, werden uitgevoerd door personen die daar op
grond van de Wet dieren niet toe bevoegd zijn. Tot op heden is één informatieve brief
verzonden met betrekking tot craniosacraaltherapie en zijn zeven informatieve brieven
verzonden met betrekking tot osteopathie. Deze brieven bevatten informatie over de
geldende wet- en regelgeving en verwijzen naar het dossier op de website van de NVWA
over het onderzoeken en behandelen van dieren. Wanneer na een eerdere waarschuwing
of informatieve brief nieuwe meldingen worden ontvangen, voert de NVWA fysieke inspecties
uit en treedt indien nodig handhavend op. Tot op heden is hier nog geen sprake van
geweest.
Vraag 3
Kunt u toelichten op welke wettelijke grondslag de NVWA concludeert dat behandelingen
door alternatieve diertherapeuten, zoals osteopathie en craniosacraal therapie bij
paarden, worden aangemerkt als diergeneeskundige handelingen die uitsluitend door
dierenartsen of daartoe bevoegde beroepsgroepen mogen worden uitgevoerd?
Antwoord 3
De definitie van een diergeneeskundige handeling volgt uit artikel 1.1 van de Wet
dieren en het verbod uit artikel 2.9 van de Wet dieren op het beroepsmatig verrichten
van diergeneeskundige handelingen door personen die daartoe niet bevoegd zijn.
Artikel 1.1 van de Wet dieren definieert een diergeneeskundige handeling onder meer
als: «het voorschrijven of uitvoeren van een behandeling of het onderzoeken van een
dier, met het oog op het voorkomen, genezen, verzachten, onderkennen of opheffen van
een aandoening, dierziekte, zoönose, ziekteverschijnsel, gebrek, of van in- of uitwendig
letsel of pijn».
Artikel 2.9, eerste lid, van de Wet dieren bepaalt dat het beroepsmatig verrichten
van diergeneeskundige handelingen uitsluitend is toegestaan aan personen die daartoe
wettelijk zijn toegelaten en zijn ingeschreven in het Diergeneeskunderegister. Bij
de beoordeling kijkt de NVWA niet naar de naam van een therapievorm, maar naar de
aard en het doel van de uitgevoerde handelingen.
De NVWA constateert dat in ieder geval bij osteopathie en craniosacraaltherapie handelingen
worden uitgevoerd die vallen onder deze wettelijke definitie. Voor deze beroepsgroepen
zijn op dit moment geen specifieke uitzonderingen opgenomen in wet- en regelgeving.
Dat betekent dat dergelijke handelingen, als ze worden aangemerkt als diergeneeskundige
handeling, uitsluitend beroepsmatig mogen worden uitgevoerd door personen die daartoe
bevoegd zijn binnen het diergeneeskundig stelsel. Het huidig wettelijk kader is leidend
in het toezicht en de handhaving van de NVWA.
Vraag 4
Deelt u de opvatting dat aanvullende therapieën, mits duidelijk afgebakend en uitgevoerd
na of in afstemming met een diagnose door een dierenarts, een complementaire rol kunnen
spelen bij het welzijn en herstel van dieren? Zo ja, hoe krijgt dit momenteel vorm
in wet- en regelgeving?
Antwoord 4
Het staat een diereigenaar vrij om complementaire therapie af te nemen die de eigenaar
nodig of wenselijk acht voor diens dier. De diertherapeut moet zich bij het uitvoeren
van de aanvullende/complementaire therapie houden aan geldende wet- en regelgeving.
Vraag 5
Erkent u dat het ontbreken van een beschermd beroep voor de diertherapeuten zowel
risico’s voor dierenwelzijn als onzekerheid voor goed opgeleide en zorgvuldig werkende
therapeuten met zich meebrengt?
Antwoord 5
Het reguleren van een beroep is een forse maatregel waarvoor een gedegen afweging
gemaakt dient te worden van onder andere de risico's voor de publieke belangen (dierenwelzijn,
diergezondheid, volksgezondheid, voedselveiligheid en milieu), de administratieve
last die regulering met zich meebrengt en de proportionaliteit en subsidiariteit van
het reguleren van een beroep.
Diergeneeskundigen zijn personen die beroepsmatig diergeneeskundige handelingen uitvoeren
en geregistreerd zijn in het Diergeneeskunderegister. Dit wettelijk stelsel garandeert
dat diergeneeskundigen bevoegd zijn om diergeneeskundige handelingen uit te voeren
én hier de juiste opleiding voor hebben gevolgd. Geregistreerde diergeneeskundigen
zijn dierenartsen, dierenartsassistenten paraveterinair, dierenfysiotherapeuten, embryotransplanteurs
en -winners, dierverloskundigen en castreurs. Regulering, en daarmee bescherming van
een beroepstitel in de veterinaire sector, betekent dat er bepaalde eisen worden gesteld
aan het werk en de opleiding om diergeneeskundige handelingen uit te voeren. De voorwaarden
voor toelating en de beschrijving van die diergeneeskundige handelingen die door bepaalde
beroepsgroepen mogen worden uitgevoerd zijn beschreven in het Besluit diergeneeskundigen.
De opleidingseisen zijn opgenomen in de Regeling diergeneeskundigen.
Vraag 6
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk en wenselijk is om opleidingen en kwaliteitseisen
voor diertherapieën te toetsen en eventueel te erkennen, zodat onderscheid kan worden
gemaakt tussen deskundige behandelaars en onbevoegde of onzorgvuldige aanbieders?
Antwoord 6
In het kader van dierenwelzijn vind ik het van belang dat diereigenaren goed geïnformeerd
zijn over de deskundigheid van een behandelaar. Het toetsen en erkennen van opleidingen
dragen bij aan kwaliteitsborging van diertherapieën. Zoals toegelicht onder vraag
5 is beroepsregulering een zwaar instrument dat vraagt om een goede afweging. Ik ben
bereid om te kijken met de beroepsgroep wat passend en wenselijk is bij dit vraagstuk.
Vraag 7
Bent u bereid om, in overleg met de NVWA, dierenartsen, diertherapeuten en sectororganisaties,
te bezien of nadere verduidelijking of aanpassing van beleid nodig is om zowel dierenwelzijn
als rechtszekerheid voor betrokken beroepsgroepen beter te borgen?
Antwoord 7
De definitie van een diergeneeskundige handeling is breed geformuleerd in de Wet dieren.
Naar aanleiding van de publicatie van het webdossier2 van de NVWA zijn hierover vragen gekomen vanuit de diertherapeuten.
De vraag is of de ruime definitie van artikel 1.1 en 2.9 van de Wet dieren zo bedoeld
is dat al deze handelingen onder die definitie vallen of dat er sprake is van onbedoelde
effecten. Dit geldt niet alleen voor osteopathie en craniosacraaltherapie, maar kan
ook impact hebben op het handelen van andere, niet- geregistreerde, diertherapeuten.
Niet elke handeling ten aanzien van een dier is een diergeneeskundige handeling die
is voorbehouden aan een diergeneeskundige. Gezien het belang van het dierenwelzijn,
de goede zorg voor het dier en de rechtszekerheid van de betrokken therapeuten zal
ik, samen met de sector en de NVWA, dit vraagstuk verkennen. Deze verkenning heb ik
nodig om een gedegen belangenafweging te maken en te bezien wat er nodig en passend
is om zowel de kwaliteit van de diergeneeskundige zorg als de rechtszekerheid voor
de betrokken therapeuten te borgen.
Vraag 8
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Antwoord 8
Ja.
Ondertekenaars
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.